|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2006-2007, 30 918
Wijziging
van de Zorgverzekeringswet en andere wetten
met het oog op het verzwaren van het premie-incassoregime en andere
maatregelen om de werking van het met die wet
en de Wet op de zorgtoeslag in het leven
geroepen stelsel te optimaliseren (verzwaren incassoregime premie en
andere maatregelen zorgverzekering)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| xHoofdstuk
I. Algemeen |
| xHoofdstuk
II. Verzwaring
incassoregime premie zorgverzekering |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Onverzekerden |
| 3 |
Wanbetaling
als oorzaak voor onverzekerd raken |
| 4 |
Maatregelen |
| 5 |
Ondersteunende
maatregel: aantekening betalingsgedrag op bewijs van uitschrijving |
| 6 |
Overige maatregelen
ter voorkoming van wanbetaling en onverzekerden |
| xHoofdstuk
III. Academische component |
| xHoofdstuk
IV. Overgangsmaatregel ziektekostenverzekering groep ex-Wtz-ers |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Maatregelen |
| xHoofdstuk
V. Verwerking
van persoonsgegevens door CVZ en ziektekostenverzekeraars |
| xHoofdstuk
VI. Wijziging
van de zorgtoeslag |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Maatregelen |
| xHoofdstuk
VII. Wijziging
bestuursmodel en werkwijze colleges |
| xHoofdstuk
VIII. Financiële aspecten en administratieve lasten |
| xHoofdstuk
IX. Uitvoeringsaspecten en evaluatie |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m 10 |
[Algemeen,
red. ]
Hoofdstuk
I. Algemeen
Na de
inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de
Wet op de
zorgtoeslag (Wzt) is gebleken dat het noodzakelijk en wenselijk is met
het oog op een goede werking van het zorgstelsel op enkele punten aanvullende wettelijke
regels te stellen. Deze aanvullende regels hebben betrekking op een aantal
op zichzelf staande aspecten, maar zijn alle bedoeld om de werking van
het door de Zvw en Wzt in het leven geroepen stelsel te optimaliseren.
Daarom is ervoor gekozen deze aanvullende regels in één
wetsvoorstel bijeen te brengen. Aldus wordt voorkomen dat, in hetzelfde tijdsbestek,
gescheiden parlementaire behandeling van een vijftal wetsvoorstellen
tot wijziging van de Zvw of de Wzt zou moeten plaatsvinden.
Dit wetsvoorstel maakt
onderdeel uit van een pakket aan maatregelen dat ten doel heeft het aantal
mensen dat onverzekerd raakt als gevolg van royement wegens
wanbetaling zo klein mogelijk te houden.
In de eerste plaats
hebben zorgverzekeraars initiatieven ontwikkeld om wanbetalers tot een beter
betalingsgedrag te bewegen, gedurende een traject van anderhalf
jaar, waarin de betrokkenen niet worden geroyeerd. Eén en ander is
neergelegd in het Protocol incassotraject wanbetalers
Zorgverzekeringswet (Protocol).
In de tweede plaats
voorziet dit wetsvoorstel in het tijdelijk onmogelijk maken van opzegging van
de zorgverzekering door een verzekeringnemer met premieschuld en
vermelding door de zorgverzekeraar op het bewijs van uitschrijving dat de
verzekeringnemer geen premieschuld heeft indien deze aan alle betalingsverplichtingen voldaan heeft. Hierdoor
worden zorgverzekeraars
behoed voor een carrousel van wanbetalers die van de ene naar de andere
zorgverzekeraar overstappen met achterlating van onbetaalde premievorderingen.
In de derde plaats wordt
voorzien in een gedeeltelijke financiële compensatie van de door de
zorgverzekeraars gederfde premie-inkomsten gedurende het incassotraject.
Hiertoe zal de in de Regeling
zorgverzekering vastgelegde
vereveningsregeling worden aangepast. Deze maatregelen worden toegelicht in
hoofdstuk II.
rblz.|2|
Met
dit wetsvoorstel wordt de verantwoordelijkheid van de Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gemarkeerd voor het bekostigen
van de topreferente zorg ¹ en de aan wetenschappelijk onderzoek
gekoppelde innovatie en ontwikkeling in academische ziekenhuizen uit een
oogpunt van borging van publieke belangen. Het verstrekken van subsidies
door de Minister van VWS ten laste van het Zorgverzekeringsfonds (Zvf)
vereist wijziging van artikel 39 van de Zvw, waarin is geregeld welke
uitgaven ten laste van dat fonds komen. Daarmee wordt geen afbreuk
gedaan aan de keuze om in de zorgsector, waar dat verantwoord mogelijk
is, zaken zoveel mogelijk aan de actoren in het veld over te laten,
zoals die ook in wetgeving, waaronder de Zvw, is vastgelegd. Omdat
gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat het publieke belang van een
voldoende aanbod van topreferente zorg, innovatie en ontwikkeling in
academische ziekenhuizen zonder overheidsinterventie niet voldoende is
gewaarborgd, wordt met dit wetsvoorstel een expliciete
verantwoordelijkheid voor de Minister geschapen om daarvoor financiële
middelen ter beschikking te stellen. In hoofdstuk III wordt daarop nader
ingegaan.
1. Topreferente zorg is
zeer specialistische patiëntenzorg die gepaard gaat met bijzondere
diagnostiek en behandeling waarvoor geen doorverwijzing meer mogelijk
is. Topreferente zorg vereist een infrastructuur waarbinnen vele
disciplines op het hoogste deskundigheidsniveau samenwerken ten behoeve
van de patiëntenzorg en die gekoppeld is aan fundamenteel
patiëntgericht onderzoek. Hierdoor wordt deze functie vrijwel exclusief
door de academische ziekenhuizen uitgevoerd.
Met
dit wetsvoorstel
wordt voorts alsnog een overgangsregeling getroffen voor een groep
personen die voorheen was verzekerd op basis van een
standaardverzekering ingevolge de Wet op de toegang tot
ziektekostenverzekeringen 1998 (Wtz 1998), maar die als gevolg van het
feit dat zij geen ingezetene zijn niet verzekerd zijn voor de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en daarom ook niet
verzekeringsplichtig zijn voor de zorgverzekering. Het gaat de facto om
ruim 700 missionarissen op gevorderde leeftijd. De maatregel, waarop in hoofdstuk IV verder wordt ingegaan, is strikt persoonsgebonden en zal
dus over een beperkt aantal jaren geen betekenis meer hebben.
Het wetsvoorstel voorziet
voorts in een wettelijke basis voor het College voor zorgverzekeringen (CVZ)
om het sociaal-fiscaal nummer (sofinummer) te verwerken bij het uitvoeren
van de regeling voor de zogenaamde verdragsgerechtigden (artikel 69
Zvw)
en de regeling inzake gemoedsbezwaarden (artikel 70
Zvw). Met een
wijziging van de Wet
marktordening gezondheidszorg (Wmg) en een
wijziging van de AWBZ wordt voorzien in de vereiste wettelijke basis
voor ziektekostenverzekeraars om in beperkte mate persoonsgegevens,
gegevens betreffende de gezondheid daaronder begrepen, over hun
verzekerden te ontvangen van zorgaanbieders en te verwerken, voor zover
dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de aanvullende
ziektekostenverzekeringen en de AWBZ. Op beide aspecten wordt nader
ingegaan in hoofdstuk V.
Het vierde onderdeel van
het wetsvoorstel vormt een wijziging van de Wzt. Die wijziging, waarop
in hoofdstuk VI wordt ingegaan, houdt in dat het aan het woonland
gerelateerde verhoudingsgetal dat wordt toegepast bij de berekening van
de bijdrage die zogenaamde verdragsgerechtigden op grond van artikel 69
van de Zvw moeten betalen, eveneens geldt voor de vaststelling van de
zorgtoeslag.
Tot slot is van de
gelegenheid gebruik gemaakt om de regeling inzake het bestuursmodel en
de werkwijze van het CVZ en het College bouw zorginstellingen
(CBZ), en
daarmee ook van het College sanering zorginstellingen (CSZ), aan te
passen in verband met de gewijzigde taken van die colleges, zoals dat
ook is gebeurd voor de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De aanpassing
betreft de omvang van de colleges en de regeling inzake de openbaarheid
van de vergaderingen van de colleges. Daarop wordt in hoofdstuk VII
ingegaan.
rblz.|3|
Hoofdstuk II. Verzwaring
incassoregime premie zorgverzekering
1. Inleiding
Uit de Grondwet en
internationale verdragen vloeit voort dat de Nederlandse overheid
verantwoordelijk is voor een zorgstelsel dat haar ingezetenen toegang
geeft tot noodzakelijke, kwalitatief goede zorg. Er is gekozen voor een
verzekeringssysteem om de zorg financieel houdbaar te maken en niet voor
een stelsel waarbij de overheid zorg draagt voor de zorgverlening aan de
burgers, zoals bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk.
Het Nederlandse
ziektekostenverzekeringssysteem kent twee socialeverzekeringswetten;
één voor de care, de AWBZ, en één voor de
cure, de
Zvw. Deze beide
volksverzekeringen zijn er voor wie in Nederland woont, ofwel in
Nederland werkt en in verband daarmee aan de Nederlandse loonbelasting
onderworpen is. De AWBZ is een verzekering van rechtswege; verzekerd is
wie aan de wettelijke voorwaarden voldoet. De zorgverzekering op grond
van de Zvw is een privaatrechtelijke verzekering: verzekerd is men na
het sluiten van een zorgverzekeringsovereenkomst. Het Nederlandse
ziektekostenverzekeringssysteem wordt voor het grootste deel
inkomensgerelateerd gefinancierd. De AWBZ kent een inkomensafhankelijke
premie. De Zvw kent, naast de aan de zorgverzekeraar te betalen nominale
premie, een inkomensafhankelijke bijdrage, vergelijkbaar met de
inkomensafhankelijke premie van de AWBZ. Het verschil tussen het bestaan
van een premie voor de AWBZ en een bijdrage voor de Zvw vloeit voort uit
het gegeven dat men voor de AWBZ van rechtswege verzekerd is en daarom
ook van rechtswege premie verschuldigd is. Voor de Zvw is men niet van
rechtswege verzekerd, maar moet men zelf een verzekeringsovereenkomst
sluiten. Toch is men verplicht mee te betalen aan de kosten van de
verzekering, ook al heeft men zich niet verzekerd. Dit is daarom een
bijdrage en niet een premie.
Als een verzekeringnemer
de nominale premie niet betaalt, heeft dit op den duur gevolgen voor de
verzekeringsrelatie tussen de verzekerde en zorgverzekeraar. De
zorgverzekeraar kan de zorgverzekeringsovereenkomst beëindigen. Als dit
gebeurt, raakt de verzekerde onverzekerd. Hij zal dan wellicht bij een
andere zorgverzekeraar een zorgverzekering willen sluiten. Omdat de Zvw
een acceptatieplicht voor de zorgverzekeraar kent, zal deze
zorgverzekeraar in dat geval een zorgverzekeringsovereenkomst moeten
sluiten. Bij de betaling van de nominale premie voor deze verzekering
kan zich opnieuw de situatie van wanbetaling voordoen met dezelfde
gevolgen.
Hoewel Nederland door de
invoering van de Zvw kan bogen op een stelsel van sociale
ziektekostenverzekering dat het voor alle in aanmerking komende personen
mogelijk maakt op een adequate manier verzekerd te zijn tegen de kosten
van noodzakelijke medische zorg, wenst de regering een extra inspanning
te verrichten om diegenen te beschermen die toch om enigerlei reden
onverzekerd dreigen te raken. Daartoe is een pakket aan maatregelen
voorzien om het aantal mensen dat onverzekerd raakt als gevolg van
royement wegens wanbetaling, zo klein mogelijk te houden. Hiertoe worden
in de eerste plaats door zorgverzekeraars afspraken gemaakt om te
voorkomen dat wanbetalers geroyeerd worden; die afspraken beslaan een
traject van anderhalf jaar, waarbij de te treffen incassomaatregelen in
de loop van de tijd zwaarder worden.
In de tweede plaats wordt
door middel van dit wetsvoorstel verzekeringnemers die een achterstand
hebben in de premiebetaling, tijdelijk de mogelijkheid ontnomen om hun
zorgverzekering op te zeggen en krijgen de zorgverzekeraars de
gelegenheid te controleren of aspirant-verzekeringnemers rblz.|4|
aan hun
premieverplichtingen hebben voldaan. Daarmee
wordt voorkomen dat zorgverzekeraars te maken krijgen met een carrousel
van wanbetalers die van de ene naar de andere zorgverzekeraar
overstappen met achterlating van onbetaalde premievorderingen.
Ten derde zullen
zorgverzekeraars door een aanpassing van de in de Regeling
zorgverzekering opgenomen vereveningsregeling een gedeeltelijke
financiële compensatie ontvangen voor gederfde premie-inkomsten
gedurende het incassotraject.
Het pakket van
maatregelen is dus zowel in het belang van de verzekeringnemers als van
de zorgverzekeraars.
2. Onverzekerden
a. Algemeen
Omdat de
Zvw een
verzekeringsplicht kent en geen verzekering van rechtswege is, kunnen
mensen er bewust voor kiezen niet aan die verplichting te voldoen, en
dus geen zorgverzekering sluiten. Anderen kiezen er niet bewust voor om
geen zorgverzekering te sluiten, maar laten om wat voor reden dan ook na
een zorgverzekering te sluiten. Er zijn geen gegevens omtrent de
samenstelling van beide groepen.
Onverzekerd zijn is om
diverse redenen een maatschappelijk ongewenst verschijnsel.
• In de Zvw zijn door middel van de verzekeringsplicht en de
inkomensafhankelijke bijdrage de risico- en inkomenssolidariteit
geborgd. Indien een substantieel aantal mensen zich niet zou verzekeren,
tast dit deze solidariteit aan.
• Het risico bestaat dat onverzekerden noodzakelijke zorg mijden. Dit
kan niet alleen voor de betrokkene vervelende gevolgen hebben, maar het
uitstellen van noodzakelijke zorg kan in sommige gevallen leiden tot een
verergering van klachten of risico’s voor de volksgezondheid opleveren
met - als uiteindelijk toch zorg wordt ingeroepen - duurdere zorg
dan oorspronkelijk nodig zou zijn geweest.
• Nadelige financiële gevolgen voor zorgaanbieders die in een aantal
gevallen niet betaald worden voor aan onverzekerden verleende
noodzakelijke zorg.
Een andere groep van
onverzekerden vormen degenen die geen toegang hebben tot de sociale
ziektekostenverzekeringen. Dit zijn vreemdelingen die geen wettelijke
verblijfsstatus hebben; de illegalen. Zij hebben ook geen recht op
sociale voorzieningen. Wel kunnen zij in bepaalde situaties medisch
noodzakelijke zorg krijgen. Dit is staande praktijk sinds het bestaan
van de Koppelingswet van juli 1998 en de Vreemdelingenwet
2000.
De situatie dat iemand
geen verzekeringsaanspraak heeft op zorg is niet iets nieuws als gevolg
van de invoering van de Zvw. Tot de invoering van de Zvw bestond de
Ziekenfondswet (Zfw). De Zfw was een verzekering van rechtswege. Indien
men voldeed aan de wettelijke voorwaarden, was men verzekerd. Toch kon
er sprake zijn van een situatie die vergelijkbaar is met die onder de
Zvw. Immers, om de aanspraken uit de ziekenfondsverzekering tot gelding
te brengen, was inschrijving bij een ziekenfonds noodzakelijk. Niet
iedere verzekerde schreef zich ook daadwerkelijk in. Wanneer men zorg
nodig had en het recht op zorg wilde effectueren, moest men zich eerst
inschrijven. Bij een te late inschrijving, meer dan 60 dagen na het
ontstaan van de ziekenfondsverzekering, bestond de mogelijkheid een
boete wegens de te late inschrijving op te leggen.¹
rblz.|5|
Ook
kwam het voor dat ziekenfondsverzekerden zich wel inschreven, maar niet
voldeden aan de verplichting tot betaling van de toen bestaande nominale
premie. Indien de verzekerde nalatig bleef om de verschuldigde premie
volledig te voldoen, kon het ziekenfonds waarbij de verzekerde was
ingeschreven de kosten van aan hem of aan zijn medeverzekerden
verleende verstrekkingen geheel of gedeeltelijk op die verzekerde
verhalen. Ook kon het ziekenfonds vergoedingen waarop de verzekerde
aanspraak had wegens de voor zorg gemaakte kosten, geheel of
gedeeltelijk weigeren, of wegens deze kosten betaalde vergoedingen
geheel of gedeeltelijk van de verzekerde terugvorderen.² Ook om
aanspraken uit de AWBZ-verzekering tot gelding te brengen, is
inschrijving bij een zorgverzekeraar noodzakelijk.
1. Artikel
17, derde lid Zfw.
2. Artikel 20
Zfw.
b. Omvang van het aantal
onverzekerden
1. Onverzekerden vóór
de invoering van de Zvw.
In Nederland bestaat een
gunstige verhouding tussen het aantal onverzekerden en de totale groep
van degenen die onder de bescherming van de sociale
ziektekostenverzekeringen valt. Onderstaande cijfers van het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) geven het aantal onverzekerden weer over
de jaren 2001 tot en met 2005.¹ Het CBS hanteerde voor de monitoring een
groepsgewijze benadering, die minder nauwkeurige resultaten oplevert dan
een benadering die uitgaat van individuen. Onder de onverzekerden
bevonden zich ongeveer 5500 gemoedsbezwaarden. De grootste groep van de
onverzekerden bestond vermoedelijk uit zelfstandigen, freelancers en uit
mensen die bijvoorbeeld bij loongrensoverschrijding of terugkeer uit het
buitenland niet tijdig een particuliere verzekering hadden gesloten.
Slechts een klein deel van de onverzekerden bestond uit dak- en
thuislozen. Precieze cijfers hierover ontbreken.
1. Rapport "Zorg
verzekerd", 9 december 2005, hoofdstuk 2.2, aangeboden
aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2005-2006 29 689, nr. 47.
De bevolking naar
verzekeringswijze tegen ziektekosten 2001-2005, in duizendtallen, jaargemiddelden (bron:
Vektis, CBS):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2001 |
2002 |
2003 |
2004¹ |
2005¹ |
| Administratieve bevolking |
16 046r |
16 149r |
16 225r |
16 273r |
16 312r |
| Ziekenfondsverzekerden |
10
294r |
10 176r |
10 152r |
10 166r |
x |
| Privaatrechtelijk
verzekerden (volgens MOOZ)* |
4 665r |
4
877r |
4 848r |
4 881r |
x |
| Publiekrechtelijk
verzekerden |
781r |
782r |
880r |
882r |
x |
Ziektekosten van
rijkswege gedekt2
|
168r
|
166r
|
150r
|
136r
|
x |
| Totaal aantal verzekerden |
15 908r |
16 001r |
16 214r |
16 065r |
x |
| x |
| Saldo bevolking
verzekerden (brutosaldo) |
138r |
148r |
95r |
1
208r |
x |
| Aftrekposten3 |
33r |
30r |
27r |
25r |
x |
Optelposten4
|
64r
|
57r
|
46r
|
42r
|
x |
| Totaal onverzekerden
(nettosaldo) |
169r |
175r |
214r |
225r |
242r |
1. CBS-rapportage, 5 juli
2006: "Het aantal onverzekerden tegen ziektekosten 2004-2006".
De gegevens zien op de
situatie per 1 juli van het jaar.
2. Militairen in actieve
dienst, asielzoekers in centrale opvang, gedetineerden, terbeschikkinggestelden
en uit huis geplaatste
kinderen.
3. Inwoners van Nederland
die in het buitenland werken, inclusief meeverzekerde gezinsleden.
4. Inwoners die in het
buitenland wonen, maar in Nederland werken en asielzoekers die korter dan anderhalf jaar in een
opvangcentrum verblijven.
* Wet MOOZ: Wet medefinanciering oververtegenwoordiging oudere
ziekenfondsverzekerden, red.
rblz.|6|
2. Onverzekerden na de
invoering van de Zvw: voorlopige gegevens
Bij de parlementaire
behandeling van de Zvw in de Tweede en Eerste Kamer heeft het onderwerp
onverzekerden veel aandacht gekregen. Door de Minister van VWS is een
Interdepartementale Werkgroep Onverzekerden ingesteld om de problematiek
te onderzoeken. De Minister van VWS heeft vervolgens het CBS
opgedragen
om een voorlopige raming van het aantal onverzekerden per 1 mei 2006 te
geven, later gevolgd door het definitieve cijfer.
Op 5 juli 2006 heeft het
CBS gerapporteerd ¹ over de raming en een schatting gegeven van het
aantal onverzekerden per 1 mei 2006. Die schatting wijst op 182 000
onverzekerden; iets meer dan 1 procent van de bevolking. Het CBS maakt
die schatting door het aantal personen in de gemeentelijke basisadministratie
(GBA) te vergelijken met het aantal verzekerden, rekening
houdend met een aantal bijzondere categorieën die niet
verzekeringsplichtig zijn, dan wel op een bijzondere wijze verzekerd
zijn. De omvang van die groepen is op 1 mei moeilijk te schatten.
In verband met de
invoering van de Zvw is er gewerkt met nieuwe verzekerdenbestanden. Deze
bestanden zijn geschoond voor dubbeltellingen. Het is niet mogelijk om
na te gaan of er verzekerden ontbreken in de bestanden. Mogelijk wordt
het aantal verzekerden dus onderschat en daarmee het aantal
onverzekerden overschat. Het is daarom een voorlopig cijfer. Definitieve
cijfers zullen tegen het einde van 2006 beschikbaar zijn.
1. CBS-rapportage, 5 juli
2006: "Het aantal onverzekerden tegen ziektekosten 2004-2006". De
CBS-rapportage is aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer op 10 juli
2006 (Z/M2698953 en Z/M2698953), Kamerstukken II 2005-2006, bijlage bij
Kamerstukken II 2005-2006, 29
689, nr. 107.
Aantal onverzekerden op 1
mei 2006
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Voorlopige
cijfers op peil-
datum 1 mei 2006 (x 1000) |
| Bevolking volgens
GBA |
16 337xxxx |
| Totaal verzekerden |
16 123xxxx |
waarvan:
- in bestanden verzekeraars
- ziektekosten van
rijkswege gedekt en in GBA
- wel in bestanden
verzekeraars, niet in GBA
- wel in GBA, niet
verzekeringsplichtig |
x
16 100xxxx
23xxxx
74xxxx
107xxxx |
waarvan:
- actief dienende
militairen
- gemoedsbezwaarden
- wonen in Nederland en
werken in buitenland
- werken bij
volkenrechtelijke organisatie
- gedetacheerden vanuit
buitenland naar Nederland
- uitkering en/of pensioen
uit buitenland of volkenrechtelijke
organisatie
- buitenlandse studenten
uitsluitend wegens studieredenen in
Nederland |
x
48xxxx
8xxxx
30xxxx
3xxxx
4xxxx
3xxxx
11xxxx |
Samenvattend:
- aantal in GBA minus aantal
verzekerden
- aantal wel verzekerd,
niet in GBA
- aantal wel in GBA, niet verzekeringsplichtig
- aantal onverzekerden |
x
214xxxx
74xxxx
–107xxxx
182xxxx |
Op diverse terreinen zijn
de nodige inspanningen geleverd om de overgang naar en de invoering van
de Zvw soepel te laten verlopen en daarmee het aantal onverzekerden zo
gering mogelijk te doen zijn. Zo is er door diverse instanties
uitgebreid voorlichting gegeven over de invoering van de Zvw, algemeen
en specifiek, nog extra ondersteund door de publiciteit in de media. De
wettelijke maatregel van de automatische overgang ¹ is getroffen om voor
iedereen de overgang van de verzekering in 2005 naar de verzekering
onder de Zvw te vergemakkelijken. Er is gezocht naar rblz.|7|
mogelijkheden om ervoor
te zorgen dat specifieke kwetsbare doelgroepen een zorgverzekering
zouden hebben. Dat heeft onder meer geleid tot collectieve contracten
voor sommige van die groepen. In paragraaf 6, overige maatregelen ter
voorkoming van wanbetaling en onverzekerden, wordt dit toegelicht.
1. Artikel
2.5.1 van de Invoerings- en aanpassingswet
Zorgverzekeringswet.
3. Wanbetaling als
oorzaak voor onverzekerd raken
a. Wanbetaling
Diegene die een
zorgverzekeringsovereenkomst heeft gesloten, is aan de zorgverzekeraar
de nominale premie verschuldigd. In beginsel heeft iedere
verzekeringsplichtige een (gezins)inkomen. En in het geval van een in
verhouding tot de te betalen premie te laag (gezins)inkomen heeft een
verzekerde recht op zorgtoeslag. Dat biedt structureel de financiële
mogelijkheid om de nominale premie van de zorgverzekering te betalen.
Wanneer een
verzekeringnemer niet op tijd betaalt, voldoet hij niet aan zijn
betalingsverplichting en is daarmee aan te merken als wanbetaler. Om
wanbetaling te voorkomen, kan een zorgverzekeraar een verzekeringnemer
vragen om in te stemmen met automatische incasso van de nominale premie.
Als de verzekeringnemer niet of niet tijdig betaalt, beschikt een
zorgverzekeraar over de volgende middelen om de vordering te innen:
• aanmanen;
• incasso-/deurwaarderstraject;
• opschorten dekking verzekering;
• opzeggen/ontbinden verzekering.¹
1. Artikel
8 Zvw, waarna
de verzekeraar betrokkene vijf jaar lang niet meer hoeft te accepteren;
zie artikel 3 Zvw.
Het debiteurenrisico is
een normaal bedrijfsrisico, al geldt hier wel de omstandigheid dat
zorgverzekeraars een acceptatieplicht hebben. Het ligt in de rede dat
zorgverzekeraars, net als andere bedrijven, maatregelen treffen om het
bedrag aan oninbare vorderingen zo laag mogelijk te houden. Voor de
situatie waarin een normale (buitengerechtelijke) incassoprocedure niets
oplevert, voorziet het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering in
mogelijkheden om vorderingen bij onwillige betalers te innen. Dit gaat
van eenvoudige invorderingsprocedures tot, ultimum remedium,
beslaglegging op inkomstenbronnen of eigendommen en de openbare verkoop
daarvan. Het is evident dat beslagleggingsprocedures tijd en geld kosten.
b. Voorkomen van een
carrousel van wanbetalers
Een gevolg van
wanbetaling voor de zorgverzekeraars is dat zij te maken hebben met
kosten van invorderingsmaatregelen, waartegenover bij sommige (ex-)verzekeringnemers
maar beperkte verhaalsmogelijkheden bestaan. Wanneer de situatie van
wanbetaling een tijd aanhoudt, zal de zorgverzekeraar het bedrijfsbelang
laten prevaleren en overgaan tot het beëindigen van de
zorgverzekeringsovereenkomst. De verzekeringnemer voldoet immers niet
aan zijn betalingsverplichting. Deze kan vervolgens met een andere
zorgverzekeraar een zorgverzekeringsovereenkomst gaan sluiten (en moet
dat gezien zijn verzekeringsplicht overigens ook) en ook daar niet aan
zijn betalingsverplichtingen voldoen. Dit zal wederom tot gevolg hebben
dat de verzekeringsovereenkomst op enig moment beëindigd wordt. Dit kan
zich voortdurend herhalen, waardoor een zogenoemde draaideurconstructie
ontstaat, ook wel aangeduid als carrousel. De wanbetaler kan er op enig
moment voor kiezen om niet opnieuw een zorgverzekeringsovereenkomst te
sluiten en onverzekerd door het leven te gaan. Die situatie sluit niet
aan bij de maatschappelijk en politiek breed gevoelde behoefte om zoveel
mogelijk te voorkomen dat burgers onverzekerd zijn.
rblz.|8|
4. Maatregelen
a. Protocol
incassotraject wanbetalers Zorgverzekeringswet (Protocol)
Zoals in de vorige
paragrafen is beschreven, kleven er nadelen aan de situatie waarbij een
wanbetaler geroyeerd wordt en op zoek moet naar een andere
zorgverzekeraar. Daarom heeft de regering met Zorgverzekeraars Nederland
(ZN) gezocht naar een oplossing. Dit heeft geresulteerd in het Protocol
incassotraject wanbetalers Zorgverzekeringswet. Dit Protocol voorziet in
de volgende benadering van degenen die een achterstand hebben bij de
premiebetaling.
Fase 1, regulier
incassoregime
Tot het moment waarop een
verzekeringnemer een betalingsachterstand heeft ter grootte van een
bedrag dat gelijk is aan de nominale premie voor zes maanden, past de
zorgverzekeraar de reguliere incassomaatregelen toe. Dit houdt in dat de
zorgverzekeraar de verzekeringnemer een aantal malen een schriftelijke
aanmaning tot betaling zendt. Tevens kan de zorgverzekeraar een extern
incassobureau inschakelen. De zorgverzekeraar houdt van de genoemde
incassomaatregelen een registratie bij.
Fase 2, verzwaard
incassoregime
Als blijkt dat de
verzekeringnemer door betalingsachterstand een bedrag ter grootte van de
nominale premie over zes maanden verschuldigd is, wordt hij onder een
verzwaard incassoregime gebracht. Dit houdt in dat de zorgverzekeraar
verplicht is de incasso uit te laten voeren door derden, die zich
beroepshalve met incassoactiviteiten bezighouden, zoals bijvoorbeeld
externe incassobureaus en deurwaarders. Iedere zorgverzekeraar zal
hiertoe zelf de contacten leggen en afspraken maken over de wijze waarop
die derden de incassoactiviteiten vormgeven. Deze werkwijze, vastgelegd
in het Protocol, bewerkstelligt dat de verzekeringnemers met een
betalingsachterstand, ongeacht hun zorgverzekeraar, op eenzelfde wijze
geconfronteerd worden met de gevolgen van een steeds zwaarder wordend
incassoregime. Deze voorwaarden zijn kenbaar voor de verzekeringnemer
omdat ze zijn opgenomen in de modelpolis van de verzekering.
Onder het verzwaarde
incassoregime zal de zorgverzekeraar de zorgverzekeringsovereenkomst
niet beëindigen, zodat de wanbetaler de aanspraken die voortvloeien uit
de zorgverzekering ten volle kan blijven effectueren. De verzekerde
behoudt dus dezelfde polis en zijn recht op dekking.
b. Wettelijke maatregel
ter voorkoming van beëindiging zorgverzekeringsovereenkomst door de
verzekeringnemer
Om de incassomaatregelen
goed te kunnen laten functioneren, is het noodzakelijk dat deze situatie
door de verzekeringnemer niet meteen weer beëindigd kan worden.
In dit wetsvoorstel is in
een nieuw artikel (artikel 8a) van de
Zvw geregeld dat een
verzekeringnemer de zorgverzekering niet kan opzeggen nadat hij eenmaal
is aangemaand tot betaling van de premie voor de zorgverzekering (zie
artikel I, onderdeel A). Het opzegverbod geldt dus vanaf het moment
waarop de eerste aanmaning tot betaling van de premie is verzonden.
Daarbij is niet gekoppeld aan het moment waarop het verzwaarde regime op
een verzekeringnemer van toepassing wordt. De reden daarvoor is dat het
voor verzekeringnemers anders in bepaalde gevallen betrekkelijk
eenvoudig zou zijn om zich kort vóór het van toepassing worden van dat
regime alsnog daaraan te onttrekken door op te zeggen. Dit betekent dat
de verzekeringnemers op wie artikel 8a
van de rblz.|9|
Zvw van toepassing zal
zijn niet bij een premieverhoging, noch tegen het einde van het jaar
kunnen opzeggen. De zorgverzekeraar kan als hij dat wil toch goedvinden
dat een verzekering wordt opgezegd en opzegging door de verzekeringnemer
alsnog accepteren; dat moet dan wel binnen twee weken gebeuren.
De voorgestelde regeling
(incassobeleid van zorgverzekeraars in combinatie met het opzegverbod)
bewerkstelligt dat de verzekeringnemer die een zorgverzekering met een
andere zorgverzekeraar wil sluiten, geprikkeld wordt eerst zijn
achterstallige verplichtingen na te komen. Het mes snijdt daarbij aan
twee kanten. Het stimuleert de verzekeringnemer om aan zijn
betalingsverplichting te voldoen, maar voorkomt ook dat zorgverzekeraars
te maken krijgen met veel verzekerden die als in een carrousel van
verzekeraar naar verzekeraar overstappen zonder hun verplichtingen te
zijn nagekomen. De hierna te beschrijven maatregel bewerkstelligt op
zijn beurt dat er voor de zorgverzekeraars bij wanbetaling geen
aanleiding meer hoeft te bestaan om de zorgverzekering snel op te
zeggen.
c. Gedeeltelijke
compensatie van gederfde premie-inkomsten
Als zorgverzekeraars een
wanbetaler niet royeren en in portefeuille houden, missen zij
premie-inkomsten. Tegelijk blijven zij, in alle gevallen waarin ter zake
van de betaling van de verleende zorg een overeenkomst bestaat tussen de
zorgaanbieder en de zorgverzekeraar, aansprakelijk voor de zorgkosten
van de verzekerden.
Normaal gesproken zou een
zorgverzekeraar aan deze onevenwichtige situatie een einde maken door de
betrokken wanbetaler te royeren. Op grond van het Protocol zullen de
zorgverzekeraars echter gedurende anderhalf jaar niet tot royement
overgaan. De zorgverzekeraars worden hierin gefaciliteerd doordat zij
gedeeltelijk worden gecompenseerd voor de gederfde premie-inkomsten.
Deze compensatie zal worden vormgegeven door een wijziging van de Regeling
zorgverzekering op het punt van de risicoverevening.
Gederfde inkomsten ter
grootte van zes maandpremies zijn als een normaal bedrijfsrisico van een
zorgverzekeraar te beschouwen. Voor de derving van deze premie-inkomsten
ontvangen de zorgverzekeraars dan ook geen tegemoetkoming.
Wanneer het bedrag aan
gederfde premie-inkomsten dit bedrag echter te boven gaat, is er wel
aanleiding de zorgverzekeraars voor die gederfde premie-inkomsten te
compenseren. De zorgverzekeraars zullen via de verevening voor iedere
wanbetaler die een betalingsachterstand heeft van zes maandpremies of
meer, en wel over een periode van maximaal één jaar, gedeeltelijk worden
gecompenseerd voor de netto niet-ontvangen nominale premies door
vergoeding van de rekenpremie. Omdat de zorgverzekering in 2006 van
start is gegaan en de eerste gevallen van wanbetaling gedurende meer dan
zes maanden zich pas sinds juli 2006 kunnen voordoen, zullen de
zorgverzekeraars in 2006 slechts voor maximaal zes maanden compensatie
kunnen krijgen van de rekenpremie.
Naar een eerste
inschatting zal voor het jaar 2006 bij de eerste voorlopige afrekening
zo’n €|25 tot 40 miljoen extra aan zorgverzekeraars worden
uitbetaald uit het Zorgverzekeringsfonds (Zvf). In de jaren na 2006
zullen de kosten van de compensatie (door de toepassing van artikel 45
Zvw) in gelijke mate worden gefinancierd door de inkomensafhankelijke
bijdragen en de nominale premies. Per saldo zal deze maatregel echter
mogelijk een besparing opleveren: doelstelling is immers om meer mensen
(premiebetalend) verzekerd te houden, terwijl verwacht mag worden dat de
zorgkosten van betrokkenen in een situatie van onverzekerdheid althans
deels rblz.|10|
collectief gefinancierd zouden worden (bijvoorbeeld door ophoging
van de post "dubieuze
debiteuren").
d. Zorgtoeslag
De zorgtoeslag wordt
toegekend om erin te voorzien dat de verzekerde de nominale premie voor
de zorgverzekering kan betalen. Er zijn echter ook verzekerden die wel
de zorgtoeslag genieten, maar die niet aan hun premieverplichtingen
voldoen. De zorgtoeslag voor deze groep is bij het onderhavige
wetsvoorstel buiten beschouwing gelaten. Bij de eerste tussentijdse
evaluatie van de wet zal de vraag in hoeverre het betalingsgedrag van de
wanbetalende verzekerde kan verbeteren door een maatregel te treffen
over de zorgtoeslag kunnen worden betrokken.
5. Ondersteunende
maatregel: aantekening betalingsgedrag op bewijs van uitschrijving
Onderzocht is de
mogelijkheid om een zorgverzekeraar te kunnen laten controleren of
iemand die een zorgverzekering wil sluiten betalingsproblemen heeft.
Een verzekeringnemer van wie de verzekeringsovereenkomst is opgezegd of
ontbonden, ontvangt altijd een bewijs van het einde van de
zorgverzekering ¹ (bewijs van uitschrijving) van de zorgverzekeraar. De Zvw
regelt welke gegevens dit bewijs van uitschrijving moet bevatten.
Dit wetsvoorstel voorziet in een aanvulling hierop.
Wanneer
een verzekeringnemer aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan,
vermeldt de zorgverzekeraar dit op het bewijs van uitschrijving. Degene
die niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, zal die
aantekening niet krijgen.
De nieuwe zorgverzekeraar
bij wie een verzekeringsplichtige zonder de aantekening zich meldt, is
daardoor in de gelegenheid te anticiperen op slecht betalingsgedrag. Dat
draagt bij aan het zoveel mogelijk voorkomen van het ontstaan van
betalingsproblemen. Bij uitblijven van de betaling zal de
zorgverzekeraar sneller tot een strakker incassoregime willen overgaan
dan bij verzekeringnemers die tot dan toe steeds volledig en tijdig aan
hun verplichtingen hebben voldaan.
1. Artikel
9, tweede lid, Zvw.
In het
rapport
"Zorg
verzekerd" ¹ is de mogelijkheid van een aantekening van het
betalingsgedrag op het bewijs van uitschrijving beschreven. In verband
met de privacyaspecten is dit voorgelegd aan het College bescherming
persoonsgegeven (CBP). Het CBP ziet vanuit zijn verantwoordelijkheid
geen belemmeringen wat betreft het verstrekken van die gegevens op een
bijlage bij het bewijs van uitschrijving.
Nu dit wetsvoorstel erin
voorziet die aantekening te maken op het bewijs van uitschrijving zelf,
is een bijlage niet langer nodig. De keuze om de aantekening op het
bewijs van uitschrijving op te nemen, is mede ingegeven door de
administratieve lasten. Aantekening maken op het bewijs van
uitschrijving, dat toch al verstrekt wordt, heeft minder administratieve
lasten tot gevolg dan het opstellen van een afzonderlijke bijlage.
1. Rapport "Zorg
verzekerd", 9 december 2005, aangeboden aan de Tweede Kamer,
Kamerstukken II 2005-2006, 29 689, nr. 47.
Het kan gebeuren dat een
bewijs van uitschrijving niet door de verzekeringnemer wordt overgelegd
bij het sluiten van een zorgverzekering. Dit kan zich bijvoorbeeld
voordoen omdat de verzekeringnemer het niet heeft ontvangen door
verkeerde bezorging of bij een verhuizing. Het kan ook zijn omdat hij
het bewijs van uitschrijving is kwijtgeraakt.
Indien iemand zich meldt
voor het sluiten van een zorgverzekering zonder dat hij een bewijs van
uitschrijving overlegt, kan de zorgverzekeraar zich wenden tot de vorige
zorgverzekeraar met het verzoek de gegevens te verstrekken. Op basis van
artikel 88, tweede lid, van de Zvw heeft hij daartoe de bevoegdheid en
is de andere zorgverzekeraar verplicht tot het verstrekken van die
informatie. Dat artikel bepaalt dat een ieder, dus ook rblz.|11|
een zorgverzekeraar, op
verzoek inlichtingen en gegevens verstrekt aan zorgverzekeraars
noodzakelijk voor de uitvoering van de wet (bijvoorbeeld om te kunnen
vaststellen of er een periode van onverzekerdheid is opgetreden). Het
tweede lid van genoemd artikel biedt de mogelijkheid om de gegevens in
een schriftelijke vorm of op andere wijze te verstrekken. Wanneer
zorgverzekeraars de inlichtingen bijvoorbeeld digitaal willen
verstrekken, kunnen ze daar gezamenlijk afspraken over maken.
Deze mogelijkheid van
gegevensuitwisseling, die service biedt aan zowel de verzekeringnemer
als de zorgverzekeraar, is geen onbekend verschijnsel. Zo is
bijvoorbeeld binnen de Europese sociale zekerheid geregeld dat de
bevoegde organen bij elkaar inlichtingen mogen inwinnen wanneer degene
die een verklaring moet overleggen dat achterwege laat.¹
1. Artikel 17, eerste lid,
laatste volzin, van de EG Toepassingsverordening 574/72.
6. Overige maatregelen
ter voorkoming van wanbetaling en onverzekerden
Naast de in dit
wetsvoorstel getroffen maatregelen is ook een aantal andere activiteiten
ontplooid om de doelstelling van het reduceren van het aantal
onverzekerden te realiseren.
a. Collectieve contracten
Er zijn initiatieven
genomen om kwetsbare groepen te beschermen tegen het risico van
onverzekerd raken. Zo zijn er op grote schaal collectieve contracten
voor bijstandsgerechtigden en overige sociale minima gesloten en vindt
signalering van betalingsachterstanden van bijstandsgerechtigden plaats.
b. Melden van
betalingsachterstanden: Inlichtingenbureau
Op grond van de
Wet werk
en bijstand (Wwb) zijn zorgverzekeraars verplicht op verzoek van
gemeenten melding te maken van een betalingsachterstand bij degene die
een Wwb-uitkering ontvangt. Geregeld is dat deze informatiestroom
geautomatiseerd via het Inlichtingenbureau loopt. Verzekeraars melden
via Vektis/Sectoraal Aanspreekpunt Zorgverzekeringen aan het
Inlichtingenbureau de sofinummers van degenen met een
betalingsachterstand. De gegevens van niet-bijstandsgerechtigden worden
direct vernietigd. De overigen worden bij de gemeentelijke sociale
dienst gemeld, opdat actie ondernomen kan worden om oplopen van de
schuld en toepassing van het verzwaarde incassoregime en royement te
voorkomen. De infrastructurele voorbereidingen bij het
Inlichtingenbureau zijn gereed. Vektis en de zorgverzekeraars passen ook
hun systemen aan, zodat de informatie uitgewisseld kan worden.
Hoofdstuk III.
Academische component
Met de invoering van de
Zvw en de daarmee samenhangende wijzigingen in het zorgstelsel is het
aanbod aan zorg en de bekostiging daarvan in beginsel een
verantwoordelijkheid van de marktpartijen. De overheid blijft evenwel
verantwoordelijk voor een aantal voorzieningen waarvan de aanwezigheid,
betaalbaarheid en kwaliteit mogelijk anders in onvoldoende mate is
gewaarborgd. Dit geldt onder meer voor de bijzondere functie van
academische ziekenhuizen. Om deze te kunnen waarborgen, is
overheidsingrijpen noodzakelijk.
De academische
ziekenhuizen hebben een belangrijke rol in de verzorging van
vervolgopleidingen in de zorg, het leveren van topreferente zorg en de
ontwikkeling en innovatie van nieuwe vormen van diagnostiek en
behandeling. Deze aspecten worden wel aangeduid met de verzamelterm
"academische component". Vanuit het oogpunt van kwaliteit en
efficiëntie rblz.|12|
zijn de topreferentie-
en innoverende functie geconcentreerd bij de academische ziekenhuizen.
Om in de toekomst nieuwe innovaties te kunnen bekostigen, is het
noodzakelijk dat er een dynamische doorstroom blijft van zorg die wordt
bekostigd uit de middelen voor de academische component naar
gedereguleerde zorg, die in termen van diagnosebehandelcombinaties (DBC’s)
bekostigd wordt.
In 2006 bedraagt de
academische component €|44 miljoen voor de vervolgopleidingen,
€|122
miljoen voor innovatie en ontwikkeling en €|415 miljoen voor
topreferente zorg. Met ingang van 2007 wordt de academische component
geschoond voor de vervolgopleidingen. Die opleidingen zullen, in
afwijking van eerdere voornemens (Kamerstukken II 2005-2006, 29 282, nr.
28), in 2007 rechtstreeks ten laste van de begroting van het ministerie
van VWS worden gesubsidieerd.
De
academische component
heeft uiteraard een kostprijsverhogend effect voor de te hanteren
tarieven. De academische ziekenhuizen zouden daardoor niet op gelijke
basis kunnen concurreren met andere zorgaanbieders. Aan dit gegeven is
het risico verbonden dat de capaciteit en kwaliteit van de academische
component onvoldoende gewaarborgd is. Daarnaast zou een opslag op de
tarieven ook leiden tot ongelijke kosten voor zorgverzekeraars. Om deze
redenen is een aparte wijze van bekostigen aangewezen.
In 2004 is bestuurlijk
afgesproken tussen het ministerie van VWS, Zorgverzekeraars Nederland en
de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra dat de
financiering van de academische component niet-risicodragend zal
plaatsvinden. Met de oprichting van de Stichting Fonds Academische
Component hebben de zorgverzekeraars invulling aan deze afspraak
gegeven. Sinds 2005 verstrekken zij voor de academische component op
vrijwillige basis jaarlijks een vaste bijdrage per verzekerde aan het
door hen opgerichte fonds. Met een bijdrage op basis van hun
verzekerdenaantallen wordt voor de zorgverzekeraars een aanvaardbare
schadelastverdeling bewerkstelligd. De stichting sluit overeenkomsten
met de academische ziekenhuizen inzake de betaling van de academische
component. In de risicoverevening is de academische component als
niet-risicodragend element opgenomen. Aldus wordt de academische
component apart gefinancierd en niet via specifieke DBC’s of via het
verrekenpercentage op alle DBC’s.
De huidige
fondsconstructie is echter nadrukkelijk bedoeld als een tijdelijke.
Reden daarvoor is dat deze wijze van bekostigen geen waarborgen kent
voor deelname van alle zorgverzekeraars en daarmee ook niet voor de
financiering van deze taken.
In de
nota "Positionering
Academische Ziekenhuizen" (Kamerstukken II 1999-2000, 27 295, nrs. 1 en
2) is aangegeven dat specifieke topreferentiedeskundigheid in beperkte
mate ook buiten een academisch ziekenhuis kan voorkomen. Daarbij is het
Nederlands Kanker Instituut - Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (NKI-AVL)
met naam genoemd. Het ministerie heeft destijds aangegeven het AVL te
zien als ware het een categoraal academisch ziekenhuis en heeft het
College tarieven gezondheidszorg (CTG) verzocht de bekostiging van het
AVL hierop aan te passen. Sindsdien heeft het AVL een apart
budgetonderdeel, een bijzondere toeslag, die in feite vergelijkbaar is
met de academische component bij academische ziekenhuizen. De bijzondere
toeslag bedraagt €|21 miljoen op een budget van
€|78 miljoen. Hoewel
het AVL geen academische status heeft, en dus ook geen academische
component kan hebben, wordt de bijzondere toeslag van het AVL in de
praktijk op veel punten behandeld als ware het een academische
component. Uitzondering is dat de bijzondere toeslag bij AVL wordt
gefinancierd via het verrekenpercentage op alle DBC’s, terwijl de
academische component bij academische ziekenhuizen separaat, rblz.|13|
buiten de
DBC’s om, wordt gefinancierd. Het hoge verrekenpercentage op alle DBC’s
bemoeilijkt prijsvergelijking met andere ziekenhuizen en plaatst het AVL
in een ongunstige concurrentiepositie. Deze situatie is op langere
termijn niet wenselijk.
Daarom is besloten ook de
bijzondere toeslag voor het AVL, analoog aan de academische component,
door de Minister van VWS voor rekening van het Zvf te laten verstrekken.
Het wetsvoorstel draagt
de Minister van VWS op om door het verstrekken van subsidies bij te
dragen aan een voldoende aanbod aan topreferente zorg en innovatie en
ontwikkeling in academische ziekenhuizen of in een daarmee gelijk te
stellen ziekenhuis. De bekostiging geschiedt daarmee voortaan centraal
en ten laste van het Zvf. Daartoe zullen de benodigde middelen binnen
het Zvf apart worden gehouden van de gelden die beschikbaar zijn voor de
vereveningsbijdragen. De exercitie is voor de verzekeraars neutraal.
Hoofdstuk IV.
Overgangsmaatregel ziektekostenverzekering groep ex-Wtz-ers
1. Inleiding
In de Invoering- en
aanpassingswet Zorgverzekeringswet (IZvw) is voorzien in de
regelgeving om de overgang van het oude naar het nieuwe zorgstelsel
mogelijk te maken. Het uitgangspunt was dat de diverse groepen van
verzekerden en verdragsgerechtigden op een zo eenvoudig mogelijke manier
de overstap konden maken. Eerst nu is gebleken dat door de invoering van
de Zvw, en met name door de daarin vervatte koppeling van de
verzekeringsplicht aan de kring van verzekerden van de AWBZ, een kleine
groep personen niet langer een mogelijkheid heeft zich adequaat tegen
ziektekosten te verzekeren.
Deze groep personen
bestaat uit ruim 700 missionarissen, die tot 1 januari 2006 een
specifieke standaardpakketpolis op grond van de Wtz 1998 hadden. Deze
zogenoemde "ziektekostenverzekering voor religieuzen" (ZVR),
uitgevoerd door ziektekostenverzekeraar CZ, kende een bijzonder element
dat rekening hield met het feit dat deze missionarissen veelal buiten
Nederland wonen.
Religieuzen behoren tot
een orde en sommigen worden door hun orde uitgezonden naar een
missieland om daar te werken. De uitgezonden missionarissen ontvangen
voor dit werk geen salaris, want zij zijn niet in dienst van de orde. De
orde voorziet in het levensonderhoud van de missionaris door geld en
middelen ter beschikking te stellen.
Daarom maakt men tijdens
de missies bij ziekte, op kosten van de uitzendende kerkelijke
organisatie, gebruik van de eigen hulpposten ter plaatse. Om deze reden
betaalden de missionarissen gedurende de missies geen premie voor deze
verzekering. Slechts tijdens perioden van verblijf in Nederland
betaalden zij de volledige Wtz-premie (€|142,-), in ruil waarvoor zij,
indien nodig, hun zorgkosten vergoed kregen. Daarnaast betaalden de
missionarissen een gering bedrag aan premie (€|11,-) voor een
aanvullende verzekering, zowel tijdens hun missie als tijdens verblijf
in Nederland.
Als gevolg van de
inwerkingtreding van de Zvw en de daarmee samenhangende intrekking van
de Wtz 1998 is ook deze standaardverzekering vervallen. Voortzetting van
deze verzekering als zuiver particuliere ziektekostenverzekering bleek
in de praktijk vanuit financieel opzicht geen haalbare optie. De
relatief hoge leeftijd van betrokkenen (80% is ouder dan 65 jaar) en het
gegeven dat zij veelal langdurig in het buitenland verblijven, maakte
dat de verzekeraars niet bereid waren tot voortzetting van de
verzekering tegen de oude premievoorwaarden. Uitgezonden missionarissen rblz.|14|
zijn niet AWBZ-verzekerd en kunnen daarom ook geen
zorgverzekering afsluiten.
2. Maatregelen
Artikel II van dit
wetsvoorstel treft een overgangsregeling voor degenen die door de
invoering van de Zvw, en met name door de daarin vervatte koppeling van
de verzekeringsplicht aan de kring van verzekerden van de AWBZ, niet
langer een mogelijkheid hebben zich adequaat tegen ziektekosten te
verzekeren. Hoewel de formulering van het artikel niet uitsluit dat ook
anderen dan de betreffende groep missionarissen van de overgangsregeling
gebruik kan maken, zal het gezien de voorwaarden om onder de regeling te
kunnen vallen, in de praktijk slechts om missionarissen gaan.
De groep van Wtz-verzekerden, anders dan missionarissen, die niet in Nederland woonde
op 31 december 2005 bestond uit een paar honderd mensen. Voor zover
bekend verkeerde niemand van die groep op 31 december 2005 in een
vergelijkbare positie als de missionarissen.
Degenen
die op 31 december 2005 een Wtz-verzekering hadden en in het buitenland
woonden, zijn vanaf 1 januari 2006 verdragsgerechtigde of
verzekeringsplichtige geworden. (Tot de groep van de
verdragsgerechtigden behoren onder meer de gepensioneerden en tot de
verzekeringsplichtigen de grensarbeiders die in het buitenland wonen
en in Nederland werken). Aangezien er voor hen al voorzien is in de zorg
hoeft er voor hen nu of in de toekomst geen regeling meer getroffen te
worden.
De voorgestelde regeling
geldt slechts voor mensen die vóór 1 januari 2006 een Wtz-polis hadden
en toen reeds in een niet-verdragsland woonden. Degenen die sinds die
datum in het kader van de ontwikkelingssamenwerking door een Nederlandse
organisatie (voor een beperkte duur) zijn of nog worden uitgezonden naar
het buitenland, zullen in de regel AWBZ-verzekerd blijven. Zij zijn dan
verzekeringsplichtig voor de Zorgverzekeringswet ¹ en zij kunnen op grond
van hun zorgverzekeringspolis zorg inroepen in het buitenland of in
Nederland.
Indien ze niet
AWBZ-verzekerd zijn, zal hun werkgever voor hen een particuliere
ziektekostenverzekering moeten sluiten. Het zal dan in de regel gaan om
jonge mensen voor wie door zorgverzekeraars betaalbare particuliere
ziektekostenverzekeringen worden aangeboden.
1. De Zvw
kent
werelddekking.
De missionarissen hebben
nadrukkelijk aangegeven enkel tijdens hun verlof in Nederland behoefte
te hebben aan een dekking tegen ziektekosten. Tijdens hun missies maken
zij immers, zoals gezegd, gebruik van eigen hulpposten ter plaatse.
De regering heeft bij de
afweging hoe een overgangsregeling te treffen voor deze missionarissen
afgezien van het zoeken van een oplossing in de sfeer van het onder de AWBZ-verzekering brengen van deze missionarissen. Als ze als
AWBZ-verzekerde zouden worden aangemerkt, zouden ze ook
verzekeringsplichtig zijn voor de Zvw.
Deze missionarissen wonen
echter niet in Nederland en ze zijn voor een groot deel ouder dan 65
jaar. De regering heeft daarom aangesloten bij de beleidslijn dat
niet-actieven (in de regel mensen die ouder zijn dan 65 jaar) die in
het buitenland wonen niet in Nederland verzekerd kunnen zijn. Gezien de
leeftijd van betrokken missionarissen wordt aangesloten bij deze
beleidslijn.
Gezocht is daarom naar
een oplossing in de sfeer van de cure. Geregeld wordt daarom slechts dat
men, na zich aangemeld te hebben bij het CVZ, in ruil voor een
maandelijkse "premie", tijdens verblijf in Nederland de zorgkosten
vergoed krijgt. Hoewel de "dekking" voor de missionarissen beperkt is
tot zorg die zij tijdens verblijf in Nederland genieten, wordt toch
gekozen voor een maandelijks te betalen bijdrage tot een redelijk te
achten totaalbedrag per jaar. Dat is overeenkomstig de situatie voor
verzekerden rblz.|15|
ingevolge de Zvw.
Ook die betalen maandelijks premie en niet slechts over de maanden
waarin zij zorg genieten voor rekening van de verzekering.
Er is eveneens bezien
welke mogelijkheden er zijn om deze zorg voor de missionarissen te
financieren. Gezien de genoemde gezondheidsrisico’s beschikten de
missionarissen al over een Wtz-verzekering. De optie om de
missionarissen een collectieve privaatrechtelijke
ziektekostenverzekering te laten sluiten, bleek, zoals in de inleiding al
aangegeven, geen haalbare optie. Geen enkele zorgverzekeraar zal met een
groep van hoofdzakelijk bejaarde mensen, die niet verzekeringsplichtig
is onder de Zvw, een collectieve ziektekostenverzekering willen sluiten.
Zij ontvangen voor deze groep immers geen vereveningsbijdrage, omdat de
betrokkenen niet verzekeringsplichtig zijn voor de Zvw. De marktconforme
premies die voor een privaatrechtelijke ziektekostenverzekering in
rekening gebracht zouden moeten worden om de risico’s af te dekken
zouden zodanig hoog zijn dat betaling van die premies voor de orden heel
bezwaarlijk zou zijn. Wat mogelijk zou zijn geweest, is het toekennen van
een subsidie vanuit de rijksbegroting. Ook hiervoor is niet gekozen,
gezien de geringe omvang van de benodigde middelen en het onderwerp
waarop de subsidie ziet; het verlenen van zorg. Er is om die redenen bij
de getroffen regeling zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de
praktijk van de zorgverzekering. De groep van missionarissen ontvangt nu
uit het Zorgverzekeringsfonds een "subsidie" voor het bedrag dat de
kosten van de aan hen te verlenen zorg hoger zal zijn dan het totaal
van de door hen betaalde bijdragen.
De missionarissen komen
slechts naar Nederland wanneer dat voor een behandeling nodig is. Het
zal dan in het algemeen gaan om zorg van enigszins ingrijpende aard, die
waarschijnlijk ook relatief duur zal zijn; kleinere gezondheidsproblemen
zullen in het algemeen in het missieland worden opgelost. Ook met het
oog op een goede en controleerbare uitvoering van de regeling is
maandelijkse betaling aangewezen. Het is moeilijk uitvoerbaar om, steeds
wanneer een missionaris ons land bezoekt, de heffing van de bijdrage te
activeren en die weer te deactiveren bij vertrek.
Voor de hoogte van de te
betalen bijdrage wordt aangesloten bij de standaardpremie die wordt
gehanteerd in het kader van de Wet op de
zorgtoeslag; deze is gelijk aan
de geraamde gemiddelde premie voor een zorgverzekering, verminderd met
de gemiddelde no-claimteruggave. Op de standaardpremie wordt vervolgens
nog de maximale zorgtoeslag die een verzekerde in Nederland kan
ontvangen in mindering gebracht in verband met het feit dat de
missionarissen in het algemeen nauwelijks over inkomsten beschikken.
De "premie" (=
bijdrage) wordt in het Zvf gestort; de zorgkosten worden vanuit het Zvf
betaald.
Betrokkene heeft tijdens
zijn verblijf in Nederland enkel recht op zorg waarop aanspraak zou
bestaan indien betrokkene verzekerd zou zijn ingevolge een
zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de
Zvw.
De reden hiervoor is dat
wanneer betrokkene behoefte heeft aan AWBZ-zorg, hij definitief zal
terugkeren naar Nederland en door zijn ingezetenschap van rechtswege
AWBZ-verzekerd zal zijn. Voor deze groep geldt, net als voor andere
ontwikkelingswerkers, dat zij dan zonder wachttijd aanspraken tot
gelding kunnen brengen.
rblz.|16|
Hoofdstuk V. Verwerking
van persoonsgegevens door CVZ en ziektekostenverzekeraars
Met dit wetsvoorstel
worden op een tweetal punten nadere regels gesteld inzake de verwerking
van persoonsgegevens. Over de onderhavige wijzigingen is advies gevraagd
aan het CBP in het kader van de voorbereiding van het wetsvoorstel
Reparatiewet VWS 2006. Nadien is besloten de bepalingen op te nemen in
het onderhavige wetsvoorstel. De vormgeving van de bepalingen is gebeurd
in overeenstemming met de opmerkingen van het CBP.
a. Sofinummer
Dat betreft in de eerste
plaats het gebruik van het sofinummer door het CVZ
bij de uitvoering
van enkele wettelijke taken.
Het CVZ voert ten aanzien
van enkele categorieën onverzekerde personen wettelijke taken uit bij
uitvoering waarvan het gebruik van het sofinummer onmiskenbaar
noodzakelijk is.
Het betreft in het
buitenland wonende verdragsgerechtigden voor wie het CVZ ingevolge
artikel 69 van de Zvw belast is met de heffing en inning van bijdragen
en de daarvoor benodigde administratie, en gemoedsbezwaarden (artikel 70
Zvw). Over deze personen moeten voor de uitvoering van de
Zvw en de Wzt gegevens kunnen worden uitgewisseld met de
SVB, het UWV, pensioenfondsen
en de belastingdienst. Voor die communicatie is het
sofinummer
onontbeerlijk. Het spreekt voor zich dat het CVZ het sofinummer van
deze personen niet voor andere doelen dan de onderhavige mag gebruiken.
Ingevolge
artikel 69 van
de Zvw moeten in het buitenland wonende
personen die met toepassing van
een verordening van de EU recht hebben op zorg of de vergoeding van
kosten van zorg, zoals voorzien in de wetgeving voor de verzekering voor
zorg van hun woonland, zich aanmelden bij het CVZ. Deze personen zijn
een bijdrage verschuldigd en eventueel hebben zij recht op zorgtoeslag.
Het CVZ betaalt de kosten van zorg zoals die door het buitenland voor
deze personen bij het CVZ wordt gedeclareerd. Het CVZ is
verantwoordelijk voor de administratie en heffing van de bijdrage.
Ondanks het feit dat het
niet om verzekerden gaat, is het noodzakelijk dat het CVZ
op basis van
het sofinummer de administratie van de in het buitenland woonachtige
personen voert. Immers, er is communicatie nodig met de SVB, het
UWV en
de belastingdienst over de inhouding van de bijdrage en de betaling van
zorgtoeslag. De instanties die aan de bron heffen, krijgen een signaal
van CVZ wanneer het premiemaximum bereikt is.
Genoemde instanties
communiceren op basis van het sofinummer en communicatie zonder
sofinummer maakt het onmogelijk om de heffingen en betaling van
zorgtoeslag goed te organiseren. Ook met pensioenfondsen zal op basis
van het sofinummer moeten worden gecommuniceerd in verband met
bronheffing.
Het
CVZ is ook
verantwoordelijk voor de uitvoering van artikel 70 van de
Zvw. Op grond
van dit artikel hebben gemoedsbezwaarden een spaarrekening bij het CVZ
waarop de op hun inkomen ingehouden en aan de belastingdienst
afgedragen
bijdragen voor de Zvw worden gestort.
Gemoedsbezwaarden kunnen
vervolgens ten laste van die spaarrekening zorgkostennota’s indienen
bij het CVZ. Het CVZ kan deze wettelijke taak alleen uitvoeren als het
CVZ bij de belastingdienst de voor de gemoedsbezwaarden afgedragen
bijdragevervangende belasting kan opvragen. Een dergelijke opvraag is
alleen mogelijk op basis van het sofinummer.
rblz.|17|
Als
het CVZ in het verkeer met de belastingdienst geen gebruik kan maken van
het sofinummer, is artikel 70 Zvw
onuitvoerbaar.
De SVB
registreert de
gemoedsbezwaarden in verband met de uitvoering van de
volksverzekeringen. Om erachter te komen wie gemoedsbezwaarde is,
krijgt het CVZ van de SVB naam-, adres- en woonplaatsgegevens (NAW-gegevens)
met sofinummer.
Abusievelijk is nagelaten
om, zoals artikel 24 van de Wbp
eist, in deze bepalingen een expliciet
voorschrift ter zake op te nemen. Met de aanvulling wordt buiten twijfel
gesteld dat het CVZ voor de uitvoering van de artikelen 69 en
70 van de Zvw bevoegd en verplicht is het sofinummer te gebruiken. Op de
gegevensuitwisseling met andere instanties zijn de artikelen 86
e.v. Zvw van toepassing. Voor de uitwisseling op
sofinummer met de belastingdienst zal overigens het
Uitvoeringsbesluit
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen nog worden aangepast.
b. Verstrekking
persoonsgegevens aan ziektekostenverzekeraars
In de tweede plaats
worden in de Wmg
en in de AWBZ wijzigingen aangebracht die noodzakelijk
zijn om toe te staan dat zorgaanbieders in beperkte mate
persoonsgegevens aan ziektekostenverzekeraars verstrekken die nodig zijn
voor uitvoering van een ziektekostenverzekering.
Ten behoeve van de
uitvoering van zorgverzekeringen en de Zvw zijn afspraken gemaakt tussen
het College bescherming persoonsgegevens (CBP), de Koninklijke
Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), de
Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF), ZN en VWS over het
beperkt uitwisselen van persoonsgegevens die voor een
ziektekostenverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een
ziektekostenverzekering, waaronder persoonsgegevens betreffende de
gezondheid als bedoeld in de Wbp. Die afspraken zijn neergelegd in het
Addendum Zorgverzekeraars bij de bestaande Gedragscode Verwerking
Persoonsgegevens Financiële Instellingen. Het CBP heeft bij besluit van
27 april 2006 een positieve beslissing genomen op het verzoek van ZN,
het Verbond van Verzekeraars (VvV) en de Nederlandse Vereniging van
Banken (NVB) om te verklaren dat het door ZN opgestelde Addendum
Zorgverzekeraars bij de reeds bestaande Gedragscode Verwerking
Persoonsgegevens Financiële Instellingen van het VvV en de NVB een
juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen
betreffende de verwerking van persoonsgegevens. De goedkeurende
verklaring en het addendum zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 2
mei 2006, nummer 85.
Het Addendum heeft
betrekking op gegevens die zowel voor de uitvoering van de
zorgverzekering en de Zvw als de uitvoering van een aanvullende
verzekering noodzakelijk zijn. Door de beperkte noodzakelijke
uitwisseling toe te staan, worden onnodige administratieve lasten voor
zorgaanbieders, verzekerden en ziektekostenverzekeraars voorkomen.
In het Addendum ligt de
laatste schakel van de getrapte grondslag voor het doorbreken van het
beroepsgeheim van zorgaanbieders bij materiële controles. De eerste
trap in de wettelijke grondslag voor die uitwisseling is voor
zorgverzekeraars als bedoeld in de Zvw gelegen in het eerste en tweede
lid van artikel 87 van de Zvw, zoals dat artikel zal luiden na de
inwerkingtreding van artikel 108 van de Wmg. Op grond van het zesde lid
van dat artikel is hoofdstuk 7 van de Regeling
zorgverzekering vastgesteld (de tweede trap). Die regeling verklaart het Addendum (derde
trap) van toepassing voor alle zorgverzekeraars en zorgaanbieders die
gegevens uitwisselen op grond van de Zvw.
rblz.|18|
De Zvw
biedt geen wettelijke grondslag voor het doorbreken van het
beroepsgeheim van zorgaanbieders ten behoeve van de uitvoering van
aanvullende verzekeringen (artikel 1, onderdeel f, onder 3º, Wmg). In
het ontbreken van die wettelijke grondslag wordt met dit voorstel op
dezelfde getrapte wijze als bij de Zvw voorzien door opneming in de Wmg
van een overeenkomstig artikel. De eerste trap van de wettelijke
grondslag ligt ook hier in de eerste twee leden van het nieuwe artikel
68a in de Wmg. Op grond van het vierde lid wordt voor de aanvullende
verzekering een regeling gemaakt overeenkomstig hoofdstuk 7 van de
Regeling zorgverzekering (de tweede trap). De regeling zal ook verwijzen
naar het Addendum waarin de afspraken over de uitwisseling van
persoonsgegevens tussen aanvullende en basisverzekering en de
omstandigheden waaronder de doorbreking van het beroepsgeheim zijn
vastgelegd (de derde trap).
Ook in
artikel 53 van de AWBZ
worden met dit wetsvoorstel aanpassingen aangebracht ten behoeve
van de toepassing van de afspraken die tussen het CBP, de
KNMG, de NPCF,
ZN en VWS gemaakt zijn over het beperkt uitwisselen van persoonsgegevens
die voor een ziektekostenverzekeraar noodzakelijk zijn voor de
uitvoering van een ziektekostenverzekering, waaronder persoonsgegevens
betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wbp.
Hoofdstuk VI. Wijziging
van de zorgtoeslag
1. Inleiding
Met de
motie-Schippers ¹ is de regering verzocht de bijdrage voor verdragsgerechtigden naar
woonland te differentiëren zodat er geen onevenwichtigheid bestaat in
de bijdragen die personen in de verdragslanden opbrengen en de kosten
die voor hen worden gemaakt. Mede naar aanleiding van het vonnis van de
rechtbank Den Haag van 31 maart 2006 aangaande de
verdragsgerechtigdenbijdrage voor AWBZ-zorg is daarna de
Regeling
zorgverzekering aangepast.²
De berekening van de
bijdrage is gebaseerd op een verhoudingsgetal dat is berekend op basis
van de gemiddelde zorgkosten in het kader van de sociale
ziektekostenverzekering in het desbetreffende land in verhouding tot de
gemiddelde zorgkosten van de sociale zorgverzekeringen in Nederland. De
verhouding wordt uitgedrukt in een getal, de woonlandfactor. Met deze
wijzigingen is de gehele bijdrage voor verdragsgerechtigden in relatie
gebracht met de zorgkosten in het kader van de sociale
ziektekostenverzekering in het woonland, waarbij de Nederlandse
verhouding tussen inkomensgerelateerde en nominale premies in aanmerking
is genomen.
De regering heeft daarbij
aangegeven het noodzakelijk te achten ook voor de hoogte van de
zorgtoeslag eenzelfde relatie te leggen met de kosten van zorg in het
woonland en deze niet langer uitsluitend te baseren op de Nederlandse
gemiddelde nominale premie (= standaardpremie). Immers, in werkelijkheid
is voor in het buitenland wonenden een bijdrage verschuldigd die niet is
gebaseerd op de zorgconsumptie in Nederland, maar op de zorgconsumptie in
het woonland.
1. Kamerstukken II 2005-2006,
29 689, nr. 52.
2. Stcrt. 2006, 85 en 104.
2. Maatregelen
Met de nu voorgestelde
wijziging wordt de grondslag voor de zorgtoeslag voor zowel in het
buitenland wonende verdragsgerechtigden als voor de in Nederland wonende
verzekerden op dezelfde wijze bepaald.
rblz.|19|
Verhoudingsgetal
Met de onderhavige
wijziging (artikel 4, eerste lid, onderdeel b,
[van de Wzt, red.]) is de hoogte van de
zorgtoeslag in relatie gebracht met de kosten van zorg in het woonland,
en wel op dezelfde wijze als waarop de bijdrage die ingevolge artikel 69
van de Zvw verschuldigd is, wordt berekend.
De zorgtoeslag is
afhankelijk van de normpremie (afgeleid van het inkomen) en van de
standaardpremie, die is gecorrigeerd met de woonlandfactor. Dit gebeurt
op individueel niveau. De zorgtoeslag zal (op basis van de cijfers over
2006) liggen tussen €|0,- en € 577,-, afhankelijk van het inkomen en de
woonlandfactor.
De gehanteerde berekening
betekent voor degenen die in Nederland wonen dat de uitkomst van
onderdeel b altijd 1 is, omdat zowel de teller als de noemer in het
verhoudingsgetal de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten
laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland betreffen. De hoogte
van de zorgtoeslag wordt op deze manier, onafhankelijk van de vraag in
welk land iemand woont, altijd op dezelfde wijze vastgesteld. De
woonlandfactor wordt jaarlijks uiterlijk in november als (gewijzigde) bijlage 7 van de
Regeling
zorgverzekering gepubliceerd.
Het vierde lid van
artikel 4 biedt de mogelijkheid om met betrekking tot het eerste lid,
onderdeel b, nadere regels te stellen. Dit kan zich bijvoorbeeld
voordoen bij de zorgtoeslag voor achterblijvende gezinsleden: indien een
man in Nederland woont en werkt en zijn partner in een verdragsland
woont, wordt conform de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen het
gezamenlijke gezinsinkomen bij de vaststelling van de zorgtoeslag
betrokken. De man heeft recht op zorgtoeslag (woonlandfactor is 1) en de
partner volgens de woonlandfactor van het verdragsland. De zorgtoeslagen
worden bij elkaar opgeteld en door twee gedeeld. Door deze deling kan
het voorkomen dat de man in Nederland slechts de helft van de
zorgtoeslag ontvangt omdat zijn partner in een verdragsland woont met
een heel lage woonlandfactor.
Uitgangspunt is dat
wijzigingen in de wetgeving niet met terugwerkende kracht plaatsvinden,
zeker niet wanneer dat voor de betrokkenen een aantasting van rechten
met zich brengt. Desalniettemin lijkt in dit geval invoering met
terugwerkende kracht van de woonlandfactor als onderdeel van de
berekening van de zorgtoeslag voor de verdragsgerechtigden verdedigbaar,
omdat de belanghebbende verdragsgerechtigden als gevolg van de
toepassing van de woonlandfactor ook reeds vanaf 1 januari 2006 een
verlaagde bijdrage betalen, terwijl hun zorgtoeslag zonder die
woonlandfactor in sommige gevallen zelfs hoger is dan de te betalen
bijdrage. In die gevallen zal in de toekomst dus de facto geen
zorgtoeslag meer hoeven te worden uitgekeerd.
Desalniettemin is er om
uitvoeringstechnische redenen voor gekozen dat de gewijzigde
berekeningswijze nog niet zal gelden voor de zorgtoeslagen voor 2006.
Daarbij is in de beschouwing betrokken dat het opnieuw vaststellen van
de zorgtoeslagen over 2006 niet alleen een inbreuk zou vormen op de
rechtszekerheid van betrokkenen, maar ook dat zulks grote
uitvoeringstechnische problemen met zich zou brengen en dat het nagenoeg
uitgesloten moet worden geacht dat terugvorderen van de reeds verstrekte
bedragen resultaat zou opleveren.
Voorts is het onpraktisch
de zorgtoeslagregeling te wijzigen voor een reeds begonnen kalenderjaar.
Deze zal dus moeten ingaan per 1 januari 2007.
rblz.|20|
Hoofdstuk VII. Wijziging
bestuursmodel en werkwijze colleges
De veranderingen in het
zorgstelsel vragen veel van de interne organisatie van de betrokken
zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s). Zij moeten zich in relatief
korte tijd nieuwe taken eigen maken en nieuwe rollen gaan vervullen. Dat
vraagt om een slagvaardig bestuur. In 1999 ¹ is voor de
uitvoeringsorganen van het zorgstelsel de koers ingezet van het herstel
van het primaat van de politiek. Op dat moment is het participatiemodel
van de toenmalige besturen vervangen door het kroonledenmodel. Die
verandering is onderstreept door de benaming van de organen als
Colleges. Met dit voorstel wordt, in navolging van de NZa, een compact
bestuursmodel ingevoerd bij het CVZ, het CBZ en het
CSZ.
1. Wet van 27 maart 1999
tot wijziging van de Ziekenfondswet, de Wet
tarieven gezondheidszorg en
de Wet ziekenhuisvoorzieningen in verband met wijzigingen in de taak,
samenstelling en werkwijze van de in die wetten geregelde
bestuursorganen, alsmede wijziging van andere wetten in verband daarmee
(uitvoeringsorganen volksgezondheid) (Stb. 1999, 185).
Een samenvattend
overzicht van de veranderingen voor de uitvoeringsorganen en
toezichthouders van het zorgstelsel is gegeven in een brief aan de
Tweede Kamer van 27 mei 2005.¹ In die brief is aangekondigd dat
aanpassing zal plaatsvinden van het bestuursmodel van de bestuursorganen
die zich bezighouden met de uitvoering van en het toezicht op het
zorgstelsel. De vormgeving van de NZa past in deze lijn en dient als
voorbeeld voor het CVZ, het CBZ en het CSZ.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 689, nr. 7.
Van een
ZBO wordt een
sterke organisatie verwacht, die professioneel uitvoert of toezicht
houdt, maar ook een sterk ontwikkeld bestuurlijk vermogen bezit. Het ZBO
dient met een brede blik naar zijn externe omgeving te kijken, gevoel te
hebben voor politieke verhoudingen en zijn onafhankelijkheid te bewaken.
Het huidige model van colleges met een wat grotere omvang en met
parttime functionerende leden die op gezette tijdstippen bij elkaar
komen, past daar niet meer bij. De regering staat een fulltime, compact
en professioneel bestuur voor, dat leiding geeft aan de organisatie en
direct aanspreekbaar is voor de Minister. Hierbij past, zoals ook voor
de NZa geregeld is, de hoofdregel dat vergaderingen van de besturen niet
openbaar zijn, tenzij in het bestuursreglement anders wordt bepaald. Een
bestuur van drie leden is klein genoeg om slagvaardig te zijn en groot
genoeg om verschillende deskundigheden in het bestuur te verzamelen en
om met het nodige gezag het ZBO een gezicht te geven voor zijn omgeving.
De teksten van de
Wet
toelating zorginstellingen (WTZi) en de Zvw
bieden op zich de
mogelijkheid om voor de bedoelde colleges slechts drie leden te
benoemen. Bij het CBZ is dit inmiddels gebeurd. Voor het CSZ en het CVZ
is aangekondigd dat met ingang van 1 januari 2007, wanneer de huidige
benoemingstermijnen aflopen, de overgang wordt gemaakt naar het nieuwe
bestuursmodel. De regering vindt het gewenst de formele regeling aan te
passen aan de gewenste praktijk.
De invoering van het
nieuwe bestuursmodel verandert het verticale toezicht van de Minister
op
het ZBO niet. De voorgestelde aanpassing van het bestuursmodel past
binnen het wetsvoorstel Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen,¹ dat is
gericht op onafhankelijkheid en het op afstand plaatsen van ZBO’s,
zonder daarbij afbreuk te doen aan de ministeriële
verantwoordelijkheid.
1. Kamerstukken II, 27 426.
Hoofdstuk 3 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is onverkort van toepassing. Besturen
worden daarom geacht bij de voorbereiding van een besluit de nodige
kennis te vergaren omtrent relevante feiten en de af te wegen belangen (artikel 3:2
Awb). Door dit vast te leggen, is voor iedereen helder wat
op dit vlak van de colleges verwacht kan worden. Het bestuursreglement
moet, zoals gebruikelijk, worden goedgekeurd door de Minister.
rblz.|21|
Zoals
aangekondigd in de hierboven aangehaalde brief over de positionering van
de ZBO’s in het nieuwe zorgstelsel, acht de regering het van belang de
bezoldiging eenduidig te regelen. Het nieuwe bestuursmodel gaat uit van
fulltimebestuurders. Dat betekent dat in de praktijk de
onkostenvergoeding van de bestuursleden vervangen wordt door een
bezoldiging en dat ook de overige onderdelen van de rechtspositie nader
geregeld moeten worden. Het kader dat geldt bij de vaststelling van de
bezoldiging en de rechtspositie is vastgelegd in de Regeling
bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid. Met deze
regeling zijn er bovendien regels gesteld over de integriteit van
bestuurders en over de onverenigbaarheid van functies. Deze regeling is
gebaseerd op de verschillende wetten waarmee deze organisaties zijn
ingesteld en geldt dus voor de bestuursleden van de NZa, het CBZ en met
ingang van 2007 ook voor de bestuursleden van het CSZ en het CVZ.
Conform het wetsvoorstel Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen is
geregeld dat de bezoldiging van de bestuurders openbaar wordt gemaakt in
de jaarverslagen van de ZBO’s.
Hoofdstuk VIII.
Financiële aspecten en administratieve lasten
Hierna wordt, voor zover
relevant, ingegaan op de financiële aspecten en de administratieve
lasten van de verschillende onderdelen van het
wetsvoorstel.
a. Verzwaring
incassoregime premie zorgverzekering
Het opzegverbod voor
verzekeringnemers die premieschulden hebben, leidt naar verwachting tot
een vermindering van de administratieve lasten, omdat de
verzekeringnemer na de ontvangst van een aanmaning niet mag opzeggen.
Hij komt daardoor ook niet in een carrousel van verzekeren, onverzekerd
raken en wederom verzekeren. De administratieve lasten die gemoeid zijn
met die carrousel worden vermeden. Hoe groot het aantal verzekerden zal
zijn dat met het opzegverbod te maken krijgt, is niet bekend.
De verzekeringnemers die
aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan, ontvangen hiervan een
aantekening op het bewijs van uitschrijving. Het maken van die
aantekening betekent een extra administratieve handeling voor de
zorgverzekeraar. Voor opvolgende zorgverzekeraars is echter meteen
inzichtelijk dat er geen betalingsachterstanden zijn. Dat kan een
besparing opleveren, ook wat betreft de nalevingskosten. De totale
omvang van de hiermee gemoeide administratieve lasten is afhankelijk van
het aantal bewijzen van uitschrijving dat jaarlijks verstrekt zal
worden. De omvang wordt bepaald door de mate waarin verzekerden van
zorgverzekeraar zullen wisselen, de verzekerdenmobiliteit.
Er zijn geen financiële
gevolgen verbonden aan de maatregelen die zijn opgenomen in dit
onderdeel van het wetsvoorstel. Wel zullen de zorgverzekeraars onder
bepaalde voorwaarden voor wanbetalers met een zekere
betalingsachterstand een financiële tegemoetkoming ontvangen in de vorm
van een hogere vereveningsbijdrage. De voorwaarden hiervoor worden
vastgelegd in de Regeling
zorgverzekering. In hoofdstuk II, paragraaf 4,
onderdeel c, is dit nader toegelicht.
b. Academische component
De nieuwe
wijze van
financieren van de academische component heeft geen gevolgen voor de
administratieve lasten van de zorgverzekeraars. Ten aanzien van de
beleefde last is er sprake een positief effect. De vrijwillige afdracht
van de zorgverzekeraars aan de Stichting Fonds Academische rblz.|22|
Component
en de betalingen van het fonds aan de academische ziekenhuizen vervallen
in de nieuwe situatie.
Ook voor de academische
ziekenhuizen en het AVL heeft de wijziging geen gevolgen voor de
administratieve lasten. Zij moeten, net zoals thans, ook in de nieuwe
situatie verantwoording afleggen over de besteding van de academische
component.
Voor de administratieve
lasten van de burgers heeft deze wetswijziging geen gevolgen.
c. Overgangsmaatregel
ziektekostenverzekering groep ex-Wtz-ers
Gemiddeld komen per jaar
ruim honderd missionarissen met verlof naar Nederland. Zij maken tijdens
hun verlof ruim €|5000,- aan zorgkosten per persoon. Jaarlijks
declareren missionarissen zodoende gezamenlijk meer dan €|500
000,- aan zorgkosten.
Omdat het een gesloten
groep betreft, die door overlijden en definitieve terugkeer naar
Nederland op hoge leeftijd, geleidelijk in omvang zal afnemen en
uiteindelijk geheel zal verdwijnen, vallen de exacte kosten, alsmede de
precieze duur van deze overgangsregeling, niet te voorspellen.
d. Verwerking van
persoonsgegevens door CVZ en ziektekostenverzekeraars
Met de opneming van een
afzonderlijk artikel in de Wmg
voor de uitwisseling van persoonsgegevens
wordt een wettelijke basis gelegd onder de bestaande praktijk van
noodzakelijke gegevensuitwisseling bij het declaratieverkeer tussen
zorgaanbieder en verzekeraar en de controle daarop. Dat artikel schept
geen nieuwe administratieve lasten, noch brengt het wijziging in dat
verkeer.
e. Wijziging van de
zorgtoeslag
Omdat iedereen op grond
van de formule meer dan €|410,- aan bijdrage verschuldigd moet zijn om
in aanmerking te komen voor zorgtoeslag, komen alle personen in landen
waarvoor de woonlandfactor lager dan 0,4 is niet in aanmerking voor
zorgtoeslag. Voor personen uit deze landen (dit betreft meer dan de
helft van de landen, waaronder Marokko, Turkije, Spanje en Portugal)
hoeft dus helemaal niet meer beoordeeld te worden of iemand een zodanig
inkomen heeft dat hij recht heeft op zorgtoeslag; gegeven de bijdrage
die hij betaalt, komt hij nooit in aanmerking. Dit leidt tot een forse
vermindering van uitvoeringskosten.
f. Wijziging
bestuursmodel en werkwijze colleges
De bezoldiging van de
collegeleden wordt betaald uit de beheerskostenbudgetten van de
colleges. Er is geen reden om aan te nemen dat het totaal aan uitgaven
voor collegeleden en personeel zal veranderen. Met ingang van het
verslagjaar 2006 wordt de bezoldiging van de individuele collegeleden
openbaar gemaakt in de jaarverslagen van de colleges.
Hoofdstuk
IX.
Uitvoeringsaspecten en evaluatie
Hierna wordt, voor zover
relevant, nog ingegaan op enige uitvoeringsaspecten van de verschillende
onderdelen van het wetsvoorstel en eventuele evaluatie van de
maatregelen.
rblz.|23|
a. uitvoeringsaspecten
Bij de overgangsmaatregel
ziektekostenverzekering voor een groep ex-Wtz-ers gaat het om een
mogelijkheid voor betrokkenen om alsnog vergoeding voor hun ziektekosten
te ontvangen. Zij bepalen zelf of zij daar gebruik van wensen te maken.
Kiezen zij daarvoor, dan zullen zij - om hun kosten te declareren - de daarvoor noodzakelijke bescheiden aan het
CVZ
moeten overleggen.
Aangezien het een steeds kleiner wordende groep betreft, zal de
overgangsregeling het CVZ niet zwaar belasten. Een halve fte zal
voldoende zijn voor de uitvoering van deze taak.
De uitvoering door het
CVZ is onderworpen aan het reguliere toezicht op het functioneren van
het CVZ. Daarnaast is voorzien in rechtsbescherming bij de
administratieve rechter voor de belanghebbenden.
Wat betreft de verwerking
van het sofinummer van verdragsgerechtigden en gemoedsbezwaarden door
het CVZ is sprake van een noodzakelijk gebruik van dat nummer. Daarover
is het CBP geconsulteerd. Na beantwoording van een aantal vragen van het
CBP kon worden vastgesteld dat het CBP geen bezwaar heeft tegen deze
regeling.
Op het gebruik door het
CVZ van het sofinummer bij de uitvoering van zijn taken ten aanzien van
verdragsgerechtigden en gemoedsbezwaarden is het reguliere toezicht op
het functioneren van het CVZ van toepassing. Daarnaast heeft het CBP
uiteraard wettelijke bevoegheden ter zake.
Het
CBP is geconsulteerd
over de uitwisseling van persoonsgegevens, waaronder gegevens
betreffende de gezondheid, van verzekerden bij aanvullende
ziektekostenverzekeringen en de AWBZ. De opmerkingen van het CBP zijn
verwerkt en hebben er mede toe geleid dat wordt voorgesteld een
afzonderlijke bepaling in de Wmg
op te nemen die vergelijkbaar is met
artikel 87 Zvw, welk artikel met instemming van het CBP wordt gewijzigd
bij de inwerkingtreding van de Wmg (vide derde nota van wijziging,
Kamerstukken II 2005-2006, 30 186, nr. 46). Mede op voorstel van het CBP
zal op basis van het nieuwe artikel in de Wmg een regeling worden
getroffen die het Addendum Zorgverzekeraars van overeenkomstige
toepassing verklaart voor aanvullende ziektekostenverzekeringen om
daarmee dezelfde uitvoeringspraktijk te bewerkstelligen als bij de
uitvoering van de zorgverzekering.
Het CBP en de NZa zullen
over het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door
ziektekostenverzekeraars afspraken maken, net als zij dat gedaan hebben
bij het toezicht op de verwerking persoonsgegevens en de naleving van
het Addendum door zorgverzekeraars.
De evaluatie van het
toezicht op verwerking persoonsgegevens door de NZa en het CBP zal
plaats vinden in het kader van de evaluatie van de Wmg.
b. Evaluatie
Om te bezien of de
getroffen maatregelen ter verzwaring van het incassoregime voor de
premie van de zorgverzekering effectief zijn, zal na een periode van
één
jaar een eerste tussentijdse evaluatie plaatsvinden om te bezien hoe de
uitvoeringspraktijk gestalte heeft gekregen en of bijstelling nodig is.
Hierbij wordt mogelijk ook de zorgtoeslag betrokken, zie hiervoor
hoofdstuk II, paragraaf 4, onderdeel d. Na een periode van drie jaar zal de regeling
integraal geëvalueerd worden.
De overgangsmaatregel
ziektekostenverzekering voor de groep ex-Wtz-ers is naar haar aard
tijdelijk. Aan evaluatie daarvan bestaat geen behoefte.
rblz.|24|
Artikelsgewijs
Artikel I,
onderdeel A
en B [vervallen,
red.]
Het voorgestelde
artikel
8a Zvw bevat geen voorschriften waaraan zorgverzekeraars moeten voldoen.
De wetgever stelt in beginsel geen regels over de wijze waarop
zorgverzekeraars het daarheen leiden dat hun verzekerden de
verschuldigde premie zoveel mogelijk ook werkelijk betalen. Zoals
in het algemeen deel van deze toelichting beschreven, wordt het wel van
belang geacht dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat verzekeringnemers
die hun premie niet betalen, na opzegging van hun verzekering in verband
daarmee verder onverzekerd door het leven gaan. Ook wordt het ongewenst
geacht dat zij door, na in gebreke te zijn geraakt met de
premiebetaling, regelmatig een andere zorgverzekeraar te kiezen een
snel oplopende schuldenlast bij meerdere partijen opbouwen. Om die reden
wordt het zeer wenselijk geacht dat de verzekeraars met elkaar afspraken
hebben gemaakt om verzekeringnemers met premieschuld met in zwaarte
oplopende maatregelen (beschreven in het algemeen deel) alsnog tot
betaling van de achterstallige premie te bewegen en aldus te voorkomen
dat het tot opzegging van de verzekering komt.
Het artikel legt vast dat
de zorgverzekering van de kant van de verzekeringnemer niet kan worden
opgezegd nadat hij door de zorgverzekeraar in het kader van de incasso
van achterstallige premie is aangemaand tot betaling. Ondanks een
opzegging van de kant van de verzekeringnemer blijft de zorgverzekering
dan gewoon bestaan. Daarop geldt slechts één uitzondering: als de
zorgverzekeraar ertoe overgaat de dekking van de zorgverzekering te
schorsen, kan de verzekeringnemer wel opzeggen. Het voorgestelde artikel
8a Zvw is te zien als een lex specialis ten opzichte van
artikel 7 Zvw en ten opzichte van eventueel andere in de zorgpolis opgenomen
opzegmogelijkheden. De zorgverzekeraar kan desgewenst aan de
verzekeringnemer laten weten dat hij de opzegging toch accepteert
(tweede lid).
Met het opzeggingsverbod
kan worden tegengegaan dat verzekerden gaan migreren om te proberen zich
aan inningsmaatregelen te onttrekken. Aldus vormt het artikel een
ondersteuning van het door de zorgverzekeraars ontwikkelde beleid om
wanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen.
Om de nieuwe
zorgverzekeraar van een verzekeringsplichtige in de gelegenheid te
stellen te anticiperen op slecht betalingsgedrag van zijn
verzekeringnemers en aldus het ontstaan van betalingsproblemen zoveel
mogelijk te voorkomen, wordt in artikel 9 geregeld dat de
zorgverzekeraar in het zogenaamde bewijs van uitschrijving expliciet
vermeldt dat de verzekeringnemer aan zijn financiële verplichtingen
jegens hem heeft voldaan, indien, uiteraard, dat ook daadwerkelijk het
geval is geweest. Dat maakt het een nieuwe zorgverzekeraar mogelijk bij
uitblijven van de betaling eventueel sneller tot een strakker
incassoregime over te gaan dan bij verzekeringnemers die tot dan toe
steeds volledig en tijdig aan hun verplichtingen hebben voldaan.
Artikel I,
onderdeel C
en I
Onderdeel C
Artikel
39, derde lid, Zvw legt vast voor welke doelen de middelen van het Zvf worden
aangewend. Met het toegevoegde onderdeel f worden daaraan nu toegevoegd
de uitgaven voor de bekostiging van topreferente zorg en innovatie en
ontwikkeling in academische ziekenhuizen.
In het toegevoegde
onderdeel is, zoals dat ook voor de andere onderdelen het geval is (vgl.
de subsidies van artikel 68, onderdeel b,
Zvw), volstaan met een
verwijzing naar de bepaling in de Zvw die betrekking heeft op de
rblz.|25|
bedoelde kostenpost (zie onderdeel I). Daarmee wordt de mogelijkheid om,
zoals hier gebeurt, middelen van het Zvf te gebruiken voor andere doelen
dan het verstrekken van vereveningsbijdragen aan zorgverzekraars op
vergelijkbare wijze als voor bovenbedoelde subsidies afgebakend.
Onderdeel I
In het voorgestelde
artikel 123a is nu expliciet vastgelegd dat de Minister van VWS
een rol
heeft bij het bestaan van een voldoende aanbod aan topreferente zorg,
innovatie en ontwikkeling in academische ziekenhuizen. Die
verantwoordelijkheid vindt haar uitwerking in het verstrekken van
subsidies voor de academische component.
In de formulering van
artikel 123a is met de woorden "of in een daarmee gelijk te stellen
ziekenhuis" ruimte geschapen om ook het AVL middelen te verstrekken
voor topreferente zorg, innovatie en ontwikkeling. Er zijn geen andere
ziekenhuizen die op met academische ziekenhuizen vergelijkbare wijze
topreferente zorg leveren of innovatie en ontwikkeling verrichten.
De verstrekking van
subsidies zal plaatsvinden op basis van de Kaderwet
VWS-subsidies (voorheen geheten: Kaderwet volksgezondheidssubsidies).
Die wet
biedt
een genoegzame basis voor subsidies voor de topreferente zorg en
innovatie en ontwikkeling. Zo nodig kunnen met toepassing van de
bepalingen van die wet in een subsidieregeling nadere regels worden
gesteld.
De Kaderwet
volksgezondheidssubsidies is destijds tot stand gebracht om een
wettelijke basis te bieden voor het verlenen van subsidies op het
terrein van de gezondheidszorg ten laste van de VWS-begroting
(Kamerstukken II 1997-1998, 25 637, nr. 3, blz. 1). Daarnaast werden en
worden zogenaamde premiesubsidies verleend door het CVZ
(op basis van de Ziekenfondswet, inmiddels de
Zvw, ten laste van de Algemene Kas
respectievelijk het Zvf, en de AWBZ, ten laste van het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten). De tekst van de Kaderwet
VWS-subsidies bevat
echter op zich geen beletselen voor toepassing op een subsidie die de Minister van VWS
verleent ten laste van andere fondsen; zo’n beletsel
is (tot nu toe) wel vervat in de Zvw; de limitatieve bepaling van
artikel 39 omtrent de zaken die ten laste van het Zvf kunnen komen,
biedt geen ruimte om een door de Minister verleende subsidie ten laste
te doen komen van het Zvf.
Na de totstandkoming en
inwerkingtreding van deze wet zal de Kaderwet VWS-subsidies ook worden
gebruikt voor het verlenen van subsidies die, ingevolge de in onderdeel
C opgenomen bepaling, niet ten laste komen van de VWS-begroting, maar
ten laste van het Zvf. Door de opneming in artikel
39, derde lid, van de Zvw
(onderdeel C) van een bepaling die inhoudt dat de uitgaven voor de
in
artikel 123a geregelde activiteiten (onderdeel
I) ten laste komen van
het Zvf, wordt de daarvoor bestaande belemmering weggenomen.
Artikel I, onderdeel D en
E,
artikel IV en
artikel IX
In
artikel 59, eerste
lid, van de Zvw wordt met deze wijziging het maximumaantal leden van het
CVZ op drie bepaald. Deze drie leden zullen in beginsel gedurende de
volledige werkweek werkzaam zijn. In samenhang daarmee wordt ook de
bepaling in het negende lid van artikel 59 van de
Zvw zodanig aangepast
dat niet slechts over vergoedingen en reis- en verblijfskosten wordt
gesproken, maar meer in algemene zin over de bezoldiging en de
rechtspositie. Het vijfde lid, dat betrekking had op een zoveel mogelijk
evenredige vertegenwoordiging van allerlei groepen in het College, is
geschrapt om de wetstekst zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen
met die van de Wmg, waarbij de nadruk meer is komen
rblz.|26|
te liggen op de
deskundigheid dan op evenredige vertegenwoordiging. Hoewel dat laatste
natuurlijk bij de samenstelling van het college wel zoveel mogelijk
wordt nagestreefd, wordt die bepaling in het licht van de gewijzigde
opvatting over een compacte samenstelling van het College niet langer
noodzakelijk geacht. Het zesde lid is in verband daarmee vernummerd tot
vijfde lid. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het onderdeel van
het negende lid dat betrekking heeft op het uitoefenen van
nevenwerkzaamheden onder te brengen in het nieuwe zesde lid. In artikel
IX is bepaald dat de Regeling
bezoldiging en beheerskosten bestuursorganen volksgezondheid, welke ook voor het CVZ reeds op de
nieuwe leest is geschoeid,¹ voortaan mede berust op artikel
59, zesde
lid, van de Zvw. In verband met de vervanging van de
Wet tarieven
gezondheidszorg door de Wmg en een vergelijkbare wijziging in artikel 20
van de WTZi
is in artikel IX de rechtsgrondslag van de regeling geheel
opnieuw geformuleerd.
1. Artikel
1, onderdeel a,
juncto artikel 20, eerste lid, [van de regeling, red.] brengen met zich dat hoofdstuk 1 van
de regeling pas met ingang van 1 januari 2007 op het CVZ
van toepassing
wordt.
In
artikel 60 van de Zvw
zijn het oude tweede en derde lid geschrapt, die betrekking hadden op
het instellen van commissies. In plaats daarvan is nu geregeld dat het CVZ
in beginsel niet in het openbaar vergadert, tenzij in zijn reglement
anders is bepaald, en dat het CVZ in zijn reglement vastlegt op welke
wijze het voldoet aan artikel 3:2 van de Awb. Aldus kunnen ook in de
toekomst regels worden gesteld over het inschakelen van buitenstaanders
als lid van een commissie.
Voor het CBZ en het CSZ
is door vergelijkbare wijzigingen in de WTZi
hetzelfde geregeld.
Artikel I, onderdeel F
Artikel 69
Zvw betreft de
verplichtingen van de zogenoemde "verdragsverzekerden" en de
werkzaamheden die het CVZ in dat kader dient te verrichten. De
beslissingen ter zake van de bijdrage die deze verdragsverzekerden
ingevolge het tweede lid verschuldigd zijn, of de beslissing om een
boete wegens te late melding op te leggen, zijn beschikkingen in de zin
van de Awb. De verdragsverzekerde kan daartegen in bezwaar (en later in
beroep gaan). Artikel 7:3 Awb
brengt met zich dat een bezwaarde gehoord
moet worden, tenzij het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk
ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard niet gehoord te willen
worden of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen zonder dat de
belangen van andere belanghebbenden daarbij kunnen worden geschaad.
Indien het bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is en
het CVZ zijn primaire beschikking niet wil wijzigen, dient derhalve een
hoorzitting gehouden te worden, tenzij de bezwaarde expliciet heeft
afgezien van zijn recht gehoord te worden. Zeker nu het per definitie om
in het buitenland wonende bezwaarden gaat, leidt dit tot het risico dat
het CVZ vele hoorzittingen moet organiseren waarop niemand komt opdagen.
Voorgesteld wordt dan ook die regel in die zin om te draaien dat het
CVZ van horen kan afzien, tenzij de bezwaarde expliciet aangeeft van de
uitnodiging van het CVZ om gehoord te worden gebruik te willen maken.
Daarmee zal de [lees: dan, red.] een situatie ontstaan die gelijk is aan die in de overige
socialeverzekeringswetten (zie onder andere artikel 51a
van de Algemene Ouderdomswet (AOW)).
Op grond van
artikel 7:10 Awb
bedraagt de beslistermijn op bezwaar zes of - indien een commissie
advies moet uitbrengen - tien weken. Bezwaren tegen beschikkingen
genomen op grond van artikel 69 Zvw worden per definitie gemaakt door
personen die in het buitenland wonen. De praktijk leert dat voor het
afhandelen van een bezwaarschriftenprocedure voor in het buitenland
wonenden meer tijd nodig is dan voor het afhandelen van een procedure
van in Nederland wonende bezwaarden. Zo duurt het rblz.|27|
verzenden van brieven van
en naar de bezwaarde langer en zal een bezwaarde voor een hoorzitting
uit het buitenland moeten komen, wat het moeilijker kan maken een
geschikte datum te vinden. Voorgesteld wordt daarom de termijn voor
beslissingen op bezwaar tegen beschikkingen op grond van artikel 69 van
de Zvw op dertien weken te stellen. Overigens is ook in de overige
socialeverzekeringswetten een termijn van dertien weken gebruikelijk
(zie onder andere artikel 52 AOW).
Artikel I,
onderdeel F
en
G, en
artikel
X, tweede lid
Met de onderhavige
wijzigingen in de artikelen 69 en 70 is bepaald dat het
CVZ het sofinummer moet en mag gebruiken bij de uitvoering van zijn
werkzaamheden inzake verdragsgerechtigden en gemoedsbezwaarden. In
artikel X, tweede lid, is aan deze wijziging terugwerkende kracht
gegeven opdat daarmee alsnog komt vast te staan dat het handelen van het
CVZ, voor zover in 2006 reeds het sofinummer voor deze doelen mocht
zijn gebruikt, niet in strijd is met de wet.
Artikel I, onderdeel H
In
artikel 87, zesde lid,
is geregeld dat "bij of krachtens" ministeriële regeling regels
kunnen worden gesteld over een aantal onderwerpen die verband houden met
de gegevensverstrekking door zorgaanbieders aan zorgverzekeraars en de
verdere verwerking daarvan door de verzekeraars. Voorgesteld wordt het
"of krachtens" te schrappen. Dit is niet meer nodig, nu het inmiddels
mogelijk is geworden in de Regeling
zorgverzekering te verwijzen naar de
gedragscode die de zorgverzekeraars over dit onderwerp hebben
vastgesteld.
Artikel II
Artikel II treft op
vergelijkbare wijze als in artikel 3.1.2
e.v. van de IZvw is
gebeurd, in die wet een overgangsregeling voor degenen die door de
invoering van de Zvw, en met name door de daarin vervatte koppeling van
de verzekeringsplicht aan de kring van verzekerden van de AWBZ, niet
langer een mogelijkheid hebben zich adequaat tegen ziektekosten te
verzekeren. De betrokkenen, die in het bezit moeten zijn geweest van een
Wtz-polis, in het buitenland moeten wonen en geen verzekeringsplichtige
of verdragsgerechtigde mogen zijn of zijn geweest, kunnen zich binnen
vier maanden nadat dit wetsvoorstel kracht van wet heeft verkregen (doch
in uitzonderingsgevallen tot vier maanden nadat zij in redelijkheid
daarvan kennis hebben kunnen nemen), aanmelden bij het CVZ. Na die
aanmelding hebben zij recht op vergoeding van hun zorgkosten bij
verblijf in Nederland als waren zij verzekerd ingevolge een
zorgverzekering. Dat betekent dus ook dat eventuele eigen bijdragen die
anderen op grond van de Zvw verschuldigd zijn buiten de vergoeding
blijven. Degene die zich aanmeldt, is in ruil daarvoor een bijdrage
verschuldigd.
De hoogte van de bijdrage
is gelijk aan de standaardpremie als bedoeld in de Wzt
voor een in
Nederland wonende verzekeringsplichtige, verminderd met de maximale
zorgtoeslag voor een in Nederland wonende alleenstaande. Bij deze
berekening is rekening gehouden met het feit dat betrokkenen doorgaans
in een niet-EU-, EER- of verdragsland wonen, eenvoudige zorg ter
plaatse in eigen hulpposten genieten, maar voor meer gecompliceerde
(duurdere) zorg een beroep doen op de Nederlandse zorgfaciliteiten.
Omdat het hier gaat om
het alsnog treffen van een overgangsvoorziening, verleent het
voorgestelde artikel 2.2.6 van de IZvw
daaraan in zekere zin
terugwerkende kracht. Het blijft aan belanghebbenden om te beslissen of
zij zich wel of niet aanmelden om van de overgangsvoorziening gebruik te
maken. Maar als zij zich aanmelden, is dat niet rblz.|28|
alleen voor de toekomst,
maar ook voor de periode sinds de inwerkingtreding van de Zvw. Na
aanmelding worden niet alleen de ziektekosten vergoed die zij mogelijk
reeds hadden in de periode sinds de invoering van de Zvw, maar zijn zij
in ruil daarvoor ook de "premie" (bijdrage) over die periode
verschuldigd. Aldus wordt voorkomen dat personen die in de voorbije
periode geen kosten hebben gemaakt, maar die voor de toekomst wel gedekt
wensen te zien, zich slechts voor de toekomst aanmelden. Deze situatie
komt overeen met die voor de verzekeringsplichtigen, die tot 1 mei 2006
de mogelijkheid hadden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 aan
hun verzekeringsplicht te voldoen.
De kosten van deze
voorziening komen ten laste van het Zvf, zoals de bijdragen van
betrokkenen ten bate van dat fonds worden gebracht.
Aangezien het hierbij,
anders dan in het kader van een zorgverzekering, gaat om een
publiekrechtelijke aanspraak, op vergoeding van kosten, is voor de
rechtsbescherming aangesloten bij die welke geldt in het kader van de AWBZ.
Artikel III
Artikel 4 van de
Wet op de zorgtoeslag is geheel opnieuw geformuleerd met het oog op de opneming
in het eerste lid van een extra element, de woonlandfactor; voor het
overige is de inhoud niet gewijzigd. In verband daarmee is de tweede
volzin van het eerste lid thans in een tweede lid opgenomen. In een
derde lid is de jaarlijkse wijziging van de woonlandfactor geregeld.
Artikel V
Onderdeel A
Met het voorgestelde
artikel 68a wordt in de Wmg
een wettelijke grondslag gelegd voor het
doorbreken van het beroepsgeheim van zorgaanbieders ten behoeve van de
uitvoering van aanvullende verzekeringen (artikel 1, onderdeel f, onder
3º, Wmg). Dit gebeurt op dezelfde getrapte wijze als bij de
Zvw. De
eerste trap van de wettelijke grondslag ligt ook hier in de eerste twee
leden van het nieuwe artikel 68a in de Wmg. De
Wmg is van toepassing op
alle categorieën van ziektekostenverzekeraars. Op grond van het vierde
lid wordt voor de aanvullende verzekering een regeling gemaakt
overeenkomstig hoofdstuk 7 van de Regeling
zorgverzekering (de tweede
trap). Om ongewenste samenloop met het bepaalde bij of krachtens de Zvw
of de AWBZ te voorkomen, is in het vierde lid bepaald dat de regeling
kan worden beperkt naar categorie van ziektekostenverzekeraars.
De regeling zal ook
verwijzen naar het Addendum waarin de afspraken over de uitwisseling van
persoonsgegevens tussen aanvullende en basisverzekering en de
omstandigheden waaronder de doorbreking van het beroepsgeheim mogelijk
is, zijn vastgelegd (de derde trap). De regeling zal het Addendum van
overeenkomstige toepassing verklaren voor de aanvullende
ziektekostenverzekering. Omdat in het Addendum wordt verwezen naar
artikel 87 Zvw, zal de regeling op grond van artikel 68a
Wmg bepalen dat
voor de categorie van ziektekostenverzekeraars waarvoor die regeling van
toepassing zal zijn, die verwijzing in het Addendum gelezen moet worden
als een verwijzing naar laatstgenoemd artikel.
Het derde lid van artikel 68a bevat net als het vijfde lid van
artikel 87 van de Zvw
en het vijfde
lid van artikel 53 van de AWBZ
een verbod om persoonsgegevens uit te
wisselen ten behoeve van andere ziektekostenverzekeringen ("Chinese
muren"). Net als het zesde lid, onderdeel e, van artikel 87 van de
Zvw,
biedt artikel 68a van de Wmg
in het vierde lid, rblz.|29|
onderdeel e, de mogelijkheid
om bij ministeriële regeling onder voorwaarden de doorbreking van die
"Chinese muren" toe te staan. De regeling op grond van artikel
68a van
de Wmg
zal in combinatie met en onder verwijzing naar het Addendum onder
voorwaarden die doorbreking toestaan. De regeling wordt voorgelegd aan
het CBP.
Onderdelen B en C
Door de wijziging van
artikel 82 respectievelijk 89 van de Wmg
wordt bewerkstelligd dat de NZa
ook bestuursdwang kan toepassen of een last onder dwangsom kan opleggen
ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 68a van de
Wmg,
respectievelijk een boete kan opleggen aan degene die niet voldoet aan
de verplichtingen die hem bij of krachtens artikel 68a van de Wmg
zijn
opgelegd.
Artikel VI
Met de wijziging van het
vijfde en zesde lid van artikel 53 van de AWBZ
wordt ook dit artikel in
overeenstemming gebracht met de tekst van artikel 87 van de
Zvw en met
artikel 68a van de Wmg
zoals dat bij deze wet wordt ingevoegd. Deze
artikelen respectievelijk de wijzigingen daarin zijn nodig voor de
toepassing van de afspraken die tussen het CBP, de
KNMG, de NPCF, ZN en
VWS over het beperkt uitwisselen van persoonsgegevens die voor een
ziektekostenverzekeraar noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een
ziektekostenverzekering, waaronder persoonsgegevens betreffende de
gezondheid als bedoeld in de Wbp. Kortheidshalve zij verwezen naar de
toelichting op artikel V, onderdeel A.
Artikel VII
Met
artikel VII wordt
geregeld dat in de artikelen 69 en 70 van de
Zvw, zoals die ingevolge
artikel I, onderdeel F en G, komen te luiden, voor het geval de
Wet gebruik burgerservicenummer in de zorg eerder in werking is getreden,
het woord sociaal-fiscaal nummer wordt vervangen door een formulering die
rekening houdt met de omzetting van dat nummer in het
burgerservicenummer.
Artikel VIII
Dit artikel op zijn beurt
beoogt te regelen dat de artikelen 69 en 70 van de
Zvw nog worden
aangepast als de Wet gebruik burgerservicenummer in de
zorg na deze wet
in werking treedt.
Artikel X
Voorzien is in
inwerkingtreding van deze wet op de dag na die van haar bekendmaking.
Voor artikel I, onderdeel C en I, en
artikel III is gekozen voor
vaststelling van de inwerkingtreding bij koninklijk besluit. Voor de
eerstgenoemde onderdelen wordt daarbij gedacht aan 1 januari 2008.
Artikel I, onderdeel F, wat betreft het voorgestelde artikel
69, zesde
lid, Zvw, en onderdeel G, werken terug tot en met 1 januari 2006. Voor
artikel III is vanwege de uitvoering door de belastingdienst gekozen
voor terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007.
De Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.F. Hoogervorst
|