|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 29 268.
Handelingen II 2003-2004, blz. 1764-1770, 1890.
Kamerstukken I 2003-2004, 29 268 (A).
Handelingen I 2003-2004, zie vergaderingen d.d. 15 en 16 december 2003.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 19 december 2003, Stb.
2003, 546, tot wijziging van de Werkloosheidswet
in verband met afschaffing van de vervolguitkering. Inwerkingtreding: 1
januari 2004 (Stb. 2003, 547).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om de werkloosheidslasten terug te dringen en mitsdien de
vervolguitkering af te schaffen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I.
Wijziging Werkloosheidswet [MvT]
De Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In het opschrift van hoofdstuk IIa,
in het opschrift van
afdeling I, paragrafen 1 en 2,
van dat hoofdstuk alsmede in de artikelen 15, 52b,
eerste lid, en 52d, derde en vijfde
lid, vervalt: en vervolguitkering.
B. [MvT]
In het opschrift van hoofdstuk IIa, afdeling I, paragraaf
3, vervalt: en van de vervolguitkering.
C. [MvT]
Artikel 35c komt als volgt te
luiden:
Art. 35c.
Indien tegelijkertijd recht bestaat op meer kortdurende uitkeringen en
de som van de bedragen die aan deze uitkeringen zou moeten worden
betaald groter is dan 70% van het minimumloon,
wordt van elk van deze uitkeringen 70% van het minimumloon betaald,
vermenigvuldigd met het aantal arbeidsuren ter zake waarvan het
betrokken recht bestaat gedeeld door het aantal arbeidsuren ter zake
waarvan recht op kortdurende uitkering bestaat.
D. [MvT]
Hoofdstuk IIa, afdeling III, vervalt.
E. [MvT]
Artikel 52b, derde lid, wordt als
volgt gewijzigd:
1. Na de eerste volzin wordt een volzin
toegevoegd, luidende: Indien de resterende duur van het recht op
uitkering op grond van hoofdstuk IIa
bij herleving korter is dan zes maanden, ontstaat, nadat de geldende
duur van die uitkering is verstreken en met inachtneming van de overige
voorwaarden daarvoor, recht op uitkering voor het aantal arbeidsuren
waarover het recht op uitkering op grond van hoofdstuk IIa
is geëindigd, en bedraagt de duur van die uitkering zes maanden
verminderd met de duur van de herleefde uitkering op grond van hoofdstuk IIa.
2. In de nieuwe derde volzin wordt
"Tevens ontstaat geen recht op uitkering indien, na toepassing van
de vorige volzin" vervangen door: Geen recht op uitkering ontstaat
indien, na toepassing van de eerste of tweede volzin.
F. [MvT]
In artikel 52d, vierde lid, vervalt:
of vervolguitkering.
G. [MvT]
Aan hoofdstuk Xb wordt een artikel
waarvan de nummering aansluit op het laatste artikel van dat hoofdstuk
toegevoegd, luidende:
-1. Hoofdstuk IIa, afdeling III,
zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de wet van 19
december 2003 tot wijziging van de Werkloosheidswet
in verband met afschaffing van de vervolguitkering (Stb. 2003,
546), blijft van toepassing op een recht op uitkering:
a. waarvan de eerste werkloosheidsdag is gelegen vóór 11
augustus 2003;
b. ontstaan als gevolg van eindiging van de dienstbetrekking
door opzegging, indien de aanzegging van de opzegging heeft
plaatsgevonden vóór de in onderdeel a
genoemde datum;
c. ontstaan als gevolg van ontbinding door de rechter van de
dienstbetrekking, indien de datum waarop de ontbinding is uitgesproken
is gelegen vóór de in onderdeel
a genoemde datum.
-2. De artikelen 48, 51
en
52, zoals die luidden op de dag vóór
inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, blijven van
toepassing op de persoon:
a. die vóór 11 augustus 2003 recht op uitkering op grond van
deze wet had, welk recht eindigt of is geëindigd op grond van het
verrichten van werkzaamheden als werknemer, en die ter zake van de
verrichte werkzaamheden op of na 11 augustus 2003 een nieuw recht op
uitkering krijgt, tot aan het moment waarop dat eerste recht zonder
toepassing van de artikelen 43 en
50 zou hebben geduurd;
b. op wie het eerste lid, onderdeel b of c, van
toepassing is, en wiens recht als bedoeld in dat lid eindigt of is
geëindigd op grond van het verrichten van werkzaamheden als werknemer,
en die ter zake van de verrichte werkzaamheden op of na 11 augustus 2003
een nieuw recht op uitkering krijgt, tot aan het moment waarop dat
eerste recht zonder toepassing van de artikelen
43 en 50 zou hebben geduurd.
-3. De artikelen 15, 35c,
52b, derde lid, en 52d,
derde tot en met vijfde lid, zoals die luidden op de dag vóór
inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wet, blijven van
toepassing op de in het eerste en tweede lid bedoelde rechten
respectievelijk personen.
-4. Met opzegging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
wordt gelijkgesteld ontslag als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van het
Algemeen
Rijksambtenarenreglement of een overeenkomstige bepaling van
een soortgelijke regeling.
Art.
II.
Wijziging van de Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria [MvT]
De Tijdelijke wet beperking
inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria wordt als volgt
gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 3, vierde lid, wordt
"vervolguitkering" vervangen door: uitkering.
B. [MvT]
In artikel 5 vervallen het vierde en
vijfde lid.
C. [MvT]
Na artikel 5 worden twee artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 5a.
[MvT]
-1. De uitkering bedraagt per dag 70% van het minimumloon.
-2. Voor de werknemer die bij het ontstaan van zijn recht op uitkering
zijn arbeidsuren, bedoeld in
artikel 16 van de Werkloosheidswet, uit de
dienstbetrekking waaruit hij werkloos werd niet volledig heeft verloren
of wiens verlies van arbeidsuren tijdens de duur van de uitkering
wijziging ondergaat, bedraagt de uitkering 70% van het minimumloon,
vermenigvuldigd met het aantal uren werkloosheid per kalenderweek,
gedeeld door het aantal arbeidsuren voorafgaande aan het intreden van
het verlies van arbeidsuren waarnaar zijn recht is berekend. Het aantal
arbeidsuren voorafgaande aan het verlies van arbeidsuren wordt bepaald
met toepassing van artikel 16
van de Werkloosheidswet.
-3. Voor de werknemer die naast een uitkering op grond van deze wet een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten ontvangt, bedraagt de uitkering per dag 70% van
een percentage van het minimumloon. Dat percentage is gelijk aan het
verschil tussen 100 en het midden van de arbeidsongeschiktheidsklasse
waarin de werknemer is ingedeeld.
-4. Op de herziening van de uitkering als gevolg van een wijziging van
het minimumloon zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet
bestuursrecht niet van toepassing.
-5. De hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 4,
derde en vierde lid, wordt niet anders vastgesteld dan dat deze na de
eerste toepassing, bedoeld in artikel
2, eerste, tweede of derde lid, is vastgesteld of zou zijn
vastgesteld indien de werkloze persoon geen arbeid had verricht, tenzij
de werkloze persoon als gevolg van een volgende toepassing als bedoeld
in artikel
2, eerste, tweede of derde lid, in een andere
arbeidsongeschiktheidsklasse wordt ingedeeld.
Art. 5b.
[MvT]
-1. Indien de uitkering op grond van hoofdstuk IIa, afdeling II,
van de Werkloosheidswet berekend was naar een
dagloon lager dan het minimumloon, bedraagt de
uitkering per dag 70% van het dagloon.
-2. De artikelen 45 en 46
van de Werkloosheidswet en de daarop
berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
-3. Artikel 5a, tweede lid, is van
toepassing, met dien verstande dat in plaats van het minimumloon het
dagloon in aanmerking wordt genomen. De eerste volzin vindt geen
toepassing voor zover bij de vaststelling respectievelijk herziening van
het dagloon met de omstandigheden, bedoeld in artikel 5a,
tweede lid, rekening is gehouden.
D.
In artikel 10, eerste en tweede lid, wordt
"artikel 5, vierde lid," vervangen
door: de artikelen 5a en 5b.
Art.
III.
Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers [MvT]
In artikel 2, onderdeel a,
ten tweede, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers vervalt: doch vóór het bereiken van
de leeftijd van 57,5 jaar.
Art. IV.
Inwerkingtreding [MvT]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In dat
besluit wordt zo nodig toepassing gegeven aan artikel 16 van de Tijdelijke
referendumwet.¹
1. Bij Besluit
van 19 december 2003, Stb. 2003, 547, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2004, red.
Lasten en bevelen dat deze
in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
19 december 2003
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de dertigste
december 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|