|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1999-2000, 2000-2001, 27 030.
Handelingen II 2000-2001, blz. 1693-1694.
Kamerstukken I 2000-2001, 27 030 (88, 88a, 88b).
Handelingen I 2000-2001, zie vergadering d.d. 12 december 2000.
WET van 14 december 2000, Stb.
2000, 551, tot wijziging van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet
1928, de Wet
op de loonbelasting 1964, de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale
Verzekering. Inwerkingtreding: 28 december 2000.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie
Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz.
enz.
Allen, die deze zullen zien
of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is maatregelen te treffen ter bestrijding
van oneigenlijk gebruik met betrekking tot de overdrachtsbelasting, de Natuurschoonwet
1928 en de werkingssfeer van de Natuurschoonwet 1928
te verruimen met het oog op de fiscale stimulering van natuurbeheer
en dat het voorts wenselijk is de regeling in de loonbelasting en de
vennootschapsbelasting inzake werknemersopties aan te passen en in de
loonbelasting een regeling te treffen voor verlof en verlofsparen en tevens voor
de werknemersverzekeringen een regeling te treffen voor verlof
overeenkomstig die voor de loonbelasting;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij
deze:
[Voor de
socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]
Art.
IX.
De Coördinatiewet Sociale
Verzekering wordt als volgt gewijzigd:
A.
Aan artikel 4 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-3. Onder aanspraken worden
mede verstaan rechten op geheel of gedeeltelijk betaald verlof.
B.
Artikel 6 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Onder vervanging van de
punt aan het slot van onderdeel bb door een puntkomma wordt aan het
eerste lid een onderdeel toegevoegd, luidende:
cc. aanspraken:
1º. op vakantieverlof en
compensatieverlof, voor zover deze aanspraken aan het einde van het
kalenderjaar in totaal niet meer bedragen dan de arbeidsduur per week
gerekend over een periode van vijftig weken;
2º. op bij ministeriële
regeling aan te wijzen geclausuleerd verlof;
3º. op verlof tijdens rust-
en feestdagen.
2. Onder vernummering van
het twaalfde lid tot dertiende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
-12. Voor zover de aanspraken
op vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van het
kalenderjaar in totaal de in het eerste lid, onderdeel cc, onder 1º, opgenomen
begrenzing overschrijden, wordt het meerdere geacht te zijn genoten bij
het einde van het kalenderjaar of het einde van de dienstbetrekking zo deze
in de loop van het kalenderjaar eindigt.
3. In het tot dertiende lid
vernummerde lid wordt de tweede zin vervangen door: De bedragen,
genoemd in de derde kolom van de in het elfde lid opgenomen tabel,
worden bij het begin van het kalenderjaar van rechtswege vervangen door de
overeenkomstige bedragen die bij het begin van het jaar krachtens
artikel 11, zestiende lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 worden
vastgesteld ter vervanging van de bedragen opgenomen in de derde kolom
van de in het elfde lid van dat artikel opgenomen tabel.
C.
Na artikel 18e wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 18f.
Met betrekking tot op 31
december 2000 bestaande rechten op vakantieverlof en
compensatieverlof zijn artikel 4, derde lid, en
artikel 6, eerste lid, onderdeel cc,
onder 1º, niet van toepassing.
Art.
X.
-1. Deze wet treedt in
werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin zij wordt geplaatst.
-2. In afwijking in zoverre
van het eerste lid werkt artikel I, onderdeel B, C, onder 2, en C, onder 3,
terug tot en met 28 februari 2000.
-3. De referentieperiode van
een jaar, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
op belastingen van rechtsverkeer, is niet van toepassing voor zover deze
periode is gelegen vóór de datum van inwerkingtreding van deze
wet.
-4. Op de verkrijging
krachtens inbreng in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal
heeft, blijven wat de overdrachtsbelasting betreft de regels van
toepassing die gelden vóór de inwerkingtreding van deze wet indien wordt
aangetoond dat de inbreng het gevolg is van een vóór 28 februari 2000
bestaande schriftelijke overeenkomst.
-5. In afwijking in zoverre
van het eerste lid treden artikel II, onderdeel A, B, C, D, E, F en H,
eerste volzin, alsmede de artikelen III, IV en VI in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
-6. In afwijking van het
eerste lid treedt artikel II, onderdeel G, H, tweede volzin, I, J en L, in
werking met ingang van de in het eerste lid bedoelde datum, met dien
verstande dat op verkrijgingen in de zin van de Successiewet
1956 die hebben
plaatsgevonden vóór die datum de Natuurschoonwet
1928 van
toepassing is zoals die luidde op de dag voorafgaande aan de datum
van inwerkingtreding van deze wet.
-7. Indien deze wet in
werking treedt op een tijdstip na 1 juni 2000, worden de in artikel VII,
onderdeel G, in artikel 36a, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964,
genoemde data van 31 mei 2000 gewijzigd in de datum onmiddellijk
voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
14 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Financiën,
W.J. Bos
Uitgegeven de zevenentwintigste
december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
|
|