|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1999-2000, 26 943
Wijziging
van enige wetten teneinde de aanspraak jegens
bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen
afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De GBA en koppeling |
| 3 |
De gegevens |
| 4 |
Wanneer koppelen? |
| 5 |
Financiële
consequenties |
| 6 |
Voorlichting |
| 7 |
Vervolg |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
1. Sociale Zaken en
Werkgelegenheid |
| x |
Artikelen
I t/m VII |
| Hoofdstuk
2. Volksgezondheid,
Welzijn en Sport |
| x |
Artikelen
VIII t/m X |
| Hoofdstuk
3. Ministerie van
Justitie |
| x |
Artikel
XI |
| Hoofdstuk
4. Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen |
| x |
Artikelen
XII en XIII |
| Hoofdstuk
5. Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties |
| x |
Artikel
XIV |
| Hoofdstuk
6. Overgangs- en
slotbepalingen |
| xx |
Artikelen
XV t/m XVII |
Algemeen
1.
Inleiding
Fraudebestrijding
is één van de speerpunten van het kabinetsbeleid op het gebied van de
rechtshandhaving. Een efficiënte en effectieve uitwisseling en
afstemming van gegevens tussen overheidsorganisaties is daarbij van groot belang.
De Nota gegevensuitwisseling ter bestrijding van misbruik en
oneigenlijk gebruik van belastingen, sociale zekerheid en subsidies (Kamerstukken
II 1991-1992, 17 050, nrs. 145-146) noemt een aantal administraties
tussen welke uitwisseling van gegevens zal plaatsvinden. Uit deze basisadministraties putten tal van overheidsorganisaties
gegevens die zij voor hun
taakuitoefening nodig hebben.
De basisadministratie
voor persoonsgegevens is de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (GBA). Ter uitvoering van één van de actiepunten van de
hiervoor vermelde "Nota gegevensuitwisseling" heeft het kabinet bezien
op welke wijze het gebruik van de GBA kan worden bevorderd teneinde
de functie van de GBA in het kader van de fraudebestrijding te
optimaliseren. Daartoe is een tweetal sporen gevolgd. Het eerste spoor, waarvan
dit wetsvoorstel de juridische uitwerking vormt, richt zich specifiek op
de verhoging van de betrouwbaarheid van gegevens die op basis van
de eigen aangifte van de burger worden opgenomen. Daarbij gaat
het met name om het adresgegeven. Door de burger een belang te
geven bij de juistheid van deze gegevens door bepaalde
overheidsprestaties afhankelijk te maken van een juiste inschrijving in de
GBA,
wordt de betrouwbaarheid van deze gegevens in de GBA verhoogd en fraude
met overheidsvoorzieningen tegengegaan. Het tweede spoor betreft
de meer algemene verbetering van de kwaliteit van de GBA-gegevens door
de ontwikkeling van een pakket kwaliteitsbevorderende maatregelen. Activiteiten
in het kader van dit tweede spoor zijn onder andere de
invoering van de periodieke GBA-audit, opleidingen en de verzorging van
handboeken en ander voorlichtingsmateriaal van overheidswege.
In de periode 1995-1996
heeft een ambtelijke interdepartementale werkgroep zich gebogen
over de vraag welke overheidsvoorzieningen op rblz.|2|
welke wijze afhankelijk
kunnen worden gemaakt van de in de GBA opgenomen gegevens. In de
gevallen waarin een dergelijke koppeling niet opportuun werd geacht, is
als alternatief een terugmeldingsverplichting opgenomen. Van een
terugmelding is sprake als een overheidsorgaan dat gegevens heeft
vastgesteld die afwijken van de in de GBA opgenomen gegevens, deze afwijking
meldt aan de GBA.
2. De GBA en koppeling
Enkele uitzonderingen
daargelaten, is iedere burger die voor langere tijd rechtmatig in Nederland
verblijf houdt, ingevolge het bepaalde in de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA), verplicht zich tijdig en correct
bij de GBA te doen inschrijven.
De GBA bevat een basisset
van veel gebruikte, algemene en objectieve persoonsgegevens, waar
registraties in tal van beleidssectoren gemeenschappelijk belang bij hebben.
Wanneer instellingen en organen daartoe zijn geautoriseerd,
kunnen zij aan de GBA de voor hun taak noodzakelijke algemene persoonsgegevens
ontlenen, teneinde door de burger verstrekte
persoonsgegevens te verifiëren in de GBA.
De grondgedachte achter
de koppeling is eenvoudig: als een juiste inschrijving in de GBA
een voorwaarde wordt voor het verkrijgen van voorzieningen zoals
uitkeringen of subsidies, krijgt de burger meer belang bij een tijdige en juiste
inschrijving en zal de betrouwbaarheid van GBA-gegevens toenemen.
Concreet betekent koppeling dat, indien de adresgegevens van belang
zijn voor het recht op of de hoogte van een uitkering, de behandeling
van een aanvraag voor een voorziening, het recht op de voorziening,
dan wel de uitbetaling daarvan, wordt opgeschort als de door de
aanvrager verstrekte gegevens niet overeenstemmen met de in de GBA
opgenomen gegevens. Het spreekt voor zich dat de situatie waarin
blijkt dat de aanvrager in het geheel niet is ingeschreven in een
basisadministratie, terwijl dat ingevolge de GBA-regelgeving wel het geval had
moeten
zijn, moet worden gelijkgesteld met de situatie dat de aanvrager
daarin met een onjuist adres is opgenomen. In dat geval zal betrokkene
zich in beginsel eerst moeten laten inschrijven, alvorens het recht op
(een deel van) de overheidsvoorziening waarvoor de aanvraag is ingediend,
ontstaat.
De aanvrager krijgt dan
een bepaalde termijn om hetzij de GBA-inschrijving of de in de GBA opgenomen
gegevens, hetzij de aan het uitvoeringsorgaan verstrekte gegevens zo te
corrigeren dat zij overeenstemmen met de werkelijkheid. Als
blijkt dat een gegeven in de GBA niet (meer) juist is, dan wordt het bewuste
gegeven in de GBA geactualiseerd. Vervolgens wordt het nieuwe gegeven
gemeld aan alle afnemers, waaronder het betrokken
uitvoeringsorgaan. Het uitvoeringsorgaan kan vervolgens een inhoudelijke
beslissing
nemen over de gevraagde voorziening dan wel tot uitbetaling overgaan.
De koppeling
veronderstelt dat het uitvoeringsorgaan de door de aanvrager verstrekte
gegevens kan vergelijken met de gegevens uit de GBA. Met andere woorden:
het uitvoeringsorgaan dient te beschikken over actuele GBA-gegevens.
Dit is het geval als het uitvoeringsorgaan afnemer is in de zin van
de Wet
GBA. Voorwaarde voor de koppeling is ook dat de gemeenten
zorgen voor een snelle en adequate verwerking van mutaties. Anders kan
de overheid haar prestaties in redelijkheid niet opschorten totdat de
GBA-gegevens in overeenstemming met de werkelijkheid zijn
gebracht. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. Verwerking van mutaties
binnen één werkdag is één van de beheerseisen van de GBA die in het
Logisch Ontwerp is opgenomen.
rblz.|3|
Een derde belangrijke
voorwaarde is dat regelmatig feitelijk wordt gecontroleerd of de
gegevens die in de GBA zijn opgenomen, overeenstemmen met de werkelijkheid. Dat
gebeurt enerzijds door feitelijke controle door de gemeenten en de reeds bestaande terugmeldingsverplichting van de
belastingdienst,
de provinciale entadministraties en de Sociale Verzekeringsbank.
Anderzijds levert de in dit wetsvoorstel vervatte koppeling een bijdrage
daaraan.
De verantwoordelijkheid
voor de juistheid van GBA-gegevens berust primair bij de gemeenten
als beheerders van de GBA. Dit laat echter onverlet dat
uitvoeringsorganisaties zelf verantwoordelijk blijven voor de juistheid van de gegevens
waarop zij hun beslissingen baseren. Zij kunnen deze gegevens
verifiëren bij de GBA, maar ook bij de burger zelf. Daarnaast dragen de
uitvoeringsorganen een zekere medeverantwoordelijkheid voor de betrouwbaarheid
van de GBA, die immers een basisadministratie voor de gehele publieke
sector is. Uitvoeringsorganen kunnen aan deze
verantwoordelijkheid uitdrukking geven door hun eigen gegevens te vergelijken
met GBA-gegevens en discrepanties aan de GBA te melden, maar ook door
resultaten van eigen controles aan de GBA door te geven. Omdat van geen
enkel uitvoeringsorgaan, noch van de gemeenten als beheerders
van de GBA, gevergd kan worden dat zij alle adresmutaties fysiek controleren, is het van groot belang dat de verschillende
onderdelen van de
overheid zoveel mogelijk profiteren van elkaars bevindingen.
Het gaat erom te
voorkomen dat de burger zich aan ieder uitvoeringsorgaan kan presenteren op de
wijze die voor hem het voordeligst is. Juist daarom is het van belang
dat de burger op zijn verantwoordelijkheid voor een juiste inschrijving
wordt gewezen. De koppeling kan daaraan bijdragen. Op zichzelf
garandeert een koppeling niet dat burgers in alle gevallen het feitelijk
juiste adres opgeven; zij maakt calculerend gedrag slechts moeilijker.
Benadrukt moet echter worden dat de koppeling niet meer - maar ook niet
minder - is dan een nuttige aanvulling op fysieke en andere controles. Zij kan
op zichzelf dergelijke controles niet vervangen.
3. De gegevens
De GBA bevat een reeks
van persoonsgegevens. Naast de zogenoemde NAW-gegevens (naam,
adres, woonplaats) bevat zij gegevens over onder meer geboortedatum,
burgerlijke staat en dergelijke. Veel van deze gegevens kunnen onder
omstandigheden van belang zijn voor het recht op of de hoogte van een overheidsprestatie. Zo is de leeftijd van een
persoon van belang voor
het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet en
de Algemene Kinderbijslagwet.
Voor de koppeling zijn
echter niet alle gegevens even interessant. Binnen het geheel van de over
een burger te registreren gegevens is een aantal daarvan als kritisch aan
te merken. Dat zijn de gegevens die het recht op of de omvang (hoogte
en/of duur) van de overheidsprestaties kunnen beïnvloeden, en die
relatief onbetrouwbaar zijn.
Of een gegeven kritisch
is, kan per doelgroep en per regeling verschillen. Het meest kritisch is in
de praktijk het adresgegeven. Het adres van de aanvrager is in veel
gevallen van belang voor het recht op of de omvang van een
overheidsprestatie. Soms is het adres rechtstreeks relevant, bijvoorbeeld bij
regelingen die onderscheid maken tussen uit- en thuiswonende kinderen,
maar vaker nog is het belang indirect. Het adresgegeven kan immers
een indicatie zijn voor de leefvorm van een belanghebbende. De
leefvorm is op zijn beurt in nogal wat gevallen van belang voor het recht op
of de hoogte van een overheidsprestatie. Het adresgegeven is voor
individuele overheidsinstellingen moeilijk controleerbaar en daarmee relatief
onbetrouwbaar. Enerzijds doordat het relatief vaak verandert,
anderzijds doordat de overheid, mede als gevolg van die rblz.|4|
frequente wijzigingen,
voor het verkrijgen van het adresgegeven sterk afhankelijk is van de eigen opgave van de burger.
In percentages uitgedrukt
lijkt daarentegen ook het adresgegeven in de GBA zeer betrouwbaar.
Zowel in 1994 als in 1998 is door het ministerie van Binnenlandse Zaken
een onderzoek gedaan waarbij in enkele gemeenten
steekproefsgewijs werd gecontroleerd of kiesgerechtigden inderdaad woonden op het
adres waarnaar hun oproepkaarten waren gezonden. Daaruit bleek
in 1994 dat in 97,5% van de gevallen het in de GBA geregistreerde adres
juist was. In 1998 bleek dit percentage te zijn gestegen tot 98,5%.
Slechts 1,5% van de geregistreerde adressen bleek onjuist of werd vermoed
onjuist te zijn. Ook bij deze percentages hebben we het echter over
honderdduizenden personen. Bovendien staat niet vast dat de onjuiste adressen
gelijkelijk over de bevolking zijn verdeeld. Niet kan worden uitgesloten
dat onjuiste registratie van het adres juist bij personen die een beroep
doen op financiële voorzieningen vaker voorkomt dan gemiddeld,
omdat deze personen vaker een belang hebben bij onjuiste registratie.
Uit het adresonderzoek van 1998 bleek dat met name jongeren beduidend
vaker op een onjuist adres in de GBA stonden ingeschreven dan andere ingeschrevenen. Het onderzoeksbureau
Regioplan Stad en Land
heeft een onderzoek verricht naar de effecten van een koppeling van de Wet
op de studiefinanciering (WSF) [zie Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000), red.] en de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS) [zie Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), red.]
aan de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens (aangeboden aan de Tweede Kamer bij brief van de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 13 maart 1998, Kamerstukken
II 1997-1998, 24 724, nr. 20). Daaruit blijkt dat
27% van de uitwonende
studenten zelf aangeeft onjuist in de GBA geregistreerd te staan.
Overigens leek de achtergrond daarvan in het algemeen onwetendheid of
laksheid bij de betreffende studenten te zijn en was fraude met
overheidsvoorzieningen geen primaire oorzaak van de onjuiste inschrijving.
4. Wanneer koppelen?
De koppeling beoogt een
bijdrage te leveren aan de fraudebestrijding door de betrouwbaarheid
van het adresgegeven in de GBA te vergroten en te voorkomen dat
burgers bij de aanvraag van overheidsvoorzieningen steeds andere
(adres)gegevens
kunnen verstrekken.
Bij de uitwerking van de
koppeling is ervoor gewaakt dat de uitvoering voor burgers en
uitvoeringsorganen gelet op het te bereiken doel geen onredelijke belasting met
zich brengt.
Sinds medio 1994 is de
inschrijving in de GBA reeds een voorwaarde voor het verkrijgen van
individuele huursubsidie. Artikel 9 van de Huursubsidiewet
(voorheen
artikel 3a van de Wet individuele huursubsidie) bepaalt dat individuele
huursubsidie slechts wordt verstrekt indien de huurder en eventuele
personen met wie hij duurzaam samenleeft op 1 juli op het adres van de
woning waarvoor subsidie wordt gevraagd in de GBA staan ingeschreven
en daarnaast op dat adres geen andere personen staan
ingeschreven. De
wet houdt daarbij rekening met de verwerking van
verhuismutaties en kent een hardheidsclausule.
In andere regelgeving is
een dergelijke koppeling tot op heden niet neergelegd.
Door de
interdepartementale werkgroep is een groot aantal wettelijke regelingen bekeken,
waarna het voor een aantal wetten die vallen onder de verantwoordelijkheid
van een viertal ministeries zinvol werd geacht om een koppeling aan te
brengen. Het gaat daarbij vooral om wetgeving op het terrein van de
sociale zekerheid en wetgeving met betrekking tot de studiefinanciering. De
relevante wetgeving komt in de artikelsgewijze toelichting uitgebreid
aan de orde.
rblz.|5|
De
interdepartementale
werkgroep heeft aangegeven dat een koppeling ook zinvol wordt geacht
voor de uitvoering van de Vreemdelingenwet. Een wijziging van die wet
is echter niet opgenomen in het onderhavige
wetsvoorstel. De reden
hiervoor is dat ten aanzien van de Vreemdelingenwet reeds een afzonderlijke
wetswijziging is aangekondigd waarin de koppeling zal worden
gerealiseerd [zie Koppelingswet, red.]. In dit wetsvoorstel blijft de Vreemdelingenwet dan ook verder buiten
beschouwing.
5. Financiële
consequenties
De invoering van de
koppeling zal vooral in de aanloopfase kosten met zich meebrengen voor de
uitvoerende instellingen. Met name valt dan te denken aan wijzigingen in
computerprogrammatuur en uitvoeringsprocedures. Tenslotte is het niet
onaannemelijk dat het gebruik van rechtsmiddelen tegen negatieve besluiten, op grond van de geconstateerde
discrepantie tussen de
GBA-inschrijving en het aan een uitvoeringsinstelling verstrekte adresgegeven,
een toename zal laten zien. Dat laatste is echter onvermijdelijk in een traject waarin wordt gestreefd naar
een optimale
fraudebestrijding.
De verwachting is echter
gerechtvaardigd dat ieder departement de aan de invoering van de
koppeling verbonden kosten in ieder geval zal kunnen compenseren uit de
opbrengsten die ontstaan doordat fraudegevallen aan het licht worden gebracht
en deze onterechte uitkeringen daarmee worden beëindigd. In het
kader van de evaluatie van de wet zal bekeken worden in welke mate de
fraudebestrijdende maatregelen meeropbrengsten hebben, die de
incidentele en structurele kosten overstijgen.
6. Voorlichting
De gevolgen van de
invoering van de koppeling kunnen voor individuele personen ingrijpend zijn.
Personen die nu met onjuiste adresgegevens in de GBA zijn
geregistreerd, kunnen bij de eerstvolgende beoordeling van hun recht op een
overheidsvoorziening, na een waarschuwing dit te herstellen, het recht op
deze voorziening kwijtraken. Daarnaast is het van belang dat toekomstige
aanvragers van overheidsvoorzieningen worden gewezen op de koppeling
van het recht op die overheidsvoorziening aan de in de GBA opgenomen gegevens, zodat de aanvrager deze gegevens,
zo nodig, voorafgaand aan
de aanvraag kan verbeteren.
Een goede voorlichting is
daarom van groot belang. De betrokken departementen zullen
tijdig vóór inwerkingtreding van de wet de voorlichting aan hun
uitvoeringsinstellingen en de voor hen relevante doelgroep onder de
burgers verzorgen.
7. Vervolg
De koppeling en de
terugmeldingsverplichting kunnen in theorie natuurlijk ook worden toegepast ten
aanzien van andere in de GBA opgenomen persoonsgegevens dan het
adres. Er is in dit wetsvoorstel voor gekozen om vooralsnog de
koppeling te beperken tot het in de GBA opgenomen adresgegeven. Het adresgegeven blijkt in de uitvoeringspraktijk het meest
fraudegevoelig en is
bovendien voor veel overheidsprestaties van belang, omdat het een - niet
onbelangrijke - indicatie geeft van de leefvorm van de aanvrager. Deze
leefvorm is in veel gevallen van belang voor het recht op of de omvang van de
prestatie.
In verband met de
intensivering van de fraudebestrijding wordt momenteel onderzocht of
de in dit wetsvoorstel voorgestelde koppeling kan worden uitgebreid tot
andere overheidsvoorzieningen, waarbij tevens wordt gekeken naar de
mogelijkheid om een voorziening aan andere gegevens te koppelen dan
het adresgegeven in de basisadministratie. rblz.|6|
Deze voorgenomen
intensivering is eerder door de Minister van Justitie aan u gemeld bij brief
van 9 april 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 17 050, nr. 203, blz. 9).
Artikelsgewijze
toelichting
Hoofdstuk 1. Sociale
Zaken en Werkgelegenheid
Artikelen
I tot en met VII
Een groot deel van de te
wijzigen wetten ligt op het terrein van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. In een zevental wetten zal de koppeling worden
aangebracht. Het betreft de Algemene bijstandswet (Abw), de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw), de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Toeslagenwet,
de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene
Kinderbijslagwet
(AKW) en de Algemene Ouderdomswet (AOW).
De aangebrachte
wetsartikelen regelen de consequenties die verbonden moeten worden aan een
constatering dat het door een rechthebbende opgegeven adres niet
correspondeert met het adres dat in de GBA is opgenomen. De vraag in
welke gevallen en hoe vaak de adresgegevens moeten worden
geverifieerd, wordt niet bepaald door de voorgestelde wijzigingen. Dit wordt
bepaald door de controlemethodieken die de diverse
uitvoeringsorganen hanteren, binnen het daarvoor geldende wettelijke kader.
Het afhankelijk maken van
de uitkering aan een juiste inschrijving in de GBA wordt slechts
ingevoerd in die wetten waar het adresgegeven medebepalend kan worden
geacht voor het recht op of de hoogte van de uitkering. Veelal zal dit
het geval zijn in situaties waarin het uitkeringsrecht van een
uitkeringsgerechtigde mede afhankelijk is van het inkomen van andere personen
(echtgenoot, partner of kinderen), waarmee de rechthebbende een gemeenschappelijke
huishouding voert (zoals in de Abw, de Ioaw, de Ioaz, de Toeslagenwet, de
Anw en de AOW). Voorts kan het adresgegeven in het kader
van de AKW relevant zijn, voor de bepaling of voor een kind al dan niet
aanspraak kan worden gemaakt op meervoudige kinderbijslag.
Een discrepantie tussen
de door de aanvrager verstrekte adresgegevens en de in de GBA opgenomen adresgegevens kan door het uitvoeringsorgaan
worden geconstateerd in
het kader van de beoordeling van een aanvraag, of nadien, bij
ambtshalve heronderzoeken. Door de bepalingen betrekking te laten
hebben op de schorsing van de uitbetaling wordt met één wetsartikel voor
beide situaties een voorziening getroffen. De wetsartikelen maken
daarbij mogelijk dat het uitvoeringsorgaan voor een op het concrete geval
afgestemde praktische handelwijze kiest, waarbij zo min mogelijk inbreuk
wordt gemaakt op de normale procedure van afhandeling. In gevallen
waarin aannemelijk is dat de onjuiste vermelding in de GBA enkel het
gevolg is van nalatigheid (betrokkene is vergeten een verhuizing te melden bij
de GBA) kan de afhandeling van een aanvraag normaal worden
voortgezet. Wel is het uiteraard wenselijk dat de aanvrager zo snel
mogelijk erop wordt gewezen dat hij de GBA-gegevens aan het feitelijke
woonadres zal hebben aan te passen, teneinde na toekenning een vertraging
in de betaling te voorkomen. Indien op het tijdstip van toekenning
wordt geconstateerd dat de wijziging in de GBA-gegevens inderdaad
heeft plaatsgevonden, kan vervolgens normaal uitbetaling plaatsvinden.
Anders wordt het indien
tijdens de behandeling van een aanvraag naar aanleiding van afwijkende adresgegevens het vermoeden rijst dat wellicht
sprake is van
uitkeringsfraude. In een dergelijk geval ligt het in de rede dat rblz.|7|
de behandeling van de
uitkeringsaanvraag wordt opgeschort en dat van de aanvrager met toepassing van
artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht nadere
gegevens worden verlangd.
Uit artikel 4:8, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort
dat niet tot schorsing
van de uitbetaling kan worden overgegaan dan nadat de belanghebbende
de gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit
biedt hem enerzijds de mogelijkheid aan te geven dat de onjuiste vermelding in de GBA hem niet verweten kan
worden en
anderzijds de
mogelijkheid om alsnog zo snel mogelijk de gegevens in de GBA aan te laten passen,
in de gevallen waarin die aanpassing door een toe te rekenen
nalatigheid achterwege was gebleven. Overigens bepaalt het tweede lid van
artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht dat wel
direct tot schorsing kan
worden overgegaan indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan
een wettelijke verplichting om gegevens te verstrekken.
Er zijn situaties
denkbaar waarin het juiste woonadres irrelevant is voor de vraag of en welk recht op
een uitkering bestaat. Dit zijn bijvoorbeeld de uitkeringssituaties
waarin de door de rechthebbende verstrekte gegevens ertoe leiden dat slechts
een aanspraak bestaat op het laagste niveau. In die gevallen, waarin het
adresgegeven niet relevant is voor het recht op of de hoogte van de
uitkering, vindt geen opschorting van het recht op een uitkering plaats.
Een tweede uitzondering
op de opschortingsplicht vloeit voort uit de in alle betrokken wetten
opgenomen bepaling die inhoudt dat niet tot opschorting wegens
afwijkende GBA-gegevens mag worden overgegaan indien de belanghebbende
"van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt". Er
zijn situaties denkbaar waarin weliswaar sprake is van een discrepantie
van de door de aanvrager verstrekte adresgegevens en de in de GBA
geregistreerde gegevens, maar waarin die discrepantie aan de
aanvrager niet verwijtbaar is en waarin de aanvrager niet zelf in staat is die
discrepantie op te heffen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan de
situatie dat de partner van een aanvrager de samenleving heeft
verbroken, maar zijn adres nog niet heeft gewijzigd in de GBA. Dit is niet
verwijtbaar aan de achterblijvende partner die een alleenstaandenuitkering
aanvraagt. Een tweede voorbeeld dat kan worden genoemd is de situatie
dat een kind na echtscheiding van de ouders in het kader van co-ouderschap
de helft van de tijd bij de ene en de andere helft van de tijd bij de andere
ouder verblijft. Dat kind staat slechts op het adres van één van de ouders
in de GBA. Het recht op kinderbijslag moet dan naar de feitelijke
situatie kunnen worden beoordeeld.
Aangezien de situaties
waarin een discrepantie niet verwijtbaar moet worden geacht zeer divers
kunnen zijn en niet goed zijn te overzien, moet ter zake worden volstaan
met de geciteerde, in algemene termen geklede, uitzonderingsclausule.
Een laatste
uitzonderingsclausule is opgenomen in de Abw. Gelet op het karakter van die
wet, een
basisvoorziening met het oog op de noodzakelijke kosten van bestaan, zijn
er situaties denkbaar waarin het, gelet op de gevolgen, onevenredig zou
zijn om aan de onjuiste inschrijving in de GBA het ingrijpende gevolg te
verbinden dat elke bijstand feitelijk wordt onthouden.
Hoofdstuk 2.
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Artikel
VIII. Ziekenfondswet
Voor de toepassing van de
Ziekenfondswet is het adresgegeven van belang voor personen die
geen zelfstandig recht op verzekering hebben, maar die als gehuwd of
samenwonend met een rechthebbende, als medeverzekerde partner
worden aangemerkt. Voor medeverzekering van rblz.|8|
deze personen geldt onder
meer de voorwaarde dat betrokkene behoort tot het huishouden van de
verzekerde.
De voorgestelde
wijziging, welke ten doel heeft het recht op verstrekkingen ingevolge de
Ziekenfondswet te koppelen aan een juiste adresregistratie in de GBA, wordt
systematisch ondergebracht bij de bepaling die de inschrijving bij
het ziekenfonds regelt.
Een medeverzekerde wordt
eerst ingeschreven als blijkt dat deze persoon in de GBA op hetzelfde
adres als de verzekerde is geregistreerd. Mocht er sprake zijn van
afwijkende adresgegevens, dan kan een voorlopige inschrijving
plaatsvinden.
Het wettelijk
instrumentarium dat thans de inschrijving van een verzekerde regelt, waaronder naast
artikel 5 van de Ziekenfondswet onder meer het
Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering
en het Besluit nadere regeling
inschrijving ziekenfondsverzekering, bieden voldoende mogelijkheden om aan de
doelstelling van de voorgestane koppeling tegemoet te komen.
Met de wijziging van
artikel 5 van de Ziekenfondswet wordt de inschrijving van een
medeverzekerde in de Ziekenfondswet eerst mogelijk
nadat gebleken is dat de
hoofdverzekerde en medeverzekerde beiden op het juiste en hetzelfde
adres wonen. Dat zal in het algemeen het adres zijn zoals dat is opgenomen in
een gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Slechts
in bijzondere gevallen kan van dit uitgangspunt worden
afgeweken. Hierbij kan onder meer aansluiting worden gezocht bij het
huidige artikel 5 van het Besluit nadere regeling inschrijving
ziekenfondsverzekering van de Ziekenfondsraad [zie College
voor zorgverzekeringen, red.] waarin is bepaald dat geen
verandering in woonplaats aanwezig wordt geacht indien een verzekerde
verblijft in bijvoorbeeld een ziekenhuis of verpleeginrichting.
De bepaling opgenomen in
artikel 5, zesde lid, van de Ziekenfondswet
heeft met name betrekking
op aanmeldingen die na de inwerkingtreding van deze wet
plaatsvinden. Het is niet de bedoeling dat de adresgegevens van alle reeds
medeverzekerde partners bij de inwerkingtreding van deze wet op hun juistheid
worden gecontroleerd. Dit kan geschieden bij de periodieke controle die
ziekenfondsen iedere vijf jaar moeten uitvoeren.
Artikelen IX
en X. Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en Wet
uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo)
Op basis van de
Wuv
en de Wubo
kunnen door de Tweede Wereldoorlog getroffenen bij de
Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) een aanvraag indienen voor de
toekenning van een periodieke uitkering, een toeslag, een vergoeding of een
tegemoetkoming. Voor de hoogte van deze toekenning kan de
leefvorm relevant zijn. Zoals al eerder is opgemerkt in het algemene deel van
deze toelichting vormt het adresgegeven een niet onbelangrijke indicatie
voor de leefvorm van de aanvrager. Tevens kan het adresgegeven van belang
zijn ingeval iemand claimt nabestaande te zijn. Voor zowel de Wuv als de
Wubo wordt voorgesteld om de aanvraag in behandeling te nemen en
niet op te schorten, ook al blijkt dat het door de aanvrager verstrekte adres niet overeenstemt met het in de GBA
opgenomen adresgegeven.
De aanvrager wordt wel gedwongen om actie te ondernemen, omdat de
PUR pas tot besluitvorming ten aanzien van de aanvraag kan overgaan indien het door de aanvrager verstrekte adres
overeenstemt met het hem
betreffende adresgegeven in de GBA. Met de voorgestelde wijzigingen
wordt de huidige gang van zaken geformaliseerd, omdat ook nu reeds na
ontvangst van een aanvraag op basis van de Wuv of de Wubo door de
PUR aanmelding bij de GBA plaatsvindt. Indien door de aanvrager een
onjuiste opgave van het adres is gedaan, komt de rblz.|9|
aanmelding niet tot
stand. In die zaken wordt altijd onderzoek gedaan naar de juistheid van de
verstrekte gegevens.
Voor zowel de
Wuv
(in
artikel 30, vierde lid) als de Wubo
(artikel 35, derde lid) wordt de
mogelijkheid geboden om de koppelingseis buiten toepassing te laten of
daarvan af te wijken in de gevallen waarin toepassing zou leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
De
Wuv
kent de
mogelijkheid dat in het buitenland gevestigde aanvragers voor een voorziening op
basis van deze wet in aanmerking kunnen komen. Dergelijke
aanvragers staan niet als ingezetene in de GBA geregistreerd. Daarom
wordt voor hen in artikel 30, derde lid, Wuv
voorgesteld de eis van
een met het GBA overeenstemmend adresgegeven niet van toepassing te
verklaren. Voor in het buitenland gevestigde Wubo-aanvragers wordt in
dit kader een andere constructie voorgesteld. Voor de Wubo wordt geen
voorstel voor het expliciet uitzonderen van deze categorie gedaan,
omdat niet in Nederland gevestigde Wubo-aanvragers slechts
met toepassing van een hardheidsbepaling (artikel 3, zesde lid, Wubo) voor een
uitkering in aanmerking kunnen komen. In de schaarse
gevallen waarin de PUR een positieve beslissing wil nemen ten aanzien van
een in het buitenland gevestigde Wubo-aanvrager kan
gebruik worden gemaakt van de in artikel 35, derde lid, Wubo
voorgestelde
mogelijkheid.
Hoofdstuk 3. Ministerie
van Justitie
Artikel
XI. Wet op de
rechtsbijstand
Om in aanmerking te komen
voor gesubsidieerde rechtsbijstand dient de rechtzoekende een
toevoeging bij de raad voor rechtsbijstand aan te vragen. Bij de
toevoegingsaanvraag moet een verklaring omtrent inkomen en vermogen, afgegeven
door de burgemeester van de woonplaats van de rechtzoekende, worden bijgevoegd. De burgemeester controleert de
persoonsgebonden gegevens
aan de hand van de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens. Ter verkrijging van een aanspraak op een voorziening van de
Wet op de rechtsbijstand dient het adres waarop de burger in de
basisadministratie als ingezetene staat ingeschreven overeen te
stemmen met het op de toevoegingsaanvraag vermelde adres.
Indien het recht op
gesubsidieerde rechtsbijstand uitsluitend gekoppeld wordt aan het als
ingezetene ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens, kan dit in bepaalde gevallen in strijd komen met
verdragsrechtelijke bepalingen en de Grondwet. Hierbij
kan gedacht worden aan de volgende situaties. Een niet legaal in Nederland verblijvend
persoon kan op grond van de Wet
GBA niet worden ingeschreven in de
basisadministratie. Desondanks moet deze vreemdeling een aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand kunnen realiseren.
Evenzo zal een burger met
de Nederlandse nationaliteit die vanwege verblijf in het
buitenland geen ingezetene in Nederland is in voorkomend geval een aanspraak op
gesubsidieerde rechtsbijstand moeten kunnen hebben.
Om de aanspraak op
gesubsidieerde rechtsbijstand in dergelijke gevallen te kunnen waarborgen is
in artikel 25, eerste lid, van de Wet
op de rechtsbijstand opgenomen
dat de verzoeker om rechtsbijstand die overeenkomstig de
bepalingen van de Wet GBA niet of niet actueel in een basisadministratie staat
ingeschreven, met andere, zoveel mogelijk overeenkomstige
bescheiden het bureau in kennis zal moeten stellen van de in de verklaring
bedoelde gegevens. Uitdrukkelijk is niet bedoeld de burger een keuze te geven. Indien er voor de burger geen beletsels
bestaan zich in te
schrijven als ingezetene, zal dit moeten geschieden, rblz.|10|
waarna door de
burgemeester alsnog een verklaring omtrent inkomen en vermogen kan worden
afgegeven.
Hoofdstuk 4. Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Het ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kent een tweetal wetten waarin het adres
van de uitkeringsgerechtigde relevant is voor de hoogte van de uitkering.
Het betreft hier de Wet
op de studiefinanciering (WSF) [zie Wet
studiefinanciering 2000 (WSF 2000), red.] en de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS) [zie Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS), red.]. Voor de toepassing van de WSF en WTS is het adresgegeven in zoverre van
belang dat het feit of
een studerende thuiswonend dan wel uitwonend is van invloed is op de
hoogte van de beurs of de basistoelage van de studerende. Bij een discrepantie in het door de studerende aan de
Informatie Beheer Groep (IB-Groep)
verstrekte adres en het over de uitwonende studerende in
de GBA geregistreerde adres zal er dan ook geen sprake zijn van opschorting van de behandeling van de aanvraag,
maar van omzetting van de uitwonendebeurs of de uitwonendebasistoelage in een beurs of
basistoelage voor thuiswonenden.
Artikel
XII. Wet op de
studiefinanciering
Artikel 4 van de
WSF bepaalde dat waar een studerende woont naar de omstandigheden wordt
beoordeeld. Omdat een studerende uitwonend is als hij niet bij (één
van) zijn ouders woont, was het daarbij niet relevant of de studerende op een
onjuist adres in de GBA geregistreerd stond. In de oude situatie was voor
het recht op een uitwonendebeurs slechts bepalend dat de
studerende niet op hetzelfde adres als (één van) de ouders woonde.
De voorgestelde wijziging
van artikel 4 houdt in dat het recht op een uitwonendebeurs ook
afhankelijk wordt van een juiste inschrijving in de GBA. Deze voorwaarde
wordt dus toegevoegd aan de voorwaarde dat de studerende niet bij
(één van) de ouders woont.
De
IB-Groep controleert
de adresgegevens niet bij de beoordeling van het recht op studiefinanciering, maar achteraf, als de studiefinanciering al is toegekend. Als een
studerende recht heeft op studiefinanciering, heeft hij ten minste recht op een
beurs voor een thuiswonende. Als bij controle via de GBA blijkt dat het opgegeven adres van de uitwonende studerende bij
de IB-Groep anders luidt
dan het adres in de GBA, dan verliest de studerende zijn
uitwonendebeurs en ontvangt in de plaats daarvan een beurs voor een thuiswonende studerende.
Uiteraard vindt er geen
omzetting plaats als de studerende redelijkerwijs geen verwijt kan worden
gemaakt van de afwijking. Ook kan de IB-Groep besluiten niet tot
omzetting over te gaan indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De procedure bij de
aanvraag voor een uitwonendebeurs is in de nieuwe situatie als volgt:
- de studerende vraagt
een beurs voor een uitwonende studerende aan;
- de IB-Groep
verlangt
een ouderverklaring dat de aanvrager niet bij (één van) zijn ouders
woont;
- de IB-Groep kent een uitwonendebeurs toe;
- als bij controle via
de GBA blijkt dat de aanvrager daar geregistreerd staat op een ander adres
dan bij de IB-Groep, dan wordt de aanvrager hierover ingelicht;
- de aanvrager krijgt
de gelegenheid om deze situatie toe te lichten en indien nodig zich alsnog
op het juiste adres te laten registreren in de GBA dan wel zijn aanvraag
voor een uitwonendebeurs te herzien;
rblz.|11|
- als binnen vier weken
nadat de IB-Groep de kennisgeving van onjuiste registratie heeft gedaan
het verschil in adres is rechtgezet, wordt de uitwonendebeurs
gecontinueerd;
- bij uitblijven van
een adequate reactie binnen vier weken nadat de IB-Groep die kennisgeving
heeft gedaan, wordt de uitwonendebeurs omgezet in een beurs voor
thuiswonende studerenden met ingang van de maand van aanvraag
voor een uitwonendebeurs;
- meldt de aanvrager
zich daarna alsnog bij de GBA, dan wordt de uitwonendebeurs verstrekt
met ingang van de maand volgend op de maand waarin hij als
uitwonend in de GBA geregistreerd staat.
Ook het adres van de
thuiswonende studerende wordt gekoppeld aan de GBA. Echter, als bij
controle in de GBA blijkt dat het opgegeven adres van de thuiswonende
studerende bij de IB-Groep anders luidt dan het adres in de GBA, dan volgt daar
geen sanctie op voor de studerende. Wel wordt de studerende op de hoogte
gebracht van de afwijking, met het verzoek de gegevens kloppend te
maken. Uit ervaring is overigens gebleken dat er bij thuiswonende studerenden
bijna geen afwijkingen met het GBA-adres voorkomen.
De sanctie van de
koppeling van de WSF
aan de GBA (verlies van het verschil tussen de
thuiswonende- en uitwonendebeurs bij discrepantie in adres) geldt niet voor
studerenden die studiefinanciering ontvingen vóór 1 september volgend op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel. Zij zijn voor het recht op
een uitwonendebeurs dus niet afhankelijk van een juiste inschrijving in de
GBA. Voor deze studerenden blijft bepalend of zij wel of niet bij één van
beide ouders wonen en geldt niet de aanvullende voorwaarde dat zij juist
in de GBA moeten zijn ingeschreven.
Als bij deze categorie
studerenden een discrepantie in adres wordt geconstateerd, zal de IB-Groep
hun dat wel bekend maken met het verzoek dit verschil op
te heffen. De afwijking zal echter geen omzetting van uitwonendebeurs tot
thuiswonendebeurs tot gevolg hebben voor deze studerenden. Er
vindt voor deze studerenden dus geen sanctie plaats.
Reden hiervoor is de
voorwaarde dat geen huisvestingsproblemen voor studerenden mogen
ontstaan als gevolg van een koppeling van de WSF
aan de GBA.
Onderzoeksbureau Regioplan Stad en Land heeft in studiejaar 1997-1998
onderzocht wat de eventuele effecten van een koppeling op de
kamermarkt voor studerenden zijn. De Tweede Kamer is van de uitkomsten van dat
onderzoek per brief van 13 maart 1998 op de hoogte gesteld (Kamerstukken II 1997-1998, 24 724, nr.
20).
Daaruit bleek dat tussen
de 6300 en 9600 uitwonende studerenden nadelige gevolgen zouden
ondervinden, omdat kamerverhuurders verbieden dat zij zich op
hun werkelijke adres inschrijven in de GBA. Zij zouden hun recht op een
uitwonendebeurs verliezen of hun woonruimte kwijt raken. Door de
sanctie van de koppeling op hen niet van toepassing te laten zijn, hoeven
deze studerenden geen nadelige gevolgen te vrezen. Nieuwe generaties
studerenden zullen echter alleen kamers kunnen huren van verhuurders die niet
verbieden dat zij zich op hun werkelijke adres inschrijven in de GBA.
Regioplan verwacht op den duur een afnemende spanning op de
woningmarkt voor studerenden. De huisvestingsproblematiek zal zich daardoor
naar
verwachting in veel mindere mate voordoen voor deze nieuwe
generatie studerenden.
Formeel wijzigt er voor
de studerende door de voorgestelde wijziging niets; er wordt van de
studerende geen extra handeling verlangd. Op grond van de Wet
GBA is
de studerende immers al verplicht zich correct bij de GBA in te
schrijven. De consequentie bij een discrepantie in adres verandert echter wel: in
de oude situatie werd er geen rechtsgevolg rblz.|12|
verbonden aan een dergelijke discrepantie. Van de IB-Groep worden in de nieuwe situatie wel meer
handelingen verlangd, maar daar staat een correcter gegevensbestand
tegenover. Dit laat onverlet dat het huidige controlesysteem niet
nadelig wordt beïnvloed.
Artikel XIII.
Wet
tegemoetkoming studiekosten
Het nieuwe artikel
20a
van de WTS houdt in dat reeds bestaand beleid wordt vastgelegd in de
wet. Ook hier geldt dat het recht op een uitwonendebasistoelage
afhankelijk is van een juiste inschrijving in de GBA. Als de IB-Groep
bij
controle via de GBA constateert dat het opgegeven adres van de
uitwonende studerende bij de IB-Groep anders luidt dan het adres in de
GBA, dan wordt zijn basistoelage voor een uitwonende studerende
omgezet in een thuiswonendebasistoelage.
De procedure bij de
aanvraag voor een uitwonendebasistoelage is dezelfde als de hierboven
beschreven voor de WSF
nieuwe procedure bij de aanvraag voor een uitwonendebeurs.
Omdat dit nieuwe artikel
bij de WTS reeds bestaand beleid vastlegt, is een overgangsrecht voor
studerenden die een tegemoetkoming in de studiekosten ontvingen
vóór 1 augustus volgend op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
artikel niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 5. Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Artikel XIV.
Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
De koppeling van
overheidsprestaties aan de in de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens opgenomen adresgegevens zou niet goed mogelijk zijn
zonder de positie van de basisadministraties als authentieke bron van de
algemene persoonsgegevens voor de (semi-)overheid. Met het oog op deze
functie van de GBA als authentieke basisregistratie is reeds bij de
totstandkoming van de Wet
GBA in artikel 94 een verplichting opgenomen
voor bestuursorganen om in die gevallen dat zij op systematische wijze persoonsgegevens verstrekt krijgen uit een andere
bron dan de GBA terwijl
deze gegevens ook uit de GBA verstrekt kunnen worden, over te stappen
op gegevensverstrekking uit de GBA. Wij hebben, mede in het licht van de ontwikkelingen die hebben geleid tot de
thans voorgestelde
koppeling van overheidsprestaties aan een juiste inschrijving in de GBA,
aanleiding gezien het gebruik van de GBA door deze instellingen te intensiveren.
De verplichting om
gebruik te maken van de GBA in gevallen waarin systematische
verstrekking van persoonsgegevens aan de orde is, ontstaat wanneer dit voor
de vervulling van de taak van een buitengemeentelijke afnemer noodzakelijk is.
Afwijking van deze
verplichting is op grond van het tweede lid van het bestaande artikel 94
mogelijk indien een wettelijk voorschrift of een gewichtig belang van de
afnemer zich tegen een dergelijke wijze van verstrekking verzet.
In de voorgestelde
wijziging van artikel 94 vervalt dit tweede lid. Het gewijzigde artikel brengt
beter dan thans tot uitdrukking dat de beantwoording van de vraag of van de
GBA gebruik moet worden gemaakt niet in de eerste plaats
afhangt van de door de instelling zelf gevoelde noodzaak, uitgedrukt in
de woorden "gewichtig belang", maar van het geobjectiveerde criterium
dat zulks noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de taak
van de afnemer.
Dit geeft de
verantwoordelijke bewindspersoon meer mogelijkheden om de desbetreffende
afnemers op hun verplichting tot gebruikmaking van de rblz.|13|
GBA in het kader van een
samenhangend (overheids)informatiebeleid, dat mede gericht is op
bestrijding van fraude en misbruik van voorzieningen, aan te spreken.
Voor zover er in een
specifieke geval zwaarwegende argumenten aanwezig zijn die afwijking van
het verplicht gebruik van de GBA kunnen rechtvaardigen, zal ten behoeve van dat
geval een specifieke voorziening in de desbetreffende sectorale
wet kunnen worden getroffen. Daarvoor is een voorziening als in het
bestaande tweede lid van artikel 94 overbodig.
Hoofdstuk 6.
Overgangs-
en slotbepalingen
Artikel XV
Zie de
toelichting op artikel XII.
Artikel XVI
Teneinde de effecten van
de koppeling te kunnen meten, wordt de uitvoering van deze wet
binnen drie jaren na de inwerkingtreding van het laatste onderdeel daarvan
geëvalueerd. De resultaten worden ter kennis van de Staten-Generaal
gebracht.
Artikel XVII
In beginsel zal
het
wetsvoorstel op een zo kort mogelijke termijn na de vaststelling daarvan in
werking treden. De wet vraagt echter om een aantal aanpassingen in
lagere regelgeving en in de geautomatiseerde systemen van
uitvoeringsinstellingen zoals de Informatie Beheer
Groep. Deze aanpassingen, maar
ook de noodzakelijke voorlichting aan het publiek, vergen enige
tijd. Om die reden is gekozen voor een inwerkingtreding bij koninklijk besluit,
met de mogelijkheid om voor iedere te wijzigen wet afzonderlijk
een datum te bepalen.
De Minister voor
Grotesteden-
en Integratiebeleid,
R.H.L.M. van Boxtel
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
De Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L.M.L.H.A. Hermans
|