De
eerste twee jaren van ziekte zijn werkgever en werknemer
verantwoordelijk voor verzuimbegeleiding en
re-integratie, waar nodig ondersteund door bedrijfsarts of arbodienst. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) blijft op afstand; de
uitkeringsinstantie heeft alleen een faciliterende rol in de
eerste twee jaar en een toetsende rol achteraf. Deze verdeling van
verantwoordelijkheden tussen private partijen en publieke verzekeraar is
succesvol, getuige de evaluatie van de Wet verbetering
poortwachter (Wvp) van 30
maart 2006 ¹ en de evaluatie van de Wet
verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 (Wvlz 2003)
van 20 december 2006.²
Tegelijkertijd geven deze
evaluaties aan dat in de praktische uitvoering verbeteringen mogelijk zijn.
Daarnaast hebben werkgevers in het midden- en kleinbedrijf, die gewoonlijk
weinig ervaring hebben met langdurig ziekteverzuim, aangegeven
soms informatie te missen over de juiste aanpak van re-integratie.
Naar aanleiding van deze punten is in overleg met partijen in het veld het
ziekmeldingsproces beschouwd en is vervolgens dit wetsvoorstel tot stand
gekomen.
1. Kamerstukken II 2005-2006,
30 510, nr. 1.
2. Kamerstukken II 2006-2007,
30 915, nr. 1.
Dit wetsvoorstel bevat een
aantal maatregelen die het proces van ziekmelden verbeteren. Het doel hiervan
is het verminderen van de administratieve lasten voor werkgevers en
werknemers en de uitvoeringskosten voor het UWV, evenals het
vergroten van de aandacht van werkgevers en werknemers voor de
re-integratie bij ziekte.
De maatregelen mogen, gezien
de voorgeschiedenis, rekenen op brede steun in het veld. De
centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, arbodiensten, bedrijfsartsen
en andere professionele ondersteuners van werkgevers en werknemers
hebben de materie besproken en zij beschouwen de voornemens als
een goed en samenhangend pakket.
Kort weergegeven regelt
dit
wetsvoorstel de volgende zaken:
- Invoering van een
42e-weeksmelding ter vervanging van de huidige dertiendeweeksmelding in de
Ziektewet (ZW). Dit betekent een forse afname
rblz.|2|
van het aantal ziekmeldingen
door werkgevers bij het UWV, omdat veel werknemers tussen de
dertiende en 42e week herstellen;
- Afschaffing van de
huidige verplichting uit de ZW voor werkgevers om aan het UWV te melden dat
ziek gemelde werknemers hersteld zijn;
- Invoering van een
bestuurlijke boete ter sanctionering van een te late ziekmelding door de
werkgever. Dit ter vervanging van de huidige verplichting voor de werkgever om na twee jaar ziekte de werknemer
het loon langer door te
betalen voor de periode dat de melding te laat is.
Naast deze wetswijzigingen
worden de volgende flankerende maatregelen genomen:
- Verbetering van de
zogeheten alerteringsbrieven die het UWV naar
aanleiding van de
ziekmelding aan het einde van het eerste ziektejaar aan de werknemer stuurt om
te wijzen op de verplichte "eerstejaarsevaluatie". In deze evaluatie moeten
werkgever en werknemer de re-integratie tot dan toe
evalueren en de perspectieven voor het tweede jaar bepalen. Ook de
werkgever zal een alerteringsbrief ontvangen.
- Vereenvoudiging van de WIA-kennisgeving: de zieke werknemer krijgt in de 20e ziektemaand een
brief van het UWV waarin wordt gewezen op de mogelijkheid een
uitkering aan te vragen in het kader van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA), evenals op de verdere mogelijkheden van
re-integratie.
2. Voorgeschiedenis van het
wetsvoorstel
Aanleiding voor het
verbeteren van het proces van ziekmelding zijn signalen van het UWV
over
knelpunten bij de uitvoering van de wettelijk verplichte dertiendeweeksziekmelding van de werkgever aan het UWV.
Deze signalen zijn besproken
in de Stuurgroep verbetering poortwachter. Deze stuurgroep bestaat
sinds eind 2001. Hierin bespreken het ministerie van
SZW, sociale partners,
professionals, verzekeraars en het UWV de knelpunten in de uitvoering
van de Wvp en het verlengen van de loondoorbetalingsverplichting
van één naar twee jaar. De
stuurgroep adviseert met het oog op een
samenhangend en effectief geheel aan alle betrokken organisaties.
Uit de evaluatie van de Wvp
kwam naar voren dat de stuurgroep een belangrijke bijdrage heeft
geleverd aan het succes van de werking van de Wvp. Daarom is aan de
stuurgroep gevraagd mede uitwerking te geven aan verbeteringen in vervolg
op de evaluatie en zijn de knelpunten rond de dertiendeweeksziekmelding in stuurgroepverband aan de orde gesteld.
Daartoe zijn de
mogelijkheden verkend om te komen tot een vermindering van administratieve lasten
en een verbetering van de dienstverlening. Hierbij zijn de
uitgangspunten gehanteerd die ook ten grondslag liggen aan de Wvp. Dit betekent het
behoud of de verbetering van de re-integratie-inspanningen
en een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. Ook is uitgegaan van zo min
mogelijk administratieve lasten, duidelijkheid van het proces en evenwicht en redelijkheid wat betreft de
inzet van verschillende
betrokkenen. De huidige voorstellen zijn het resultaat van het overleg in de
stuurgroep
3. Wettelijk kader
Zowel de verplichting voor
werkgevers om de ziekte van werknemers uiterlijk in de dertiende week van
arbeidsongeschiktheid bij het UWV te melden
als de verplichting om hen
daarna weer beter te melden bij het UWV, vindt zijn oorsprong in de
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) van 1996.
Deze wet gaf werkgevers de verplichting zieke werknemers maximaal
één jaar
lang (70% van) het (minimum)loon door rblz.|3|
te betalen in plaats van een
recht op ziekengeld in het kader van de ZW te verlenen. De ZW bleef
bestaan als vangnet voor specifieke groepen, bijvoorbeeld flexwerkers,
werklozen, orgaandonoren, zwangere werknemers en arbeidsgehandicapten.
Met de invoering van de Wvp
op 1 april 2002 werden duidelijke regels gegeven over de verplichting
voor werknemer en werkgever om gedurende de ziekteperiode actief te
werken aan het weer zo snel mogelijk aan het werk krijgen van de
zieke werknemer.
Per 1 januari 2004 is met de
inwerkingtreding van de Wvlz 2003 de
verplichting voor de werkgever om het
loon van zieke werknemers door te betalen, verlengd van één
naar twee jaar. Hierdoor is ook de wachttijd voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van de Wet WIA
verlengd van één naar twee
jaar.
Bij de verschillende
wetswijzigingen zijn de dertiendeweeksmelding en de hersteldmelding blijven
bestaan. Deze meldingen zijn noodzakelijk voor de tussentijdse alertering
op re-integratie die het parlement bij de uitbreiding van de
loondoorbetalingsverplichting tot twee jaar in 2004 van groot belang achtte. In de 42e
week van ziekte wijst het UWV met een persoonlijke
alerteringsbrief de
werknemer erop dat hij samen met zijn werkgever tussen de 46e en 52e week
van ziekte de eerstejaarsevaluatie moeten uitvoeren. Ook wijst het UWV
op het voortzetten en het belang van de re-integratie-inspanningen
in het tweede ziektejaar en op de mogelijkheid om een deskundigenoordeel
aan te vragen.¹
1. Het UWV, of een bij CAO
aangewezen instantie, kan op verzoek
van werkgever of werknemer een onafhankelijk
oordeel geven over: 1) de (on)geschiktheid
tot werken; 2) de re-integratie-inspanningen
van de werknemer; 3) passend werk; en 4) de
re-integratie-inspanningen van de werkgever.
De eerstejaarsevaluatie moet
voorkomen dat in het tweede ziektejaar de re-integratie stagneert en
het UWV mogelijk aan het einde van dat jaar een loonsanctie
oplegt naar
aanleiding van een WIA-aanvraag. De evaluatieverplichting is
uitgewerkt in de Regeling procesgang eerste
en tweede ziektejaar. Deze
regeling geeft duidelijkheid over de opzet van de evaluatie en de reikwijdte
van de re-integratieverantwoordelijkheden van de zieke werknemer,
werkgever en het UWV. De procesgang maakt transparant welke stappen bij een
bepaalde ziekteduur concreet zijn aangewezen. Beoogd is dat zieke
werknemers zo snel mogelijk herstellen en weer een plaats vinden op de
arbeidsmarkt.
De ziek- en
hersteldmeldingen zijn voor het UWV tevens de basis voor de
zogeheten persoonlijke
kennisgeving aan de werknemer die aan het eind van twee jaar nog ziek is.
Dan bericht het UWV de werknemer dat hij een WIA-uitkering kan aanvragen.
De werknemer krijgt daarbij een aanvraagset. Dit gebeurt
vier maanden vóór het (berekende) einde van de wachttijd, met het oog op de
aanvraag uiterlijk dertien weken vóór einde wachttijd. Deze kennisgeving
is van belang voor een ordelijke procesgang en wettelijk verankerd in de
Wet WIA.¹
1. Artikel 64, tweede lid, Wet WIA.
4. Knelpunten in de huidige
situatie
De uitvoering van de
dertiendeweeksmelding, met vervolgens de persoonlijke alertering, bevat in de
praktijk een aantal knelpunten. De volgende problemen zijn gesignaleerd:
In de eerste plaats vergeten
werkgevers nogal eens de melding te doen. De dertiende week van ziekte van
een werknemer is voor hen geen logisch moment voor melding met het
uiteindelijke doel om tijdig een aanvraag om een uitkering op grond
van de Wet WIA aan te vragen. Voor het overgrote
deel van de werknemers is in
te schatten dat het nooit tot een WIA-aanvraag zal komen.
Volgens schatting van het UWV najaar 2006 zijn
er circa 280 000 dertiendeweeksmeldingen per jaar. Slechts bij een klein deel daarvan komt het tot een
WIA-aanvraag (naar schatting 30 000 gevallen). Hierbij speelt mee dat
werkgevers in veel gevallen niet aan het UWV melden dat een zieke
werknemer weer aan het werk is gegaan. Het UWV rblz.|4|
heeft aangegeven dat een
sluitende registratie van ziek- en herstelmeldingen hierdoor niet goed mogelijk
is. Het komt daardoor veelvuldig voor dat het UWV in de 42e
week alerteringsbrieven verstuurt aan werknemers die al hersteld zijn, met
verwarring en irritatie als gevolg.
Voorts bevat het
Burgerlijk
Wetboek (BW) voor werkgevers die de ziekte van een werknemer niet
tijdig aan het UWV hebben gemeld, de sanctie
dat de loondoorbetalingsverplichting wordt verlengd met de periode dat de ziekmelding is vertraagd.
Deze sanctie wordt door werkgevers als onevenredig zwaar ervaren.
Samenvattend kan worden
vastgesteld dat de dertiendeweeksmelding, gegeven de 104 weken
loondoorbetalingsverplichting en de overige wettelijke kaders, geen wezenlijk element vormt voor de alerteringsfunctie
en de kennisgeving bij de WIA-aanvraag. Daarvoor is het tijdstip te vroeg
in de tijd. De persoonlijke alerteringsbrief in de 42e week, naar aanleiding
van de ziekmelding en
bedoeld voor versterking van de eerstejaarsevaluatie, komt te vaak bij mensen die
alertering niet (meer) nodig hebben. Hetzelfde geldt voor
de kennisgevingsbrief aan het eind van de eerste twee ziektejaren.
5. Wijziging
ziekmeldingstermijn
5.1. Invoering
42e-weeksmelding
Met de invoering van een
42e-weeksmelding wordt beoogd het proces van ziek melden te verbeteren
en de administratieve belasting van werkgevers te verminderen. Daarbij is
het behouden van de alerteringsfunctie van belang. Immers, een
persoonlijke alertering aan het eind van het eerste ziektejaar wijst de
partijen op het uitvoeren van de eerstejaarsevaluatie en de noodzaak om de in het
eerste jaar ingezette re-integratie-inspanningen ook in het tweede ziektejaar
voort te zetten. Het doel is om met behoud van de primaire
verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer de re-integratie
van zieke werknemers op een doelmatige wijze te stimuleren.
Vanuit deze optiek kan de
ziekmelding het beste plaatsvinden aan het eind van de tiende maand (42e
ziekteweek; uiterlijk op de laatste dag ervan). In combinatie hiermee zal het
UWV de alerteringsbrief in de 44e week aan de
werknemer gaan verzenden (in
plaats van in de 42e ziekteweek). De alerteringsfunctie wordt daarmee optimaal, want
de alerteringsbrief van het UWV komt dan precies óp het
moment dat partijen over de eerstejaarsevaluatie afspraken moeten gaan maken.
Een 42e-weeksmelding
reduceert voorts het aantal ziekmeldingen bij het UWV aanzienlijk. Volgens
schatting najaar 2006 zal het aantal 42e-weeksmeldingen naar verwachting op ruim 80 000 uitkomen. Dit
betekent een forse
vermindering van de administratieve belasting van werkgevers en de
uitvoeringskosten van het UWV, aangezien minder meldingen zullen plaatsvinden en ook minder brieven en aanvraagsets verzonden zullen worden.
In het verband van de
Stuurgroep verbetering poortwachter is een aantal alternatieven voor
verbetering van het ziekmeldingsproces aan de orde geweest.
Er is niet voor gekozen om
de ziekmelding en de alerteringsbrieven af te schaffen, vanwege het risico
op stagnatie van het re-integratieproces, bijvoorbeeld doordat werkgever en werknemer geen aandacht besteden
aan het "opschudmoment"
aan het einde van het eerste ziektejaar (eerstejaarsevaluatie).
Daarnaast geldt dat de ziekmelding en de daaruit rblz.|5|
voortvloeiende
alerteringsbrieven en WIA-kennisgeving de werknemer
stimuleren tot een tijdige WIA-aanvraag.
Wel is overwogen om aan te
sluiten bij de meldingstermijn voor eigenrisicodragers in de zin van de Wet WIA
en
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO). In de huidige
situatie moeten deze eigenrisicodragers een zieke werknemer (die
geen recht heeft op een ZW-uitkering) binnen acht
maanden na de eerste ziektedag bij het UWV ziek
melden.¹ Deze optie
heeft als nadeel dat een achtstemaandsmelding geruime tijd vóór de
eerstejaarsevaluatie ligt. Een alerteringsbrief kort na de achtste maand (na circa
36 weken) komt ver vóór de verplichte eerstejaarsevaluatie (tussen
de 46e en 52e week). Iemand kan echter in de tussentijd hersteld zijn.
Een ander alternatief dat is
overwogen, is het verplaatsen van het ziekmeldingsmoment naar het
einde van de twaalfde maand. De reden hiervoor is dat de alerteringsbrieven
dan ná het verplichte moment van eerstejaarsevaluatie komen.
Deze keuze zou de alerteringsfunctie echter verminderen: betrokkenen
worden slechts achteraf gealerteerd op de eerstejaarsevaluatie, die
dan al achter de rug moet zijn. Dit kan verwarring veroorzaken en is ook niet
meer effectief als preventief middel.
1. Artikel 85
Wet WIA en artikel 75d
WAO.
De nieuwe
ziekmeldingstermijn van 42 weken geldt ook voor de zieke werknemer die in aanmerking
komt voor een verkorte wachttijd voor de Wet WIA. Het
aanvragen van
een verkorte wachttijd blijft mogelijk na de dertiende ziekteweek. Daarbij
geldt dat de 42e-weekziekmelding niet van toepassing is voor zieke werknemers
voor wie tussen de dertiende en 42e ziekteweek een verkorte wachttijd voor
de WIA-uitkering is aangevraagd.
Verder geldt voor werkgevers
met werknemers die recht hebben op een ZW-uitkering (waaronder
eigenriscodragers ZW) dat de regels voor het ziek en beter melden van
zieke werknemers niet worden gewijzigd.¹ Ook de regels met betrekking tot
ziekte als gevolg van zwangerschap of bevalling of het recht om een deskundigenoordeel te vragen tijdens het
re-integratietraject
wijzigen niet.
1. Artikel 38a ZW.
5.2. Eigenriscodragers op
grond van de Wet WIA en de WAO
De ziekmeldingstermijn van
acht maanden voor eigenrisicodragers Wet WIA/WAO dient hetzelfde doel
als de voorgenomen 42e-weeksmelding: een tijdige alertering van
de werkgever en werknemer op de eerstejaarsevaluatie en het tijdig doen van de
WIA-kennisgeving. Daarom bewerkstelligt dit wetsvoorstel dat ook de
huidige achtstemaandsmelding voor de eigenrisicodragers Wet
WIA/WAO wordt omgezet in een 42e-weeksmelding.
6. Overige wetswijzigingen
6.1. Sanctie bij
niet-nakoming plicht ziekmelding
Op dit moment staat op het
niet nakomen van de verplichting tot ziekmelding in het BW
de sanctie dat de
loondoorbetalingsperiode wordt verlengd voor de duur van de
opgetreden vertraging. Een dergelijke sanctie beschouwen
werkgevers als onevenredig zwaar. Bovendien wordt door de voorgestelde
wijziging van de meldingstermijn de alertering van de ziekmelding
geoptimaliseerd. Vanuit het oogpunt van proportionaliteit kan de sanctie op het niet
of te laat ziekmelden daarom worden verlicht. Afschaffing van een sanctie
ligt niet in de rede uit het oogpunt van handhaafbaarheid. Handhaving van de
ziekmelding is van belang, omdat de ziekmelding twee
zelfstandige doelen dient. In de eerste plaats stelt de ziekmelding het UWV
in staat
om de werkgever en zijn zieke werknemer tijdig en adequaat te
informeren over hun rechten en plichten in geval van rblz.|6|
ziekte en daarbij
nadrukkelijk te wijzen op de verplichte eerstejaarsevaluatie. In de tweede plaats geeft
het UWV de mogelijkheid om de werknemer en zijn werkgever erop te
wijzen dat een eventuele WIA-uitkering tijdig moet worden
aangevraagd. De sanctie voor werkgevers die een zieke werknemer niet of te
laat bij het UWV ziek melden dient andere doelen dan de loonsanctie
(verlenging loondoorbetalingsverplichting) die het UWV werkgevers kan
opleggen wanneer het UWV bij de beoordeling van een WIA-aanvraag
constateert dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen
heeft verricht, dan wel er geen tijdige WIA-aanvraag heeft
plaatsgevonden. Het is dan ook mogelijk dat een werkgever beide sancties
krijgt opgelegd. Aangezien in die situatie twee verschillende verplichtingen
niet worden nagekomen, is dat niet in strijd met het "ne-bis-in-idembeginsel".
Dit wetsvoorstel regelt dat
het UWV, in de situaties dat de werkgever de ziekmelding niet of te laat
heeft gedaan, een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste €|455,-. In de
praktijk zal de boete vooral worden opgelegd als het UWV bij aanvang van de
WIA-aanvraag constateert dat de werkgever geen ziekmelding heeft gedaan. Voor de toepassing van de boete wordt
aangesloten bij het Boetebesluit
socialezekerheidswetten, dat hiertoe zal worden aangepast, wat
betekent dat de boete afhankelijk is van de termijn waarover de ziekmelding te
laat is.
6.2. Geen hersteldmelding
De plicht tot
hersteldmelding was ingegeven door de noodzaak van het vermijden van het sturen van
alerteringsbrieven en WIA-aanvraagsets aan mensen voor wie
dat niet
meer nodig is. Bij de keuze voor een 42e-weeksmelding sluit het
moment van ziekmelding en het verzenden van de alerteringsbrieven
veel beter op elkaar aan, waardoor er in de 44e week nog amper
alerteringsbrieven zullen worden gestuurd aan mensen die weer aan de slag zijn
gegaan. De noodzaak voor een verplichte hersteldmelding komt hiermee
te vervallen.
7. Flankerend beleid
Naast de voorgestelde
wetswijzigingen zullen de onderstaande maatregelen als flankerend beleid worden
doorgevoerd.
7.1. Verbeterde alertering
De alerteringsbrief aan de
werknemer zal kwalitatief worden verbeterd. Parallel hieraan zal een
vergelijkbare brief aan de werkgever worden opgesteld. De Stuurgroep
verbetering poortwachter zal hierbij worden betrokken. Op dit punt zal
ook aandacht worden besteed aan de signalering in de evaluaties van de Wvp
en de Wvlz 2003 dat werknemers en vooral werkgevers in het
midden- en kleinbedrijf soms onvoldoende de weg weten met betrekking tot
hun rechten en plichten bij ziekte van een werknemer.
7.2. Eenvoudiger
WIA-kennisgeving
De kennisgeving WIA-aanvraag
blijft wenselijk om te komen tot een tijdige WIA-aanvraag.¹ Daarom is in
het BW bepaald dat bij een niet-tijdige
WIA-aanvraag de loondoorbetalingsperiode voor de werkgever wordt
verlengd.² Los daarvan zal
het UWV ook de werkgever een afschrift van de kennisgeving gaan zenden.
1. Artikel 64
Wet WIA.
2. De werkgever hoeft echter
niet door te betalen wanneer de
niet-tijdige aanvraag is te wijten aan de werknemer.
Het vervallen van de
verplichte herstelmelding brengt met zich mee dat het UWV
deze kennisgeving in
een aantal gevallen ook zal sturen aan werknemers die weer volledig
in het arbeidsproces zijn gere-integreerd.
rblz.|7|
Om te
voorkomen dat onnodig een WIA-aanvraagset toegestuurd wordt,
zal de kennisgeving zelf
enkel bestaan uit een brief die erop wijst dat, indien de werknemer nog ziek
is, een WIA-aanvraag mogelijk is. Als de werknemer nog ziek is, zal
hij een WIA-aanvraagset moeten aanvragen. Dit betekent dat
aanvraagsets gemakkelijk en direct bij het UWV
verkrijgbaar dienen te zijn. Om zoveel
mogelijk veilig te stellen dat de WIA-aanvragen tijdig worden
ingediend, zal het UWV het moment van het verzenden van de
kennisgeving iets vervroegen.
8. Financiële gevolgen
8.1. Uitkeringslasten
Ziektewet
Door het wijzigen van
ziekmeldingtermijn van dertien weken naar 42 weken zullen de uitkeringslasten
van de ZW en de Wet WIA
niet toenemen, want de re-integratieverplichtingen voor werkgevers en werknemers
wijzigen niet.
8.2. Uitvoeringskosten
De eenmalige
implementatiekosten voor het UWV bedragen €|1,1
miljoen. Deze kosten worden
veroorzaakt door aanpassingen in systemen en communicatie/voorlichting
over de nieuwe wetgeving richting werkgevers, werknemers en aanverwante
partijen (zoals arbodiensten).
Dit wetsvoorstel zorgt voor
een structurele besparing op de uitvoeringskosten van €|0,8 miljoen per
jaar. Deze besparing wordt met name bereikt door minder personele inzet
in het administratieve proces van het UWV. De gesaldeerde financiële
effecten van het wetsvoorstel vallen onder de grens voor verrekening met
het UWV en hebben dan ook geen effect op de rijksbegroting.
8.3. Administratieve lasten
voor bedrijven en burgers
Door dit voorstel nemen de
administratieve lasten voor bedrijven met circa €|2,2
miljoen af. Deze
verlaging van administratieve lasten ontstaat doordat ziekmelding op een
later tijdstip plaatsvindt, het aantal ziekmeldingen hierdoor afneemt en de
hersteldmeldingen verdwijnen.
Het wetsvoorstel heeft ook
gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers. Door het vervallen
van de hersteldmelding is het bij het UWV niet langer bekend
welke
werknemers drie maanden vóór het einde van het tweede ziektejaar nog
ziek zijn. Tegen die tijd ontvangen alle ziek gemelde werknemers dan een
brief waarin wordt gewezen op de mogelijkheid een WIA-aanvraagset bij het
UWV aan te vragen. De totale administratieve lasten voor burgers
(werknemers) hiervoor bedraagt 4333 uur.
9. Ontvangen commentaren
Een concept van het
wetsvoorstel is aan het UWV gezonden met het
verzoek dit wetsvoorstel van
uitvoeringstechnisch commentaar te voorzien. Ook is het conceptwetsvoorstel gezonden aan de
Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) met het
verzoek de toezichtbaarheidsaspecten van dit wetsvoorstel te beoordelen en aan
het
Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal).
Hieronder volgt een
samenvatting van de ontvangen commentaren en de reactie erop van de
regering.
UWV
Het
UWV is van mening dat
het wetsvoorstel een aantal verantwoordelijkheden bij het UWV neerlegt die tot
het private domein behoren. Het systeem van ziekmelding,
alertering op re-integratie en verzending van de rblz.|8|
WIA-aanvraagset vindt het
UWV problematisch, omdat het niet past bij de huidige verdeling van
private en publieke verantwoordelijkheid in de eerste twee ziektejaren.
Ook merkt het UWV op dat het
wetsvoorstel ertoe leidt dat ook werknemers die na de ziekmelding vóór
de 20e maand weer hersteld zijn (en hun werkgevers), in de 20e maand
na de ziekmelding een brief van het UWV zullen ontvangen waarin
wordt gewezen op de mogelijkheid van een WIA-aanvraag. Volgens het
UWV leidt dit tot negatieve reacties van werkgevers en werknemers.
Verder is het volgens het
UWV niet zinvol een sanctie te behouden bij een te late ziekmelding wanneer
de werkgever zich voldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van
zijn zieke werknemer en wanneer de werknemer toch tijdig een
WIA-uitkering aanvraagt. Het UWV acht het voldoende dat het op basis
van de huidige wetgeving de werknemer een maatregel kan opleggen
wanneer hij te laat een WIA-aanvraag doet en de werkgever kan verplichten
langer het loon door te betalen als hij onvoldoende re-integratie-inspanningen
heeft gepleegd.
In de visie van de regering
bevat dit wetsvoorstel een evenwichtig pakket aan maatregelen dat
bijdraagt aan een adequaat re-integratieproces, een heldere verantwoordelijkheid
voor alle betrokken partijen en zo min mogelijk administratieve
lasten en uitvoeringskosten.
De maatregelen zijn
opgesteld in overleg met de Stuurgroep verbetering poortwachter. Daarin zijn de
verschillende partijen in het veld vertegenwoordigd, waaronder de werknemers- en
werkgeversorganisaties en het UWV. In lijn met de
afspraken in de stuurgroep kiest de regering ervoor om de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling in het ziekmeldingsproces
ongewijzigd te laten.
Werkgevers en werknemers blijven primair verantwoordelijk om te komen
tot een adequate aanpak van ziekteverzuim. Daarbij achten de
werkgevers- en werknemersorganisaties in de stuurgroep het essentieel
dat het UWV de betrokken partijen uitgebreid informeert over hun rechten
en plichten en hen tijdig wijst op de eerstejaarsevaluatie en de WIA-aanvraag. Daarom worden de alerteringsbrief
en de kennisgeving WIA
gehandhaafd en verbeterd. Een verplichte ziekmelding is daarvoor een
vereiste. Om het aantal onnodige ziekmeldingen zo laag mogelijk te laten
zijn, is ervoor gekozen het verplichte moment van ziek melden te
verplaatsen van de dertiende week naar de 42e week. Dit leidt tot een
forse vermindering van het aantal ziekmeldingen bij het UWV en lagere
uitvoeringskosten.
Ter vermindering van de
administratieve lasten voor werkgevers is ervoor gekozen de verplichte
hersteldmelding af te schaffen, ook al betekent dit dat de groep tussentijds
herstelde werknemers (en hun werkgevers) in de 20e maand na de ziekmelding
een brief van het UWV zullen ontvangen over de mogelijkheid van een
WIA-aanvraag. Een goede redactie van de brief, waaruit ten minste
naar voren komt dat de brief alleen is bedoeld voor personen die niet reeds
zijn hersteld, zal eventuele irritatie voor een groot deel kunnen wegnemen.
Voorts acht de regering het
noodzakelijk een sanctie te handhaven voor een te late ziekmelding.
Zoals eerder aangegeven, stelt de melding het UWV
in staat om werkgevers
en werknemers aan het einde van het eerste ziektejaar te wijzen op de
verschillende re-integratie-instrumenten die hen ter beschikking staan, de
verplichting de eerstejaarsevaluatie te houden en de noodzaak tijdig een
WIA-aanvraag te doen. Zo stimuleert de ziekmelding
een ordelijk verloop van het re-integratieproces en de WIA-aanvraag. Dit heeft een
positief effect op de uitvoeringskosten van het UWV en de
administratieve lasten van werkgevers.
rblz.|9|
Hoewel
met het oog op het handhaven van de verplichting een sanctie noodzakelijk blijft, is
gekozen voor het invoeren van bestuurlijke boete als sanctie voor de werkgever op
het niet of te laat ziek melden. Dit is een verlichting van de huidige
sanctionering (verlenging loondoorbetalingsverplichting), waardoor het sanctieregime
naar verwachting voldoende draagvlak zal hebben onder
werkgevers.
De door het
UWV gemaakte
wetstechnische opmerkingen zijn grotendeels overgenomen.
IWI
De IWI heeft enkele
wetstechnische opmerkingen bij het wetsvoorstel gemaakt. Deze opmerkingen
zijn verwerkt.
Actal
Actal heeft enkele
wetstechnische opmerkingen bij het wetsvoorstel gemaakt. Deze opmerkingen
zijn verwerkt.
Het door Actal naar voren
gebrachte alternatief om bij de brief van het UWV
waarmee zieke werknemers
(en hun werkgever) op de WIA-aanvraag worden gewezen
ook de
WIA-aanvraagset te voegen, heeft de regering niet overgenomen. Reden
hiervoor is dat een deel van de werknemers die op de WIA-aanvraag
worden gewezen, op dat moment reeds hersteld is. De ervaring
leert dat het toezenden van de WIA-aanvraagset dikwijls tot gevolg heeft
dat een aanvraagformulier door reeds herstelde werknemers
niettemin ingevuld en teruggestuurd wordt, terwijl dat niet
nodig is. Het niet bijvoegen van een WIA-aanvraagset voorkomt een
groot deel van de ergernis bij de reeds herstelde werknemer en
betekent tevens een besparing in de uitvoeringskosten voor het UWV.
10. Monitoring en evaluatie
Binnen drie jaar na
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal aan het parlement verslag worden
gedaan van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de onderhavige maatregelen. Hierbij zal worden gekeken naar de
effecten op de
administratieve lasten voor bedrijven en verzekerden en de uitvoeringskosten voor het
UWV. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de effectiviteit van de
alertering van werknemers en werkgevers op de eindejaarsevaluatie. Dit
geldt ook voor de effectiviteit van de gewijzigde WIA-kennisgeving. Verder zal
een nadere beschouwing plaatsvinden van nut en noodzaak van het
opleggen van een (administratieve) boete in de situaties dat de werkgever
een zieke werknemer niet of te laat bij het UWV ziek meldt.
11. Overgangsrecht
Het wijzigen van de
dertiendeweeksmelding in een 42e-weeksmelding mag in beginsel niet tot gevolg
hebben dat werkgevers bij ziekte van een werknemer twijfelen over de van
toepassing zijnde ziekmeldingstermijn. Om die reden wordt een zo
duidelijk mogelijke scheiding aangebracht tussen het huidige en het nieuwe
regime. Tevens moet worden voorkomen dat werkgevers onnodige
administratieve handelingen moeten verrichten. Daarom wordt voorgesteld om
enkele vereenvoudigingen zo spoedig mogelijk deels in te voeren.
Daartoe bevat dit wetsvoorstel het volgende overgangsrecht:
- Tot de
inwerkingstredingsdatum geldt het huidige regime uit de ZW
en het BW.
- Per
inwerkingstredingsdatum geldt de verplichte 42e-weeksziekmelding ook
voor de werknemers die ziek zijn geworden in de periode tot dertien weken
voorafgaand aan de inwerkingstredingsdatum rblz.|10|
van dit wetsvoorstel.
Deze werknemers zijn onder het huidige regime ziek geworden, maar
nog niet in alle gevallen bij het UWV gemeld. Voor deze werknemers
moet de werkgever uiterlijk 42 weken na de eerste ziektedag een
ziekmelding doen. In de voorlichting aan werkgevers zal aan deze
groep nadrukkelijk aandacht worden besteed.
- Met ingang van de
inwerkingstredingsdatum van dit wetsvoorstel vervalt de plicht tot
hersteldmelding geheel. Voor de werknemer die onder het huidige regime wordt ziek gemeld en vervolgens onder het
nieuwe regime beter wordt,
hoeft de werkgever tevens geen hersteldmelding meer te doen.
- Per
inwerkingstredingsdatum wijzigt de sanctie voor de werkgever op het niet of te laat bij het
UWV ziek melden van een zieke werknemer in een bestuurlijke boete (in
plaats van een loonsanctie).
- Indien na de
inwerkingstredingsdatum wordt geconstateerd dat de werkgever niet aan zijn
ziekmeldingsplicht heeft voldaan, volgt een bestuurlijke boete in plaats
van een loonsanctie, indien de wachttijd van de betrokken werknemer
afloopt of zou aflopen na de inwerkingstredingsdatum.
12. Overige zaken
Voorlichting
Het is van belang dat
werkgevers tijdig weten dat de meldingstermijn bij ziekte wordt gewijzigd, de
sanctionering ervan wordt aangepast en dat de plicht tot hersteldmelding
vervalt. Hierdoor kunnen onnodige administratieve lasten voor werkgevers
worden voorkomen. Door het ministerie van SZW
en het UWV
zal voorlichting worden gegeven via de eigen voorlichtingskanalen
(telefoon, brochures en internet). SZW zal met het UWV vóór de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel afspraken maken over het voorlichten van
werkgevers en werknemers over de gevolgen van dit wetsvoorstel.
Gezien de
verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers in de eerste twee ziektejaren voor
de re-integratie van zieke werknemers ligt het in de rede dat ook werkgevers- en
werknemersorganisaties aandacht
zullen besteden aan de
gevolgen van dit wetsvoorstel. Het ministerie van SZW zal onder meer via de
Stuurgroep verbetering poortwachter met de betrokken organisaties
bezien op welke wijze zij de werkgevers en werknemers via de eigen kanalen het
beste kunnen informeren. Bij de voorlichting over de maatregelen zal ook
aandacht worden besteed aan het overgangsrecht.
Artikelsgewijs
Artikel I.
Wijziging van de
Ziektewet
Met de voorgestelde
wetswijziging worden vier zaken gerealiseerd. In de eerste plaats wordt
het moment gewijzigd waarop de werkgever verplicht is tot het melden van de ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid. Deze verplichting
vloeit voort uit het eerste lid van artikel 38 van
de Ziektewet. Tot nu toe
dient een werkgever uiterlijk dertien weken na het tijdstip van ziekte van de
werknemer aan het UWV te melden dat een werknemer nog niet in staat
is om arbeid te verrichten.
Het uiterste moment van de
melding van ziekte na dertien weken wordt met de voorgestelde wetswijziging
opgeschoven naar uiterlijk 42 weken na de dag waarop de werknemer niet
in staat is om te werken wegens ziekte. Met deze keuze voor een
melding na 42 weken na de eerste ziektedag van een werknemer kan beter recht gedaan worden aan het doel van een
melding van de werknemer
door de werkgever. Zoals uit de algemene toelichting blijkt, kan dit
doel - het UWV in staat stellen om de betrokkene rblz.|11|
te informeren ten aanzien
van de benodigde re-integratie-inspanningen - efficiënter worden bereikt
door een ziektemelding op een later tijdstip dan na dertien weken na het
eerste moment van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid van de
werknemer.
De tweede wijziging van
artikel 38 betreft het vervallen van de verplichting voor de werkgever om aan het
UWV te melden dat de verzekerde weer geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Zoals in de algemene toelichting
is aangegeven, kan na de
voorgestelde wijzigingen van de ZW het doel achter deze
verplichting door een aanpassing van de uitvoering van de ZW al worden bereikt.
In de derde plaats wordt
voorgesteld dat als een werkgever de verplichting uit het eerste lid van
artikel 38 niet nakomt, een bestuurlijke boete volgt. Voor de hoogte van de
op te leggen boete wordt aangesloten bij het Boetebesluit
socialezekerheidswetten, dat eveneens van toepassing zal worden verklaard op een te
late melding door de werkgever van de ziekte van de werknemer. De
voorgenomen wijziging betekent dat het niet naleven van de
meldingsplicht uit het eerste lid van artikel 38 dezelfde
consequentie krijgt als
bijvoorbeeld de verplichting tot het melden van ziekte op de laatste
werkdag.
Ook voor overheidspersoneel
zal na de onderhavige wetswijziging een bestuurlijke boete volgen op
het niet naleven van de verplichting in artikel
38, eerste lid. Hiervoor is
het noodzakelijk dat artikel 76a, zesde lid, onderdeel
a, van de ZW vervalt.
Tot slot wordt voorgesteld
om een aanvraag van een verzekerde op grond van de Wet WIA
tot
vaststelling van een verkorte wachttijd of een gezamenlijk verzoek van de verzekerde en
zijn werkgever tot een verlenging van het recht op
doorbetaling van loon of bezoldiging, gelijk te stellen aan een ziekmelding op grond van
artikel 38, eerste lid, als een dergelijke melding nog niet heeft
plaatsgevonden. Het UWV is, als een dergelijke aanvraag of verzoek is
gedaan, al van het desbetreffende ziektegeval op de hoogte, zodat een verdere
administratieve belasting van de werkgever in het kader van het
ziekmeldingsproces achterwege kan blijven. Ook wordt de administratieve
verwerking van ziekmeldingen door deze handelwijze eenvoudiger voor
het UWV.
Artikel II.
Wijziging van het
Burgerlijk Wetboek
Voorgesteld wordt om de
sanctie op het niet tijdig melden door de werkgever van de arbeidsongeschiktheid
te veranderen in een bestuurlijke boete. De huidige sanctie in
artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek
7 van het BW, te weten een verlenging
van de periode waarin de werkgever verplicht is tot
doorbetaling van loon, kan daarmee vervallen. Door deze wetswijziging worden de
lasten voor de werkgevers verminderd en wordt een meer evenredige sanctie
gesteld op het verzuimen van het tijdig melden van ziekte van de
werknemer.
Aangezien na deze
wetswijziging de loondoorbetalingsverplichting op grond van de ZW niet meer
bestaat, dient deze verplichting in artikel 670, tiende lid, van Boek
7 van het BW eveneens te vervallen bij het opzegverbod bij ziekte van de werknemer.
Artikel
III. Wijziging van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De voorgestelde wijziging
van de Wet WIA behelst deels een aanpassing van technische aard van de
artikelen 25 en 123b. Deze aanpassingen
vloeien eveneens voort uit
de voorgestelde wijziging van artikel 629 van Boek
7 van het BW.
Verder wordt voorgesteld om
het tiende en het elfde lid van artikel 25 te
wijzigen. In de huidige
situatie dient het UWV op grond van artikel
64, tweede lid, van de Wet WIA
aan de verzekerde een kennisgeving te doen rblz.|12|
voor het indienen van een WIA-aanvraag. Daarnaast geldt in de huidige situatie dat, op grond van
artikel 64, zesde lid, een aanvraag geacht wordt tijdig te zijn ingediend
indien het UWV geen kennisgeving heeft gedaan, dan wel indien bij een latere
kennisgeving de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat de
kennisgeving is ontvangen.
Na inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel zal de hersteldmelding op grond van artikel 38
ZW zijn
vervallen en zal de sanctie op het niet naleven van de ziekmeldingsverplichting
zijn veranderd van een loonsanctie in een boete. Als gevolg hiervan is
het voor het UWV niet meer mogelijk om een loonsanctie op te leggen als
het UWV bij de WIA-aanvraag constateert dat de werkgever niet heeft
voldaan aan zijn re-integratieverplichtigen. Echter, dit wetsvoorstel beoogt
nadrukkelijk niet te regelen dat het UWV in deze situatie niet meer de
mogelijkheid heeft een loonsanctie op te leggen, zodat onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever zonder
gevolgen blijven en slechts
in het kader van de ZW een boete volgt. Daarom wordt met de
wijziging van artikel 25, tiende lid, voorgesteld het
UWV in deze situatie de
mogelijkheid te laten behouden een loonsanctie op te leggen indien een te
late aanvraag het gevolg is van het niet naleven door de werkgever van de
ziekmeldingsverplichting op grond van artikel 38, eerste lid,
ZW,
ondanks het feit dat geen of een te late kennisgeving is gedaan door het UWV.
De wijziging van
artikel 85
maakt het mogelijk om ook voor eigenrisicodragers in de zin van de Wet WIA
een
melding van arbeidsongeschiktheid na 42 weken na aanvang van
de ziekteperiode te laten plaatsvinden. Hierdoor wordt voor deze
categorie ziekmeldingen aangesloten bij de systematiek voor andere
werkgevers. Voor eigenrisicodragers zal de verplichting tot
hersteldmelding eveneens komen te vervallen.
Artikel
IV. Wijziging van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
De voorgestelde wijziging
van de WAO bevat aanpassingen van technische aard voortvloeiend uit de
wijziging van artikel 629 van Boek
7 van het BW. Ook voor eigenrisicodragers in de zin van de WAO wordt het moment van
ziekmelding van de werknemer uit artikel 75d
opgeschoven
naar 42 weken na het moment van arbeidsongeschiktheid en
vervallen alle verplichtingen tot hersteldmelding.
Artikel
V. Wijziging van de
Wet financiering sociale verzekeringen
Artikel VI. Wijziging van de
Wet verbetering poortwachter
De artikelen V en
VI
bevatten technische aanpassingen van de Wet financiering
sociale verzekeringen en de Wvp in verband met de wijziging van
artikel 629 van Boek
7 van het BW in artikel II.
Artikel
VII. Overgangsrecht
Voorgesteld wordt om de
wetswijzigingen deels eerbiedigende werking te geven. Op grond van het
eerste lid van artikel VII hoeft de werkgever als
een werknemer op de dag van
inwerkingtreding van de voorgestelde wetswijzigingen ziek is
gemeld na dertien weken, niet opnieuw na 42 weken een melding van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid te doen.
Indien nog geen ziekmelding
heeft plaatsgevonden, omdat de dertienwekenperiode van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid nog niet is verstreken op de dag
waarop de voorgestelde wetswijzigingen in werking treden, hoeft deze
werkgever ook pas een ziekmelding te doen na 42 weken.
In beide gevallen vervalt de
verplichting tot hersteldmelding. Indien een rblz.|13|
hersteldmelding plaats zou
vinden nadat de onderhavige wetswijziging in werking is getreden, is die
melding immers niet meer zinvol. Voor eigenrisicodragers geldt hetzelfde regime voor
meldingen van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die uiterlijk na acht maanden hebben plaatsgevonden.
Aangezien de hersteldmelding
vervalt, zal na de dag van inwerkingtreding van de voorgestelde
wijzigingen meestal aan het einde van de wachttijd blijken of de betrokken
werkgever voldaan heeft aan de verplichting tot ziekmelding, bij het
indienen van een WIA-aanvraag door de werknemer.
Het tweede lid voorziet erin
dat voor die gevallen waarbij een dertiendeweeksmelding had moeten plaatsvinden
vóór
de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel
(dertien
weken of eerder voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding)
eveneens wordt aangesloten bij het nieuwe sanctieregime van een bestuurlijke boete.
Dit geldt slechts in het geval dat de wachttijd van de werknemer
eindigt na de inwerkingtreding van deze wet of zou eindigen als de
desbetreffende werknemer niet zou zijn hersteld.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner