|
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2008-2009, 31 795.
Handelingen II 2008-2009, blz. 5622-5662, 5899-5922, 5964-5966,
6393-6393.
Kamerstukken I 2008-2009, 31 795 (A, B, C, D).
Handelingen I 2008-2009, blz. 1619-1619.
MEMORIE
VAN TOELICHTING
WET
van 25 juni 2009, Stb. 2009, 346, tot wijziging van de Wet
maatschappelijke ondersteuning in verband met een verplichting voor
het college van burgemeester en wethouders om op begrijpelijke wijze
inlichtingen te verstrekken over de keuze tussen de verschillende wijzen
waarop een aanspraak tot gelding kan worden gebracht en enige andere
wijzigingen. Inwerkingtreding: 1 januari 2010 (Stb.
2009, 362) (zie artikel
II).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de Wet maatschappelijke ondersteuning
te wijzigen in verband met het opnemen van een verplichting voor het
college van burgemeester en wethouders om op begrijpelijke wijze
inlichtingen te verstrekken over de keuze tussen de verschillende wijzen
waarop een aanspraak tot gelding kan worden gebracht, alsmede te
voorzien in een overlegverplichting voor aanbieders van huishoudelijke
verzorging;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art.
I. [MvT]
De Wet maatschappelijke ondersteuning wordt als
volgt gewijzigd:
aA.
[MvT]
In artikel 4, tweede lid, wordt na "en
behoeften van de aanvrager van de voorzieningen," ingevoegd:
waaronder verandering van woning in verband met wijziging van
leefsituatie,.
A.
[MvT]
Artikel 5, eerste lid, komt te luiden:
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het
bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van
burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over
de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke
voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in
natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een
persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
B.
[MvT
+ bis]
Artikel 6 komt te luiden:
Art. 6.
[MvT
+ bis]
-1. Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het
ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee
vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de
vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren
bestaan.
[MvT
+ bis]
-2. Indien een persoon gekozen heeft voor een individuele voorziening in
natura, dan wordt hem deze voorziening door of namens het college van
burgemeester en wethouders verstrekt. Het college van burgemeester en
wethouders laat de voorziening in natura zoveel mogelijk door derden
verrichten. Indien een derde de voorziening in natura verricht, draagt
het college van burgemeester en wethouders er zorg voor dat op de
persoon die de voorziening in natura ontvangt geen werkgevers- of
opdrachtgeversverplichtingen komen te rusten.
[MvT
+ bis]
-3. Het persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, wordt door het college van burgemeester en
wethouders als bedrag aan de persoon die aanspraak heeft op een
individuele voorziening verstrekt.
[MvT
+ bis]
C.
[MvT
+ bis]
Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 6a.
-1. Het college van burgemeester en wethouders licht de personen,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, vooraf in
duidelijke en begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de
keuze voor een individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden
budget, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld
in artikel 5, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld over de wijze waarop een persoon als bedoeld in artikel
6, eerste lid, door het college van burgemeester en wethouders
geïnformeerd wordt over de keuze die deze persoon heeft tussen de
individuele voorziening in natura, een persoonsgebonden budget,
waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.
D.
[MvT
+ bis]
Artikel 7, eerste lid, komt te luiden:
-1. Op het persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor een
arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, en de financiële tegemoetkomingen is titel
4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing.
E.
[MvT
+ bis]
Na artikel 10 wordt een artikel ingevoegd,
luidende:
Art. 10a.
-1. Degene die in opdracht van het college van burgemeester en
wethouders huishoudelijke verzorging gaat verlenen aan personen die
daarop aanspraak hebben, treedt met degenen die vóór hem in opdracht
van het college van burgemeester en wethouders huishoudelijke verzorging
hebben verleend in overleg over de overname van het betrokken personeel.
-2. Het college van burgemeester en wethouders ziet erop toe dat het in
het eerste lid bedoelde overleg plaatsvindt.
F.
[MvT
+ bis]
Artikel 15, eerste lid, komt te luiden:
-1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18
jaar of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor
zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele
voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, waaronder de
vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, en niet bestaat uit een aan hem verleende
financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.
Art.
II. [MvT]
-1. Artikel I, onderdeel aA tot en met D en F,
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Artikel I, onderdeel E, treedt in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad
waarin deze wet wordt geplaatst.
1. Bij Besluit
van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 362, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 2010, red.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te
’s-Gravenhage, 25 juni 2009
BEATRIX
De
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
M. Bussemaker
Uitgegeven
de vijfentwintigste augustus 2009
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|