|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2003-2004, 29 529.
Handelingen II 2003-2004, blz. 5665-5684, 5794-5804, 5906-5906,
5906-5907, 5907-5907.
Kamerstukken I 2003-2004, 2004-2005, 29 529 (A, B, C, D).
Handelingen I 2004-2005, blz. 459-471.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET van 16 december 2004, Stb.
2005, 36, houdende regels betreffende de financiering van de sociale
verzekeringen (Wet financiering sociale
verzekeringen). Inwerkingtreding: 1 januari 2006 (Stb.
2005, 717); artikelen 122c en 122ca
9 december 2005 (Stb.
2005, 619).
WIJ BEATRIX, bij
de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze
zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is ter vermindering van administratieve en uitvoeringslasten
en vereenvoudiging van regelgeving de heffing en invordering van de
premies voor de werknemersverzekeringen te laten plaatsvinden door de rijksbelastingdienst
tezamen met en op zoveel mogelijk gelijke wijze als die van de
loonbelasting en de regeling daarvan en van hetgeen overigens de
financiering van de werknemersverzekeringen betreft tezamen met de
regeling van de financiering van de volksverzekeringen - onder
intrekking van onder andere de Wet
financiering volksverzekeringen - onder te brengen in één wet;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1.
Algemene
begrippen (1.1)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. SVB: de Sociale
verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6
van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
d. College zorgverzekeringen: het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
Ia van de Ziekenfondswet;
e. College toezicht: het College
van toezicht op de zorgverzekeringen, genoemd in hoofdstuk
Ib van de Ziekenfondswet;
f. Ouderdomsfonds: het
Ouderdomsfonds, genoemd in artikel 82, eerste lid;
g. Nabestaandenfonds: het
Nabestaandenfonds, genoemd in artikel 82, tweede lid;
h. Spaarfonds AOW: het Spaarfonds
AOW, genoemd in artikel 86;
i. Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten: het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten, genoemd in
artikel 89;
j. Algemeen Werkloosheidsfonds: het
Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 93;
k. wachtgeldfonds: een
wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 94;
l. Uitvoeringsfonds voor de
overheid: het Uitvoeringsfonds voor de overheid, genoemd in artikel
106;
m. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 112;
n. Arbeidsongeschiktheidskas: de
Arbeidsongeschiktheidskas, genoemd in artikel 113;
o. werknemer: de werknemer in de
zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet
of de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
p. overheidswerknemer: de
werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel j,
van de
Werkloosheidswet;
q. werkgever: de werkgever in de
zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
r. overheidswerkgever: de
werkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel i,
van de
Werkloosheidswet;
s. sociaal-fiscaal nummer: het
nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel j, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
t. inspecteur: de functionaris van
de rijksbelastingdienst die als zodanig
bij regeling van Onze Minister
van Financiën is aangewezen;
u. loontijdvak: het loontijdvak,
bedoeld in artikel 25, eerste en vierde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964;
v. premiebetalingstijdvak: het
kalenderjaar.
Art.
2. Sociale verzekeringen
(1.2)
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. volksverzekeringen: de
verplichte verzekeringen op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten;
b. vrijwillige volksverzekeringen:
de vrijwillige verzekeringen op grond van de Algemene Ouderdomswet, de
Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten;
c. werknemersverzekeringen: de
verplichte verzekeringen op grond van de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. vrijwillige
werknemersverzekeringen: de vrijwillige verzekeringen op grond van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
HOOFDSTUK
2
De
financiering van de volksverzekeringen
AFDELING
1
Inleidende
bepalingen
Art.
3. Premieheffing en rijksbijdragen
(2.1.1)
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de
fondsen voor de volksverzekeringen, alsmede de financiële middelen voor
het vormen en in stand houden van reserves in deze fondsen, worden
verkregen door het heffen van premie en door bijdragen van het Rijk.
Art.
4. Algemene begrippen
(2.1.2)
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en afdeling 2 van hoofdstuk 7
wordt verstaan onder:
a. algemene ouderdomsverzekering:
de verzekering, bedoeld in hoofdstuk II van
de
Algemene Ouderdomswet;
b. nabestaandenverzekering: de
verzekering, bedoeld in hoofdstuk 2 van de Algemene
nabestaandenwet;
c. algemene verzekering bijzondere
ziektekosten: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk II
van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten.
Art.
5. Uitzondering nominale premie AWBZ
(2.1.3)
Voor de toepassing van deze wet wordt onder premie voor de
volksverzekeringen niet begrepen de nominale premie die de verzekerde op
grond van artikel 17 van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten aan het ziekenfonds, de
ziektekostenverzekeraar of het uitvoerend orgaan verschuldigd is.
AFDELING
2
Premie
van verzekerden
§
1. Premieplicht
Art.
6. Premieplicht
(2.2.1.1)
-1. Premieplichtig voor de
volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.
-2. Ingeval artikel 26b van de Wet
op de loonbelasting 1964 toepassing vindt, wordt de in dat artikel
bedoelde werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze
werknemer worden de in artikel 10, eerste lid, bedoelde
percentages toegepast op het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
§
2. Maatstaf
Art.
7. Maatstaf (2.2.2.1)
De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is
het premie-inkomen van de premieplichtige.
Art.
8. Premie-inkomen (2.2.2.2)
-1. Voor de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen
verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de
regels van hoofdstuk 3 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. De toerekening van de gemeenschappelijke
inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt
overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet
inkomstenbelasting 2001. In het geval de premieplichtige en zijn
partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld in
artikel 2.17, tweede lid, van die
wet, zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de
heffing van de premie voor de volksverzekeringen.
-2. Voor de heffing van de premie voor de
volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen
verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 met uitzondering van het
eindheffingsbestanddeel, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f,
van die
wet.
-3. Het premie-inkomen wordt tot geen
hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als tweede vermelde bedrag in
kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
§
3. Tarief en heffingskorting
Art.
9. Verschuldigde premie (2.2.3.1)
De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de
volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke
heffingskorting voor de volksverzekeringen.
Art.
10. Premie (2.2.3.2)
-1. De premie voor de volksverzekeringen
wordt vastgesteld op de som van de percentages, bedoeld in artikel
11, van het premie-inkomen.
-2. Tot de premie, bedoeld in het eerste
lid, behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken niet de premie voor de
algemene ouderdomsverzekering.
Art.
11. Premiepercentage (2.2.3.3)
-1. Het premiepercentage voor de algemene
ouderdomsverzekering wordt bij regeling van Onze Minister
vastgesteld. Het bedraagt ten hoogste 18,25.
-2. Het premiepercentage voor de
nabestaandenverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld.
-3. Het premiepercentage voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten wordt vastgesteld bij regeling van
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in
overeenstemming met Onze Minister.
-4. Indien een wijziging van een
premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de
vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening
van de premie over het gehele kalenderjaar.
Art.
12. Heffingskorting (2.2.3.4)
-1. De heffingskorting voor de
volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig
is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van
de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene
ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig
is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de
nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig
is voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten: de op grond van
hoofdstuk 8 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten.
-2. Indien de premie voor de
volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de
toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in artikel 8.2
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, die geen deel uitmaken van de
standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de Wet
op de loonbelasting 1964, geacht geen deel uit te maken van de
standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001.
§
4. Aanvullende regeling
Art.
13. Nadere regels (2.2.4.1)
Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
AFDELING
3
Rijksbijdragen
Art.
14. Rijksbijdrage ouderdomspensioen
(2.3.1)
Onze Minister kan jaarlijks bedragen
vaststellen die in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage ten gunste
komen van het Ouderdomsfonds.
Art.
15. Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen
(2.3.2)
Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten wordt jaarlijks een rijksbijdrage in de
kosten van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen toegekend. Deze
bijdrage wordt door Onze Minister
vastgesteld volgens de formule:
BIKKt
= (BIKKt-1
+ A * Kt-1)
* Kt/Kt-1
waarbij:
BIKKt
= de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het
fonds in een bepaald jaar;
BIKKt-1
= de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het
fonds in het voorafgaande jaar;
A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het
gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c,
van de Wet
inkomstenbelasting 2001, in het jaar waarvoor de bijdrage wordt
toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande jaar;
Kt =
de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van
Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar
waarvoor de bijdrage wordt toegekend;
Kt-1
= de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van
Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale
kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar
waarvoor de bijdrage wordt toegekend.
HOOFDSTUK
3
De
financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
AFDELING
1
Inleidende
bepalingen
§
1. Het loonbegrip
Art.
16. Loon (3.1.1.1)
-1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt onder loon verstaan:
a. het loon overeenkomstig
hoofdstuk II van de Wet
op de loonbelasting 1964 waarbij van dat hoofdstuk buiten toepassing
blijven:
1º. artikel 11, eerste lid, onderdeel j,
onder 2º en 5º, en r, onder 4º;
2º. artikel 11, eerste lid, onderdeel j,
onder 4º, voor zover het bedragen betreft die worden ingehouden op grond
van de Werkloosheidswet;
b. voor de artiest en
beroepssporter, bedoeld in artikel 5a van de Wet
op de loonbelasting 1964, de gage overeenkomstig artikel 35 van die
wet waarbij het derde lid, onderdeel g, van dat artikel
buiten toepassing blijft voor zover het bedragen betreft die worden
ingehouden op grond van de Werkloosheidswet.
-2. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere
dienstbetrekking als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van:
1º. de uitkeringen en toeslag, genoemd in
het derde en vierde lid, en de aanvullingen daarop van degene tot wie de
werknemer in dienstbetrekking staat;
2º. hetgeen wordt genoten op grond van de
artikelen 628, 628a en 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met
een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar
aard en strekking overeenkomstige regelingen, en de aanvullingen daarop
van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
b. eindheffingsbestanddelen als
bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel b tot en met g,
van de
Wet op de
loonbelasting 1964;
c. aanspraken op grond van de Ziekenfondswet
alsmede vergoedingen ter zake van premies en bijdragen voor
ziektekostenregelingen, uitkeringen en verstrekkingen die naar aard en
omvang overeenkomen met uitkeringen en verstrekkingen op grond van de
Ziekenfondswet;
d. uitkeringen op grond van een
regeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder
5º, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-3. De uitkeringen en de toeslag, bedoeld
in het tweede lid, onderdeel a, onder 1º, zijn:
a. een uitkering op grond van de
verplichte verzekering op grond van de Ziektewet,
de verplichte verzekering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de verplichte verzekering dan
wel hoofdstuk IV van de
Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met
een toeslag op grond van de Toeslagenwet;
b. een uitkering op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg.
-4. De toeslag die de werknemer die geen
ziekengeld op grond van artikel 29, eerste
lid, van de Ziektewet
ontvangt, ontvangt op grond van de Toeslagenwet, wordt voor de toepassing
van het tweede lid, onderdeel a, onder 1º, geacht een uitkering te
zijn.
Art.
17. Maximumpremieloon (3.1.1.2)
-1. Bij de berekening van het loon
waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, blijft het
loon dat bij dezelfde werkgever meer heeft bedragen dan een door Onze Minister
vastgesteld bedrag vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het
premiebetalingstijdvak, voor dat meerdere buiten aanmerking.
-2. Bij de berekening van het loon
waarnaar de premie op grond van afdeling 2 van dit hoofdstuk
wordt geheven, blijft, wat betreft het door de werkgever en door de
werknemer verschuldigde gedeelte van het deel van de premie dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het bij dezelfde werkgever
genoten loon buiten aanmerking tot een door Onze Minister vastgesteld
bedrag vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het
premiebetalingstijdvak. Het bedrag, bedoeld in de eerste zin, kan voor de
werkgever en voor de werknemer verschillend worden vastgesteld.
-3. De bedragen, bedoeld in het eerste en
tweede lid, worden vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister
dit nodig acht. Indien een wijziging ingaat op een ander tijdstip dan 1
januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
-4. Indien voor een werknemer die van
verschillende werkgevers loon heeft genoten premie is betaald over een
hoger loonbedrag dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt op
aanvraag van werkgever dan wel werknemer door de inspecteur, bedoeld in
artikel 1, onderdeel t, bij voor bezwaar vatbare beschikking
het bedrag van de te veel betaalde premie vastgesteld. Bij die
vaststelling wordt het voor de premieheffing in aanmerking komende loon
berekend naar evenredigheid van het ten laste van die werkgevers genoten
loon en blijft bij de berekening van het loon waarnaar de premie op grond
van afdeling 2 van dit hoofdstuk, bedoeld in het
tweede lid, wordt geheven het voor premieberekening in aanmerking komende
loon buiten aanmerking tot een evenredig deel van het bedrag, bedoeld in
het tweede lid.
-5. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden
gesteld voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking
komende loon bij samenloop van loon dat gelijktijdig wordt genoten uit een
dienstbetrekking in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 en uit een vroegere dienstbetrekking in de
zin van die
wet dan wel bij het gelijktijdig genieten van meer dan één
uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 16, derde
en vierde lid. In de te stellen regels wordt uitgegaan van een
totaalloonbedrag dat niet hoger is dan het bedrag in het eerste lid,
waarbij niet meer dan één keer rekening wordt gehouden met dat bedrag.
-6. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere en zo
nodig van de vorige leden afwijkende regels worden gesteld.
Art.
18. Herziening maximumpremieloon (3.1.1.3)
-1. Het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de
mate waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c,
van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
-2. De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het
eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister
in de Staatscourant bekendgemaakt.
-3. Het overeenkomstig het eerste lid
herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid.
-4. Uitsluitend voor de berekening van het
loon waarnaar de premies worden geheven, wordt het bedrag, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, afgerond op hele euro's naar beneden en
blijft het bedrag zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar
gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.
Art.
19. Buiten toepassing laten artikel 17
(3.1.1.4)
Ingeval een werknemer in het premiebetalingstijdvak zijn naam, adres of
woonplaats niet aan de werkgever heeft verstrekt dan wel zijn identiteit
niet is vastgesteld en niet is opgenomen in de administratie
overeenkomstig artikel 28, onderdeel e, van de Wet
op de loonbelasting 1964, alsmede ingeval de werknemer ter zake
onjuiste gegevens heeft verstrekt en de werkgever dit weet of
redelijkerwijs moet weten, blijft
artikel 17, eerste tot en met derde lid, buiten toepassing bij de
berekening van het loon waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk
worden geheven.
§
2. Inhouding en verbod van verhaal
Art.
20. Inhouding en verbod verhaal op werknemer
(3.1.2.1)
-1. De werkgever mag op het loon van de
werknemer het door deze verschuldigde deel van de premie inhouden.
-2. De werkgever mag de door hem
verschuldigde premie en de door de werknemer verschuldigde premie voor
zover deze niet op diens loon is ingehouden, niet verhalen op de
werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is
nietig.
§
3. Uitzondering premieplicht
Art.
21. Uitzondering premieplicht 65-jarigen
(3.1.3.1)
Geen premies voor de werknemersverzekeringen zijn verschuldigd met ingang
van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65
jaar zal bereiken.
§
4. Premiewijziging anders dan per 1 januari
Art.
22. Premiewijziging anders dan per 1 januari
(3.1.4.1)
-1. Indien een wijziging van een
premiepercentage bij ministeriële regeling op grond van dit hoofdstuk of
een wijziging in de verdeling van de premie op grond van artikel
25, tweede lid, ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de
vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën.
-2. Indien een wijziging door het UWV
van een premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander
tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Minister
en Onze Minister van Financiën. Indien Onze Minister en Onze Minister van
Financiën hun goedkeuring onthouden, stellen zij het percentage zelf
vast.
-3. Onze Minister en Onze Minister van
Financiën kunnen in een geval als bedoeld in dit artikel regels stellen
omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele
kalenderjaar.
AFDELING
2
Financiering
Werkloosheidswet en Ziektewet
§
1. Premies ten gunste van de fondsen
Art.
23. Premieheffing (3.2.1.1)
-1. De financiële middelen tot dekking
van de uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de
wachtgeldfondsen, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in
stand houden van reserves in deze fondsen, worden verkregen door het
heffen van premie.
-2. De premie wordt onderscheiden in een
deel dat ten gunste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds en een deel
dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds dat het UWV
voor de betrokken sector afzonderlijk administreert.
§
2. Uitzondering overheid
Art.
24. Uitzondering overheid (3.2.2.1)
-1. Deze afdeling is niet van toepassing
op overheidswerknemers en op overheidswerkgevers voor zover zij werkgever
zijn van overheidswerknemers.
-2. In afwijking van het eerste lid is
deze afdeling van toepassing ten aanzien van degenen die uitkering
ontvangen op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1,
van de
Wet arbeid en zorg, dan wel een toeslag op
grond van de
Toeslagenwet, indien zij die uitkering of
toeslag uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer
ontvangen.
§
3. Premieplicht werkgever en werknemer
Art.
25. Premieverschuldigdheid werkgever en werknemer
(3.2.3.1)
-1. De premie is verschuldigd door
werkgevers en werknemers.
-2. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds is gedeeltelijk verschuldigd door
de werkgever en gedeeltelijk door de werknemer. Bij ministeriële regeling
wordt bepaald welk gedeelte door de werkgever en welk gedeelte door de
werknemer is verschuldigd.
-3. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van een wachtgeldfonds is verschuldigd door de werkgever.
§
4. Maatstaf
Art.
26. Maatstaf (3.2.4.1)
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
§
5. Tarief
Art.
27. Premiepercentage Algemeen Werkloosheidsfonds
(3.2.5.1)
Bij ministeriële regeling wordt het deel van de premie dat ten gunste
komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds vastgesteld op een voor alle
takken van bedrijf en beroep gelijk percentage van het loon.
Art.
28. Premiepercentage wachtgeldfonds (3.2.5.2)
-1. Het deel van de premie dat ten gunste
komt van een wachtgeldfonds wordt door het UWV
vastgesteld op een percentage van het loon dat voor werkgevers en
werknemers die behoren tot verschillende sectoren en sectoronderdelen als
bedoeld in artikel
95 kan verschillen. Bij de vaststelling van het percentage blijven
ten aanzien van eigenrisicodragers als bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van de Ziektewet,
vermeerderd met een door het UWV vast te stellen opslag in verband met
kosten ter zake van de betaling van die uitkeringen en van de
werkzaamheden, bedoeld in artikel
63a, eerste lid, van die wet,
alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde
premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht,
buiten beschouwing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent
nadere regels worden gesteld.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt
met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels
bij ministeriële regeling over een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
de
Ziektewet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg aan de
werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in
artikel 3:6, eerste lid, van die wet, over
een toeslag op grond van de
Toeslagenwet en over loon op grond van een arbeidsovereenkomst als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet sociale werkvoorziening
voor het deel van de premie dat ten gunste komt van een wachtgeldfonds een
gemiddeld premiepercentage vastgesteld. Dit wordt bepaald op het
gemiddelde van de percentages die zijn vastgesteld op grond van het eerste
lid.
-3. Het deel van de premie dat met
toepassing van het tweede lid ten gunste komt van het wachtgeldfonds
bedraagt ten hoogste de premie die op grond van het eerste lid is
vastgesteld. Het resterende deel van deze premie komt ten gunste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
-4. Het tweede lid wordt niet toegepast
ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de
werkgever verschuldigde premies, betaalt aan de werkgever, bedoeld in
artikel 9, 10 of 12
van de
Werkloosheidswet en de Ziektewet
en in
artikel 8, 9 of 11
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die
werkgever, tenzij die werkgever een werkgever is van degene die loon
ontvangt uit een arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2
van de
Wet sociale werkvoorziening.
-5. Een door het UWV bepaald percentage
als bedoeld in het eerste lid behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt, stelt hij het percentage
zelf vast.
AFDELING
3
Financiering
Werkloosheidswet en Ziektewet bij overheid
§
1. Door overheid af te dragen middelen
Art.
29. Premieheffing en verhaal (3.3.1.1)
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid, alsmede de financiële middelen voor
het vormen en in stand houden van een reserve in dat fonds, worden
verkregen door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in
artikel 79 van de Werkloosheidswet, bij de
overheidswerkgevers en door het heffen van premie.
Art.
30. Premieverschuldigdheid overheidswerkgever
(3.3.1.2)
De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever.
Art.
31. Maatstaf en tarief (3.3.1.3)
De premie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage
van het loon. Dit percentage kan uitsluitend voor verschillende werkgevers
verschillen, omdat bij de vaststelling daarvan ten aanzien van de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 40, eerste lid,
onderdeel a, uitkeringen op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel
a, b en c, van de Ziektewet,
vermeerderd met een opslag in verband met kosten ter zake van de betaling
van die uitkeringen en van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 63a,
eerste lid, van
die wet, alsmede de op grond van enige wet over
die uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in
mindering kunnen worden gebracht, buiten beschouwing blijven.
§
2. Door overheid in te houden op het loon
Art.
32. Pseudo-WW-premie (3.3.2.1)
-1. De overheidswerkgever mag op het loon
van de overheidswerknemer een bedrag inhouden ter hoogte van het deel van
de premie dat deze op grond van de artikelen 25, tweede
lid, en
27 verschuldigd zou zijn indien die artikelen op hem
van toepassing zouden zijn. De eerste zin is niet van toepassing op de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 56.
-2. Op de in het eerste lid bedoelde
inhouding is hoofdstuk 4 niet van toepassing.
AFDELING
4
Financiering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
§
1. Premies en rijksbijdragen ten gunste van de fondsen
Art.
33. Premieheffing en rijksbijdrage (3.4.1.1)
-1. De financiële middelen tot dekking
van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, alsmede de
financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in
dat fonds, worden verkregen door het heffen van de in artikel
36 bedoelde basispremie en door een bijdrage van het Rijk als
bedoeld in
artikel 114, onderdeel f.
-2. De financiële middelen tot dekking
van de uitgaven ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas, alsmede de
financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een reserve in
de Arbeidsongeschiktheidskas, worden verkregen door het heffen van de in artikel 37
bedoelde gedifferentieerde premie.
§
2. Premieplicht werkgever
Art.
34. Basispremie en gedifferentieerde premie
(3.4.2.1)
De premie is verschuldigd door de werkgever en bestaat uit een basispremie
en een gedifferentieerde premie.
§
3. Maatstaf
Art.
35. Maatstaf (3.4.3.1)
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
§
4. Tarief
Art.
36. Basispremie (3.4.4.1)
Bij ministeriële regeling wordt voor de berekening van de basispremie een
voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk percentage vastgesteld.
Art.
37. Gedifferentieerde premie (3.4.4.2)
-1. Het UWV
stelt, onder goedkeuring van
Onze Minister, vast:
a. voor de berekening van de
gedifferentieerde premie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk
rekenpercentage;
b. voor de berekening van het
rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van
bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.
-2. Elk jaar wordt met ingang van 1
januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid,
onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk
verlaagd. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in
het vierde lid, kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een
werkgever dan wel voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld,
waarbij de korting of opslag voor categorieën van werkgevers kan
verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met
toepassing van de artikelen 96 of 97
is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk
bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die
behoren tot een afzonderlijke sector de opslag of korting toegepast als
was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever
die niet behoort tot een categorie als bedoeld in de tweede zin stelt de
inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-3. De inspecteur stelt in geval van
overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke
overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in
het tweede lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de
werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de
werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden regels gesteld:
a. omtrent de wijze waarop het
rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het
gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
worden vastgesteld;
b. omtrent de wijze waarop de in
het tweede of derde lid bedoelde opslag of korting wordt berekend;
c. omtrent de percentages die op
grond van dit artikel ten hoogste voor een werkgever mogen gelden en
omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor een
werkgever moeten gelden.
-5. Indien Onze Minister zijn goedkeuring
onthoudt aan een door het UWV op grond van het eerste lid, onderdeel a
of onderdeel b, vastgesteld percentage stelt hij het percentage
vast.
-6. Beschikkingen van de inspecteur op
grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming
met het UWV.
Art.
38. Vervanging gedifferentieerde premie
(3.4.4.3)
-1. In afwijking van artikel
37 is over een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet,
hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg,
de Werkloosheidswet, over een toeslag op grond van
de Toeslagenwet, over het loon uit een
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening
en over het loon van de werknemer van de eigenrisicodrager op wie artikel
56 van toepassing is, als gedifferentieerde premie een premie
verschuldigd naar het percentage, bedoeld in artikel 37,
eerste lid, onderdeel a. Met een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1,
onderdeel r, van de
Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
-2. Behalve voor degene die loon ontvangt
uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt
het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV
de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde
premies, betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 8,
9 of 11 van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidverzekering en in artikel 9,
10 of 12 van
de Werkloosheidswet
en de Ziektewet, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
§
5. Rijksbijdrage
Art.
39. Rijksbijdrage (3.4.5.1)
Onze Minister kan bedragen vaststellen
die jaarlijks of in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld
in artikel
114, onderdeel f, ten gunste komen van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
AFDELING
5
Eigen
risico dragen
Ziektewet en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
§
1. Algemeen
Art.
40. Verzoek eigen risico dragen (3.5.1.1)
-1. De inspecteur verleent overeenkomstig
deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare
beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:
a. het ziekengeld aan de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b
en c, van de
Ziektewet, die laatstelijk tot de werkgever in
dienstbetrekking stonden; of
b. arbeidsongeschiktheidsuitkering
overeenkomstig hoofdstuk IIIa van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. De werkgever legt bij een aanvraag als
bedoeld in het eerste lid een schriftelijke garantie over waaruit blijkt
dat een kredietinstelling of een verzekeraar zich jegens het UWV
verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk
meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van
het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.
-3. De overheidswerkgever, bedoeld in
artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen, voor zover deze door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën is aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het
overleggen van een schriftelijke garantie als bedoeld in het tweede lid.
-4. De in het eerste lid bedoelde
toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de
werkgever zelf dragen van het in het eerste lid bedoelde risico is
beëindigd.
-5. Onder een kredietinstelling als
bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een op grond van artikel 52,
tweede lid, van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 geregistreerde kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1º, van die
wet.
-6. Onder een verzekeraar als bedoeld in
het tweede lid wordt verstaan een verzekeraar:
1º. die in het bezit is van de op grond
van artikel 24, eerste lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 vereiste vergunning of heeft
voldaan aan de op grond van de artikelen 37 of 38 van die
wet vereiste procedure met betrekking tot een bijkantoor in
Nederland; of
2º. die heeft voldaan aan de vereiste
procedure, bedoeld in de artikelen 111, eerste lid, onderdeel a
tot en met c, of tweede lid, 113, eerste of vierde lid, 116,
eerste lid, onderdeel a tot en met c, of derde lid, of
118, tweede of vijfde lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, indien het de aldaar bedoelde
dienstverrichting naar Nederland betreft.
-7. De garantie, bedoeld in het tweede
lid, wordt voor onbepaalde tijd gegeven. Deze garantie strekt zich uit tot
rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het
risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 63b,
derde lid, van de
Ziektewet, onderscheidenlijk artikel
75b, vierde en zesde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze garantie kan door de
desbetreffende kredietinstelling of verzekeraar niet worden beëindigd
zonder schriftelijke opzegging bij het UWV.
-8. De garantie, bedoeld in het tweede
lid, strekt zich niet uit tot:
a. ziekengeld onderscheidenlijk
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ter zake van ongeschiktheid tot werken
die is ontstaan door een omstandigheid als bedoeld in artikel 64, tweede
lid, van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of door een kernongeval als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, van de Wet
aansprakelijkheid kernongevallen;
b. de boete, bedoeld in artikel 63c
van de Ziektewet.
-9. De toestemming, bedoeld in het eerste
lid, wordt door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari of 1 juli
van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken vóór de
desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op
zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze
aanvangt werkgever te zijn.
-10. Het door de werkgever zelf dragen van
het risico, bedoeld in het eerste lid:
a. eindigt met ingang van de dag
waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, eindigt,
onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in
staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard
dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
b. wordt door de inspecteur op 1
januari of 1 juli van enig jaar beëindigd bij voor bezwaar vatbare
beschikking op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste
dertien weken vóór de desbetreffende datum is ingediend;
c. kan door de inspecteur zonder
aanvraag van de werkgever met onmiddellijke ingang bij voor bezwaar
vatbare beschikking worden beëindigd indien de rechtbank
de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk IX van de Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, onderscheidenlijk de bijzondere
voorziening als bedoeld in hoofdstuk X van de Wet
toezicht kredietwezen 1992 heeft uitgesproken over de betrokken
verzekeraar onderscheidenlijk kredietinstelling.
-11. Aan een gemeente
kan door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming
worden verleend om het risico, bedoeld in het eerste lid, zelf te dragen
met uitzondering van dat risico ten aanzien van haar werknemers die
werkzaam zijn bij:
a. een door één of meer
gemeenten, al dan niet tezamen met één of meer privaatrechtelijke
rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, in stand gehouden school;
b. een door een openbare
rechtspersoon als bedoeld in artikel 47 van de Wet
op het primair onderwijs in stand gehouden school;
c. een door een stichting als
bedoeld in artikel 17 of artikel 48 ¹ van de Wet
op het primair onderwijs in stand gehouden school;
d. een door het bevoegd gezag van
een openbare school, al dan niet met één of meer andere bevoegde
gezagsorganen als bedoeld in de Wet
op het primair onderwijs, de Wet
op de expertisecentra of de Wet
op het voortgezet onderwijs, in stand gehouden centrale dienst zoals
die beschreven wordt in artikel 68 van de
Wet op het
primair onderwijs, voor zover de kosten voor de betrokken werknemers
door het Rijk worden bekostigd; of
e. openbare scholen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel a tot en met c, en artikel 124,
onderdeel
a tot en met c, van de Wet
op het voortgezet onderwijs.
-12. In een geval als bedoeld in het
tiende lid, onderdeel a, doet de inspecteur daarvan op verzoek van
de werkgever mededeling bij voor bezwaar vatbare beschikking.
-13. Beschikkingen van de inspecteur op
grond van deze afdeling worden genomen gehoord het UWV en in
overeenstemming met het UWV.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 17 of artikel 48" te worden vervangen door:
artikel 17 of 48.
Art.
41. Geen verhaal verzekeringspremie op werknemer
(3.5.1.2)
De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel
40, eerste lid, een verzekering heeft afgesloten, mag de door hem
ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de
werknemer. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.
Art.
42. Nadere regelgeving eigen risico dragen
(3.5.1.3)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
§
2. Eigen risico dragen Ziektewet
Art.
43.
Aanvullende bepalingen eigen risico dragen Ziektewet
(3.5.2.1)
-1. De garantie, bedoeld in artikel 40,
tweede lid, met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, van dat artikel reikt tot het bedrag dat
overeenkomstig artikel 44 wordt berekend.
-2. De werkgever aan wie toestemming wordt
verleend als bedoeld in artikel 40, eerste lid,
onderdeel a, neemt ter zake van de begeleiding van zijn zieke
werknemers artikel 14, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 in acht en legt bij zijn aanvraag een afschrift over van de
schriftelijke vastlegging, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van
die wet.
-3. De toestemming, bedoeld in artikel 40,
eerste lid, onderdeel a, kan, onverminderd het tiende lid van dat
artikel, door de inspecteur zonder aanvraag van de werkgever met
onmiddellijke ingang bij voor bezwaar vatbare beschikking worden
beëindigd indien de werkgever zich met betrekking tot de begeleiding van
zijn zieke werknemers niet meer laat bijstaan door een arbodienst.
Art.
44.
Hoogte
garantiebedrag (3.5.2.2)
-1. Het bedrag, bedoeld in
artikel 43, eerste lid, is gelijk aan de helft van het voor de
werkgever voor het kalenderjaar berekende ziekterisicocijfer,
vermenigvuldigd met de som van het loon waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, over het aan dat kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar door de
werkgever premie is verschuldigd.
-2. Indien de in het eerste lid bedoelde
som van het loon niet kan worden vastgesteld, wordt daarvoor in de plaats
gesteld de som van het loon waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
laatstelijk door de werkgever premie is verschuldigd of, bij het ontbreken
daarvan, de som van het loon waarover op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
premie zal zijn verschuldigd.
-3. Het bedrag, bedoeld in
artikel 43, eerste lid, is niet lager dan de helft van het voor het
kalenderjaar berekende gemiddelde premieplichtige loon per werknemer.
-4. Het ziekterisicocijfer wordt berekend
op basis van de formule:
A = (U) / (L)
waarbij:
A = het ziekterisicocijfer;
U = de uitkeringen in het kalenderjaar die op grond van artikel 104,
eerste lid, onderdeel c, juncto het vierde en vijfde lid, ten
laste komen van het wachtgeldfonds van de sector waartoe de werkgever
behoort, bedoeld in artikel
94, alsmede de uitvoeringskosten met betrekking tot die uitkeringen
en de op grond van enige wet over die uitkeringen door het UWV
verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
L = het totaalbedrag van het loon, bedoeld in artikel 26,
waarover in het kalenderjaar, ten gunste van het wachtgeldfonds van de
sector waartoe de werkgever behoort, de aldaar bedoelde premies zijn
verschuldigd, met uitzondering van de uitkeringen en het loon waarop artikel
28, tweede lid, van toepassing is.
-5. Indien een wachtgeldfonds bestaat uit
onderdelen die niet afzonderlijk worden beheerd, terwijl het deel van de
premie dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds voor elk van die
onderdelen afzonderlijk wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van
het vierde lid onder het wachtgeldfonds verstaan het onderdeel van het
wachtgeldfonds.
-6. Bij de vaststelling van de som van het
loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft
artikel 17, tweede lid, buiten toepassing.
§
3. Eigen risico dragen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Art.
45.
Aanvullende bepaling eigen risico dragen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(3.5.3.1)
Aan een gemeente wordt geen toestemming verleend
als bedoeld in artikel 40, aanhef en eerste lid,
onderdeel b,¹ ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn in een
dienstbetrekking op grond van de Wet sociale
werkvoorziening.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "artikel 40, aanhef en eerste
lid, onderdeel b," te worden vervangen door: artikel
40, eerste lid, aanhef en onder b,
Art.
46.
Vrijstelling premie eigenrisicodrager Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(3.5.3.2)
-1. De eigenrisicodrager is over het loon
van de tot hem in dienstbetrekking staande werknemers de gedifferentieerde
premie, bedoeld in artikel 37, en over de door hem te
betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen de premie, bedoeld in
artikel 38, niet verschuldigd.
-2. De startende werkgever, bedoeld in artikel 40,
negende lid, is in afwachting van de door de inspecteur te nemen
beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel
40, eerste lid, over het loon van de tot hem in dienstbetrekking
staande werknemers de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel
37, niet verschuldigd.
-3. In afwijking van het eerste en tweede
lid is over het loon van de werknemer op wie artikel
56 van toepassing is, als gedifferentieerde premie een premie
verschuldigd naar het percentage, bedoeld in artikel 37,
eerste lid, onderdeel a.
AFDELING
6
Premievrijstellingen
en premiekorting
§
1. Premievrijstelling oudere werknemer
Art.
47.
Premievrijstelling oudere werknemer (3.6.1.1)
Over het loon van de werknemer wordt geen basispremie als bedoeld in artikel
36 geheven:
a. indien de werkgever die
werknemer in dienst neemt, terwijl die werknemer een leeftijd van 50 jaar
of ouder heeft;
b. indien die werknemer bij het
begin van het kalenderjaar de leeftijd van 54,5 jaar heeft bereikt.
Art.
48.
Uitzondering (3.6.1.2)
De vrijstelling, bedoeld in artikel 47, is niet van
toepassing op de premie over het loon van de persoon die arbeid verricht
als bedoeld in artikel 2 van de
Wet
sociale werkvoorziening.
§
2. Korting arbeidsgehandicapte werknemer
Art.
49.
Voorwaarden korting arbeidsgehandicapte werknemer
(3.6.2.1)
-1. De werkgever wordt, op diens aanvraag,
voor zolang de dienstbetrekking duurt doch ten hoogste gedurende de eerste
drie jaar vanaf de aanvang van de dienstbetrekking voor de werknemer die
op de dag van aanvang van die dienstbetrekking een arbeidsgehandicapte is
als bedoeld in artikel 2 van de
Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten een korting toegekend op
de door de werkgever verschuldigde premies op grond van de artikelen
27 of 31 en op de verschuldigde premie op grond
van
afdeling 4 van
dit hoofdstuk.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing met betrekking tot de werknemer die arbeidsgehandicapte is
geworden als bedoeld in
artikel
2 van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, voor zolang de dienstbetrekking
duurt doch ten hoogste gedurende één jaar nadat die werknemer zijn eigen
arbeid of een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk
heeft hervat dan wel gedurende één jaar nadat diens arbeidsplaats is
aangepast tot behoud, herstel of ter bevordering van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid van die werknemer.
-3. Een aanvraag als bedoeld in het eerste
lid wordt gedaan binnen één jaar na aanvang van de dienstbetrekking.
-4. Een aanvraag als bedoeld in het tweede
lid wordt gedaan binnen één jaar nadat de werknemer zijn eigen arbeid of
een andere functie bij dezelfde werkgever geheel of gedeeltelijk heeft
hervat dan wel binnen één jaar nadat de arbeidsplaats is aangepast. De
werkgever legt gelijktijdig met de aanvraag een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 71a
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
over.
-5. Een aanvraag op grond van dit artikel
wordt gedaan bij de inspecteur, die daarop bij voor bezwaar vatbare
beschikking beslist.
Art.
50.
Omvang
korting arbeidsgehandicapte werknemer (3.6.2.2)
-1. De korting arbeidsgehandicapte
werknemer bedraagt € 1021,00 per jaar op de door de werkgever
verschuldigde premies op grond van de artikelen 27 of
31 en €|1021,00 per
jaar op de verschuldigde premie op grond van
afdeling 4 van
dit hoofdstuk.
-2. De korting arbeidsgehandicapte
werknemer bedraagt €|227,00 per jaar indien
het loon van de werknemer over het kalenderjaar minder dan 50% van het
naar een jaarbedrag herleide minimumloon
bedraagt zoals dat voor de werknemer gold op 1 januari van het
desbetreffende kalenderjaar.
-3. Onverminderd het eerste en tweede lid
bedraagt de korting arbeidsgehandicapte werknemer €|680,00
per jaar voor de werknemer die tevens jonggehandicapte is als bedoeld in artikel 5
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten en voor de persoon bij wie de beperking op grond
waarvan hij arbeidsgehandicapte is in de zin van de
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten vóór zijn 17de verjaardag bestond.
-4. Indien de toepassing van dit artikel
ertoe zou leiden dat een negatieve premie wordt geheven, wordt de premie
op nihil gesteld.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen de
bedragen, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, worden gewijzigd.
§
3. Premievrijstelling bij marginale arbeid
Art.
51.
Voorwaarden premievrijstelling marginale arbeid
(3.6.3.1)
-1. Op aanvraag van een werkgever verleent
de inspecteur, gehoord het UWV
en in overeenstemming met het UWV, bij voor bezwaar vatbare beschikking
vrijstelling van alle op grond van dit hoofdstuk verschuldigde premies ter
zake van een dienstbetrekking met een uitkeringsgerechtigde, indien:
a. de dienstbetrekking ten hoogste
zes aaneengesloten weken duurt; en
b. de werkgever in het kalenderjaar
niet eerder een dienstbetrekking met die uitkeringsgerechtigde is
aangegaan; en
c. voor een dienstbetrekking van
die uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder vrijstelling is
verleend.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
worden dienstbetrekkingen tussen de werkgever en de uitkeringsgerechtigde
geacht eenzelfde niet onderbroken dienstbetrekking te zijn indien die
dienstbetrekkingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen zijn
opgevolgd.
-3. Voor de toepassing van deze paragraaf
wordt onder uitkeringsgerechtigde verstaan: degene wiens inkomen uit en in
verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven onmiddellijk
voorafgaande aan de aanvang van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde
dienstbetrekking uitsluitend bestaat uit een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand,
de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen, de Werkloosheidswet,
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de
Toeslagenwet of uit een uitkering op grond van vergelijkbare
regelingen dan wel uit een combinatie van deze uitkeringen en die bij de Centrale
organisatie werk en inkomen als werkzoekende is geregistreerd.
Art.
52.
Aanvraag (3.6.3.2)
-1. De werkgever vraagt de vrijstelling
aan vóór de afloop van de dienstbetrekking. De aanvraag wordt mede door
de uitkeringsgerechtigde ondertekend.
-2. De aanvraag bevat in ieder geval het
sociaal-fiscaal nummer van de uitkeringsgerechtigde.
Art.
53.
Aanwijzing categorieën werknemers (3.6.3.3)
-1. Bij ministeriële regeling kunnen voor
de Tabakverwerkende en Agrarische sector categorieën van werknemers
worden aangewezen waarvoor de werkgever ter zake van een dienstbetrekking
met een onder die categorie vallende werknemer de premievrijstelling,
bedoeld in deze paragraaf, kan worden verleend.
-2. Voor aanwijzing komen in aanmerking
categorieën van werknemers, die behalve uit de in het eerste lid bedoelde
dienstbetrekking, bij aanvang van die dienstbetrekking niet zijn
aangewezen op inkomen uit arbeid en geen uitkeringsgerechtigde zijn.
Art.
54.
Vrijstelling aangewezen categorieën (3.6.3.4)
-1. De inspecteur, gehoord het UWV
en in overeenstemming met het UWV, verleent voor de Tabakverwerkende en
Agrarische sector op aanvraag van een werkgever bij voor bezwaar vatbare
beschikking vrijstelling van de verplichting tot het betalen van premies
ter zake van een dienstbetrekking met een werknemer vallend onder een
categorie als bedoeld in artikel
53, eerste lid, die voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel
51, eerste lid.
-2. De artikelen 51 en 52
zijn van overeenkomstige toepassing.
§
4. Nadere regels
Art.
55.
Nadere
regels (3.6.4.1)
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent de verdeling van de korting op grond van paragraaf 2
over de premies op grond van de
afdelingen 2
en 3 onderscheidenlijk afdeling 4 van dit hoofdstuk.
-2. Bij regeling van Onze Minister,
in overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën, worden nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met
betrekking tot de gevallen waarin en de situaties waaronder bij
onderbrekingen van het dienstverband dan wel bij opeenvolgende
dienstverbanden bij dezelfde dan wel een andere werkgever, in afwijking
van paragraaf
2, de korting niet geldt.
-3. Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels
worden gesteld:
a. met betrekking tot de aanvragen,
bedoeld in deze afdeling;
b. ten behoeve van een goede
uitvoering van deze afdeling.
AFDELING
7
Premieheffing
bij verklaring arbeidsrelatie
Art.
56.
Verschuldigdheid premie door werknemer (3.7.1)
-1. In afwijking van
afdeling 2, 3 en 4 ¹ is
premie alleen verschuldigd door de werknemer, indien:
a. voor hem een beschikking geldt
als bedoeld in artikel 4a
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen waarin hij met betrekking tot de verrichte soort van
werkzaamheden wordt aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4
van die
wet; en
b. het de werkgever niet
redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de werknemer tot hem in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt de beschikking, bedoeld in artikel
6a, eerste lid, van de Werkloosheidswet
en artikel 6a, eerste lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
aangemerkt als een beschikking als bedoeld in artikel 4a
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen waarin de directeur-grootaandeelhouder wordt
aangemerkt als zelfstandige als bedoeld in artikel 4
van die
wet.
1. Volgens de redactie
dient na "afdeling 2, 3 en
4" te worden ingevoegd: van
dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
4
De
heffing en invordering van premies
§
1. Heffing
Art.
57.
Premieheffing door de rijksbelastingdienst (4.1.1)
De rijksbelastingdienst heft de premie voor
de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.
Art.
58.
Premieheffing volksverzekeringen (4.1.2)
-1. De premie voor de volksverzekeringen
wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens
dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende
regels, met uitzondering van artikel 3.154 van de
Wet
inkomstenbelasting 2001.
-2. Voor zover de premieplichtige van een
inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de
Wet op de
loonbelasting 1964, wordt de premie voor de volksverzekeringen bij
wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de
heffing van de loonbelasting geldende regels.
-3. Voor zover de premieplichtige aan de
loonbelasting is onderworpen op grond van artikel 5a
van de Wet
op de loonbelasting 1964, is het tweede lid niet van toepassing.
Art.
59.
Premieheffing werknemersverzekeringen (4.1.3)
-1. De premies voor de
werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van
de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.
-2. In de uitnodiging tot het doen van
aangifte kan mede opgave worden verlangd van gegevens die noodzakelijk
zijn ten behoeve van de doelen van de gegevensverwerking in de
polisadministratie, bedoeld in artikel
33, tweede lid, onderdeel a,
e en f, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, waarbij met
betrekking tot die verlangde gegevens de regels die gelden voor de heffing
van de loonbelasting van overeenkomstige toepassing zijn.
-3. Een aanvraag tot het geven van een
beschikking over het verzekerd zijn op grond van de
werknemersverzekeringen kan door de werkgever uitsluitend bij de
inspecteur worden ingediend. De inspecteur beslist bij voor bezwaar
vatbare beschikking.
-4. In afwijking van artikel 5a
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen beslist de inspecteur op een aanvraag als
bedoeld in het derde lid binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag. Indien in verband met de gevraagde beschikking informatie is
gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de
beschikking niet binnen dertien weken gegeven kan worden, wordt die
termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van
deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.
-5. Het vierde lid is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van een aanvraag of melding op grond van de artikelen 40, 95
of
97.
-6. In afwijking van artikel 25, eerste
lid, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen doet de inspecteur binnen dertien weken
na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop indien het bezwaar is
gericht tegen een beschikking als bedoeld in het derde lid of in de artikelen 40, 95
of
97.
-7. In afwijking van artikel 26 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen kan de werkgever tegen de uitspraak op
bezwaar van de inspecteur op grond van de artikelen
95 of 97 uitsluitend beroep instellen bij het
gerechtshof. Op het beroep is hoofdstuk V,
afdeling 2, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, alsmede
hoofdstuk 8 van de
Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen
8:1, eerste en tweede lid, 8:4, 8:5,
8:6, eerste lid, 8:8,
8:9 en 8:10,
van overeenkomstige toepassing.
-8. De inspecteur stelt de werkgever zo
nodig op de hoogte van de door het UWV
op aanvraag van de werknemer genomen beschikking over het verzekerd zijn
op grond van de werknemersverzekeringen.
-9. In afwijking van de artikelen 25b,
27f, 27j, derde lid, en 29i van de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen verleent de inspecteur een teruggaaf van
premie uitsluitend aan de werkgever.
-10. In afwijking van artikel 5a
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen beslist de inspecteur op aanvragen,
andere dan die bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, binnen een
redelijke termijn als bedoeld in afdeling 4.1.3
van de
Algemene wet bestuursrecht en met toepassing van die afdeling. De
tweede zin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.
§
2. Invordering
Art.
60.
Invordering
door de rijksbelastingdienst (4.2.1)
-1. De rijksbelastingdienst
vordert de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de
werknemersverzekeringen in.
-2. Bij de invordering van de premie voor
de volksverzekeringen zijn, naargelang artikel
58, eerste lid dan wel tweede lid, van toepassing is, de regels
geldende voor de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk
de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.
-3. Bij de invordering van de premies voor
de werknemersverzekeringen zijn de regels geldende voor de invordering van
de loonbelasting, met uitzondering van artikel 38, eerste lid, onderdeel a,
van de Invorderingswet
1990, van overeenkomstige toepassing.
§
3. Schuldige nalatigheid premie volksverzekeringen
Art.
61.
Schuldige
nalatigheid (4.3.1)
-1. Indien een premieplichtige heeft
nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen te betalen, beslist de SVB
dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13
van de
Algemene Ouderdomswet, behoudens voor zover de
premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond
waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.
-2. Een beslissing als bedoeld in het
eerste lid wordt in elk geval genomen, indien:
a. de aanslag voor de premie voor
de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige
geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het
premie-inkomen;
b. de premie voor de
volksverzekeringen niet of niet geheel kan worden ingevorderd omdat is
nagelaten te voldoen aan de krachtens de artikelen 65, eerste tot en met
derde en vijfde tot en met zevende lid, 66 en 68 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende
verplichtingen; of
c. de premieplichtige de
bekendmaking van de beslissing op grond van het eerste lid bemoeilijkt of
onmogelijk maakt omdat is nagelaten te voldoen aan de krachtens de
artikelen 65, eerste tot en met derde en vijfde tot en met zevende lid, 66
en 68 van de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldende
verplichtingen.
-3. Indien de premieplichtige ten aanzien
van wie een beslissing als bedoeld in het eerste lid is genomen binnen
vijf jaren na de dagtekening van de aanslag voor de premie voor de
volksverzekeringen de verschuldigd gebleven premie alsnog geheel of
gedeeltelijk betaalt, is hij een opslag verschuldigd van 5% op de
verschuldigd gebleven premie voor de algemene ouderdomsverzekering. Indien
een beslissing als bedoeld in het eerste lid meer dan vier jaren en 48
weken na de dagtekening van de aanslag wordt genomen, wordt de termijn van
vijf jaren verlengd tot vier weken na de datum van die beslissing.
-4. In geval van gehele of gedeeltelijke
premiebetaling als bedoeld in het derde lid wordt die betaling
achtereenvolgens toegerekend aan:
a. de kosten verbonden aan de
invordering;
b. de invorderingsrente;
c. de verschuldigd gebleven
inkomstenbelasting en de premie verschuldigd gebleven voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten en de nabestaandenverzekering;
d. de opslag, bedoeld in het derde
lid;
e. de premie verschuldigd gebleven
voor de algemene ouderdomsverzekering, waarbij de betaling eerst wordt
toegerekend aan het oudste tijdvak of de oudste tijdvakken binnen de
termijn van vijf jaren, bedoeld in het derde lid.
-5. In geval van gehele of gedeeltelijke
premiebetaling voor de algemene ouderdomsverzekering als bedoeld in het
derde lid wordt de beslissing op grond van het eerste lid in zoverre
gewijzigd of ingetrokken.
-6. Aan de belanghebbende wordt door de
SVB bij brief met ontvangstbevestiging kennisgegeven van een beslissing
als bedoeld in het eerste en vijfde lid.
Art.
62.
Beroep (4.3.2)
Het beroep tegen een beslissing van de SVB op
grond van artikel
61 kan niet zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte
of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het beroep kan slechts dan
zijn gegrond op de stelling dat de aanslag niet is ontvangen, indien de
belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag nimmer ontvangen
heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet
ontvangen van de aanslag hem kan worden toegerekend.
§
4. Aanvullende regeling
Art.
63. Nadere
regels (4.4.1)
Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
5
Gemoedsbezwaarden
Art.
64.
Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren (5.1)
-1. De SVB kan
op verzoek wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen
of werknemersverzekeringen ontheffen van de verplichtingen opgelegd op
grond van de desbetreffende wetten en deze wet:
a. de persoon die deze
gemoedsbezwaren heeft;
b. de rechtspersoon waarbij
natuurlijke personen zijn betrokken die deze gemoedsbezwaren hebben.
-2. De SVB doet de inspecteur mededeling
omtrent de ontheffing of intrekking van de ontheffing.
Art.
65.
Premievervangende belasting (5.2)
-1. Indien een ontheffing is verleend in
het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt voor geen van de
volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al die verzekeringen
heffing van premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende
loonbelasting plaats overeenkomstig
artikel 58 tot het bedrag van de verschuldigde premie als bedoeld
in
artikel 9.
-2. Indien een werkgever ontheffing is
verleend in het kader van de werknemersverzekeringen, wordt
premievervangende loonbelasting geheven overeenkomstig
artikel 59 tot het bedrag aan premies dat hij met toepassing van
hoofdstuk 3 zou hebben afgedragen indien hem geen ontheffing zou
zijn verleend.
-3. Voor de toepassing van deze wet, de Wet
inkomstenbelasting 2001, de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet
1990 wordt de premievervangende belasting beschouwd als premie voor
de volksverzekeringen dan wel voor de werknemersverzekeringen.
Art.
66.
Premie ten
laste van Rijk (5.3)
Ten laste van het Rijk komen de bedragen aan premie voor de
volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen die wegens een ontheffing
niet zijn geheven overeenkomstig artikel 65.
Art.
67.
Nadere regels (5.4)
Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden regels
gesteld ten aanzien van:
a. de voorwaarden waaronder een
ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen die aan een
ontheffing worden verbonden;
c. de gevallen waarin een
ontheffing wordt ingetrokken en de gevolgen die aan die intrekking worden
verbonden.
HOOFDSTUK
6
De
financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
AFDELING
1
De
financiering van de vrijwillige volksverzekeringen
§
1. Inleidende bepalingen
Art.
68.
Premieheffing (6.1.1.1)
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige
volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Art.
69.
Algemene
begrippen (6.1.1.2)
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk IV
van de
Algemene Ouderdomswet;
b. vrijwillige
nabestaandenverzekering: de verzekering, bedoeld in hoofdstuk 5
van de
Algemene nabestaandenwet;
c. vrijwillige verzekering
bijzondere ziektekosten: de verzekering, bedoeld in artikel
32a van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten.
§
2. Heffing en inning
Art.
70.
Premieheffing door SVB (6.1.2.1)
-1. De verschuldigde premie voor de
vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, de vrijwillige
nabestaandenverzekering of de vrijwillige verzekering bijzondere
ziektekosten wordt in rekening gebracht en geïnd door de SVB
op de wijze en het tijdstip aangegeven door de SVB.
-2. Een schuld aan premie voor een
vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene die tot die
verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door degene die
krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.
§
3. Premieplicht en tarief
Art.
71.
Premieplicht en tarief (6.1.3.1)
-1. Degene die is toegelaten tot de
vrijwillige algemene ouderdomsverzekering, de vrijwillige
nabestaandenverzekering of de vrijwillige verzekering bijzondere
ziektekosten is voor die verzekeringen een premie verschuldigd volgens bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief.
-2. De voordracht voor een op grond van
het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
AFDELING
2
De
financiering van de vrijwillige werknemersverzekeringen
§
1. Inleidende bepaling
Art.
72.
Premieheffing (6.2.1.1)
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige
werknemersverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
§
2. Heffing en inning
Art.
73.
Premieheffing door UWV (6.2.2.1)
-1. De premies voor de vrijwillige
werknemersverzekeringen worden in rekening gebracht en geïnd door het UWV
op de wijze en het tijdstip aangegeven door dat instituut.
-2. Het UWV kan nadere regels stellen met
betrekking tot de premie.
-3. De door het UWV op grond van het
tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
§
3. Werkloosheidswet
Art.
74.
Hoogte
premie vrijwillige werkloosheidsverzekering (6.2.3.1)
-1. De premie voor de vrijwillige
verzekering op grond van de Werkloosheidswet
wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 58,
eerste lid, van de
Werkloosheidswet.
-2. De premie bedraagt een door het UWV
te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien
verstande dat de premie niet meer bedraagt dan het deel van de premie,
bedoeld in artikel 27, dat ten gunste komt van het
Algemeen Werkloosheidsfonds, vermeerderd met de premie, bedoeld in
artikel 28, tweede lid.
-3. Bij de bepaling van de premie blijft artikel 17,
tweede lid, buiten beschouwing.
§
4. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Art.
75.
Hoogte
premie vrijwillige WAO-verzekering (6.2.4.1)
-1. De premie voor de vrijwillige
verzekering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend over het dagloon,
bedoeld in
artikel 84, eerste lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. De premie bedraagt een door het UWV
te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien
verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de in artikel 36
bedoelde basispremie, vermeerderd met een premieopslag die wordt berekend
op grond van het in artikel
37, eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage.
§
5. Ziektewet
Art.
76.
Hoogte
premie vrijwillige Ziektewetverzekering (6.2.5.1)
-1. De premie voor de vrijwillige
verzekering op grond van de Ziektewet
wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 68,
eerste lid, van de
Ziektewet.
-2. De premie bedraagt een door het UWV
te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.
AFDELING
3
Aanvullende
bepalingen
Art.
77.
Inlichtingenplicht (6.3.1)
Degene die is toegelaten tot een vrijwillige verzekering is verplicht aan
de SVB
of het UWV
onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van
invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.
Art.
78.
Horen bij
bezwaar (6.3.2)
In afwijking van artikel
7:2 van de Algemene wet bestuursrecht
wordt de belanghebbende in een bezwaarschriftprocedure ten aanzien van een
besluit inzake de verschuldigde premie voor een vrijwillige verzekering
gehoord op zijn verzoek.
Art.
79.
Beslistermijn bezwaar (6.3.3)
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid,
van de
Algemene wet bestuursrecht beslist de SVB
of het UWV
binnen dertien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art.
80.
Nadere
regels (6.3.4)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de vaststelling, de inning en de
betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering.
HOOFDSTUK
7
De
fondsen
AFDELING
1
Algemeen
Art.
81.
Premieafdracht en -toerekening (7.1.1)
Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën
en
van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van
de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de
werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende
bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst
aan de fondsen en de wijze van toerekening van die premies, boeten en
renten aan de fondsen.
AFDELING
2
Volksverzekeringen
§
1. Algemene Ouderdomswet en Algemene nabestaandenwet
Art.
82.
Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds (7.2.1.1)
-1. De SVB
beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de
uitgaven, bedoeld in artikel 83, tweede lid, in de vorm
van een Ouderdomsfonds.
-2. De SVB beheert en administreert
afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 85,
tweede lid, in de vorm van een Nabestaandenfonds.
-3. Het Ouderdomsfonds en het
Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.
Art.
83.
Inkomsten
en uitgaven Ouderdomsfonds (7.2.1.2)
-1. Ten gunste van het Ouderdomsfonds
komen:
a. de premies voor de algemene
ouderdomsverzekering en voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. rijksbijdragen als bedoeld in artikel 14;
c. de opslag, bedoeld in
artikel 61, derde lid;
d. de boeten, bedoeld in
artikel 17c van de Algemene
Ouderdomswet;
e. de bijdrage in de kosten van de
heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
-2. Uit het Ouderdomsfonds worden betaald:
a. de lasten van de algemene
ouderdomsverzekering en van de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. de lasten van de regeling vervat
in hoofdstuk VIII van de Algemene
Ouderdomswet.
Art.
84.
Prognose
benodigde middelen (7.2.1.3)
Onze Minister stelt één keer per jaar
een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de
algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij
onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de
algemene ouderdomsverzekering, de rijksbijdragen, bedoeld in artikel 14,
en de ontvangsten en uitgaven van het Spaarfonds AOW.
Art.
85.
Inkomsten
en uitgaven Nabestaandenfonds (7.2.1.4)
-1. Ten gunste van het Nabestaandenfonds
komen:
a. de premies voor de
nabestaandenverzekering en voor de vrijwillige nabestaandenverzekering
alsmede de te ontvangen bijdragen op grond van artikel 66a
van de
Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
b. de boeten, bedoeld in
artikel 39 van de
Algemene nabestaandenwet;
c. de bijdrage in de kosten van de
heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
-2. Uit het Nabestaandenfonds worden
betaald:
a. de lasten van de
nabestaandenverzekering en van de vrijwillige nabestaandenverzekering;
b. de lasten voortvloeiend uit hoofdstuk 8
van de
Algemene nabestaandenwet en de daarop berustende bepalingen;
c. het bedrag van de uitkering op
grond van de
Algemene nabestaandenwet dat op grond van artikel 18
van die wet niet tot uitbetaling komt in
verband met het ontvangen van een inkomen als vervanger als bedoeld in artikel
7:6, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg.
-3. Het in het tweede lid, onderdeel c,
bedoelde bedrag wordt door de SVB
overgeheveld naar het UWV
ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
86.
Spaarfonds AOW (7.2.1.5)
-1. Er is een Spaarfonds AOW.
-2. Het Spaarfonds AOW is een
begrotingsfonds als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2001.
-3. De ontvangsten van het Spaarfonds AOW
worden gevormd door bijdragen ten laste van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en door renten op het saldo van het fonds.
-4. De uitgaven van het Spaarfonds AOW
strekken ter bekostiging van lasten van de algemene ouderdomsverzekering.
-5. Onze Minister
beheert de begroting van het Spaarfonds AOW.
-6. In afwijking van de artikelen 2, derde
lid, en 52, eerste lid, van de Comptabiliteitswet
2001 worden de begroting en de financiële verantwoording van het
fonds uitsluitend op kasbasis gepresenteerd.
-7. Het gerealiseerde batig saldo van het
Spaarfonds AOW van enig jaar wordt ten gunste gebracht van de begroting
van het Spaarfonds AOW van het daaropvolgende jaar.
Art.
87.
Rijksbijdrage Spaarfonds AOW (7.2.1.6)
-1. Jaarlijks komt een bijdrage als
bedoeld in artikel 86, derde lid, ten gunste van het
Spaarfonds AOW.
-2. De omvang van elke ten gunste van het
Spaarfonds AOW komende bijdrage wordt door Onze Minister
in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën bepaald.
-3. In elk jaar wordt een bijdrage ten
gunste van het Spaarfonds AOW gebracht die ten minste €|113
445 054,00 hoger is dan het bedrag dat in het jaar voorafgaande aan het
desbetreffende jaar ten minste ten gunste van het Spaarfonds AOW diende te
worden gebracht.
-4. Het in het Spaarfonds AOW aanwezige
saldo wordt rentedragend in ’s Rijks schatkist aangehouden.
-5. Onze Minister van Financiën stelt
jaarlijks de rente vast die over het saldo van het Spaarfonds AOW wordt
vergoed.
Art.
88.
Toepassing AOW-fondsen vanaf 2020 (7.2.1.7)
Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van
Financiën besluiten vanaf het jaar 2020 uit het Spaarfonds AOW
lasten van de algemene ouderdomsverzekering te betalen.
§
2. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
Art.
89.
Algemeen
Fonds Bijzondere Ziektekosten (7.2.2.1)
Het College
zorgverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk een
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Art.
90.
Inkomsten
en uitgaven AFBZ (7.2.2.2)
-1. Ten gunste van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten komen:
a. de premie voor de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten en voor de vrijwillige verzekering
bijzondere ziektekosten;
b. de inkomsten die in verband met
de algemene verzekering bijzondere ziektekosten voortvloeien uit
internationale overeenkomsten;
c. de bijdragen in de kosten van
verstrekkingen die op grond van artikel
6, derde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel in voorkomend geval op grond
van artikel 6, vierde lid in verbinding met
het derde lid, van
die wet, worden betaald door of namens de
verzekerde, dan wel, in voorkomend geval, door het krachtens een
wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen bevoegde orgaan
dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde van die regeling aan die
verzekerde betaalbaar stelt;
d. de bijdrage in de kosten van de
heffingskortingen, bedoeld in artikel 15.
-2.
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan jaarlijks
een bijdrage verlenen aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten tot
het bedrag dat daarvoor in de wet tot vaststelling van de begroting voor
zijn ministerie voor dat jaar is toegestaan. De bijdrage wordt betaald in
gelijke maandelijkse delen. Artikel 14a,
derde lid, van de
Ziekenfondswet is van overeenkomstige
toepassing.
-3. Uit het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten worden betaald:
a. de gehele of gedeeltelijke
kosten van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten en van de
vrijwillige verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de uitgaven voor deze
verzekering voortvloeiende uit overeenkomsten, waaronder begrepen
internationale overeenkomsten;
c. de uitgaven die in verband met
die verzekering voortvloeien uit enige andere wettelijke regeling dan de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
d. bijdragen aan Onze
Minister van Justitie in verband met diens financiële
verantwoordelijkheid, bedoeld in artikel 6,
vierde lid, van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
e. bijdragen aan Onze
Minister van Defensie op grond van artikel 7,
derde lid, van de
Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten;
f. uitgaven ten behoeve van
subsidies verstrekt op grond van artikel 1p
van de Ziekenfondswet, voor zover zulks op grond
van dat artikel is bepaald;
g. de uitgaven, bedoeld in artikel
10, vierde lid, van de Wet
op de orgaandonatie.
-4. Uit het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten kunnen middelen worden gebruikt voor het vormen en in stand
houden van een reserve. Bij ministeriële regeling kunnen door Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met
Onze Minister, met betrekking tot de vorige volzin nadere regels worden
gesteld.
-5. Onverminderd het bepaalde in het
tweede lid wordt jaarlijks aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
een bijdrage verleend voor de uitvoering van de Regeling Ziekenfondsraad
Abortusklinieken 1992 dan wel de regeling die op grond van artikel 1p
van de Ziekenfondswet
ter vervanging van die regeling is vastgesteld. Op de bijdrage worden
voorschotten verleend. De bijdrage voor enig jaar is gelijk aan het saldo
van de uitgaven en ontvangsten in het desbetreffende jaar met betrekking
tot de uitvoering van de bedoelde regeling, voor zover door Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanvaard. Het College
zorgverzekeringen neemt een specificatie van de ontvangsten en
uitgaven op in het financieel verslag, bedoeld in
artikel
1s van de Ziekenfondswet. Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt de bijdrage uiterlijk
drie maanden na ontvangst van het financieel verslag vast.
Art.
91.
Dekking
uitgaven AFBZ (7.2.2.3)
-1. Het College
zorgverzekeringen doet jaarlijks uitkeringen uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten ter dekking van de noodzakelijke uitgaven gedaan
voor de uitvoering van de in de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten geregelde verzekering, volgens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
-2. Het College toezicht is bevoegd vast
te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voor zover deze door hem
niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering op
grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Met de uitkeringen,
bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten
worden geen uitgaven gedekt waarvan het College toezicht heeft vastgesteld
dat zij niet verantwoord waren, tenzij het College toezicht anders
besluit.
-3. Op de uitkeringen, bedoeld in het
eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het
College zorgverzekeringen te stellen regels.
Art.
92.
Beroep (7.2.2.4)
Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
tegen besluiten van het College
zorgverzekeringen
genomen krachtens artikel 91, eerste of derde lid,
alsmede tegen besluiten van het College toezicht genomen krachtens artikel 91,
tweede lid.
AFDELING
3
Werknemersverzekeringen
§
1. Werkloosheidswet en Ziektewet
Art.
93.
Algemeen
Werkloosheidsfonds (7.3.1.1)
Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot
dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen
100, 101 en 102, in de vorm
van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Art.
94.
Wachtgeldfondsen (7.3.1.2)
-1. Het UWV
stelt voor een sector als bedoeld in artikel 95, met
uitzondering van de sectoren waartoe alleen overheidswerkgevers behoren,
een wachtgeldfonds in.
-2. Het UWV beheert de middelen, bedoeld
in artikel 103, en de uitgaven, bedoeld in
artikel 104, eerste lid, gezamenlijk en administreert deze middelen
en uitgaven met betrekking tot elk wachtgeldfonds afzonderlijk.
Art.
95.
Sectorindeling (7.3.1.3)
-1. Bij regeling van Onze Minister,
na overleg met
Onze Minister van
Financiën en nadat hij het UWV in
de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het
bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één
of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat, en kan
een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk
sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers
omvat.
-2. Indien een sector in sectoronderdelen
is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken
sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij
welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de
werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.
Art.
96.
Aansluiting bij sector (7.3.1.4)
-1. Een werkgever is van rechtswege
aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde
sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet
verrichten.
-2. Indien een werkgever werkzaamheden
doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van
rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren
waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan
premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.
-3. Bij regeling van Onze Minister,
in overeenstemming met
Onze Minister van
Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van één of
meer categorieën van werkgevers bij een sector regels worden gesteld die
afwijken van het eerste of tweede lid.
Art.
97.
Mededeling aansluiting (7.3.1.5)
-1. De werkgever die op grond van artikel 96
bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te
zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de
inspecteur.
-2. De inspecteur deelt een werkgever bij
voor bezwaar vatbare beschikking mee bij welke sector en vanaf welke datum
hij op grond van artikel
96 is aangesloten.
-3. In afwijking van
artikel 96, tweede lid, beslist de inspecteur bij voor bezwaar
vatbare beschikking ambtshalve of op verzoek dat een werkgever met ingang
van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan
te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector
waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten.
Art.
98.
Overgang
vermogen (7.3.1.6)
-1. Indien één of meer werkgevers van
een sector overgaan naar een andere sector, kan het UWV
besluiten dat tevens een deel van het vermogen van dit instituut dat
betrekking heeft op het door dit instituut voor die sector afzonderlijk
beheerde en geadministreerde wachtgeldfonds overgaat naar het vermogen dat
betrekking heeft op een door dit instituut voor een andere sector
afzonderlijk beheerd en geadministreerd wachtgeldfonds.
-2. Met betrekking tot het eerste lid
stelt het UWV regels omtrent:
a. de gevallen waarin vermogen
overgaat;
b. de wijze van berekening van
vermogensbestanddelen;
c. de termijnen waarin en de wijze
waarop vermogen overgaat.
-3. De door het UWV op grond van het
tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Art.
99.
Middelen
Algemeen Werkloosheidsfonds (7.3.1.7)
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de premies op grond van de artikelen 27, 28,
derde lid, en
76 en de premie op grond van artikel 74,
voor zover deze niet ten gunste komt van een wachtgeldfonds;
b. de bedragen die het UWV
ontvangt door de toepassing van artikel 36
van de
Werkloosheidswet, voor zover deze bedragen
betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn
gebracht;
c. de bedragen die het UWV ontvangt
door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van
artikel 66 van de Werkloosheidswet;
d. de bedragen die het UWV ontvangt
door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden
met te betalen uitkeringen op grond van de Ziektewet,
anders dan op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a,
b en c, van die wet;
e. de bijdrage van het Rijk in de
financiering van hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg;
f. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van de artikelen
7:11, derde lid, en 7:13 van de Wet arbeid en
zorg, met uitzondering van hetgeen op grond van
artikel 107 ten gunste komt van het Uitvoeringsfonds voor de
overheid;
g. het bedrag van de uitkeringen
dat op grond van artikel 18 van de
Algemene nabestaandenwet
niet tot uitbetaling komt in verband met het ontvangen van een inkomen als
vervanger als bedoeld in artikel 7:3, eerste
lid, van de
Wet
arbeid en zorg en door de SVB op grond
van artikel
85, derde lid, wordt overgeheveld naar het UWV ten gunste van het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art.
100.
Uitgaven
Algemeen Werkloosheidsfonds (7.3.1.8)
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
te betalen uitkeringen, met uitzondering van de uitkeringen, bedoeld in artikel 104,
eerste lid;
b. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel d, e en f,
en
artikel 70 van de Ziektewet
te betalen uitkeringen;
c. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de in de onderdelen a en b
bedoelde uitkeringen;
d. de op grond van enige wet over
de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a en b, door het UWV
verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
e. de bedragen die op grond van artikel 104,
vierde lid, door het UWV ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds
zijn gebracht;
f. de subsidies op grond van de Wet tijdelijke bijdrage herstructurering arbeidsvoorziening
havens;
g. de bedragen van de korting
arbeidsgehandicapte werknemer en van de premievrijstelling bij marginale
arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, voor
zover die worden toegepast op de premies berekend op grond van artikel
27;
h. de op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
aan het Reïntegratiefonds af te dragen bedragen;
i. de financiële tegemoetkomingen
op grond van hoofdstuk 7 van de
Wet arbeid en zorg en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten, met uitzondering van hetgeen op grond van artikel 108
ten laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid;
j. de tegemoetkoming in de kosten
van kinderopvang, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet
kinderopvang ten behoeve van de ouder die een persoon is als bedoeld
in artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van die
wet, met uitzondering van hetgeen op grond van artikel 108
ten laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid;
k. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg
te betalen uitkeringen en de daaraan verbonden uitvoeringskosten, met
uitzondering van hetgeen op grond van artikel 108 ten
laste komt van het Uitvoeringsfonds voor de overheid;
l. de kosten in verband met de
uitvoering van artikel 72 van de Werkloosheidswet.
Art.
101.
Budget reïntegratievoorzieningen (7.3.1.9)
-1. Vergoedingen aan
gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel
72, tweede lid, van de Werkloosheidswet
komen ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds.
-2. De subsidies, bedoeld in artikel 73a
van de Werkloosheidswet, en de kosten in verband
met de uitvoering van dat artikel komen ten laste van het Algemeen
Werkloosheidsfonds.
Art.
102.
Vergoeding migrerende werknemers (7.3.1.10)
-1. Het UWV
vergoedt, ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, aan het Rijk
bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland
afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun
land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van
vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangen.
-2. De in het eerste lid bedoelde
vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste
lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben
kunnen ontvangen indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land
van herkomst of een ander land waren vertrokken.
-3. Bij ministeriële regeling, na overleg
met Onze Minister wie het mede aangaat,
worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden
bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Art.
103.
Middelen
wachtgeldfondsen (7.3.1.11)
Ten gunste van een wachtgeldfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 28,
met uitzondering van de premies die op grond van het derde lid van dat
artikel ten gunste komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, en de premie
op grond van artikel 74, voor zover deze de premie op
grond van artikel 28, tweede lid, niet overschrijdt;
b. de bedragen die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen
27a en 36 van de Werkloosheidswet,
voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste
van dit fonds zijn gebracht;
c. de bedragen die het UWV op grond
van artikel 100, onderdeel d, ten laste van
het Algemeen Werkloosheidsfonds brengt;
d. de bedragen die het UWV ontvangt
door toepassing van de artikelen 38, vierde
lid,
39a,
63a, derde tot en met vijfde lid, 63b,
tweede lid, en
63c van de Ziektewet;
e. de bedragen die het UWV ontvangt
door toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze verband houden
met op grond van artikel
29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van die wet
te betalen uitkeringen;
f. de bijdragen van de werkgever of
werknemer in de kosten van het onderzoek, bedoeld in
artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g,
van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Art.
104.
Uitgaven
wachtgeldfondsen (7.3.1.12)
-1. Ten laste van een wachtgeldfonds
komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
over de eerste zes maanden vanaf de eerste werkloosheidsdag te betalen
uitkering aan de werknemer die in de kalenderweek onmiddellijk
voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies in de sector
werkzaam is geweest waarvoor het wachtgeldfonds is ingesteld, waarbij,
voor de bepaling van de periode van zes maanden, perioden waarin de
werknemer geen recht op uitkering heeft buiten beschouwing worden gelaten;
b. de op grond van
artikel 18 van de Werkloosheidswet te
betalen uitkeringen;
c. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c,
van de
Ziektewet te betalen uitkeringen;
d. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de in de onderdelen a, b en
c
bedoelde uitkeringen;
e. de op grond van enige wet over
de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a, b en c,
door het UWV
verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
f. de kosten van de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 63a, vierde en
vijfde lid, van de
Ziektewet, alsmede de schade, bedoeld in het
zesde lid van dat artikel, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als
bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten;
g. de kosten van onderzoek, bedoeld
in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f
en
g, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
h. de bedragen van de
premievrijstelling bij marginale arbeid, bedoeld in afdeling 6 van
hoofdstuk 3, toegepast op de wachtgeldpremie;
i. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de uitvoering van de
artikelen 38, vierde lid, 39 en 39a
van de Ziektewet en niet reeds op grond van
onderdeel d ten laste van een wachtgeldfonds worden gebracht,
alsmede de uitvoeringskosten, voor zover deze betrekking hebben op de
uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. Het UWV is bevoegd in bijzondere
gevallen voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a,
werkzaamheden in de ene sector gelijk te stellen met werkzaamheden in een
andere sector.
-3. De artikelen 21
en
52d van de Werkloosheidswet
zijn met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
periode waarover de uitkering ten laste van een wachtgeldfonds komt van
overeenkomstige toepassing.
-4. Het UWV brengt hetgeen ten laste van
het wachtgeldfonds komt ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds voor
zoveel dit meer bedraagt dan het voor het wachtgeldfonds op grond van artikel 105,
eerste lid, vastgestelde maximum.
-5. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel c, d en e, komen de uitkeringen die
worden betaald door een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, of een werkgever die een
onderneming verkrijgt als bedoeld in
artikel 63b, derde lid, van de Ziektewet,
en de door hem gemaakte kosten ter zake van de betaling van die
uitkeringen en van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a,
eerste lid, van
die wet, alsmede de op grond van enige wet over
die uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in
mindering kunnen worden gebracht, niet ten laste van een wachtgeldfonds.
Art.
105.
Vaststelling lastenplafond wachtgeldfondsen (7.3.1.13)
-1. Het UWV
stelt elk jaar voor elk wachtgeldfonds afzonderlijk een maximum vast dat
in een boekjaar op grond van artikel 104 ten laste
van dat wachtgeldfonds komt.
-2. Bij de vaststelling van het maximum,
bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:
a. de bedragen die ten laste van
een wachtgeldfonds komen op grond van artikel
104, eerste lid, onderdeel c en h; en
b. de lasten die op grond van artikel 104,
vierde lid, bij het UWV ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds in
rekening worden gebracht.
-3. Indien één of meer werkgevers
eigenrisicodrager zijn als bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister
het deel van de premie dat ten gunste komt van het desbetreffende
wachtgeldfonds maximeren, voor zover dat deel betrekking heeft op de
uitkeringen, bedoeld in artikel
104, eerste lid, onderdeel c, alsmede de uitvoeringskosten met
betrekking tot die uitkeringen en de op grond van enige wet over die
uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in mindering
kunnen worden gebracht.
-4. Het door het UWV vastgestelde maximum,
bedoeld in het eerste lid, behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
Indien Onze Minister zijn goedkeuring onthoudt aan het door het UWV
vastgestelde maximum, stelt hij dat zelf vast.
Art.
106.
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.14)
Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot
dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen
108, 109 en 110, in de vorm
van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Art.
107.
Middelen
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.15)
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
a. de bedragen die het UWV
ontvangt door de toepassing van artikel 79
van de
Werkloosheidswet;
b. de premies op grond van artikel 31;
c. de premies geheven over
uitkeringen en toeslagen van personen als bedoeld in artikel
24, tweede lid;
d. de premies van de
overheidswerknemer, bedoeld in artikel 56;
e. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van de artikelen
27a en 36 van de Werkloosheidswet,
voor zover deze bedragen betrekking hebben op uitkeringen die ten laste
van dat fonds zijn gebracht;
f. de bedragen die het UWV ontvangt
door de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van
artikel 66 van de Werkloosheidswet indien
de in dat artikel bedoelde werkgever een overheidswerkgever is;
g. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van artikel 45a
van de Ziektewet, voor zover deze bedragen
betrekking hebben op uitkeringen die ten laste van dat fonds zijn
gebracht;
h. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van de artikelen
38, vierde lid, en 39a van de Ziektewet
indien de in het toegepaste artikel bedoelde werkgever een
overheidswerkgever is;
i. de bijdragen van de
overheidswerkgever of overheidswerknemer in de kosten van het onderzoek,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f
en
g, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
j. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van de artikelen
7:11, derde lid, en 7:13 van de Wet arbeid en
zorg, voor zover deze bedragen betrekking hebben op tegemoetkomingen
die ten laste van dat fonds zijn gebracht;
k. de bedragen die het UWV ontvangt
door de toepassing van de artikelen 63a,
derde tot en met vijfde lid, 63b,
tweede lid, en
63c van de Ziektewet.
Art.
108.
Uitgaven
Uitvoeringsfonds voor de overheid (7.3.1.16)
-1. Ten laste van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid komen:
a. de op grond van de Werkloosheidswet
te betalen uitkeringen aan de personen, bedoeld in
artikel 24;
b. de op grond van
artikel 29, tweede lid, onderdeel a tot en met f,
van de
Ziektewet te betalen uitkeringen aan de
personen, bedoeld in artikel 24;
c. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg
te betalen uitkeringen;
d. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de in de onderdelen a, b en
c
bedoelde uitkeringen;
e. de op grond van enige wet over
de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a, b en c,
door het UWV
verschuldigde premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen
worden gebracht;
f. de kosten van het onderzoek,
bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f
en
g, van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien dat op
verzoek van een overheidswerkgever of overheidswerknemer is ingesteld;
g. de uitvoeringskosten, voor zover
betrekking hebbend op de uitvoering van de
artikelen 38, vierde lid, 39 en 39a
van de Ziektewet ten aanzien van
overheidswerkgevers en overheidswerknemers die niet reeds op grond van
onderdeel
c
ten laste van dat fonds worden gebracht, voor zover deze betrekking hebben
op de uitvoering van artikel 629, derde lid, onderdeel c, van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek;
h. de op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
aan het Reïntegratiefonds af te dragen bedragen;
i. de financiële tegemoetkomingen
op grond van artikel 7:6 van de
Wet arbeid en zorg en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten, voor zover deze tegemoetkomingen betrekking hebben op
verlofgangers die worden vervangen door personen als bedoeld in artikel 24
die een uitkering ontvangen;
j. de op diens aanvraag aan de
werkgever door het UWV te verlenen vergoeding van de schade die de
werkgever lijdt door toepassing van artikel
22b, eerste lid, van de Werkloosheidswet
en de daaraan verbonden uitvoeringskosten;
k. de uitvoeringskosten verbonden
aan werkzaamheden gericht op het ontvangen van bedragen, premies en
bijdragen als bedoeld in artikel 107;
l. de kosten van de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 63a, vierde en
vijfde lid, van de
Ziektewet, alsmede de schade, bedoeld het zesde
lid van dat artikel, die wordt vergoed aan een eigenrisicodrager als
bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten;
m. de vergoedingen op grond van artikel 72a,
vierde lid, van de
Werkloosheidswet en de daaraan verbonden
uitvoeringskosten;
n. de tegemoetkoming in de kosten
van kinderopvang, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Wet kinderopvang,
ten behoeve van de ouder die een persoon is als bedoeld in artikel 24
en in artikel 6, eerste lid, onderdeel h, van
die wet;
o. de bedragen van de korting
arbeidsgehandicapte werknemer en premievrijstelling bij marginale arbeid,
bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3, toegepast op
de premies berekend op grond van artikel 31;
p. de kosten in verband met de
uitvoering van artikel 72 van de Werkloosheidswet
ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 24 die
recht hebben op uitkering op grond van hoofdstuk IIa
of
IIb van die wet.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel b, d en e, komen de uitkeringen die
worden betaald door een eigenrisicodrager als bedoeld in artikel
40, eerste lid, onderdeel a, of een werkgever die een
onderneming verkrijgt als bedoeld in
artikel 63b, derde lid, van de Ziektewet,
en de door hem gemaakte kosten ter zake van de betaling van die
uitkeringen en van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 63a,
eerste lid, van
die wet, alsmede de op grond van enige wet over
die uitkeringen verschuldigde premies die niet op die uitkeringen in
mindering kunnen worden gebracht, niet ten laste van het Uitvoeringsfonds
voor de overheid.
Art.
109.
Budget reïntegratievoorzieningen (7.3.1.17)
-1. Vergoedingen aan
gemeenten die worden overeengekomen ter uitvoering van artikel
72, tweede lid, van de Werkloosheidswet
komen, voor zover dat artikel wordt toegepast ten aanzien van personen als
bedoeld in artikel
24, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
-2. De subsidies, bedoeld in artikel 73a
van de Werkloosheidswet, en de kosten in verband
met de uitvoering van dat artikel komen, voor zover dat artikel wordt
toegepast ten aanzien van personen als bedoeld in artikel 24,
ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.
Art.
110.
Vergoeding migrerende werknemers (7.3.1.18)
-1. Het UWV
vergoedt, ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, aan het
Rijk bijdragen die vanwege het Rijk worden verleend aan uit het buitenland
afkomstige werknemers die geen Nederlander zijn en die terugkeren naar hun
land van herkomst of emigreren naar een ander land en tot het tijdstip van
vertrek uitkering op grond van de Werkloosheidswet
ontvangen.
-2. De in het eerste lid bedoelde
vergoedingen zijn ten hoogste gelijk aan de bedragen die de in het eerste
lid bedoelde werknemers op grond van de Werkloosheidswet zouden hebben
kunnen ontvangen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid
indien zij werkloos waren gebleven en niet naar hun land van herkomst of
een ander land waren vertrokken.
-3. Bij ministeriële regeling, na overleg
met Onze Minister wie het mede aangaat,
worden regels gesteld met betrekking tot de aan het Rijk te vergoeden
bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
Art.
111.
Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over
fondsen (7.3.1.19)
Bij regeling van Onze Minister, in
overeenstemming met
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond
van artikel 24 met toepassing van de artikelen
27 en 28, tweede en derde lid, op uitkeringen op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan overheidswerknemers, volgens
een bij die regeling te bepalen verdeling, wordt afgedragen aan het
Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel de wachtgeldfondsen en het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
§
2. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Art.
112.
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.1)
Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 33, eerste lid, bedoelde
middelen tot dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor
het vormen en in stand houden van een reserve, in de vorm van een
Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Art.
113.
Arbeidsongeschiktheidskas (7.3.2.2)
Het UWV beheert en administreert
afzonderlijk de in artikel 33, tweede lid, bedoelde
middelen tot dekking van de uitgaven, alsmede de middelen benodigd voor
het vormen en in stand houden van een reserve, in de vorm van een
Arbeidsongeschiktheidskas die deel uitmaakt van het UWV.
Art.
114.
Middelen
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.3)
Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
a. de premies op grond van artikel 36
en de premie op grond van artikel
75 voor zover deze niet ten gunste komt van de
Arbeidsongeschiktheidskas;
b. de gelden die het UWV
ontvangt door toepassing van de artikelen 29a
en 75f, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. de gelden die het UWV ontvangt
door toepassing van de artikelen 57 en
90 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met uitkeringen als
bedoeld in artikel 115, eerste lid, onderdeel a;
d. de gelden die het UWV ontvangt
door toepassing van artikel XIV van de
Wet afschaffing malus
en bevordering reïntegratie;
e. de gelden die het UWV ontvangt
door toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
f. een rijksbijdrage ter hoogte van
het door Onze Minister geraamde bedrag aan
lasten als bedoeld in artikel 115, eerste lid,
onderdeel b, over het kalenderjaar waarvoor de rijksbijdrage wordt
berekend.
Art.
115.
Uitgaven
Arbeidsongeschiktheidsfonds (7.3.2.4)
-1. Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van artikel
117:
a. de op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering te betalen uitkeringen;
b. de op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen te betalen uitkeringen;
c. de op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 2, en de op grond van artikel 3:30
van de
Wet arbeid en zorg te betalen uitkeringen;
d. de uitvoeringskosten, voor zover
deze betrekking hebben op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
op de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en op de in
onderdeel c bedoelde uitkeringen;
e. de op grond van enige wet over
de uitkeringen, bedoeld in de onderdelen a, b en
c, door het UWV verschuldigde
premies die niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
f. de gelden die door toepassing
van artikel 118 worden overgeheveld naar de
Arbeidsongeschiktheidskas;
g. de in artikel XIII
van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie
bedoelde bonusuitkeringen;
h. het gezamenlijke bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantie-uitkeringen die niet zijn
uitbetaald wegens het genieten van loon als bedoeld in
artikel 44, derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat op grond van
artikel 44, vierde lid, van die wet wordt
afgedragen aan ’s Rijks kas, vermeerderd met het bedrag aan premies dat
het UWV
bij wel-uitbetaling daarover op grond van enige wet verschuldigd zou zijn
en dat niet op de uitkeringen in mindering kan worden gebracht;
i. de op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
aan het Reïntegratiefonds af te dragen bedragen;
j. de bedragen van de premiekorting
en de premievrijstellingen, bedoeld in afdeling 6 van
hoofdstuk 3, toegepast op de basispremie, bedoeld in artikel
36;
k. het op grond van
artikel 58, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag.
-2. Het UWV bezigt de middelen die zijn
gereserveerd ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot
bestrijding van uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan
met toestemming van Onze Minister.
Art.
116.
Middelen
Arbeidsongeschiktheidskas (7.3.2.5)
Ten gunste van de Arbeidsongeschiktheidskas komen:
a. de premies op grond van de artikelen 37,
eerste lid, en 38, eerste lid, en de premie op grond van artikel 75
voor zover deze de premie op grond van
artikel 38, eerste lid, niet overschrijdt;
b. de gelden die het UWV
ontvangt met toepassing van artikel 57 van
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117,
eerste lid;
c. de gelden die het UWV ontvangt
met toepassing van verhaal als bedoeld in artikel 75a,
vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel
75b, vijfde en zevende lid, van die wet;
d. de gelden die door toepassing
van artikel 118 worden overgeheveld uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds;
e. de gelden die het UWV ontvangt
met toepassing van verhaal als bedoeld in artikel 90
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
in verband met uitkeringen als bedoeld in artikel 117,
eerste lid.
Art.
117.
Uitgaven
Arbeidsongeschiktheidskas (7.3.2.6)
-1. Ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen gedurende de periode van vier jaar te
rekenen vanaf de dag waarop een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
ingegaan:
a. de door het UWV
te betalen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, alsmede de op grond van
enige wet over deze uitkeringen door het UWV verschuldigde premies die
niet op deze uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
b. het gezamenlijke bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de vakantie-uitkeringen die in de in
de aanhef bedoelde periode niet zijn uitbetaald wegens het genieten van
loon als bedoeld in artikel 44, derde lid,
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en dat op grond van
artikel 44, vierde lid, van die wet
wordt afgedragen aan ’s Rijks kas, vermeerderd met het bedrag aan
premies dat het UWV bij wel-uitbetaling daarover op grond van enige wet
verschuldigd zou zijn en dat niet op de uitkeringen in mindering kan
worden gebracht.
-2. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel
43a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, vangt de in het eerste lid
bedoelde periode van vier jaar aan op de dag waarop de in artikel 43a,
eerste lid, onderdeel a, van
die wet
bedoelde ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan. De
eerste zin is tevens van toepassing op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
die niet is toegekend met toepassing van artikel 43a,
eerste lid, onderdeel a, van genoemde wet
maar met toepassing van artikel 19
van die wet, omdat het eerstgenoemde artikel op
grond van
artikel 43a, vierde lid, onderdeel b,
van die wet geen toepassing kon vinden.
-3. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend met toepassing van artikel
43a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, vangt de in het eerste lid
bedoelde periode van vier jaar aan na het verstrijken van de in artikel 43,
eerste lid, onderdeel b, van
die wet
bedoelde wachttijd. De eerste zin is tevens van toepassing op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die niet is toegekend met toepassing van
artikel 43a, eerste lid, onderdeel b, van genoemde wet
maar met toepassing van
artikel 19 van die wet, omdat het
eerstgenoemde artikel op grond van
artikel 43a, vierde lid, onderdeel b, van die wet
geen toepassing kon vinden.
-4. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend direct aansluitend op een
wachttijd die op grond van artikel 19,
zevende lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
is verlengd, wordt de duur van de verlenging van de wachttijd in mindering
gebracht op de periode van vier jaar, bedoeld in het eerste lid.
-5. Indien een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, respectievelijk een verhoging daarvan,
niet wordt uitbetaald op grond van artikel 43d
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
wordt de periode van vier jaar, bedoeld in het eerste lid, verlengd met
het verlengde tijdvak waarin recht bestaat op ziekengeld op grond van artikel 29,
negende lid, van de
Ziektewet, op loon op grond van artikel 629,
elfde lid, onderdeel a en c, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel op bezoldiging op grond van artikel
XV, veertiende lid, van de Wet terugdringing
ziekteverzuim.
-6. Het eerste lid is niet van toepassing,
indien:
a. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft die op grond van artikel
71, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
door het UWV wordt betaald en op grond van artikel 71,
derde lid, van
die wet niet op een eigenrisicodrager wordt
verhaald;
b. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft die op grond van artikel 75a,
vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
door het UWV wordt betaald en niet kan worden verhaald op een
kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 40;
c. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering anders dan bedoeld in het tweede of derde
lid betreft, toegekend aan een werknemer die uit de dienstbetrekking
waaruit de arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan recht had op
ziekengeld op grond van artikel 29b
van de Ziektewet;
d. het een
arbeidsongeschiktheidsuitkering anders dan bedoeld in het tweede of derde
lid betreft, toegekend aan een werknemer wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aansluiting op een
voordien op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
toegekende uitkering; of
e. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend aan een vervanger als
bedoeld in
hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg
indien de verlofganger die hij vervangt in de verlofperiode
arbeidsongeschikt is geworden en ter zake van die ongeschiktheid recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft verkregen.
-7. Het UWV bezigt de middelen die zijn
gereserveerd ten behoeve van de Arbeidsongeschiktheidskas niet tot
bestrijding van uitgaven ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas dan
met toestemming van Onze Minister.
-8. Ten laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas komen voorts de bedragen van de korting
arbeidsgehandicapte werknemer en de premievrijstelling bij marginale
arbeid, bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk 3,
toegepast op de premie, bedoeld in artikel 38.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking
tot dit artikel.
Art.
118.
Nadere
regels (7.3.2.7)
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de
overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de
Arbeidsongeschiktheidskas.
AFDELING
4
Geïntegreerd
middelenbeheer
Art.
119.
Beheer en
rekening-courant (7.4.1)
-1. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
beheren en administreren elk fonds, met uitzondering van het
Uitvoeringsfonds voor de overheid en de wachtgeldfondsen, afzonderlijk.
-2. Het UWV beheert het Uitvoeringsfonds
voor de overheid en de wachtgeldfondsen gezamenlijk en administreert het
Uitvoeringsfonds voor de overheid en elk wachtgeldfonds afzonderlijk.
-3. Indien met betrekking tot een fonds de
lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit
een ander fonds.
-4. Het College zorgverzekeringen, het UWV
en de SVB houden, elk afzonderlijk, de financiële middelen die deel
uitmaken van hun fondsen aan in één of meer rekeningen-courant bij Onze Minister van
Financiën.
-5. In afwijking van het vierde lid kunnen
het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB een deel van de in het
vierde lid bedoelde financiële middelen buiten de in het vierde lid
bedoelde rekeningen-courant houden.
-6. Bij regeling van Onze Minister
en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, na overleg met het
College zorgverzekeringen, de SVB en het UWV, regels gesteld betreffende
de omvang van het in het vijfde lid bedoelde deel van de financiële
middelen.
-7. Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, nadere regels worden gesteld omtrent het
vierde lid.
Art.
120.
Beschikking
over financiële middelen (7.4.2)
-1. Het College
zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
kunnen, voor de uitvoering van hun wettelijke taken, beschikken over de
financiële middelen die zij in rekening-courant bij Onze Minister van
Financiën aanhouden.
-2. Bij regeling van Onze Minister
en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het
College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB, regels gesteld omtrent de
rente die over de saldi van de in artikel
119, vierde lid, bedoelde rekeningen-courant wordt vergoed
onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.
-3. Onze Minister van Financiën brengt
voor het beheer van de in artikel 119, vierde lid,
bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.
-4. Bij een tekort aan financiële
middelen maken het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister
van Financiën worden verleend.
-5. Onze Minister van Financiën
informeert dagelijks het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
ten aanzien van de in artikel 119, vierde lid,
bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
a. de slotstanden per dag;
b. alle dagelijks geboekte mutaties
of transacties in de desbetreffende rekening-courant.
-6. Het College zorgverzekeringen, het UWV
en de SVB informeren Onze Minister van Financiën ten aanzien van de in artikel 119,
vierde lid, bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot
de prognoses van de saldi van de desbetreffende rekening-courant.
-7. Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het
College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB, nadere regels worden
gesteld omtrent het vijfde en zesde lid.
-8. Bij regeling van Onze Minister en Onze
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met
Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot de door het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB
beheerde fondsen betreffende:
a. de onderscheiding van het
vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot
vaststelling van de omvang van deze bestanddelen;
b. de vorming, omvang en
instandhouding van reserves.
Art.
121.
Financiële
rapportage (7.4.3)
-1. Jaarlijks vóór bij regeling van Onze Minister
vast te stellen tijdstippen zenden het UWV
en de SVB aan Onze Minister met betrekking tot
elk fonds afzonderlijk:
a. een rapportage van de
ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking
tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
b. een begroting van de te
verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend
kalenderjaar.
-2. Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van de in het eerste
lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven.
Art.
122.
Afdracht
gelden door het Rijk (7.4.4)
Bij regeling van Onze Minister en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in
overeenstemming met Onze Minister van
Financiën, en na overleg met het College
zorgverzekeringen, regels worden gesteld over de wijze waarop en de
voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen
die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.
HOOFDSTUK
8
Slot-
en strafbepalingen
Art.
123.
Samenwerking (8.1)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent de wijze waarop de rijksbelastingdienst,
het UWV, de
SVB, het College
zorgverzekeringen, het College toezicht en de organen die betrokken
zijn bij de uitvoering van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten
samenwerken ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet, de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de
volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Ziekenfondswet en de
belastingwetten, voor zover het betreft de financiering van de sociale
verzekeringen.
Art.
124.
Onderlinge
gegevensuitwisseling (8.2)
De SVB, het UWV, het
College
zorgverzekeringen, het College toezicht, de organen die betrokken
zijn bij de uitvoering van de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten, de rijksbelastingdienst, het
Centraal Planbureau en het
Centraal bureau voor de statistiek zijn verplicht desgevraagd aan
elkaar en aan Onze Minister, Onze Minister van
Financiën en
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kosteloos de
opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van deze wet, de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de
volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Ziekenfondswet en de
belastingwetten, voor zover het betreft de financiering van de sociale
verzekeringen.
Art.
125.
Strafbepalingen (8.3)
-1. Hij die niet voldoet aan de
inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 77, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van
de derde categorie.
-2. Hij die door hem op grond van deze wet
betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het loon van of op enige
andere wijze verhaalt op een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat
dit bij deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie.
-3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Art.
126.
Nummering (8.4)
Vóór de plaatsing in het
Staatsblad stelt Onze Minister de
nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van
deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende
aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken met
de nieuwe nummering in overeenstemming.
Art.
127.
Inwerkingtreding (8.5)
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
1 van het Besluit van 15 december 2005, Stb.
2005, 717, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari
2006, met dien verstande dat ingevolge artikel
2, tweede lid, van het Besluit van 2 december
2005, Stb. 2005, 619, het tijdstip van inwerkingtreding
van de artikelen 122c en 122ca
is
bepaald op 9 december 2005, red.
Art.
128.
Citeertitel (8.6)
Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering sociale verzekeringen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 16
december 2004
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.A.L. van Hoof
De Staatssecretaris van
Financiën,
J.G. Wijn
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de derde
februari 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|
|