Dit
wetsvoorstel strekt tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:
Awb) met een
regeling die de bestuursrechter de mogelijkheid geeft om het bestuursorgaan
tijdens een beroepsprocedure de gelegenheid te geven om gebreken in een
bestreden besluit te herstellen, in plaats van te volstaan met een zogeheten
"kale" vernietiging van dit besluit
(zoals nader beschreven in
paragraaf 2 van het algemeen deel van deze toelichting). Deze regeling
wordt in de rechtswetenschap en -praktijk ook wel aangeduid als "de
bestuurlijke lus".
De directe aanleiding tot
dit wetsvoorstel is de weerbarstige praktijk van de uitvoering van grote
projecten om te bouwen of om de mobiliteit te vergroten, ter verbetering
van de leefkwaliteit van omwonenden. Het betreft vaak besluiten
waarbij, na het doorlopen van de wettelijk vereiste inspraakprocedure, ook de
bevoegdheid tot het maken van bezwaar en het instellen van beroep
worden benut. Met name tijdens de beroepsprocedure komen met enige regelmaat
gebreken aan het licht. In zo’n geval heeft de
bestuursrechter momenteel niet veel mogelijkheden om een effectieve bijdrage aan
de daadwerkelijke beslechting van het aan hem voorgelegde geschil te
leveren. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Meestal is de
bestuursrechter gedwongen om een gebrekkig besluit te vernietigen, met als gevolg
dat het bestuursorgaan wederom een uitgebreide besluitvormingsprocedure
moet doorlopen om het geconstateerde gebrek naar behoren te
herstellen. Deze consequentie leidt tot vertraging van projecten met een
algemeen belang, tot aanzienlijke extra kosten, en daarmee, tot
maatschappelijke irritatie. Overigens niet alleen bij bestuurders, maar ook bij omwonenden die
baat hebben bij een snelle realisering van het project waarover een
beroepsprocedure is ontstaan.
Een recent en geruchtmakend
voorbeeld is het (tracé)besluit tot verbreding van de drukbereden A4 bij
Leiderdorp, welk besluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State sneuvelde wegens tekortkomingen in het onderzoek
naar de luchtkwaliteit ter
hoogte van Leiderdorp (ABRvS 25 juli 2007, BR
rblz.|2|
2007, 867). Hierdoor kan de
wegverbreding pas veel later gestalte krijgen dan door velen - waaronder
een groot aantal omwonenden, aangezien hun woon-leefsituatie door
de geplande ingreep aanzienlijk zal verbeteren - wordt gewenst, ook al
zijn alle betrokkenen het erover eens dat herstel van het geconstateerde
gebrek noodzakelijk is.
Het probleem van
inefficiënte rechterlijke beroepsprocedures en de hiermee samenhangende
"stroperigheid" van bestuurlijke besluitvorming
beperkt zich echter niet tot
grote infrastructurele projecten zoals de beoogde verbreding van de
A4. Ook relatief kleine bouwplannen hebben regelmatig te kampen met
ernstige vertraging, doordat eerst na het geheel doorlopen van een
beroepsprocedure, c.q. lezing van de einduitspraak van de bestuursrechter,
duidelijkheid ontstaat over de noodzaak tot herstel van een gebrek. Dit
is wellicht gunstig voor de omwonende die bij de bestuursrechter heeft
geageerd tegen een (bouw-, sloop-, of aanleg)vergunning, maar belastend en
frustrerend voor degene aan wie indertijd een vergunning is verleend.
Daarnaast kunnen geschillen
waarbij slechts twee partijen - een bestuursorgaan en één burger - zijn
betrokken, leiden tot langdurige rechtsonzekerheid, met dreigende financiële
problemen voor belanghebbenden, wegens een gebrek dat,
achteraf bezien, snel en eenvoudig had kunnen worden opgelost. Denk
hierbij onder meer aan besluiten over uitkeringen (zoals een uitkering
ingevolge de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen) en andere aanspraken (zoals
een gehandicaptenparkeerkaart) die een medisch onderzoek
vereisen, besluiten over uitkeringen ingevolge de Wet werk en
bijstand en aan
besluiten over de rechtspositie van ambtenaren.
Het vorenstaande heeft
geleid tot gedachten en ideeën over manieren om door de bestuursrechter
geconstateerde gebreken zo snel mogelijk te laten herstellen, ter voorkoming van nodeloos tijdverlies en extra
besluiten met daarmee
samenhangende nieuwe rechterlijke procedures. Aanvankelijk werd de
discussie hierover voornamelijk in wetenschappelijke kring gevoerd. In zoverre
zij verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze toelichting.
Gaandeweg kreeg de discussie
over het probleemoplossend vermogen van bestuursrechtspraak
echter ook een meer politiek karakter. Zo riepen de kamerleden Koopmans en De
Krom de regering al begin 2004 met een motie op om in de Awb de
mogelijkheid te creëren om administratieve en procedurele fouten snel te
kunnen herstellen (Kamerstukken II 2003-2004, 29 383, nr. 2H). Voor een
daartoe strekkende wijziging van de Awb bestond reeds toen een breed
draagvlak en daarom was de verwachting dat de bestuurlijke lus snel
een onderdeel van de Awb zou worden.
Inmiddels zijn we een aantal
jaren verder en is de bestuurlijke lus actueler dan ooit, mede in het licht
van de breed gevoelde behoefte om infrastructurele plannen snel tot uitvoer te
(kunnen) brengen. Het verbaast dan ook niet dat voorstellen zijn
gedaan om diverse zogeheten "sectorale" wetten
te verrijken met de mogelijkheid tot toepassing van een bestuurlijke lus.
Wij menen echter dat de
bestuursrechtspraak in het algemeen is gebaat bij de mogelijkheid om via
een bestuurlijke lus zo snel mogelijk rechtszekerheid voor alle betrokkenen te
creëren. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 2 van het algemeen
deel van deze toelichting.
2. Achtergrond
De toetsing van het
bestuurshandelen door de bestuursrechter is in de loop der jaren van karakter
veranderd. Vóór 1994 was de heersende leer dat de bestuursrechtspraak
niet slechts strekte tot bescherming van belangen van burgers tegen
onrechtmatig overheidshandelen (de rechtsbeschermingsfunctie van de bestuursrechtspraak),
maar ook tot behartiging van het algemeen belang bij
handhaving van het objectieve recht. Bij rblz.|3|
de invoering van de Awb
in
1994 heeft de wetgever echter uitdrukkelijk afscheid genomen van
bestuursrechtspraak als vorm van toezicht op bestuursorganen en gekozen
voor het primaat van rechtsbescherming voor burgers (Kamerstukken
II 1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 35).
Deze keuze heeft belangrijke
gevolgen gehad voor de ontwikkeling van het bestuursprocesrecht en
de taakopvatting van de bestuursrechter. Zo bracht het algemene belang
van de handhaving van het objectieve recht volgens velen mee dat de
bestuursrechter een bestreden besluit in alle opzichten op rechtmatigheid
diende te toetsen, ook als de eisende partij daarover niet had geklaagd.
Tegenwoordig wordt de omvang van het geschil - binnen de
grenzen van het bestreden besluit - veel meer dan voorheen bepaald door
partijen. Een logische consequentie van één en ander is dat de
bestuursrechter thans (veel) minder ambtshalve activiteiten verricht dan vroeger.
Het primaat van de
rechtsbeschermingsfunctie heeft verder tot gevolg dat de vraag naar de
effectiviteit van de geboden rechtsbescherming nadrukkelijk(er) op de voorgrond is komen
te staan. Zoals reeds aangegeven in de nota "Naar een
slagvaardiger bestuursrecht" (Kamerstukken II
2004-2005,
29 279, nr. 16 (herdruk),
blz. 1), wordt het Nederlandse bestuursprocesrecht op dit punt voor verbetering
vatbaar geacht. Daartoe wijzen wij op het navolgende.
Een bestuursrechtelijk
beroep is in wezen een vordering tot vernietiging van een besluit. Dit
betekent dat de bestuursrechter als regel deze vordering moet toewijzen
- dus het
bestreden besluit vernietigen - zodra hij oordeelt dat dit besluit in
strijd komt met een wettelijk voorschrift, van welke aard dan ook. Deze benadering leidt in veel gevallen tot een resultaat
waarmee partijen eigenlijk
maar weinig opschieten. Zo noodzaakt het oordeel dat een
belanghebbende in strijd met artikel 7:2 niet tijdens de bezwaarschriftprocedure is
gehoord doorgaans tot vernietiging van het bestreden besluit. Een
uitspraak die het bij zo’n vernietiging laat, is echter voor alle partijen
onbevredigend omdat de bestuursrechter niet ingaat op de inhoudelijke bezwaren die
de eisende partij tegen het bestreden besluit heeft.
De praktijk leert dat veel
uitspraken die strekken tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging
van het bestreden besluit zich in de overwegingen beperken tot het oordeel dat
het bestuursorgaan onvoldoende kennis omtrent de relevante
feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard (strijd met artikel
3:2) en/of dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de
daaraan ten grondslag gelegde motivering (strijd met artikel
7:12,
eerste lid). Dit vloeit vaak voort uit de veronderstelling dat de bestuursrechter
tijdens de beroepsprocedure niet aan het bestuursorgaan mag vragen of
een in het bestreden besluit ingenomen standpunt wordt gehandhaafd.
Deze veronderstelling op haar beurt hangt samen met het uitgangspunt
dat de bestuursrechter de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan moet respecteren.
Eén en
ander heeft tot gevolg dat
de bestuursrechter bij de gegrondverklaring van het beroep wel aangeeft
hoe het niet had gemoeten (dus: waarom het bestreden besluit
onrechtmatig is), maar vaak niet hoe dan wel moet (dus: welke bestuurlijke oplossing
de voorkeur verdient).
Nu biedt de Awb
de
bestuursrechter enige instrumenten om een geschil in bepaalde omstandigheden
definitief te beslechten. Zo kan een besluit met een vormvoorschrift toch
in stand worden gelaten indien hierdoor niemand in zijn belangen is
geschaad (artikel 6:22). Ook kan de bestuursrechter het bestreden besluit
vernietigen en vervolgens bepalen dat de rechtsgevolgen ervan in
stand blijven (artikel 8:72, derde lid). Hij mag het bestreden besluit zelfs
vervangen door een ander besluit, met andere woorden: zelf in de zaak
voorzien (artikel 8:72, vierde lid).
De bestuursrechter maakt
echter weinig gebruik van de zojuist genoemde bevoegdheden, zoals ook de
meest recente evaluatie van de Awb laat zien rblz.|4|
(B.J. Schueler e.a.,
Definitieve geschilbeslechting door de bestuursrechter, Den Haag: BJu 2007, blz. 87-92).
De bevindingen van Schueler c.s. sporen met die van de eerste
evaluatie van de Awb (J.B.J.M. Ten Berge e.a., Ervaringen met de Awb;
het bestuursprocesrecht, Deventer: Kluwer 1996, blz. 243 en 250-252; Toepassing en effecten van de Algemene wet
bestuursrecht 1994-1996
(verslag van de Evaluatiecommissie Awb I), Den Haag 1996, blz. 61). Indien
en zolang de bestuursrechter meent dat dat het bestuursorgaan nog over
enige relevante beleids- of beoordelingsvrijheid beschikt, voelt hij zich
doorgaans niet vrij om het geschil finaal te beslechten, met name als het
gaat om de vraag of aanleiding bestaat tot toepassing van artikel
8:72,
vierde lid. Het risico moge duidelijk zijn. Een uitspraak die slechts strekt
tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het
bestreden besluit wordt vaak gevolgd door een extra bestuurlijke procedure
en
een nieuw besluit dat - zeker als het bestuursorgaan zijn oorspronkelijke
opvatting overeind houdt - uitnodigt tot het starten van een volgende beroepsprocedure.
Daardoor kan het lang duren
voordat de bestuursrechter het bestreden besluit daadwerkelijk
inhoudelijk heeft getoetst c.q. het materiële geschil daadwerkelijk heeft
beslecht, en dus ook voordat precies duidelijk is waaraan partijen toe zijn en
welke rechtspositie zij ten opzichte van elkaar hebben (empirische gegevens
zijn onder meer te vinden in A.T. Marseille, Effectiviteit van
bestuursrechtspraak, Den Haag: BJu 2004). Dit wordt in toenemende mate als een
probleem ervaren en kan zelfs in strijd komen met het - in artikel 6,
eerste lid, EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden, red.] neergelegde - vereiste van berechting binnen een redelijke termijn
en/of het in artikel 13 EVRM neergelegde vereiste van een "effective
remedy" (vgl. EHRM [Europees Hof
voor de Rechten van de Mens, red.] 19 maart 1997, JB 1997/98
m.nt. AWH). De periode
tussen de indiening van het bezwaarschrift en het uiteindelijke rechtens
houdbare besluit bedraagt immers vaak enige jaren als daartussen een
bezwaarschriftprocedure, een beroepsprocedure, een tweede bezwaarschriftprocedure en een tweede beroepsprocedure
(moeten) worden afgewikkeld.
Het geringe
probleemoplossend vermogen van het bestuursprocesrecht en de daaruit voortvloeiende
vertraging van besluitvorming - onder meer als het gaat om maatschappelijk belangrijke of economisch kansrijke
projecten - is nadelig
voor bestuursorganen, maar ook voor veel burgers. In zoverre zij verwezen naar
paragraaf 1 van het algemeen deel van deze toelichting. Hieraan voegen
wij nog toe dat een zo efficiënt mogelijke rechtspleging op zichzelf
een nastrevenswaardig maatschappelijk belang is, gelet op de noodzaak om
het draagvlak voor rechtspraak in het algemeen overeind te houden.
3. Bestuurlijke lus
Reeds in 1994 is geopperd
dat de bestuurspraktijk baat heeft bij de mogelijkheid van de bestuursrechter om in
een tussenuitspraak aan te geven wat er aan het bestreden
besluit mankeert, als middel om het bestuursorgaan nog tijdens de (eerste)
beroepsprocedure de gelegenheid tot herstel van gebreken te
bieden. Op deze wijze kan de bestuursrechter (reeds) in de (eerste)
einduitspraak beoordelen of het gebrek adequaat is hersteld, waardoor de kans
op een zo spoedig mogelijke finale beslechting van het aan hem voorgelegde
geschil stijgt (B.J. Schueler, Vernietigen en opnieuw voorzien (diss.
UU), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994, blz. 250-252). Deze
constructie is de afgelopen jaren, zoals gezegd, ook wel bekend geworden als
"de
bestuurlijke lus".
Het voorstel van Schueler is
later door anderen omarmd, bijvoorbeeld de werkgroep-Van Kemenade
(rapport "Bestuur in geding"), J.E.M. Polak
(Effectieve bestuursrechtspraak (oratie UL), Deventer: Kluwer 2000, blz.
43-60), B.J. Van
Ettekoven (Alternatieven van de bestuursrechter (observaties vanuit de eerste lijn),
in:
B.J. van Ettekoven, M.A. Pach, I.C. van der Vlies, Alternatieven van
en voor de bestuursrechter (VAR-reeks 126), rblz.|5|
Den Haag: BJu 2001, blz. 58-76)
en door de VAR-Commissie rechtsbescherming (J.E.M. Polak e.a., De
toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid; van
toetsing naar geschilbeslechting (rapport van), Den Haag: BJu 2004, blz. 73-76).
Wij delen de overtuiging dat
een wettelijke regeling van een "bestuurlijke lus" een nuttige bijdrage
kan leveren aan een efficiënte en effectieve beslechting van bestuursrechtelijke geschillen binnen een redelijke
termijn, met behoud van het
besluitvormingsprimaat van het bestuur, zoals overigens reeds
aangegeven in de nota "Naar een slagvaardiger bestuursrecht"
(Kamerstukken II 2004-2005, 29 279, nr. 16, blz. 3). Hierbij wordt benadrukt dat het
bieden van de mogelijkheden tot herstel van een gebrekkig besluit tijdens de
beroepsprocedure niet alleen het belang van het bestuursorgaan dient,
maar vaak ook en vooral het belang van de burger, zoals de
vergunninghouder die niet weet of hij het door hem beoogde bouwplan
uiteindelijk zal kunnen realiseren. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 1
van het algemeen deel van deze toelichting.
Overigens is voor een
specifiek geval, namelijk beroepen tegen het nationaal toewijzingsbesluit voor
broeikasgasemissierechten, onlangs reeds een bestuurlijke lus in de
wet opgenomen (artikel 20.5a Wet
milieubeheer). Deze is inmiddels eenmaal
toegepast en heeft het beoogde resultaat gehad. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
constateerde in haar
tussenuitspraak (ABRvS 8 april 2005, AB 2005, 161 m.nt. ChB) een aantal
gebreken in het nationaal toewijzingsbesluit, doch deze konden binnen relatief
korte tijd worden hersteld. Het gevolg was dat de Afdeling
bestuursrechtspraak in haar einduitspraak (ABRvS 9 september 2005, JB 2005/291
m.nt. MP)
het verbeterde toewijzingsbesluit in stand kon laten, waarmee de
geschillen over de toewijzing definitief waren beslecht. Daarnaast bieden
twee in procedure zijnde wetsvoorstellen - de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Kamerstukken I 2007-2008, 30 844, nr. A) en het
voorstel tot wijziging van de Tracéwet
en de Wet
ruimtelijke ordening (thans
aanhangig bij de Raad van State) - de mogelijkheid van een bestuurlijke lus.
Inmiddels bereikt ons van
verschillende kanten het geluid dat op een zo kort mogelijke termijn
behoefte bestaat aan een breder toepassingsbereik van de bestuurlijke lus.
Daartoe wijzen wij onder meer op:
- het amendement dat
strekt tot wijziging van het wetsvoorstel Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Kamerstukken II 2007-2008, 30 844, nrs. 12, 39 en 41);
- het amendement dat
strekt tot wijziging van het wetsvoorstel Waterwet
(Kamerstukken II
2007/208, 30 818, nr. 27);
- het amendement dat
strekt tot wijziging van het wetsvoorstel inzake wijziging van de Natuurbeschermingswet
1998 (Kamerstukken II 2007-2008, 31 038, nr. 11);
- de motie waarin wordt
gevraagd om de figuur van de bestuurlijke lus in de Awb
te regelen
(Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 XI, nr. 29);
- het overleg over de
werkzaamheden van de Commissie versnelling besluitvorming
infrastructurele projecten (Kamerstukken II 2007-2008, 29 385, nr. 15);
- het overleg over de
effecten van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Kamerstukken II
2007-2008, 30 175, nr. 42) [het Besluit luchtkwaliteit 2005 is vervallen
met ingang van 15 november 2007, red.].
Daarom is besloten tot
indiening van het onderhavige wetsvoorstel. Dit voorstel voorziet in een
bestuurlijke lus voor alle bestuursrechtelijke beroepsprocedures, dus niet
alleen ten behoeve van geschillen over infrastructurele en bouwprojecten, maar ten
behoeve van alle geschillen waarin langdurige
rechtsonzekerheid de belangen van burgers dreigt aan te tasten.
rblz.|6|
4. Redenen voor een
wettelijke regeling
De vraag kan worden gesteld
of het noodzakelijk is de bestuurlijke lus wettelijk te regelen.
Immers, reeds nu kan de bestuursrechter het onderzoek ter zitting schorsen
(artikel 8:64, eerste lid) of na afloop ervan heropenen
(artikel 8:68,
eerste lid), om in de procesbeslissing zelf dan wel een afzonderlijke
schriftelijke vraagstelling (artikel 8:45, eerste lid) aan te geven dat aan het bestreden
besluit een gebrek kleeft en dat dit gebrek tijdens de beroepsprocedure
herstelbaar is. Hierop is in de literatuur gewezen (L.M. Koenraad en
F.F.W. Brouwer, Slagvaardig bestuursprocesrecht. Over bestuurlijke lus,
finale geschilbeslechting en conflictoplossing, NJB 2006, blz. 1678-1684).
Om een aantal redenen geven wij echter de voorkeur aan een
wettelijke regeling waarin de mogelijkheid tot toepassing van de
bestuurlijke lus uitdrukkelijk is neergelegd.
In de eerste plaats
verschaft een tussenuitspraak helderheid over de (juridische) status van overwegingen
waarin de bestuursrechter het bestuursorgaan aanspoort om een nieuw
besluit te nemen. Deze helderheid ontbreekt vaak in een
procesbeslissing die strekt tot schorsing van het onderzoek ter zitting of
heropening van het onderzoek na afloop van de zitting, en al helemaal in
een zogeheten - niet door een rechter ondertekende! - "griffiersbrief".
Bedenk hierbij dat een tussenuitspraak duidelijk maakt dat, in welk opzicht
en waarom de bestuursrechter het bestreden besluit onrechtmatig acht.
Andere procesbeslissingen laten echter vaak in het midden of de
bestuursrechter op het punt staat het bestreden besluit te vernietigen indien het
bestuursorgaan geen aanvullende maatregelen - bijvoorbeeld in de vorm van
een vervangend besluit - treft.
In de tweede plaats biedt
een tussenuitspraak meer, en beter te handhaven, mogelijkheden om het
bestuursorgaan te binden aan termijnen voor het nemen van een
vervangend besluit. De huidige instrumenten - schorsingsbeslissing,
heropeningsbeslissing of griffiersbrief - zijn in dit opzicht nogal vrijblijvend.
In de derde plaats wordt de
bestuursrechter door de mogelijkheid van de tussenuitspraak gestimuleerd
om de bestuurlijke lus daadwerkelijk te gebruiken als instrument
voor de definitieve beslechting van het voorliggende geschil.
In de vierde plaats wordt
door het gebruik van een (openbare!) tussenuitspraak het gebruik van de
bestuurlijke lus ook voor de buitenwereld kenbaar en controleerbaar.
De nu beschikbare
instrumenten zijn in de praktijk onvoldoende gebleken. Zij weerhouden verreweg de
meeste bestuursrechters van toepassing van een bestuurlijke lus. Ook
andere factoren - zoals het "zittingsgericht werken" en de wijze waarop
de gerechten worden gefinancierd - dragen bij aan een geringe bereidheid om het bestuursorgaan reeds tijdens de
eerste beroepsprocedure te
bewegen tot het nemen van een rechtens houdbaar besluit. Dit vergt
immers extra vooronderzoek van de bestuursrechter, met gevolgen voor het aantal
uitspraken per jaar, terwijl de gerechten worden
gefinancierd naar rato van het aantal afgedane zaken. De Commissie Evaluatie
Awb
III (commissie-Ilsink) heeft de regering dan ook aanbevolen om het
financieringssysteem op dit punt aan te passen (Toepassing en effecten van
de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006, Den Haag: BJu 2007, blz. 70,
aanbeveling 14). Naar wij hebben vernomen is dit bij het ministerie
van Justitie thans in studie.
5. Voorbereiding en
hoofdlijnen van het onderhavige wetsvoorstel
Door diverse wetenschappers
zijn verschillende varianten van een bestuurlijke lus
voorgesteld. De in dit wetsvoorstel gekozen uitwerking is geïnspireerd door het
voorstel van B.J. van Ettekoven ter zake (Alternatieven rblz.|7|
van de
bestuursrechter, in: B.J. van Ettekoven, M.A. Pach, I.C. van der Vlies, Alternatieven van
en voor de bestuursrechter (VAR-geschrift 126), Den Haag: BJu 2001,
blz. 58-76).
Inmiddels heeft de Raad van
State, op 10 april 2008, geadviseerd over het oorspronkelijke wetsvoorstel
(Kamerstukken II 2007-2008, 31 352, nrs. 1-3). Daarnaast is aan de
problematiek van de bestuurlijke lus in het algemeen en het wetsvoorstel in het
bijzonder een studiemiddag, op 23 juni 2008, gewijd door de Vereniging
voor bestuursrecht VAR. Het advies van de Raad van State, waarop door
ons in een afzonderlijk schrijven is gereageerd (Kamerstukken II 2007-2008, 31
352, nr. 4), heeft aanleiding gegeven tot wijziging van het
oorspronkelijke wetsvoorstel. De discussie tijdens de studiemiddag van 23 juni
2008 verschafte ons voldoende reden om de toelichting op het nu
voorliggende wetsvoorstel op een aantal punten aan te vullen en te
verduidelijken.
Verder hebben wij dankbaar
gebruik gemaakt van de schriftelijke commentaren op het oorspronkelijke
wetsvoorstel.
De plaats van de regeling
maakt duidelijk dat de bestuursrechter reeds tijdens het vooronderzoek -
dus voorafgaand aan de zitting als bedoeld in afdeling 8.2.5
- gebruik
kan maken van zijn bevoegdheid om het bestuursorgaan uit te nodigen tot
intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Hierbij valt te denken aan
evidente gebreken die reeds bij een eerste bestudering van de zaak
blijken, zoals de onbevoegdheid van het bestuursorgaan (burgemeester en wethouders
in plaats van burgermeester) of strijd met een dwingend
geformuleerd wettelijk voorschrift (achterwege blijven van een verplicht
advies). In zo’n geval zou het afwachten van een zitting nodeloos vertragend
werken.
Eén en ander laat onverlet
dat de bestuursrechter de bestuurlijke lus ook mag toepassen nadat het
beroep ter zitting is behandeld. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om
het voornemen tot een vroegtijdige toepassing van de bestuurlijke lus met
partijen te bespreken tijdens een comparitie (artikel
8:44, eerste lid),
die kan fungeren als een soort regiezitting. In zoverre zij ook verwezen
naar de toelichting op artikel 8:51a, eerste
lid. Wij achten het zeer
wenselijk om het bestuursorgaan in een zo vroeg mogelijk stadium van de
beroepsprocedure met zoveel mogelijk gebreken van het bestreden besluit te
confronteren. Deze handelwijze draagt bij aan een efficiënt verloop van
de beroepsprocedure en vergroting van het draagvlak voor
bestuursrechtspraak in het algemeen. Negatief geformuleerd: indien het bestuursorgaan
het bestreden besluit tijdens de beroepsprocedure twee of zelfs meer keren
moet wijzigen, leidt dit niet alleen tot een aanzienlijke vertraging
van de einduitspraak, maar ook tot irritatie bij alle partijen. Het is dus
wenselijk dat de bestuursrechter reeds voorafgaand aan de (eerste) zitting
serieus werk maakt van het vooronderzoek. In dit kader zij verwezen
naar de aanbevelingen van de commissie-Ilsink over de feitenvaststelling
in beroep (Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006,
Den Haag: BJu 2007, blz. 26-28 en 69-72).
Uiteraard kan het gebeuren
dat een na toepassing van de bestuurlijke lus gewijzigd besluit nog steeds
lijdt aan één of meer gebreken die noodzaken tot nadere besluitvorming.
In zo’n geval kan de bestuursrechter het besluit alsnog vernietigen. Hij kan
echter ook voor de tweede keer toepassing aan artikel 8:51a
geven. De bestuursrechter is evenzeer bevoegd tot het
passeren van formele
gebreken (artikel 6:22), het in stand laten van de rechtsgevolgen van het
bestreden besluit (artikel 8:72, derde lid) en het zelf in de zaak voorzien
(artikel 8:72, vierde lid). Het gebruik van de bestuurlijke lus doet immers
geen afbreuk aan de in afdeling 8.2.6 genoemde mogelijkheden om
(het dictum van) de einduitspraak vorm te geven. Artikel 8:51a
geeft
een aanvullende bevoegdheid, een extra instrument om de efficiency van de
beroepsprocedure te verhogen.
rblz.|8|
Toepassing van
artikel
8:51a moet geschieden in de vorm van een tussenuitspraak. Bepalingen over deze figuur
zijn neergelegd in de nieuwe afdeling 8.2.7. Daarom vergt een
volledig begrip van de bestuurlijke lus kennisneming van twee
afzonderlijke, en door andere artikelen gescheiden, afdelingen. Desondanks
hebben wij hebben bewust gekozen voor een splitsing. Dit heeft te
maken met de - reeds hiervoor gesignaleerde - behoefte om duidelijk te
maken dat de bestuurlijke lus reeds tijdens het vooronderzoek kan worden
toegepast.
Wellicht kan de
tussenuitspraak in de toekomst tevens gaan fungeren als instrument voor andere
procesbeslissingen van de bestuursrechter. Hierover zijn thans nog geen
afgewogen voorstellen mogelijk. Het onderhavige wetsvoorstel vormt hiervoor
geen beletsel. Integendeel, door de "ontkoppeling" van
bevoegdheid (artikel 8:51a) en instrument
(artikel 8:80a) kan een bredere
inzetbaarheid van de tussenuitspraak als communicatiemiddel van de bestuursrechter haar
beslag krijgen zonder ingrijpende wijziging van de Awb.
Het onderhavige wetsvoorstel
voorziet niet in wijziging van de artikelen 6:18 en
6:19, ook al zal een
herstel van het gebrek door het bestuursorgaan vaak plaatsvinden in de vorm
van een nieuw besluit ter vervanging van het "oude" bestreden
besluit. In zoverre zij verwezen naar de paragrafen 7,
9 en 10 van
het algemeen deel van deze toelichting. Naar onze mening weegt het
voordeel van meer duidelijkheid over het toepassingsbereik van de
artikelen 6:18 en 6:19 niet op tegen het nadeel van een grotere complexiteit
van het onderhavige wetsvoorstel. In dit kader wordt opgemerkt dat
wij streven naar een zo spoedige mogelijke inwerkingtreding van het
onderhavige wetsvoorstel, ter voorkoming van een wildgroei aan wettelijke
voorschriften die een regeling van de bestuurlijke lus bevatten.
Een ingewikkelde discussie over de artikelen 6:18 en
6:19 zou dit streven
kunnen doorkruisen.
Overigens behelst het
voorontwerp Wet aanpassing bestuursprocesrecht, dat naar verwachting een
dezer dagen als wetsvoorstel en ter advisering aan de Raad van State zal
worden voorgelegd, een voornemen tot wijziging van de artikelen 6:18 en
6:19. Hiermee wil gezegd zijn dat aandacht bestaat voor de problemen
die deze bepalingen in de praktijk kunnen veroorzaken.
6. Tussenuitspraak
Om de bestuurlijke lus te
kunnen toepassen, moet de bestuursrechter eerst bepalen dat het
besluit op één of meer punten in strijd is met het recht. Daartoe moet
hij
feiten vaststellen en rechtsoordelen geven. Daarmee wordt de
rechtsstrijd op onderdelen reeds beslist. Het verdient aanbeveling om dit te doen
in een echte, bindende tussenuitspraak. De artikelen 8:64 en
8:68 zien
slechts op beslissingen met een procedureel karakter en zijn niet
bedoeld voor overwegingen die raken aan de inhoud van het bestreden besluit.
In zoverre zij verwezen naar paragraaf 3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Wij hebben overwogen of het
wenselijk is de bestuursrechter de mogelijkheid te geven op zijn in de
tussenuitspraak geformuleerde oordelen terug te komen. Er bestaat immers
de mogelijkheid dat de bestuursrechter ontdekt dat een reeds
gegeven oordeel berust op een vergissing die in hoger beroep
hoogstwaarschijnlijk met succes zal worden bestreden. Men denke echter ook aan de
situatie dat de hogerberoepsrechter "omgaat"
nadat een tussenuitspraak is
gedaan. Het kan dan wenselijk zijn op de tussenuitspraak terug te
komen. Daar staat echter tegenover dat gebondenheid van de rechter aan zijn
eigen beslissingen in het algemeen een efficiënte procesgang
bevordert. Als partijen weten dat de bestuursrechter niet is gebonden aan zijn
eerder gegeven beslissingen, bestaat de kans dat zij gaan proberen de
rechter daarop te laten terugkomen voor zover rblz.|9|
diens oordelen hun niet
bevallen. Bovendien kan van het bestuursorgaan redelijkerwijs niet worden
gevergd om zijn besluit aan te passen op grond van een oordeel dat de
bestuursrechter zomaar kan wijzigen.
Op basis van één en ander
zijn wij van oordeel dat gebondenheid van de bestuursrechter aan zijn
tussenuitspraak de voorkeur verdient en dat de bestuursrechter slechts in
zeer uitzonderlijke gevallen mag terugkomen op een in diens tussenuitspraak
gegeven oordeel. Om deze keuze te benadrukken, is ervoor gekozen om artikel
8:88 van overeenkomstige toepassing te verklaren, mede gezien de
zeer beperkte reikwijdte die in de jurisprudentie aan deze bepaling wordt
gegeven. Het terugkomen op een in een tussenuitspraak
omschreven oordeel dient te geschieden in de vorm van een nieuwe
tussenuitspraak, waarbij de bestuursrechter nadrukkelijk en gemotiveerd moet aangeven
van welk oordeel hij terugkomt. Slechts zo’n handelwijze maakt een adequate toetsing
ter zake door de hogerberoepsrechter mogelijk.
7. Herstel van het gebrek
Het is de bedoeling dat het
bestuursorgaan voldoet aan hetgeen de bestuursrechter in diens
tussenuitspraak heeft bepaald, zeker als de bestuurlijke lus tijdens de hogerberoepsprocedure wordt toegepast. In
zoverre zij verwezen naar (de toelichting op) artikel 8:51b, eerste
lid, onderscheidenlijk (de toelichting op) de artikelen III tot en met V van
het onderhavige wetsvoorstel.
Het bestuursorgaan kan het gebrek wegnemen door middel van een nieuw
besluit dan wel op een andere wijze.
Uit het oogpunt van
rechtszekerheid voor belanghebbenden verdient het nemen van een nieuw of
gewijzigd besluit vaak de voorkeur, met name als tegen het bestreden besluit
rechtstreeks beroep is ingesteld - omdat dit is voorbereid met toepassing
van een uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling
3.4) dan wel omdat
het bestuursorgaan heeft ingestemd met het overslaan van de
bezwaarschriftprocedure (artikel 7:1a, eerste lid)
- of als het
gaat om een beslissing op bezwaar waarin een primair besluit is herroepen
en/of gewijzigd (op grond van artikel 7:11, tweede lid).
De zojuist bedoelde
besluiten - zoals vrijstellingen en vergunningen - hebben met elkaar gemeen dat
deze rechtstreeks ingrijpen in de rechtspositie van burgers. Vernietiging
van deze besluiten kan een onduidelijke situatie voor
belanghebbenden scheppen, zeker als de gewraakte activiteit reeds is verricht. Zo’n
activiteit wordt immers illegaal als de wettelijke grondslag - de
vrijstelling of de vergunning - daaraan ontvalt. Een vervangend besluit van het
bestuursorgaan tijdens de beroepsprocedure kan deze verwarring voorkomen.
Hierbij ontgaat het ons niet dat de rechtspraktijk soms creatief moet
omspringen met de toepassing van de artikelen 6:18 en
6:19 om een voor
alle belanghebbenden bevredigend resultaat te bieden. In zoverre zij
verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting.
Onder omstandigheden kan het
bestuursorgaan het gebrek zonder wijziging van het bestreden besluit
herstellen, bijvoorbeeld door het overleggen van een schriftelijk stuk
met een nadere motivering van (een onderdeel van) het besluit
of een uiteenzetting dat en waarom het alsnog horen van een belanghebbende
niet heeft geleid tot wijziging van het bestreden besluit. Onder
omstandigheden is ook denkbaar dat het bestuursorgaan een nieuw
deskundigenonderzoek laat verrichten en de resultaten hiervan - in de
vorm van een (nader) rapport - nog tijdens de beroepsfase aan de
bestuursrechter overlegt.
In dit kader wordt nogmaals - zie ook de paragrafen 2 en
4 van het algemeen deel van deze toelichting - benadrukt dat de bestuursrechter na toepassing van
artikel 8:51a nog steeds beschikt over alle
uitspraakbevoegdheden rblz.|10|
die hem in
afdeling 8.2.6 zijn toegekend. Na ontvangst van de nieuwe stukken (zoals
een actueel deskundigenrapport) kan de bestuursrechter in zijn
einduitspraak immers bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in
stand blijven (artikel 8:72, derde lid), waarmee hij een bestuurlijke
daad verricht, door in plaats van het bestuursorgaan te
heroverwegen of het bestreden besluit qua rechtmatigheid alsnog voldoet aan de
geldende wettelijke eisen. Een dictum met zo’n strekking vergt dus
een heroverweging ex nunc, met de kanttekening dat de bestuursrechter niet
mag tornen aan de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan.
Overigens benadrukken wij
dat herstel van het gebrek door het bestuursorgaan na toepassing van artikel
8:51a niet zonder meer leidt tot verlies van de beroepsprocedure door
de eisende partij. Er bestaat immers slechts aanleiding tot
hantering van de bestuurlijke lus indien en voor zover een gebrek kleeft aan het
bestreden besluit, dus indien en voor zover blijkt dat de eisende partij
terecht beroep heeft ingesteld.
Hierbij komt nog dat de
bestuursrechter ook een door het bestuursorgaan ingetrokken besluit kan
vernietigen als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft (artikel
6:19, derde lid). Zo’n belang van de indiener kan bestaan in het voornemen
tot het claimen van vergoeding van schade die hij naar zijn zeggen
door het nemen van het bestreden besluit heeft geleden. Deze vernietiging
op haar beurt staat op zichzelf los van de beoordeling van het
vervangende besluit. In het dictum van de einduitspraak kan de bestuursrechter dus:
- het beroep, voor zover
gericht tegen het bestreden besluit, gegrond verklaren;
- het bestreden besluit
vernietigen;
- het beroep, voor zover
gericht tegen het vervangende besluit, ongegrond verklaren.
Een einduitspraak met zo’n
dictum biedt ruimte voor het gelasten dat het betaalde griffierecht en de
gemaakte proceskosten worden vergoed aan de indiener van het
beroepschrift (respectievelijk artikel 8:74, eerste lid, en
artikel 8:75, eerste lid).
Verder heeft de
bestuursrechter de mogelijkheid om het passeren van een vormvoorschrift
(artikel 6:22) te combineren met een opdracht aan het bestuursorgaan tot
vergoeding van het betaalde griffierecht (artikel
8:74, tweede lid) en/of gemaakte
proceskosten (artikel 8:75, eerste lid). Ook in de huidige praktijk komt het
wel voor dat de bestuursrechter in de overwegingen van zijn einduitspraak
aangeeft dat en waarom de eisende partij terecht tegen het bestreden
besluit heeft geageerd, om vervolgens zowel het beroep ongegrond te
verklaren als een griffierecht- en proceskostenveroordeling ten laste van het
bestuursorgaan uit te spreken (bijvoorbeeld CRvB 20 februari 1997, AB
1997, 129 m.nt. FP; vgl. ook CRvB 28 oktober 1997, AB 1998, 68, en CBb 25
februari 1994, AB 1994, 516 m.nt. JHvdV). Zie verder de toelichting op
het nieuwe derde lid van artikel 8:57.
Het vorenstaande moge
duidelijk maken dat de eisende burger niet met lege handen achterblijft
indien en nadat op initiatief van de bestuursrechter een gebrekkig besluit door
het bestuursorgaan is hersteld.
8. Voorbereiding van het
nieuwe besluit
Het vervangende besluit moet
in beginsel op dezelfde wijze worden voorbereid als het vernietigde besluit.
Deze omstandigheid maakt dat het vervangende besluit in een
aantal gevallen geruime tijd op zich laat wachten. De gevolgen laten
zich raden: soms langdurige onzekerheid over de juridische
houdbaarbaarheid van het bestreden besluit en daarmee verwarring en irritatie bij
belanghebbenden. Deze irritatie wordt groter als gaandeweg blijkt dat het
opnieuw doorlopen van de uniforme openbare rblz.|11|
voorbereidingsprocedure niet
leidt tot nieuwe inzichten, maar uiteindelijk wél tot een besluit dat de
toets der rechterlijke kritiek kan doorstaan.
Dit probleem manifesteert
zich met name bij gevallen waar de nieuwe bestuurlijke voorprocedure
het karakter van een rituele rondedans krijgt en waar de discussie over
herstel van het gebrek net zo goed direct ten overstaan van de
bestuursrechter kan worden gevoerd. In dit kader valt onder meer te denken aan het
laten verrichten van aanvullend onderzoek door een deskundige,
teneinde alsnog te bezien of een project voldoet aan de geldende wettelijke eisen
(inzake bijvoorbeeld luchtkwaliteit of geluidhinder).
Hiermee wil gezegd zijn dat
niet elk gebrek uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzaakt tot het (geheel)
"overdoen" van de openbare
voorbereidingsprocedure
en dat het wederom
(integraal) toepassen van afdeling 3.4 afbreuk doet aan de
snelheid en efficiency van de beroepsprocedure en daarmee aan de
slagvaardigheid van het bestuurs(proces)recht. Bovendien bereiken ons geluiden vanuit
de praktijk dat de kans op een omslachtig traject ter voorbereiding
van een nieuw besluit voor de bestuursrechter aanleiding kan vormen om de
bestuurlijke lus niet toe te passen.
Gelet op één en ander
voorziet het thans voorliggende wetsvoorstel in de bevoegdheid van de
bestuursrechter om - overigens ook in de einduitspraak! - te bepalen
dat de
voorbereiding van het nieuwe besluit niet of niet geheel overeenkomstig
de eisen als bedoeld in afdeling 3.4 hoeft te geschieden. In dit kader
wijzen wij voor de goede orde op het feit dat de voorgestelde wijziging geen
onderdeel van het oorspronkelijke voorstel vormde. De schriftelijke
commentaren op dit voorstel - en discussie tijdens de studiemiddag van
23 juni 2008 - gaven ons echter voldoende aanleiding om meer ruimte
voor maatwerk te creëren, uit een oogpunt van flexibiliteit en
efficiency c.q. slagvaardigheid.
De bevoegdheid om te bepalen
dat de openbare voorbereidingsprocedure niet (geheel) hoeft te
worden gevolgd, is neergelegd in artikel 8:72, vierde lid (nieuw). Deze
bevoegdheid komt bij uitsluiting toe aan de bestuursrechter, om te waarborgen dat het
nieuwe besluit voldoende zorgvuldig wordt voorbereid en geen
afbreuk doet aan de rechtsbescherming van belanghebbenden.
In dit kader stipuleren wij
dat alle belanghebbenden zich hoe dan ook moeten kunnen uitlaten over
nieuwe stukken die tijdens de beroepsprocedure worden overgelegd, alvorens
de bestuursrechter einduitspraak mag doen. Dit vloeit
rechtstreeks voort uit het beginsel van hoor en wederhoor zoals verankerd in
artikel 6 EVRM. Onder omstandigheden kan dit noodzaken tot het bieden
van de gelegenheid aan partijen om ook schriftelijk te reageren op
de nieuwe informatie (artikel 8:45, eerste lid; vgl. met
artikel 8:47,
vijfde lid). Aldus moge duidelijk worden dat wij goede nota hebben genomen
van de opmerkingen die de Raad van State in diens advies over het
oorspronkelijke voorstel heeft gemaakt.
9. Het nieuwe besluit
tijdens de procedure in eerste aanleg
Het nieuwe besluit ziet
- als het goed is - op dezelfde rechtsbetrekking als het besluit waaraan het
gebrek kleeft. In zo’n geval is sprake van een besluit als bedoeld in
artikel 6:18, eerste lid, en wordt het nieuwe besluit - op grond van
artikel 6:19,
eerste lid - van rechtswege onderdeel van het geding. Het is de taak van
de bestuursrechter om te bewerkstelligen dat het bestuursorgaan de
grenzen van het geding in acht neemt, door het zorgvuldig formuleren van de
tussenuitspraak. Anders bestaat het gevaar dat het nieuwe besluit niet
(alleen) het bestreden besluit vervangt, maar (daarnaast) een geheel
andere rechtsbetrekking vaststelt. In zoverre zij overigens verwezen naar de
toelichting op artikel 8:80a, tweede lid. Een voorbeeld ter illustratie.
rblz.|12|
Voorbeeld 1
Burgemeester
en wethouders leggen een last
onder dwangsom op teneinde A te bewegen tot het staken van de permanente
bewoning van een schuur (strijd met het zogeheten "gebruiksvoorschrift" van een bestemmingsplan). A
maakt bezwaar en stelt
beroep in tegen de beslissing op bezwaar waarbij de
dwangsombeschikking in stand is gelaten. De rechtbank constateert dat aan het
bestreden besluit - dit is dus de beslissing op bezwaar - een gebrek
kleeft en geeft toepassing aan artikel 8:51a. Naar aanleiding hiervan
nemen burgemeester en wethouders een besluit dat strekt tot herroeping van de oorspronkelijke
dwangsombeschikking en waarbij X wordt gelast de in de schuur
aangebrachte woonvoorzieningen te slopen (strijd met artikel
40, eerste lid, Woningwet). Het nieuwe besluit behelst geen heroverweging
van het oorspronkelijke primaire besluit op grondslag van het
oorspronkelijke bezwaar, maar een nieuw primair besluit waartegen
afzonderlijk bezwaar moet worden gemaakt. Het gaat immers niet langer
om de bewoning van de schuur, maar om de inrichting ervan.
De artikelen 6:18 en
6:19
zien niet op besluiten die te weinig rechtstreeks verband met het bestreden
besluit hebben. Dit kan leiden tot gecompliceerde en verwarrende situaties,
zoals het zo-even geschetste voorbeeld laat zien. Er bestaat immers
een kans dat X het reeds aanhangige beroep handhaaft (bijvoorbeeld omdat hij meent door de oorspronkelijke
dwangsombeschikking schade
te hebben geleden) en tegelijkertijd bezwaar maakt tegen het
nieuwe besluit (omdat hij de inrichting van de schuur niet wil wijzigen).
Dit is een onwenselijke situatie, aangezien sprake is van twee met
elkaar samenhangende zaken die niet gevoegd kunnen worden behandeld, in
ieder geval zolang niet op het bezwaar tegen de nieuwe
dwangsombeschikking is beslist. Toepassing van de bestuurlijke lus is bedoeld
om de finale beslechting van het geschil eenvoudiger en sneller te
maken, niet om het geschil voor alle belanghebbenden te compliceren.
Het vorenstaande laat
overigens onverlet dat ook problemen kunnen ontstaan als het
bestuursorgaan wél een besluit als bedoeld in artikel
6:18, eerste lid, neemt.
Bij veel
geschillen - zoals besluiten over vergunningen - zijn namelijk meer dan twee
partijen betrokken. In deze gevallen is sprake van twee categorieën belanghebbenden
- bijvoorbeeld: degene die een
vergunning heeft of wil hebben en omwonenden - met tegengestelde belangen. Herstel van een
gebrekkig besluit kan hier leiden tot een situatie waarbij de ene categorie
belanghebbenden tevreden is, maar waardoor de rechtspositie van de
andere categorie belanghebbenden wordt aangetast. Twee voorbeelden.
Voorbeeld 2
A (omwonende) stelt beroep
in tegen een aan B (vergunninghouder) verleende bouwvergunning. De rechtbank
constateert dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Burgemeester
en wethouders herstellen het gebrek,
hetgeen leidt tot de
weigering van de ter discussie staande bouwvergunning. Hiermee is de wens van A
vervuld. B heeft echter belang bij vernietiging van het nieuwe
besluit, want hij wil dat de gevraagde bouwvergunning alsnog wordt
verleend.
Voorbeeld 3
C (vergunningaanvrager)
stelt beroep in tegen afwijzing van zijn aanvraag om verlening van
een milieuvergunning, welke afwijzing voortvloeit uit een
zienswijze die door D (omwonende) tijdens de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure naar voren is gebracht. De rechtbank
constateert dat
aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Burgemeester en wethouders herstellen
het gebrek, hetgeen leidt tot verlening van de rblz.|13|
milieuvergunning. Hiermee is
de wens van C vervuld. D heeft echter belang bij vernietiging van
het nieuwe besluit, want hij wil dat de milieuvergunning alsnog
wordt geweigerd.
Ingevolge
artikel 8:1,
eerste lid (bezien in samenhang met artikel
7:1, eerste lid) moet B/D
zelfstandig beroep instellen tegen het nieuwe besluit om een rechterlijk
oordeel ter zake te verkrijgen. Voor dit soort gevallen is artikel
6:18, eerste lid,
immers niet geschreven; deze bepaling strekt slechts tot
rechtsbescherming van partijen die reeds beroep hebben ingesteld. Uit een oogpunt van
proceseconomie verdient het aanbeveling dat het beroep van B/D tegen het
nieuwe besluit wordt betrokken bij de beslechting van het geschil
dat A/C eertijds aanhangig heeft gemaakt door het instellen van beroep
tegen het besluit waarop de tussenuitspraak ziet. Stelt B/D geen zelfstandig
beroep in tegen het voor hem negatieve besluit - de weigering van de (aan
B verleende) bouwvergunning; verlening van de milieuvergunning (voor
een activiteit in de directe nabijheid van D) - dan behoort de
bestuursrechter per individueel geval te bezien of B/D toch de gelegenheid krijgt
om een
uiteenzetting te geven over de zaak, met andere woorden: of B/D op de
voet van artikel 8:26 als partij aan het geding mag deelnemen. Dit
geldt overigens ook als het bestuursorgaan de inhoud van het bestreden
besluit niet wijzigt (zodat B zijn bouwvergunning behoudt en D voorshands
gevrijwaard blijft van de door hem gevreesde activiteiten).
Wij gaan ervan uit dat de
bestuursrechters voorzieningen treffen om te bewerkstelligen dat de
diverse beroepen die uiteindelijk betrekking hebben op één
meerpartijengeschil gezamenlijk te behandelen [lees: gezamenlijk worden
behandeld, red.], door de betreffende zaken - met
toepassing van artikel 8:14, eerste lid -
te voegen. Op deze wijze wordt
verwarring over de rechtspositie van de betrokken belanghebbenden tot een
minimum teruggebracht. Specifieke richtlijnen ter zake kunnen worden
neergelegd in de Procesregeling bestuursrecht 2008
(Stcrt. 2008, 114, blz.
19) en de Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006 (Stcrt. 2005,
250, blz. 49). Hierbij geldt dat het gezamenlijk behandelen van twee
afzonderlijke beroepen noodzaakt tot extra vooronderzoek en een (nadere) zitting,
opdat alle belanghebbenden over en weer op elkaars stellingen en
bewijsmiddelen kunnen reageren.
Voor de goede orde merken
wij op dat een nieuw besluit pas in werking treedt indien en nadat het
overeenkomstig afdeling 3.6 Awb
is bekendgemaakt. Toezending ervan aan de
bestuursrechter is hiervoor onvoldoende.
10. Het nieuwe besluit
tijdens de procedure in hoger beroep
De hiervoor gesignaleerde
complicaties zijn te verhelpen zonder nadere wijziging van de Awb, indien
de bestuurlijke lus wordt toegepast door de bestuursrechter die in
eerste aanleg oordeelt. Deze kan immers zijn tussenuitspraak zorgvuldig
formuleren om te voorkomen dat het bestuursorgaan een nieuw
primair besluit neemt (voorbeeld 1), dan wel organisatorische maatregelen
treffen om te bewerkstelligen dat samenhangende zaken gevoegd worden
behandeld (voorbeelden 2 en 3).
Toepassing van de
bestuurlijke lus tijdens de behandeling van een hoger beroep kan echter leiden tot
een probleem waarvoor de Awb nog geen oplossing biedt. Want welk
rechtsmiddel dient te worden aangewend tegen een besluit ter
uitvoering van de door de hogerberoepsrechter gegeven tussenuitspraak?
Formeel gezien moet de belanghebbende die tegen een uitspraak heeft
geappelleerd beroep bij de rechtbank
instellen. Het hoger beroep richt zich
immers tegen de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Een nieuw besluit
wijzigt dus niet het object van het geding. De jurisprudentie (zie reeds
CRvB 14 juni 1994, AB 1995, 164, en ABRvS
21 oktober 1996, RAwb 1997,
33) heeft echter bepaald dat een vervangend rblz.|14|
besluit in de zojuist
geschetste zin moet worden getoetst door de bestuursrechter die het hoger beroep
beoordeelt. Daartoe wordt verwezen naar artikel
6:24, welke bepaling
de artikelen 6:18 en 6:19 van overeenkomstige toepassing verklaart op
hogerberoepsprocedures.
Deze jurisprudentie biedt
echter geen soelaas voor de situaties waarin het nieuwe besluit negatief
uitpakt voor anderen dan degene die hoger beroep heeft ingesteld. In
zoverre verwijzen wij naar de beschouwingen ter zake in de vorige
paragraaf, waar aan de hand van de voorbeelden 2 en 3 de beperkingen van
artikel 6:18, eerste lid, zijn geschetst. Op grond van
één en ander zien wij
voldoende reden voor het - in artikel 8:13a
- opnemen van een verplichting
voor de rechtbank om zaken over besluiten waartegen reeds een hoger
beroep aanhangig is door te verwijzen naar de hogerberoepsrechter.
II.
Artikelsgewijs
Artikel I
Onderdeel
A
Artikel 8:13a
Niet alleen de
rechtbank,
maar ook de hogerberoepsrechter is bevoegd tot toepassing van artikel
8:51a. Als het bestuursorgaan naar aanleiding van de tussenuitspraak een nieuw
"herstellend" besluit neemt, kan dit leiden tot processuele complicaties
indien dit besluit uitpakt in het nadeel van een andere belanghebbende
dan degene die hoger beroep heeft ingesteld. In zoverre zij verwezen naar
paragraaf 10 van het algemeen deel van deze toelichting.
Daarom achten wij het van
belang om te voorkomen dat een in opdracht van een hogerberoepsrechter
genomen besluit wordt getoetst door de rechtbank. In zo’n geval
buigen zich immers twee bestuursrechters over de vaststelling van één
publiekrechtelijke rechtsbetrekking, hetgeen verwarrend is voor partijen,
zeker als dit leidt tot twee met elkaar tegenstrijdige uitspraken. Het huidige
stelsel voorziet echter niet (altijd) in concentratie van
rechtsmacht, waaraan behoefte bestaat als een hogerberoepsrechter de bestuurlijke lus toepast.
Gezien het vorenstaande zien
wij voldoende aanleiding om een "verwijsplicht" aan de rechtbank op te
leggen indien een belanghebbende een bestuursrechtelijk
rechtsmiddel aanwendt tegen een besluit waarover - via de band van een
uitspraak van de rechtbank - een geschil aanhangig is bij de
hogerberoepsrechter.
Onderdeel
B
Artikel 8:51a
Eerste lid
De bestuurlijke lus is
bedoeld als een middel om een definitieve beslechting van het geschil te
bevorderen, door het bestuursorgaan de gelegenheid te bieden om gebreken in het
bestreden besluit nog tijdens de beroepsprocedure te
herstellen. Onder een gebrek moet hier worden verstaan: een strijdigheid
met een geschreven of ongeschreven rechtsregel die kan leiden tot
vernietiging van het bestreden besluit indien deze niet tijdens de
beroepsprocedure wordt weggenomen. Hiermee is overigens niet gezegd dat een
vernietiging van het oorspronkelijke bestreden besluit achterwege blijft na
herstel van het in de tussenuitspraak genoemde gebrek. In zoverre
zij verwezen naar paragraaf 7 van het algemeen deel van deze toelichting.
Het gaat om een bevoegdheid.
De bestuursrechter is bij constatering van rblz.|15|
een gebrek dus niet
verplicht om de bestuurlijke lus toe te passen. Zo heeft gebruik van deze
bevoegdheid feitelijk geen zin als het bestreden besluit lijdt aan een gebrek
dat naar zijn aard niet herstelbaar is. Hierbij valt onder meer te denken
aan de situatie waarin de bestuursrechter bij de toetsing van een
boetebeschikking oordeelt dat geen sprake is van een overtreding of dat de
aangeschrevene niet als overtreder valt aan te merken. Het volgen van zo’n
oordeel heeft tot gevolg dat de in geding zijnde boetebeschikking hoe
dan ook moet worden herroepen, en daarmee dat het veel meer in
de rede ligt om zelf in de zaak te voorzien op de wijze zoals omschreven in
artikel 8:72, vierde lid. Evenzeer mogelijk is dat de bestuursrechter kiest
voor het passeren van een formeel gebrek (artikel
6:22) of het in
stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit (artikel
8:72,
derde lid).
Daarnaast is denkbaar dat na
de constatering van een op zichzelf herstelbaar gebrek toepassing van de
bestuurlijke lus niet de voorkeur verdient. Zo bestaat de mogelijkheid
dat de feitelijke en/of juridische situatie inmiddels aanzienlijk is gewijzigd en
dat de bestuursrechter om deze reden geen toepassing geeft aan
artikel 8:72, vierde lid, onderdeel b (nieuw). In zo’n geval valt normaliter
niet goed te overzien of herstel van het gebrek binnen redelijke tijd
mogelijk is, aangezien dan meestal een geheel nieuwe
voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd (vgl. ABRvS
27 september 2006, JB
2007/4; ABRvS 6 december 2006, AB 2007, 200 m.nt. B.W.N. de Waard). In
dit kader wijzen wij met name op de situatie waarin het oordeel van de
bestuursrechter noodzaakt tot het betrekken van derden - dit wil
zeggen: belanghebbenden die (nog) niet als partij aan het geding deelnemen
- bij
de voorbereiding van het nieuwe besluit. Paragraaf
9 van het algemeen deel van deze toelichting maakt duidelijk dat en hoe derden door
toepassing van de bestuurlijke lus en een daarop gebaseerd herstel van een
gebrekkig besluit nadeel kunnen ondervinden. Verder kan reeds tijdens de
comparitie- of bodemzitting (respectievelijk artikel
8:44, eerste lid, en
artikel 8:56) duidelijk worden dat het bestuursorgaan een gelegenheid tot
wijziging van het bestreden besluit niet wil benutten, c.q. dat het
bestuursorgaan tegen een negatief oordeel over het bestreden besluit hoger
beroep zal instellen. In zo’n geval is het beter om direct een einduitspraak te
doen, zodat de hogerberoepsrechter zo spoedig mogelijk het ter
discussie staande oordeel van de rechtbank
kan toetsen.
Het vorenstaande moge
duidelijk maken dat de rechtbank bij constatering van een gebrek per
individueel geval moet bezien welke handelwijze naar verwachting het meest
bijdraagt aan een rechtmatige afronding van besluitvorming binnen een
redelijke termijn (zie hierover ook K.A. van der Veer en A.T. Marseille,
Besluitvorming na een rechterlijke vernietiging: de achilleshiel van het
bestuursrecht, NJB 2006, blz. 2168-2175). Hieraan voegen wij nog toe dat
de
bestuurlijke lus voor bestuursorganen geen vrijbrief mag worden om procedurele
waarborgen stelselmatig te veronachtzamen onder het motto: wij gaan
pas repareren als iemand beroep instelt. Bij de keuze voor het al dan
niet toepassen van een bestuurlijke lus beschikt de bestuursrechter
dus over een ruime mate van vrijheid. In dit kader stipuleren wij dat
artikel 8:51a reeds voorafgaand aan het onderzoek ter zitting kan worden
toegepast. Hierbij past de kanttekening dat de kans op een bestuurlijke lus
- lees: het nemen van een vervangend besluit - die niet alle gebreken in de
besluitvorming verhelpt, stijgt naarmate de bestuursrechter in een
eerder stadium van de beroepsprocedure toepassing geeft aan artikel 8:51a.
Tegelijkertijd signaleren wij dat de wenselijkheid om alle gebreken te
benoemen groter wordt naarmate de procedure verder is gevorderd c.q.
langer duurt. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van
deze toelichting.
rblz.|16|
Tweede lid
Het noemen van een termijn
waarbinnen het bestuursorgaan de nodige helderheid moet verschaffen,
is nodig om de regie bij de voortgang van de beroepsprocedure in
handen van de bestuursrechter te laten en aldus om te verzekeren dat het
geschil binnen een redelijke termijn definitief wordt beslecht.
De termijn voor herstel moet
zo kort mogelijk zijn, met dien verstande dat het bestuursorgaan een
redelijke kans behoort te krijgen om het gebrek op een juridisch
aanvaardbare wijze te herstellen. Daarom hebben wij ervoor gekozen om geen vaste
termijn in de wet op te nemen, aangezien herstel van het ene gebrek
(zoals het laten verrichten van een aanvullend onderzoek naar de
luchtkwaliteit) meer tijd vergt dan het andere (zoals het repareren van een eenvoudig
bevoegdheidsgebrek). De praktijk zal moeten uitwijzen welke
termijnen in het algemeen redelijk zijn. Te gelegener tijd kunnen nadere
richtlijnen worden neergelegd in de Procesregeling
bestuursrecht 2008 (Stcrt.
2008, 114, blz. 19) en de Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006 (Stcrt. 2005, 250, blz. 49).
Om rekening te kunnen houden
met onvoorziene ontwikkelingen, heeft de bestuursrechter de
bevoegdheid om de termijn voor herstel van het geconstateerde gebrek te
verlengen. Het spreekt vanzelf dat van deze bevoegdheid een terughoudend
gebruik moet worden gemaakt. Naar ons oordeel - wij zoeken hier
aansluiting bij hetgeen artikel 4, eerste lid,
Procesregeling bestuursrecht 2008 reeds bepaalt voor andere termijnen
- ligt het in de rede dat de
bestuursrechter slechts beziet of aanleiding bestaat tot verlenging van
de geboden hersteltermijn indien daarom door het bestuursorgaan
schriftelijk en gemotiveerd wordt verzocht binnen de zojuist bedoelde termijn.
Artikel 8:51b
Eerste lid
Het bestuursorgaan is
gehouden om te allen tijde zo spoedig mogelijk aan te geven hoe wordt omgegaan
met de tussenuitspraak, dus ook als het geen vervangend besluit wil
nemen. Met name voor deze situatie is het eerste lid geschreven. Het
verschaffen van duidelijkheid ter zake bevordert een efficiënt verloop van
de beroepsprocedure. In zoverre zij ook verwezen naar (de toelichting op)
artikel 8:57 (nieuw).
Het bestuursorgaan kan
ervoor kiezen om geen gebruik te maken van de gelegenheid tot herstel van
door de bestuursrechter geconstateerde gebrek. Zo’n handelwijze
leidt als regel echter tot gegrondverklaring en vernietiging van het
bestreden besluit en dientengevolge tot tot de plicht om - ook zonder
uitdrukkelijke opdracht van de bestuursrechter! - een nieuw besluit te nemen in
overeenstemming met de einduitspraak (ABRvS 31 juli 2002, JB
2002/277; CRvB 16 januari 2003, JB 2003/72). De vernietiging van het
bestreden besluit heeft immers terugwerkende kracht, zodat het wordt
geacht nooit te hebben bestaan (artikel 8:72, tweede lid), terwijl hoger
beroep - behalve in het belastingrecht en het socialezekerheidsrecht - de werking van de aangevallen uitspraak niet opschort.
In de einduitspraak kan
worden gegrepen naar krachtiger middelen om het bestuursorgaan te
bewegen tot herstel van het gebrek. De bestuursrechter kan in het dictum een
termijn noemen waarbinnen het vervangende besluit moet zijn genomen (artikel
8:72, vijfde lid) en aan overschrijding van deze termijn een
dwangsom verbinden (artikel 8:72, zevende lid). Of aanleiding
bestaat tot het inzetten van dergelijke middelen, staat per individueel geval
te bezien. Naar huidig recht kan de bestuursrechter op dit punt
maatwerk verrichten, en wij zien geen reden om hierin verandering te
brengen.
Eén en ander laat onverlet
dat het bestuursorgaan hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank
kan instellen, met de mogelijkheid om rblz.|17|
tijdens de
hogerberoepsprocedure te vragen om een voorlopige voorziening teneinde tot nader order
niet te hoeven voldoen aan de opdracht van de rechtbank.
Tweede lid
Het tweede lid ziet op de
situatie waarin het bestuursorgaan wel gebruik maakt van de gelegenheid tot
herstel van het door de bestuursrechter geconstateerde gebrek. Deze
bepaling benadrukt het belang van tijdige en adequate informatie aan de
bestuursrechter met het oog op een zo snel mogelijke - definitieve - beslechting van het geschil. In zoverre zij ook gewezen op artikel
6:18,
tweede lid.
Het bestuursorgaan kan het
gebrek wegnemen door middel van een nieuw besluit dan wel op een
andere wijze. In zoverre zij verwezen naar de paragrafen 7 tot en met 10
van het algemeen deel van deze toelichting.
Derde lid
Het beginsel van hoor en
wederhoor brengt met zich dat de rechter na ontvangst van het gewijzigde
besluit of een ander schriftelijk stuk de overige partijen de
gelegenheid moet bieden op dit stuk te reageren; zie ook paragraaf 8 van het
algemeen deel van deze toelichting. Het derde lid waarborgt dat dit beginsel
geen geweld wordt aangedaan. Zie overigens ook de toelichting op
artikel 8:57 (nieuw). De bestuursrechter stelt daarbij een termijn voor de
schriftelijke reactie van de overige partijen.
Om rekening te kunnen houden
met onvoorziene ontwikkelingen, heeft de bestuursrechter de
bevoegdheid om beide termijnen op verzoek van het bestuursorgaan te verlengen.
Het spreekt vanzelf dat van deze bevoegdheid een terughoudend gebruik
moet worden gemaakt.
Artikel 8:51c
Partijen moeten zo snel
mogelijk weten wat zij van de bestuursrechter kunnen verwachten. Bovendien
vormt de plicht om partijen te informeren over de voortgang van de
beroepsprocedure, voor de bestuursrechter een extra aansporing om de
beroepszaak binnen een redelijke termijn af te wikkelen. Het is namelijk
van belang om te voorkomen dat zaken waaraan vaak - wegens het
vooronderzoek ter voorbereiding van een tussenuitspraak - toch al veel tijd is
besteed nodeloos lang "op de plank" blijven liggen. Overigens gaat het
hier om een termijn van orde, zodat aan overschrijding ervan geen rechtstreekse
juridische consequenties zijn verbonden.
Wij kunnen ons voorstellen
dat de Procesregeling bestuursrecht 2008 (Stcrt. 2008, 114, blz. 19)
en de Procesregeling bestuursrechtelijke
colleges 2006 (Stcrt. 2005,
250, blz. 49) worden aangevuld met een bepaling over de termijn waarbinnen
de bestuursrechter partijen informeert over het vervolg van de
beroepsprocedure na het doen van de tussenuitspraak.
Onderdeel
C
Artikel 8:57
Algemeen
Het
- uit artikel 6 EVRM
te destilleren - verdedigingsbeginsel eist dat partijen de gelegenheid
krijgen om hun belangen mondeling ten overstaan van een onafhankelijke
rechter te bepleiten. Dit betekent dat partijen als regel in ieder geval
één keer moeten worden uitgenodigd om een zitting van de
bestuursrechter bij te wonen (artikel 8:56), tenzij blijkt dat een mondelinge behandeling
van het beroep niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De
redenen om een zitting achterwege te mogen laten, staan limitatief
opgesomd in artikel 8:54, eerste lid. De
bestuursrechter rblz.|18|
die de bestuurlijke
lus wil toepassen, moet zich hiervan bewust zijn. Hij kan dit immers - zie ook
paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting
- in elke
stand van de procedure doen, dus zowel voorafgaand aan een zitting als na
afloop ervan.
De bestuursrechter die de
gelegenheid tot herstel van een gebrek in het bestreden besluit biedt
vóór de verzending van de uitnodiging als bedoeld in artikel
8:56, moet erop
rekenen dat een zitting zal plaatsvinden. Zowel artikel 8:56 als artikel 6
EVRM laten hem wat dit betreft geen keuze.
Men kan zich afvragen of het
strak vasthouden aan een mondelinge afronding van het onderzoek voor de
hand ligt als de bestuursrechter na afloop van de eerste zitting
toepassing geeft aan artikel 8:51a. Dan bestaat immers een kans dat partijen zich
hebben kunnen uitlaten over alle relevante aspecten van de zaak en dat
de stukken na(ar aanleiding van) de bestuurlijke lus daaraan niets wezenlijks
toevoegen. In dit soort gevallen leidt een nadere zitting slechts tot
een nodeloze vertraging van de beroepsprocedure. Bedenk hierbij dat de
bestuursrechter is gebonden aan zijn tussenuitspraak.
Daarom achten wij het
wenselijk om de bestuursrechter voldoende mogelijkheden te geven om te bepalen dat
een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft,
bijvoorbeeld om te voorkomen dat een partij de zitting ge- c.q. misbruikt om de
finale beslechting van het geschil uit te stellen en aldus de realisering van een
haar onwelgevallig project te vertragen. Naar ons oordeel rechtvaardigt
dit risico een zekere nuancering van het - in de huidige artikelen 8:57 en
8:64, vijfde lid, verwoorde - uitgangspunt dat alle partijen zich desgewenst
mondeling kunnen uitlaten over alle stukken die na afloop van een eerdere
zitting zijn overgelegd (vgl. PG Awb II, blz. 173 en 455). Bovendien
garandeert artikel 8:51b, derde lid, dat partijen hoe dan ook schriftelijk kunnen
reageren op stukken die na en naar aanleiding van de bestuurlijke lus
worden ingediend.
Eerste lid
Het voorgestelde eerste lid
is - tekstueel nagenoeg en qua strekking geheel - identiek aan de
eerste volzin van het thans geldende artikel
8:57.
Tweede lid
Het tweede lid ziet op de
situatie waarin de bestuursrechter na afloop van de eerste zitting als
bedoeld in artikel 8:56, toepassing heeft gegeven aan de bestuurlijke lus. In zo’n
geval bestaat de mogelijkheid dat een nadere zitting redelijkerwijs niet
kan bijdragen aan een beoordeling van de zaak. Daartoe zij verwezen naar de
paragrafen 5 en 6 van het algemeen deel van deze
toelichting en naar
het hiervoor gestelde.
Toepassing van het tweede
lid kan verhinderen dat een partij het weigeren van toestemming voor het
achterwege laten van een nadere zitting gebruikt voor een
oneigenlijk doel zoals het traineren van de beroepsprocedure. Overigens verwachten wij dat
het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting
eerder is gerechtvaardigd in geval van een tweepartijengeschil dan in
een meerpartijengeschil.
Als het gaat om een
tweepartijengeschil, heeft de eisende partij immers vaak onvoldoende belang bij
de vernietiging van het oorspronkelijke bestreden besluit door de
bestuursrechter, aangezien dit besluit reeds door het bestuursorgaan is
teruggenomen. Maar soms ligt dit anders, bijvoorbeeld als de eisende
partij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat door haar wegens
het oorspronkelijke bestreden besluit schade is geleden (zie
bijvoorbeeld ABRvS 5 juni 2002, AB 2002, 349
m.nt. BJS; ABRvS 6 november 2002,
AB 2003, 115 m.nt. NV). In zoverre zij verwezen naar paragraaf 7
van het algemeen deel van deze toelichting. Gaat het om een
meerpartijengeschil, dan is doorgaans sprake van belanghebbenden met
tegengestelde belangen. Dit kan leiden tot situaties waarin de bestuursrechter
adequate maatregelen moet treffen om processuele complicaties zoveel mogelijk
te beperken. In zoverre zij verwezen rblz.|19|
naar paragraaf 9 van het
algemeen deel van deze toelichting en naar de toelichting op artikel
8:51a, eerste lid.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat de bestuursrechter na toepassing van de bestuurlijke lus -
ook na afloop van de eerste zitting - weer over alle in hoofdstuk 8
omschreven onderzoeksbevoegdheden beschikt. Hij kan dus onder meer
nadere vragen aan partijen voorleggen (artikel
8:45, eerste lid), een
deskundige benoemen (artikel 8:47, eerste lid) en zelfs voor de tweede keer
een bestuurlijke lus toepassen, zij het dat dit laatste - zie paragraaf 5
van het algemeen deel van deze toelichting - minder wenselijk is.
Derde lid
Het voorgestelde derde lid
is - tekstueel nagenoeg en qua strekking geheel - identiek aan de
tweede volzin van het thans geldende artikel
8:57. Hierbij is voor de
toepassing van de bestuurlijke lus het volgende van belang.
De sluiting van het
onderzoek impliceert een spoedige einduitspraak. Dit vloeit voort uit de in
artikel 8:66, eerste lid, genoemde termijn. Omdat de bestuursrechter de zaak weer
aan zich heeft getrokken, beschikt hij bij het beslissen op het beroep
(weer) over alle in artikel 8:72 genoemde uitspraakbevoegdheden.
Onderdeel
D
Artikel 8:64
De bestuursrechter kan ter
zitting tot de conclusie komen dat aan het bestreden besluit een gebrek
kleeft en dat reden voor toepassing van een bestuurlijke lus bestaat. In
dat geval heeft hij de mogelijkheid om het onderzoek ter zitting te
schorsen (artikel 8:64, eerste lid) en om bij die gelegenheid een mondelinge
tussenuitspraak te doen (artikel 8:80b, tweede lid).
Volgens de huidige tekst van
artikel 8:64, vijfde lid, mag de bestuursrechter een nadere zitting slechts
achterwege laten indien en nadat alle partijen daarvoor toestemming hebben
gegeven. Het onverkort vasthouden aan deze eis lijkt ons echter
niet opportuun na toepassing van de bestuurlijke lus. In zoverre zij verwezen
naar de toelichting op artikel 8:57 (nieuw). Daarom achten wij het
wenselijk om de bestuursrechter ook na de beslissing tot schorsing van het
onderzoek ter zitting voldoende mogelijkheden te geven om te bepalen dat
een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Met het oog hierop
wordt voorgesteld artikel 8:64, vijfde lid, te wijzigen.
Onderdeel
E
Artikel 8:72, vierde lid
Hiervoor hebben wij reeds
aangegeven dat:
- de uitspraak van de
bestuursrechter die volstaat met de gegrondverklaring van het beroep en de
vernietiging van het bestreden besluit, het bestuursorgaan in
beginsel noodzaakt tot het nemen van een nieuw vervangend besluit
(zie de toelichting op artikel 8:51b, eerste
lid), om aldus te beslissen
op hetzij een bezwaar, hetzij - als het bestreden besluit is
voorbereid met toepassing van afdeling 3.4
- een inleidende aanvraag;
- het vervangende besluit
in beginsel op dezelfde wijze moet worden voorbereid als het
vernietigde besluit (zie paragraaf 8 van het algemeen deel van deze toelichting),
met soms nodeloze vertraging van besluitvorming omtrent en
realisering van onder meer infrastructurele projecten;
rblz.|20|
- de thans bestaande - in artikel 8:72, vierde lid, genoemde
- mogelijkheden ter vermijding van dit euvel
slechts spaarzaam worden gebruikt (zie paragraaf 2 van het
algemeen deel van deze toelichting), aangezien de bestuursrechter zich -
om overigens begrijpelijke en ook valide redenen - niet vrij voelt
door het maken van beleidsmatige en politiek getinte keuzen de rol van
bestuurder te gaan vervullen.
Het zijn deze factoren die
- in onderling verband bezien - het probleemoplossend vermogen van het
bestuursprocesrecht aantasten en soms leiden tot procedures die
langer duren dan volgens (de jurisprudentie met betrekking tot) artikel 6
EVRM aanvaardbaar is.
Tevens is hiervoor al
gesteld dat:
- de bestuurlijke lus een
bijdrage kan leveren aan een slagvaardiger bestuursprocesrecht (zie de
paragrafen 1 en 3 van het algemeen deel van deze toelichting);
- te verwachten
processuele complicaties bij het herstel van het geconstateerde gebrek de bestuursrechter
kunnen weerhouden van toepassing van artikel 8:51a.
Eén en ander moge duidelijk
maken dat het behoud van "regie" over het verloop van het geschil door
de bestuursrechter soms meer of iets anders vergt dan toepassing van de
bestuurlijke lus.
Het vorenstaande heeft voor
ons aanleiding gevormd tot het creëren van een extra bevoegdheid van de
bestuursrechter, namelijk om te bepalen dat de voorbereiding van het
nieuwe besluit niet of niet geheel overeenkomstig de eisen als bedoeld in
afdeling 3.4 hoeft te geschieden. Een behoedzaam gebruik van deze
bevoegdheid kan bijdragen aan vergroting van slagkracht van - en
draagvlak voor - bestuursrechtspraak.
De reden om deze bevoegdheid
bij uitsluiting aan de bestuursrechter toe te kennen, is het scheppen
van een waarborg dat het nieuwe besluit voldoende zorgvuldig wordt
voorbereid en geen afbreuk doet aan de rechtsbescherming van
belanghebbenden. De thans voorgestelde formulering van artikel
8:72, vierde
lid, stelt de bestuursrechter in staat om in het dictum van zijn
einduitspraak maatwerk te leveren dat het algemeen belang bij een zo zorgvuldig
mogelijke besluitvorming dient zonder de belangen van derden bij
snelle besluitvorming en duidelijkheid uit het oog te verliezen.
Onderdeel
F
Artikel 8:80a
Eerste lid
Toepassing van de
bestuurlijke lus veronderstelt dat het bestreden besluit één of meer gebreken
vertoont. Dit behoort tot uitdrukking te komen in de overwegingen van de
tussenuitspraak.
De bestuursrechter kan in de
overwegingen van zijn tussenuitspraak ook een oordeel over een kwestie
van openbare orde (zoals de ontvankelijkheid van een bepaald beroep of
bezwaar) vellen en bepaalde standpunten van partijen volgen of
verwerpen. In zoverre kan de tussenuitspraak materieel gezien eindbeslissingen
bevatten. Dergelijke beslissingen binden de bestuursrechter bij de
einduitspraak; hij kan daarop niet meer terugkomen (vgl. D. Roffel, Het laatste
woord. De bindende eindbeslissing in het tussenvonnis, Tilburg:
Celsus 2007, blz. 43-61).
Het dictum van de
tussenuitspraak moet zich echter beperken tot de beslissing dat de
bestuurlijke lus wordt toegepast (artikel 8:51a, eerste lid), met vermelding van de
termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen (artikel 8:51a, tweede
lid) en eventueel welk onderdeel van de uniforme openbare
voorbereidingsprocedure bij het herstel rblz.|21|
van het gebrek niet hoeft te
worden gevolgd (vgl. artikel 8:72, vierde lid, onderdeel b (nieuw)).
Dit betekent dat het oordeel
over het (on)gegrondheid van het beroep en de beslissing over
vergoeding van griffierecht en proceskosten thuishoren in het dictum van de
einduitspraak. Hierbij moet worden bedacht dat de bestuursrechter eerst
aan de hand van de reactie van het bestuursorgaan op de tussenuitspraak
c.q.
de gelegenheid tot herstel van het gebrek adequaat kan bezien
welk lot het beroep en het bestreden besluit zijn beschoren, en in het
verlengde hiervan dat de bestuursrechter na toepassing van artikel 8:51a
nog steeds beschikt over alle uitspraakbevoegdheden die hem in afdeling 8.2.6
zijn toegekend. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 7
van het algemeen deel van deze toelichting en naar de toelichting op
artikel 8:57, tweede lid (nieuw).
Tweede lid
De in het tweede lid
geformuleerde eis vloeit voort uit de behoefte van partijen aan duidelijkheid
over hetgeen de bestuursrechter precies van het bestuursorgaan verwacht.
Allereerst en vooral behoort
de tussenuitspraak duidelijk te vermelden met behulp van welke
maatregel(en) het gebrek kan worden hersteld: door het nemen van een
vervangend besluit, het laten verrichten van (aanvullend) onderzoek of
het verschaffen van een (nadere) toelichting. Op deze wijze kan de
bestuursrechter veel verwarring - en een nieuwe bestuurlijke lus of een
"kale" vernietiging van het bestreden besluit - voorkomen. Hierbij past de
kanttekening dat de aanwijzingen over het herstel van het gebrek geen
betrekking mogen hebben op de concrete inhoud van het besluit, het
onderzoek of de toelichting, in ieder geval voor zover het bestuursorgaan nog
beschikt over een te rechtens te respecteren beleids- of
beoordelingsvrijheid.
Daarnaast is de
tussenuitspraak ook het middel om aan te geven of - en zo ja, indien mogelijk,
welke - derden bij het herstel van het gebrek moeten worden betrokken,
zeker als de bestuursrechter in een meerpartijengeschil oordeelt dat een nieuw
besluit noodzakelijk is. Mede aan de hand hiervan kan de
bestuursrechter bepalen of wederom een (volledige) uniforme openbare
voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) moet worden gevolgd.
Verder ligt het op de weg
van de bestuursrechter om te bewerkstelligen dat het bestuursorgaan bij
het herstel van het gebrek de grenzen van het geding in acht neemt, zoals
reeds is aangegeven in de toelichting op artikel 8:51b, tweede
lid.
Anders bestaat het gevaar dat het nieuwe besluit niet (alleen) het bestreden
besluit vervangt, maar (daarnaast) een geheel andere rechtsbetrekking
vaststelt. In zoverre zij verwezen naar paragraaf 7 van het algemeen deel van
deze toelichting.
Derde lid
Het derde lid regelt de
inhoud van de tussenuitspraak nader. Deze moet uiteraard ook aangeven wat
er aan het bestreden besluit schort, alsmede welke rechtsregels of
rechtsbeginselen daarbij zijn geschonden (artikel
8:77, tweede lid). De eis dat
wordt vermeld in hoeverre het bestreden besluit in strijd met het recht is
genomen, drukt uit dat de bestuursrechter zoveel mogelijk alle aangevoerde
gronden moet bespreken. In dit kader zij ook verwezen naar hetgeen in
paragraaf 5 van het algemeen deel van deze toelichting is gesteld over
de wenselijkheid om te volstaan met één bestuurlijke lus.
Artikel 8:80b
Eerste lid
Het eerste lid maakt
duidelijk dat de bestuursrechter de bestuurlijke lus ook in een zeer vroeg
stadium van de beroepsprocedure kan toepassen. rblz.|22|
Dat
hieraan behoefte kan bestaan, is reeds aangegeven in paragraaf 5 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Tweede lid
Het tweede lid stelt buiten
twijfel dat de bestaande mogelijkheid om onmiddellijk of kort na de
zitting mondeling uitspraak te doen (artikel
8:67) ook bij de tussenuitspraak
kan worden benut.
Derde lid
Ingevolge het derde lid is
de bestuursrechter - ook ambtshalve - bevoegd een voorlopige voorziening
treffen. Zo kan het wenselijk zijn om het gebrekkig geachte besluit in
een vroegtijdig stadium van de beroepsprocedure te schorsen in afwachting
van herstel van het geconstateerde gebrek, zonder de noodzaak
om te wachten op een afzonderlijk verzoek van een belanghebbende (artikel
8:81, eerste lid) of de einduitspraak (artikel
8:72, vijfde lid).
De mogelijkheid om de
voorziening ambtshalve te treffen, valt te beschouwen als een vorm van aanvulling
van de rechtsgronden (artikel 8:69, tweede lid). De eisende
partij wordt bij het instellen van beroep immers geacht te streven naar
vernietiging (artikel 8:72, eerste lid) of herroeping
(artikel 7:11, tweede lid, juncto artikel 8:72, vierde lid) van het besluit waartegen zij ageert. In dit kader
ligt het vaak in de rede dat de eisende partij de voor haar nadelige
effecten van het bestreden besluit zo beperkt mogelijk - en dus de werking van
dit besluit zo kort mogelijk - wil houden.
Vierde lid
De voorlopige voorziening
vervalt uiterlijk op het moment waarop de einduitspraak wordt gedaan.
De voorlopige voorziening wordt immers getroffen in afwachting van
een gewijzigd besluit en een oordeel van de bestuursrechter daarover.
Indien het bestuursorgaan niet overgaat tot herstel van gebreken, zal de
bestuursrechter het besluit vernietigen; in zo’n geval bestaat evenmin
reden de door deze rechter getroffen voorlopige voorziening te laten
voortduren.
Artikel II
Artikel II bepaalt voor
belastingzaken uitdrukkelijk dat tegen de tussenuitspraak als bedoeld in
artikel
8:80a, hoger beroep kan worden ingesteld, maar slechts tegelijkertijd
met het hoger beroep tegen de einduitspraak inzake het geschil dat
aanleiding tot de betreffende tussenuitspraak heeft gegeven.
Uitsluiting van tussentijds
hoger beroep achten wij nodig, omdat het reeds tijdens de
beroepsprocedure aanwenden van rechtsmiddelen tegen een tussenuitspraak zou
leiden tot ongewenste processuele complicaties en een verlenging van de
procedure bij de rechtbank.
De voorgestelde formulering
van artikel 27h, derde lid (nieuw), [van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, red.] maakt duidelijk dat een
tussenuitspraak moet worden onderscheiden van zowel een einduitspraak in de zin
van afdeling 8.2.6 als een ("vormvrije") procesbeslissing.
Overigens kan een
belanghebbende door ook het instellen van hoger beroep tegen de
einduitspraak bewerkstelligen dat de hogerberoepsrechter een oordeel velt over de
tussenuitspraak waarop de aangevallen uitspraak (mede) is
gebaseerd. Dit vereist een grief met betrekking tot de overwegingen van de
rechtbank die op de gewraakte tussenuitspraak zijn gebaseerd.
Artikelen III tot en met V
Deze artikelen bevatten de
aanpassingen van de wetten die het procesrecht regelen voor respectievelijk
de Centrale Raad van Beroep (hierna: rblz.|23|
CRvB), het
College van
Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) en de Afdeling bestuursrechtspraak
voor de Raad van State (hierna: ABRvS).
Onderdelen A en C
Het voorstel bepaalt dat de
zojuist genoemde bestuursrechters aan het bestuursorgaan een opdracht
tot herstel van het gebrek kunnen verstrekken, zowel in eerste aanleg (onderdeel
A) als in hoger beroep (onderdeel C).
De reden om te kiezen voor
het geven van een opdracht - en niet voor het in de gelegenheid stellen
- tot herstel van het gebrek is dat de CRvB, het
CBb en de ABRvS rechtspreken
in hoogste aanleg. Dit betekent dat de oordelen van deze
bestuursrechters niet kunnen worden teruggedraaid, en daarmee dat het
bestuursorgaan zich onder geen enkele voorwaarde kan onttrekken aan
maatregelen om het gebrek te herstellen. De tussenuitspraak is immers ook voor de
hogerberoepsrechter bindend. Gelet op één en ander vervalt een
belangrijk deel van de processuele waarde van de weigering om een gebrek te
herstellen. Bovendien denken wij dat het gezag van (de door) een
hogerberoepsrechter (gedane tussenuitspraak) wordt aangetast indien de
wettekst zelf suggereert dat het bestuursorgaan de in de tussenuitspraak
neergelegde overwegingen van de hogerberoepsrechter kan negeren.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat het gerechtshof weliswaar in hoger beroep oordeelt over
belastingzaken, maar niet in hoogste aanleg. Dat doet de Hoge
Raad.
Daarom zien wij onvoldoende aanleiding om de Algemene
wet inzake rijksbelastingen te wijzigen conform de onderdelen A en
C van de artikelen III
tot en met V.
Onderdeel B
Ook voor de terreinen die
tot de bevoegdheid van de CRvB, het CBb
en de ABRvS horen, wordt geregeld
dat tegen de tussenuitspraak van de rechtbank
c.q. de toepassing van de
bestuurlijke lus geen tussentijds hoger beroep openstaat. In
zoverre zij verwezen naar de toelichting op artikel II.
Artikel VI
Aan een afzonderlijke
regeling van de bestuurlijke lus in de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht
bestaat niet langer behoefte.
Artikel VII
Aan een afzonderlijke
regeling van de bestuurlijke lus in de Wet
milieubeheer bestaat niet langer
behoefte.
Het is echter wel nodig om
te garanderen dat over het lot van het nationaal toewijzingsbesluit als
bedoeld in artikel 16.29, eerste lid, van de Wet
milieubeheer, gelet op de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13
oktober 2003 (nr. 2003/87/EG) en de beschikking van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 29 januari 2004 (nummer
2004/156/EG) met bepalingen over handel in, bewaking van en rapportage
over emissies van broeikasgassen. Dit vereist een bepaling die
uitdrukkelijk bepaalt wanneer de ABRvS uitspraak moet hebben gedaan. In
zoverre zij ook verwezen naar de Implementatiewet EG-richtlijn handel in
broeikasgasemissierechten (Wet van 30 september 2004, Stb.
2004, 511) en de memorie van toelichting bij het voorstel van die wet
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 565, nr. 3, blz. 9-11).
Het vorenstaande impliceert
overigens dat de ABRvS tijdens een beroepsprocedure slechts eenmaal toepassing
aan de bestuurlijke lus mag geven en in het verlengde
hiervan dat zij alle gebreken van het bestreden besluit in de eerste - en
dus enige - tussenuitspraak moet geven. Alleen op deze wijze kunnen de Minister van VROM en de
Minister van EZ voldoende duidelijkheid
krijgen over de manier om het bestreden nationaal rblz.|24|
toewijzingsbesluit
tijdig te wijzigen (vgl. Kamerstukken II 2003-2004, 29 565, nr. 3, blz. 132).
Artikel IX
Omdat naar verwachting
regelmatig naar dit wetsvoorstel zal worden verwezen, is een citeertitel
opgenomen.
Vermeij
Koopmans
Neppérus