1.1. Aanleiding
Het voorliggende
wetsvoorstel vormt de uitwerking van de omslag in beleid en denken over
jongeren met een beperking. In de huidige wetgeving ligt de nadruk vooral op wat
jongeren níet kunnen. Daarom komen zij in aanmerking voor zorg,
voor (financiering van) extra ondersteuning in het onderwijs en - vanaf
de leeftijd van 18 jaar - voor een levenslange uitkering op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het kabinet draait
dit om: vooropstaat wat een jongere wel kan. Dat is dan
ook het uitgangspunt van het nieuwe beleid. De wetgeving dient daarop te
worden aangepast. Deze wordt zo ingericht dat jongeren met een
beperking een grotere kans hebben op betaalde arbeid, zodat zij actief
kunnen deelnemen aan de samenleving. Het belangrijkste doel van het
wetsvoorstel is dan ook om jongeren met een beperking te ondersteunen
bij het vinden en behouden van een baan bij een reguliere werkgever. Dit
bevordert de emancipatie en integratie in de samenleving van jongeren met
een beperking beter dan door hen af te schermen. Stempels en stigma’s
dienen te worden voorkomen. Alle jongeren dienen gelijk te
worden behandeld en gelijke kansen te hebben. Er is alleen plaats voor
onderscheid indien en voor zover dat nodig is bij het vinden en behouden van
arbeid. In het wetsvoorstel staat daarom het recht op
arbeidsondersteuning centraal, en niet het recht op een uitkering. Daarnaast blijft de Wajong
de functie van inkomensvangnet houden voor diegenen die geen
arbeidsperspectief hebben. Voor jongeren die door hun rblz.|2|
beperkingen in het
geheel niet kunnen werken, dat wil zeggen degenen die volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt zijn, staat inkomensbescherming voorop. Zij
hebben immers geen perspectief meer om nu of in de toekomst met arbeid
(zelfstandig) een inkomen te verwerven. Daarom ontvangen zij een
uitkering waarmee ze in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
Om het bovengenoemde doel te
bereiken, is een verandering van de uitvoeringspraktijk nodig. Dit wordt
mogelijk gemaakt door de in dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen
van de Wajong.
Het wetsvoorstel is een
uitvloeisel van het kabinetsstandpunt van 28 september 2007 ¹ en de
notitie met bijbehorende aanbiedingsbrief van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2008.²
1. Kabinetsstandpunt
Participatie jongeren met een beperking, Kamerstukken II 2007-2008, 31
224, nr. 1, naar aanleiding van de Sociaal-Economische
Raad, Meedoen zonder
beperkingen - meer
participatiemogelijkheden voor jonggehandicapten, publicatienummer 6, 24
augustus 2007.
2. Vergroting participatie van jongeren met een beperking, Kamerstukken
II 2007-2008, 31 224, nr. 25.
Zoals uit die stukken
blijkt, is speciale aandacht nodig voor de sterk groeiende groep
jongeren die een beroep doet op de Wajong. In de afgelopen vijf jaar is
de jaarlijkse instroom verdubbeld. Niets wijst erop dat de oorzaak van
deze groei komt door een groei van ernstige ziektes of handicaps. Er is
hooguit sprake van sterke toename van het aantal jongeren met lichtere
beperkingen. De oorzaken liggen dan ook veeleer in de toenemende
complexiteit van de samenleving, waar een lichte beperking al snel
gezien wordt als een grote belemmering op de arbeidsmarkt, een
aanzuigende werking van de Wajong omdat de regeling bekender is
geworden, vroegere indicatiestelling en het school- en zorgsysteem
voorafgaand aan het 18e jaar, dat vooral afgestemd is op wat een jongere
niet kan en te weinig op het stimuleren van wat een jongere wel kan.
Het zijn signalen dat steeds
meer jongeren op een zijspoor raken en niet meer meedoen in de
samenleving, hoewel zij daartoe wel mogelijkheden hebben. Het kabinet
vindt dit onaanvaardbaar en wil deze kwetsbare groep daarom
ondersteuning bieden bij het vinden en behouden van werk.
Centraal in
het wetsvoorstel
staat daarom het perspectief op arbeid dat de jongere heeft en niet,
zoals de huidige Wajong, diens arbeidsongeschiktheid. Dit vergt een
verandering van houding en gedrag bij de jongere zelf, bij diens
begeleiders, bij werkgevers, bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) en in de rest van de maatschappij.
Het wetsvoorstel beoogt
primair jongeren met beperkingen (jonggehandicapten), maar die wel
perspectief hebben op het verrichten van arbeid (circa 70% van de
huidige instroom ¹), te ondersteunen bij het vinden en het behouden van
arbeid. Hiertoe strekt de in het wetsvoorstel vervatte werkregeling
jonggehandicapten. De arbeidsondersteuning kan onder meer het volgende
omvatten: begeleiding en ondersteuning bij het vinden van werk, een
werkaanbod door het UWV en/of een re-integratietraject. Als onderdeel
van de arbeidsondersteuning kunnen zij desgewenst inkomensondersteuning
aanvragen. Voor de jonggehandicapte die als gevolg van zijn ziekte
volledig en duurzaam niet (meer) in staat is om te werken, staat
inkomensbescherming voorop. Het wetsvoorstel bouwt met dit onderscheid
voort op de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1. UWV, De participatiemogelijkheden van de
Wajong-instroom, Kenniscahier
08-01, 2008.
Het bovenstaande maakt reeds
helder dat verhoging van de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten
niet alleen via deze wijziging van de Wajong tot stand zal komen. De
groei van het aantal jonggehandicapten doet zich namelijk niet alleen
voor in de Wajong, maar ook in het speciaal onderwijs, de
leerlinggebonden financiering, de jeugdzorg en de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten (persoonsgebonden budgetten).
rblz.|3|
Jongeren die gebruik maken
van deze regelingen doen meestal ook een beroep op de Wajong.
Deze wet
kan daarom niet los worden gezien van de ontwikkelingen in alle andere
regelingen die voor jongeren gelden. Voor een toename van de
arbeidsparticipatie is derhalve meer nodig dan wijzigingen in de Wajong
alleen. Het kabinet zet in op preventie, de verbetering van de
werkgerichtheid van het onderwijs aan jongeren met een beperking en een
betere overgang van school naar werk.
Parallel aan de aanpassing
van de Wajong is het kabinet voornemens het werkleerrecht in te voeren
ter bevordering van de arbeidsparticipatie van jongeren in het algemeen.
Het voorstel van Wet investeren in jongeren (WIJ) is bedoeld voor jongeren
tot 27 jaar. Ook voor hen staat werk voorop. Het voorliggende
wetsvoorstel sluit aan bij de voornemens met betrekking tot het
werkleerrecht, maar is specifiek gericht op de arbeidsparticipatie van
jonggehandicapten.
1.2. Het kabinetsstandpunt
Eind september 2007 heeft
het kabinet zijn standpunt over de arbeidsparticipatie van jongeren met
een arbeidsbeperking vastgesteld. Het kabinet heeft daarin de noodzaak
en urgentie van een andere aanpak geschetst. Verhoging van de
participatie vereist een integrale aanpak waarvan zowel preventie, een
verbeterde aansluiting van school en werk als verbeterde activering van
jongehandicapten deel uitmaken. Het kabinetsstandpunt volgt op het
advies van de Sociaal-Economische Raad (SER) en is mede gebaseerd op
onderzoek van onder andere TNO.¹
1. TNO, Toename gebruik
ondersteuning voor jongeren met een gezondheidsbeperking, 2007.
SER-advies
Op 31 oktober 2006 heeft het
kabinet de SER gevraagd advies uit te brengen over de bevordering van de
arbeidsparticipatie van jonggehandicapten. Op 24 augustus 2007 heeft de
SER zijn advies "Meedoen zonder beperkingen" uitgebracht. De SER is
voor een integrale aanpak van het participatievraagstuk en hanteert
daarbij een bredere doelgroep dan alleen de Wajong-gerechtigden.
De SER
benadrukt hierbij dat
deze doelgroep zeer heterogeen is. Er bestaat een grote verscheidenheid,
zowel binnen de categorieën van de beperkingen als bij combinaties van
beperkingen. De beleidsaanbevelingen van de SER concentreren zich op
twee hoofdlijnen:
• een betere overgang van school
naar werk; en
• perspectief op passende
participatie.
In de optiek van de
SER is
onderwijs cruciaal bij de voorbereiding van jongeren met beperkingen op
hun latere participatie op de arbeidsmarkt. Het onderwijs zou daarom
meer gericht moeten zijn op een vroegtijdige oriëntatie op en
ontwikkeling van iemands arbeidsmarktmogelijkheden.
Volgens de
SER kunnen meer
jongeren met een functiebeperking participeren in vormen van arbeid.
Voorwaarde daarbij is dat zij voldoende ondersteuning krijgen en dat er
aanpassingen mogelijk zijn in bijvoorbeeld de arbeidsduur, de
functie-inhoud, de werktijden of de werkplek. Dit perspectief op
passende participatie vertaalt zich onder andere in enkele aanbevelingen
van de SER die de activerende werking van de Wajong
moeten versterken.
Het kabinetsstandpunt
Het kabinet heeft op het
SER-advies gereageerd met het kabinetsstandpunt "Participatie van
jongeren met een beperking", dat op 28 september 2007 aan de Tweede
Kamer is gestuurd. Daarbij koos het kabinet voor een breder perspectief
dan uitsluitend een reactie op het SER-advies. Zo rblz.|4|
werden tevens de resultaten
van een op verzoek van het kabinet uitgevoerd onderzoek van TNO, een
rapport van de IWI ¹ en het maatschappelijk advies van
CWP ² betrokken.
1. Inspectie Werk en
Inkomen, Wajong en werk, 2007.
2. Commissie Werkend Perspectief, Een werkend perspectief voor jongeren
met een handicap, 2004.
Het kabinetsstandpunt richt
zich op de arbeidsparticipatie van jongeren met een beperking, en dat in
elke fase van hun leven. Zij moeten worden voorbereid op een actieve
deelname aan de samenleving en niet zomaar worden afgeschreven als ze in
de Wajong belanden. Het kabinetsmotto "samen werken, samen leven"
geeft dat ook aan: participatie is een expliciet doel van het
kabinetsbeleid. Het kabinet ziet daarbij werk als een belangrijk middel
voor ontplooiing, zingeving en integratie. Om de sociale samenhang te
versterken, wil het kabinet zowel de participatie als de zorg voor elkaar
binnen de Nederlandse samenleving bevorderen. Ten tijde van het
kabinetsstandpunt zaten er 161 000 mensen in de Wajong en het
vooruitzicht was op dat moment dat dit zou oplopen tot meer dan 300 000
in 2040.
Jongeren die kunnen werken,
moeten meer uitzicht krijgen op werk en actieve deelname aan de
samenleving. Het vinden en behouden van een baan bij een reguliere
werkgever moet vooropstaan; pas daarna komt werk in een beschermde
werkomgeving. Lukt dit ook niet, dan kunnen andere maatschappelijke
activiteiten, zoals vrijwilligerswerk, in beeld komen.
Het kabinetsstandpunt
formuleert drie actielijnen: preventie en gerichte voorbereiding op
participatie in de voorschoolse fase, verbetering van de overgang van
school naar werk en versterking van de activering van Wajong-gerechtigden.
1.3. Notitie vergroting
participatie van jongeren met een beperking
In vervolg op het
kabinetsstandpunt en de bespreking daarvan met de Tweede Kamer, is op 30
mei 2008 een uitgebreide brief en notitie aan de Tweede Kamer gestuurd
met uitgewerkte voorstellen om de participatie van jonggehandicapten te
bevorderen. Ook hierbij zijn drie actielijnen aangehouden. Hieronder
wordt ingegaan op de eerste twee actielijnen. De voorstellen in de
notitie met betrekking tot de wijzigingen in de Wajong
ter versterking
van de activering van Wajong-gerechtigden zijn uitgewerkt in dit
wetsvoorstel.
Preventie en gerichte
voorbereiding op participatie in de (voor)schoolse fase
Het toenemende beroep op de
Wajong staat niet op zichzelf. Het kabinet ziet een vergelijkbare
ontwikkeling bij andere voorzieningen in het publieke domein waarop een
steeds groter beroep wordt gedaan (zoals het speciaal onderwijs, de zorg
voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen en de provinciale
jeugdzorg). Het kabinet wil de groei van het aantal Wajong-ers keren met
investeringen in de kracht van kinderen en gezinnen. Dit gebeurt op
verschillende manieren: meer preventie, betere signalering van problemen
en meer investeren in effectieve interventies.
Jeugdzorg heeft een
belangrijke rol bij het signaleren van problemen bij jongeren met een
beperking. De toekomstige centra voor jeugd en gezin zullen bij de
gezinsondersteuning een belangrijke taak hebben. Het programmaministerie
voor Jeugd en Gezin doet onderzoek naar het gelijktijdig dan wel het
achter elkaar gebruiken van diverse voorzieningen met een zorgvraag. Dit
onderzoek zal ook beter zicht geven op de achterliggende problematiek
van Wajong-ers, zodat het preventieve jeugdbeleid daar beter op kan
inspelen. Het kader voor integraal indiceren, waarbij rblz.|5|
indicaties voor jeugdzorg, AWBZ-zorg en speciaal onderwijs worden afgestemd, zal naar verwachting
begin 2009 overal worden toegepast. Daarnaast is er een rijksbreed
programma stroomlijning indicatieprocessen om de administratieve lasten
in de uitvoering te verminderen.
Overgang van school naar
werk
Onderwijs voor jongeren met
een beperking, dat meer gericht is op arbeidsparticipatie, kan bijdragen
aan een kleiner beroep op de Wajong. Het kabinet werkt in het kader van
het programma "Passend onderwijs" aan een betere werkgerichtheid van
dat onderwijs. Een kernelement daarin is het planmatig aanpakken van de
voorbereiding en overstap van de jongere naar een baan. Jongeren die
geen reguliere startkwalificatie kunnen halen, kunnen zich middels onder
meer stages doelgericht voorbereiden op een plek op de arbeidsmarkt. Ook
worden, onder andere via ESF-middelen [ESF: Europees sociaal fonds, red.], kansrijke initiatieven voor een
vloeiende overgang van school naar werk die reeds in het veld zijn
ontstaan, ondersteund.
Daarnaast moeten scholen,
samen met partners als het UWV, zorginstellingen en
gemeenten, zorg
dragen voor een zo soepel mogelijke overgang van school naar (regulier)
werk. Vanaf 2009 wordt - in de vorm van een pilot - geëxperimenteerd met de inzet van jobcoaches tijdens stages, zodat de
overgang van school (stage) naar werk begeleid kan worden door dezelfde
jobcoach. Regionale samenwerking tussen scholen en bij
arbeidsmarkttoeleiding betrokken instanties vindt plaats in Wajong-netwerken. Voor 2009 en 2010 is jaarlijks
€|2 miljoen beschikbaar
voor projecten om de regionale samenwerking te verbeteren, om zo een
bijdrage te leveren aan een grote arbeidsparticipatie van jongeren.
1.4. De voornemens in het
kort: uitgangspunten wijziging van de Wajong
De nieuwe
Wajong
geldt voor
degenen die op of na 1 januari 2010 een aanvraag indienen. Iedereen die
vóór die datum een uitkering heeft aangevraagd en recht heeft op een
uitkering op basis van de huidige Wajong, behoudt dat recht. Voor hen
brengt het wetsvoorstel dus geen wijzigingen mee.
Het wetsvoorstel wijzigt de
citeertitel van de Wajong in de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong), omdat ook zo tot uitdrukking wordt
gebracht dat arbeidsondersteuning vooropstaat. Er is voor gekozen een
nieuw hoofdstuk 1a [2]
in de Wajong op te nemen waarin het recht op de
arbeidsondersteuning van de "nieuwe instroom" wordt geregeld. De
huidige artikelen van de Wajong blijven gelden voor de bestaande
jonggehandicapten. Dit is gerechtvaardigd omdat het nog een zeer lange
tijd duurt voordat het recht op Wajong-uitkering eindigt voor deze
laatste groep.
Het wetsvoorstel wijzigt
niet de doelgroep van de Wajong. Deze blijft bestaan uit
jonggehandicapten, dat wil zeggen jongeren die arbeidsbeperkingen hebben
als gevolg van een ziekte. Dat kan een aangeboren of een erfelijke
ziekte zijn, maar ook een ziekte die is ontstaan op jonge leeftijd (vóór
de 17e verjaardag) of later tijdens studie.
Centraal in
het wetsvoorstel
staat het recht op arbeidsondersteuning. Jonggehandicapten die kunnen
werken, krijgen maximale ondersteuning bij het vinden en behouden van
werk. Er komt een individueel participatieplan, dat wordt opgesteld met
de jongehandicapte (en eventueel diens ouders), waarin onder andere
staat wat de beste manier is om een baan te vinden, welke ondersteuning
daarbij beschikbaar is en welke rechten en plichten de jongere heeft.
Het is daarbij vanzelfsprekend dat dit plan aansluit op datgene wat er
in het onderwijs met de jongere is gebeurd. De rblz.|6|
arbeidsondersteuning kan
de vorm krijgen van werkplekaanpassingen, begeleiding en bemiddeling bij
het vinden van werk, persoonlijke ondersteuning van een jobcoach,
vervoersvoorzieningen, ondersteuning bij het starten van een eigen
bedrijf, een concreet werkaanbod, een re-integratietraject, scholing of
studie en/of inkomensondersteuning.
Evenals in de
Wet WIA wordt
onderscheid gemaakt tussen enerzijds jongeren die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt zijn en anderzijds jongeren die dat niet zijn. De
eerstgenoemde groep heeft aanspraak op een uitkering die, evenals in de huidige
Wajong, gelijk is aan 75% van het wettelijk minimumloon.
De laatstgenoemde groep kan desgewenst inkomensondersteuning ontvangen
die een aanvulling biedt op het loon, waarbij geldt dat het totale
inkomen ten minste 75% van het wettelijk minimumloon
bedraagt als de jonggehandicapte werkt of
bereid is te werken.
Het scheppen van perspectief
op arbeid houdt in dat veel minder mensen dan thans als volledig
arbeidsongeschikt zullen worden "bestempeld". In de nieuwe
werkregeling zal namelijk een groot deel van degenen die onder de huidige
Wajong volledig arbeidsongeschikt zouden zijn
verklaard een
inkomen uit arbeid verdienen. Zolang niet is gebleken dat de nieuwe
aanpak werkt en het perspectief op arbeid daadwerkelijk wordt ingevuld
met een baan, zal de inkomensondersteuning van jonggehandicapten die
bereid zijn te werken een aanvulling geven tot ten minste 75% van het wettelijk minimumloon.
Jonggehandicapten kunnen op
aanvraag inkomensondersteuning ontvangen als aanvulling op hun inkomen
uit arbeid. Deze inkomensondersteuning is zo vormgegeven dat
jonggehandicapten zoveel mogelijk zelf in hun inkomen voorzien en de
systematiek maakt het aantrekkelijk en lonend om te werken.
Jonggehandicapten krijgen
eerst de kans om zich verder te ontplooien. Een jongere is namelijk nog
volop in ontwikkeling rond zijn 18e jaar. Na de aanvraag vindt daarom
een "voorlopige" beoordeling plaats van de mogelijkheden om arbeid te
verrichten. Op de leeftijd van 27 jaar of (als de jonggehandicapte zich
na zijn 20ste jaar meldt bij het UWV) na een termijn van zeven
jaar
vindt een "definitieve" beoordeling plaats. Bij die beoordeling zal
continuering van de arbeid centraal staan.
Mocht bij de eerste
beoordeling blijken dat een jongere volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, dan staat inkomensbescherming voorop. Deze
jonggehandicapte ontvangt een uitkering ter hoogte van 75% van het wettelijk minimumloon. Ook als
tijdens de werkregeling blijkt dat iemand, anders dan aanvankelijk
gedacht, duurzaam geen perspectief heeft op arbeid, kan hij in
aanmerking komen voor deze uitkering.
Studerende of schoolgaande
jonggehandicapten die recht op arbeidsondersteuning hebben, kunnen, op
aanvraag, een passende inkomensondersteuning naast hun
studiefinanciering of tegemoetkoming scholingskosten ontvangen. Deze
inkomensondersteuning komt tegemoet aan het feit dat de jongere met een
beperking niet of minder kan verdienen naast zijn studie.
rblz.|7|
Figuur. Hoofdstromen na
wetswijziging:

Overigens zullen de vooral
technische wijzigingen in andere wetten, waarin wordt verwezen naar
artikelen in de Wajong, nog volgen. Daarnaast zal de
Toeslagenwet worden
aangepast vanwege de in de vorige alinea genoemde inkomensondersteuning
voor studerende of schoolgaande jonggehandicapten.
1.5. Leeswijzer
De hiervoor geschetste
hoofdlijnen van de wijziging van de Wajong worden in het vervolg van
deze memorie van toelichting nader uitgewerkt.
Hoofdstuk 2
beschrijft wat
arbeidsondersteuning inhoudt en wanneer daarop recht bestaat. Paragraaf
2.1 noemt de vormen van arbeidsondersteuning waar de jonggehandicapte
recht op heeft. Daarbij komen aan bod het participatieplan, de
re-integratie-instrumenten en het werkaanbod. Ook beschrijft deze
paragraaf de plichten en sancties die bij het recht op
arbeidsondersteuning horen. Paragraaf 2.2 gaat in op de
inkomensvoorziening als onderdeel van het recht op arbeidsondersteuning
en de conditionering van de inkomensondersteuning in de werkregeling. In
paragraaf 2.3 komt het ontstaan (waaronder de medische en arbeidskundige
beoordeling), het eindigen en het herleven van het recht op
arbeidsondersteuning aan de orde.
Hoofdstuk 3 beschrijft de
overige aspecten, te weten het overgangsrecht, de uitvoering en de
ontvangen commentaren en adviezen.
In hoofdstuk 4 komen tot
slot de financiële effecten van het wetsvoorstel aan de orde. Er wordt
ingegaan op de re-integratie-uitgaven, de uitvoeringskosten, de
uitkeringslasten en de administratieve lasten.
rblz.|8|
Hoofdstuk 2.
Arbeidsondersteuning
Jongeren moeten de kans
krijgen om te werken en actief deel te nemen aan de samenleving. Arbeid
biedt de mogelijkheid om "bij te blijven" in een veranderende
samenleving, een gelegenheid om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen.
Meer nog dan inkomen is arbeid een middel tot ontplooiing, zingeving en
integratie. Iedereen moet daarom kunnen meedoen. Ook jongeren met
arbeidsbeperkingen kunnen werken, mits rekening wordt gehouden met
die beperkingen.
Integratie in het
arbeidsproces van jongeren met een beperking start reeds in de
onderwijssituatie. Het onderwijs bereidt de jongeren voor op een plaats in
het
arbeidsproces en moet dat ook veel beter gaan doen. Stages kunnen daarbij een
belangrijke rol spelen. Voor deze groep worden experimenten met jobcoaches
tijdens de stages voorbereid. Zoveel mogelijk moet worden toegewerkt naar
een situatie dat de jongeren vanuit het onderwijs en vanuit de stageperiode direct aan de slag gaan bij een werkgever,
met de ondersteuning die
daarbij nodig is.
Voor jonggehandicapten die
arbeidsperspectief hebben, staan werk en de hulp en begeleiding bij het
vinden en behouden daarvan voorop. Toelating tot de Wajong
betekent dat
de betrokkene niet in staat is om op eigen kracht regulier werk te
vinden waarmee hij in zijn levensonderhoud kan voorzien: bij het vinden en
behouden van werk heeft hij ondersteuning nodig. Deze ondersteuning is
toegesneden op de individuele jongere. Het UWV
kan aan de jongere een
concreet werkaanbod doen als de jongere niet zelf een baan vindt. Om
de omslag van inkomensondersteuning naar werk te bewerkstelligen, zal
de mogelijkheid van een werkaanbod de komende jaren systematisch
ingezet moeten worden. Dit vereist uiteraard wel dat er banen beschikbaar
komen die geschikt zijn voor jonggehandicapten. Werkgevers hebben daarom een
belangrijke rol.
Het voorliggende
wetsvoorstel voorziet in meerdere vormen van arbeidsondersteuning (zoals werkaanbod,
jobcoach,
loondispensatie en werkplekvoorzieningen) voor jongeren die door hun
beperkingen problemen ondervinden bij het vinden
en uitoefenen van een baan.
2.1. Inhoud van de
ondersteuning
Deze paragraaf gaat in op de
hulp en begeleiding die voortvloeit uit het recht op
arbeidsondersteuning en op de verplichtingen die daaraan voor de jongere
verbonden zijn.
2.1.1. Participatieplan
Het participatieplan vervult
een belangrijke rol. Het plan geeft de wijze weer waarop de
arbeidsondersteuning van de jongere wordt vormgegeven. Het participatieplan geeft
concreet de (toekomstige) mogelijkheden van de jongere op de
arbeidsmarkt aan en geeft de hiervoor benodigde ondersteuning aan. Het
participatieplan geeft ook aan wat er van de jongere wordt verwacht en
welke plichten hij daarbij heeft. Eveneens worden de consequenties van niet-naleving geschetst. Het
UWV stelt het
participatieplan niet
eenzijdig op, maar doet dit in overleg met de betrokkene en eventueel diens ouders en
school. Het is immers belangrijk dat het participatieplan
naadloos aansluit op een handelingsplan dat al door de school is opgesteld. Het
UWV kan daarbij belangrijke informatie putten uit netwerkoverleggen welke
UWV met scholen of ketenpartners onderhoudt. Dergelijke Wajong-netwerken,
die rondom de schoolgaande jonggehandicapten worden georganiseerd, kunnen
bevorderen dat de overgang rblz.|9|
van school naar werk
soepel verloopt. Daarbij kan gedacht worden aan een soepele overgang via
het lopen van een stage.
De totstandkoming van het
participatieplan geschiedt in samenhang met het beoordelen van het recht
op arbeidsondersteuning. Als een jonggehandicapte arbeidsondersteuning
aanvraagt, verricht het UWV een verzekeringsgeneeskundige en
arbeidsdeskundige beoordeling om zich een beeld te vormen van de mogelijkheden van de jongere, zijn sterke en
zwakke punten. Er is altijd
sprake van maatwerk. Het participatieplan wordt gelijktijdig met het
recht op arbeidsondersteuning vastgesteld.
Het participatieplan gaat
verder dan de huidige re-integratievisie. Het participatieplan biedt
aanknopingspunten om jongeren niet alleen naar werk te begeleiden, maar ook
te borgen dat zij werk behouden. Het schetst de totale vormgeving
van de dienstverlening, inclusief de mogelijkheden die er voor de werkgever
zijn. Hoewel de inzet van werkgeversinstrumenten zoals de no-riskpolis en de
premiekortingsregeling gekoppeld is aan een specifieke dienstbetrekking, zal het participatieplan
daarover wel informatie
dienen te verstrekken. Het betreft informatie over de re-integratie-instrumenten,
waar een potentiële werkgever mogelijk aanspraak op kan maken
wanneer deze de jonggehandicapte in dienst neemt. Op basis van de
vermelding in het participatieplan kan geen aanspraak ontleend worden.
De daadwerkelijke verstrekking vindt plaats als wordt voldaan aan de
criteria die de wet hieraan stelt. Op basis van het participatieplan worden
werkgevers uitsluitend geïnformeerd over de toepassing van regelingen op
de persoon voor wie het participatieplan is opgesteld.
Net als in de
re-integratievisie zullen in het participatieplan plichten worden opgenomen. Omdat
re-integratie maatwerk is, zullen de wettelijke verplichtingen in het
participatieplan worden geconcretiseerd. Het UWV
zal bij het vaststellen van
deze concrete plichten vooraf kijken naar het vermogen en de bereidheid
van de jongere om deze verplichtingen na te leven.
2.1.2.
Re-integratie-instrumenten
Voor de bevordering van de
arbeidsparticipatie van jonggehandicapten is de inzet van
re-integratie-instrumenten vaak nodig. Voor de re-integratie van jonggehandicapten kan
gebruik gemaakt worden van algemene instrumenten die reeds
beschikbaar zijn of komen voor alle werkzoekenden met een (grote) afstand tot
de arbeidsmarkt. Hieronder vallen bestaande instrumenten,
zoals re-integratietrajecten (waaronder individuele re-integratieovereenkomsten)
en proefplaatsingen. Voorts behoren hiertoe nieuwe instrumenten,
zoals loonkostensubsidies en participatieplaatsen (die uitgewerkt zijn in het
voorstel van Wet stimulering arbeidsparticipatie) en de voorgenomen regeling
premiekorting voor ouderen.¹
1. Voorstel van Wet
tot wijziging van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige
andere wetten in verband met de invoering van een premiekorting voor het
in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het
in dienst houden van werknemers van 62 jaar of ouder,
Kamerstukken II, 2009-2009, 31 707.
Daarnaast zijn er
instrumenten voor werkzoekenden met een handicap en voor werkgevers. In de
eerste plaats zijn dat instrumenten die erop gericht zijn werkgevers te
compenseren voor lagere arbeidsproductiviteit en de betreffende werknemers
voldoende inkomen te garanderen. Daartoe kunnen de volgende bestaande
instrumenten worden aangewend: no-riskpolis, premiekorting
arbeidsgehandicapten en loondispensatie.
In de tweede plaats zijn dat
instrumenten die er met name op gericht zijn fysieke belemmeringen bij
arbeidsdeelname zoveel mogelijk weg te nemen. Daartoe kunnen de
jonggehandicapte en/of zijn werkgever aanspraak maken op
arbeidsplaatsvoorzieningen. Het gaat daarbij om aanpassingen op de werkplek
van de jonggehandicapte, om vervoersvoorzieningen en om persoonlijke hulp op
de werkplek in de vorm van een rblz.|10|
jobcoach, een doventolk of
voorleeshulp. Het betreft dan aanpassingen van de werkplek die verder
gaan dan de normale arbo-verantwoordelijkheid van de werkgever.
Dit wetsvoorstel brengt geen
ingrijpende wijzigingen aan in het huidige en reeds voorgenomen
re-integratie-instrumentarium. Er zijn in beginsel voldoende instrumenten voor
jonggehandicapten beschikbaar die de arbeidsparticipatie kunnen
bevorderen. Re-integratie is maatwerk. Dat betekent dat uit het brede scala van re-integratie-instrumenten die instrumenten
zullen worden ingezet die
voor de individuele Wajong-er het meest geschikt zijn. Wel zal het
huidige instrumentarium op een aantal punten verbeterd worden. Deels ligt
de verbetering in de uitvoering, deels zijn (op termijn) kleinere
aanpassingen van wet- en/of regelgeving vereist. Onderstaand worden de voorgenomen
verbeteringen toegelicht.
In de eerste plaats wordt de
jobcoachvoorziening verbeterd. Uit de evaluatie jobcoaching ¹ is
gebleken dat in een behoorlijk aantal gevallen de inzet van de jobcoach
uitmondt in een duurzaam, regulier dienstverband, tot volle tevredenheid van
de werknemer en werkgever. Tegelijkertijd leiden de analyses tot de conclusie dat het bereik van de regelingen
beperkt is, dat er veel
uitval en instabiliteit is en dat de kosten aan de hoge kant zijn. De evaluatie
bevat aanbevelingen om de professionaliteit en de doelmatigheid van de
jobcoaches te verbeteren. Hierover wordt overlegd met het UWV.
Eén van de
voorgenomen verbeteringen is aanpassing van het jobcoachprotocol van het
UWV om de jobcoach ook te kunnen inzetten bij jongeren die
20% van het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Nu is de grens gelegd op 35%
van het wettelijk minimumloon. Het UWV
werkt voorts aan voorstellen die de uitvoering van de jobcoachregeling
verbeteren. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan maatregelen die
leiden tot verbetering van de match tussen de aard van het werk en de
beperkingen van de werknemer. Hiervoor is geen aanpassing van de
wetgeving noodzakelijk.
1. APE, Evaluatie
jobcoaching,
2008.
In de tweede plaats worden
de mogelijkheden verruimd om een beroep te doen op voorzieningen voor
jonggehandicapten die als zelfstandig ondernemer aan de slag willen. Daarmee
wordt uitvoering gegeven aan de motie-Van Hijum.¹ Op grond
van de huidige regeling kunnen arbeidsplaatsvoorzieningen slechts voor de duur van de
re-integratieperiode naar arbeid als zelfstandige
worden verstrekt. Dit kan een belemmering zijn om te kiezen voor het zelfstandig ondernemerschap. Niet alleen voor jonggehandicapten,
maar ook voor personen met
een arbeidshandicap die in een vergelijkbare positie verkeren. Om het starten als zelfstandig ondernemer
te vergemakkelijken, wordt
het mogelijk gemaakt om ook na afloop van de re-integratieperiode
in aanmerking te blijven komen voor de arbeidsplaatsvoorzieningen
zoals vervoersvoorzieningen en doventolk. Voorts zal voor de
jonggehandicapten voor een nader te bepalen periode de inzet van een vorm van
(job)coaching mogelijk worden gemaakt wanneer zij starten als
zelfstandige. De hiervoor benodigde wijziging zal nog worden geregeld.
In de derde plaats is het
kabinet voornemens het Reïntegratiebesluit
aan te passen om het huidige
drempelbedrag van maximaal €|6000,-, dat is ingebouwd in de
subsidieregeling voor werkgevers voor de kosten van werkplekaanpassingen, te
laten vervallen. Hiermee worden de kosten van de werkgever die daarmee
gemoeid zijn, verlaagd. Daartoe zal het Reïntegratiebesluit worden
aangepast.
1. Kamerstukken II 2007-2008,
31 224, nr. 8.
2.1.3. Werkaanbod
Het
UWV zal er alles aan
doen om te voorkomen dat de jonggehandicapte lang zonder werk zit en dat
zijn afstand tot de arbeidsmarkt groter wordt. Juist voor deze doelgroep is
het van groot belang dat zij niet in een dergelijk rblz.|11|
"gat" vallen, maar
snel aan het werk gaan. In de praktijk blijkt dat velen van hen de aangeleerde
vaardigheden snel verliezen als zij geen werk hebben. Als regulier
werk op korte termijn niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de jongere daar nog
niet klaar voor is, zullen arrangementen als een stage, een participatieplaats of een proefplaatsing kunnen worden
ingezet. Het doel is immers
om de arbeidsmogelijkheden van jongeren zodanig te ontwikkelen dat zij uiteindelijk ook feitelijk de stap naar de
reguliere arbeidsmarkt
maken. Wat daarvoor nodig is en welke periode daarmee zal zijn gemoeid, is
afhankelijk van de mogelijkheden van de betrokken jongere.
Een deel van de jongeren zal
de mogelijkheid hebben om met begeleiding zélf een baan bij een
reguliere werkgever te vinden. Een concreet werkaanbod zal in dat geval niet nodig
zijn. Als een jongere niet zelf in staat is (gebleken) een baan te
vinden, is het echter wel noodzakelijk dat het UWV
een werkaanbod doet zodra
een passend aanbod beschikbaar is. Ook voor jongeren van wie het UWV
inschat dat zij wel kunnen werken, maar niet willen, kan het werkaanbod
een stok achter de deur zijn om alsnog werk te zoeken. Als het UWV hen een
werkaanbod doet, wordt verwacht dat zij dat aanbod ook aanvaarden.
Aan het werkaanbod kan een
traject met verschillende re-integratieactiviteiten voorafgaan. Het werkaanbod
is dan het laatste zetje dat de betrokkene nodig heeft om
aan het werk te komen. De jonggehandicapte wordt dus niet zomaar met
een werkaanbod geconfronteerd, maar groeit daar naartoe door het pad
dat in het participatieplan samen met hem is uitgezet.
Onder een werkaanbod wordt
in beginsel verstaan: het aanbieden van concrete, algemeen
geaccepteerde arbeid in de publieke of private sector aan een persoon. In het
werkaanbod gaat het uitsluitend om werk bij een reguliere werkgever, waarbij
gewerkt wordt op basis van een arbeidsovereenkomst. Een reguliere baan met
loondispensatie of met begeleiding van een jobcoach behoort hier
dus ook toe. Het werkaanbod zoals hierboven omschreven, is geschikt voor
de betreffende jonggehandicapte en dient als algemeen geaccepteerde
arbeid door de betrokkene te worden aanvaard.
Van veel partijen zullen
inspanningen worden gevraagd om voor jonggehandicapten die mogelijkheden hebben tot
reguliere arbeid ook daadwerkelijk de reguliere arbeidsplaatsen
te vinden waar zij, met eventuele ondersteuning, kunnen werken.
In de eerste plaats geldt die inspanning voor werkgevers en werknemers in sectoren en bedrijven, die het in hun
collectieve
arbeidsvoorwaarden mogelijk moeten maken dat specifieke functies gecreëerd worden
voor jonggehandicapten en dat de loonschalen boven het minimumloonniveau
daadwerkelijk worden ingevuld. Het werk aan de onderkant van de
arbeidsmarkt zal anders georganiseerd moeten worden en daar profiteren
niet alleen Wajong-ers van. In die zin hoeft, volgens het kabinet, geen
sprake te zijn van een verdringingseffect aan de onderkant van de
arbeidsmarkt: er kan juist meer werk ontstaan.
Vervolgens is het
noodzakelijk dat werkgevers en werknemers op de werkvloer ook daadwerkelijk de
bereidheid hebben om reguliere (aangepaste) werkplekken te creëren voor
deze doelgroep. Dat gaat niet vanzelf. Werkgevers zullen daartoe gemotiveerd
worden door vergoeding van werkplekaanpassingen, loondispensatie, begeleiding
van de jonggehandicapte op de werkplek en het wegnemen
van administratieve belasting. Daarnaast is voor deze groep de no-riskpolis beschikbaar en is er een premiekorting. Ook de collega’s op de
werkvloer zullen zich moeten inspannen. Zij zullen moeten accepteren dat voor
veel jonggehandicapten specifieke, afwijkende werkomstandigheden
gecreëerd moeten worden.
rblz.|12|
Het UWV
zal zich, in
samenwerking met gemeenten in de Locaties voor
werk en inkomen (LWI’s),
inspannen om voldoende reguliere arbeid voor de
Wajong-ers te organiseren.
Zij maken hiertoe afspraken met de re-integratiebranche om een
breed scala aan arrangementen te ontwikkelen om werkplekken te vinden
voor jonggehandicapten. Hierbij kan gedacht worden aan
detachering, uitzendconstructies en payrollconcepten waarbij mensen op tariefbasis worden uitgeleend. Deze arrangementen
hebben allen het
uiteindelijke doel om de jonggehandicapte toe te leiden naar reguliere arbeidsparticipatie. Ook zijn participatieplaatsen
mogelijk voor Wajong-ers
waarbij de feitelijke uitvoering aan de gemeente wordt overgedragen.
Het is belangrijk dat de
bovengenoemde inspanningen worden ingebed in een cultuur die uitgaat van
mogelijkheden van jonggehandicapten en die niet de nadruk legt op de
beperkingen. Dat zal niet vanzelf gaan. De attitude van onderwijs,
zorginstellingen, ouders, het UWV, werkgevers en werknemers is nu vooral
gericht op zorg en uitkering. Hoe begrijpelijk dat wellicht ook is, gelet op de
problemen waar de Wajong-ers voor staan, zal dit hen niet helpen op het pad naar participatie in de samenleving en in
reguliere arbeid. Om de
attitude en cultuur van zorg om te buigen naar ondersteuning bij
maatschappelijke participatie, zal het kabinet een programma ontwikkelen. Het
kabinet is zich ervan bewust dat deze noodzakelijke cultuuromslag tijd vergt en
dat deze cultuuromslag geleidelijk gerealiseerd zal worden.
2.1.4. Plichten en sancties
In dit wetsvoorstel staat
het recht op arbeidsondersteuning voor de jonggehandicapte centraal. Het hebben van
rechten impliceert ook verplichtingen. In deze subparagraaf wordt
ingegaan op de algemene verplichtingen en op een aantal specifieke
verplichtingen die aan het recht op arbeidsondersteuning zijn verbonden.
Algemene verplichtingen
Voor de algemene
verplichtingen geldt dat ze te allen tijde gelden en dat het niet uitmaakt of de
jonggehandicapte in de werkregeling zit, in de periode die daaraan
voorafgaat, studeert of volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Ten aanzien van de algemene
verplichtingen gaat het in de eerste plaats om de informatieplicht en de
medewerking aan controle. Deze algemene verplichtingen gelden ook nu
al in de Wajong. Het gaat hierbij om verplichtingen die gericht zijn op controle
en medewerking aan hetgeen relevant is voor de
arbeidsondersteuning, waaronder de inkomensvoorziening of uitkering. Jonggehandicapten
moeten relevante informatie uit zichzelf of op verzoek mondeling
meedelen of schriftelijk verstrekken. In de tweede plaats gaat het om
verplichtingen die erop gericht zijn het bestaan van het recht op ondersteuning
te voorkomen of te beperken. Dat betekent dat de betrokkene maatregelen
neemt om zijn afhankelijkheid van de arbeidsondersteuning en/of inkomensvoorziening te
voorkomen, hetzij zo beperkt mogelijk te houden ("schadebeperkende
maatregelen"). De betrokkene heeft net als in de huidige
Wajong de plicht om zijn arbeidsongeschiktheid niet opzettelijk te
veroorzaken en mee te werken aan een naar algemeen medische maatstaven adequate
behandeling.
De jonggehandicapte die
arbeidsondersteuning aanvraagt, moet meewerken aan het opstellen van een
participatieplan. In die zin is er sprake van een algemene verplichting.
In de periode voorafgaande aan de aanspraak op arbeidsondersteuning kan
immers van betrokkene verwacht worden dat hij zich alvast naar
vermogen oriënteert op arbeid en zijn arbeidsmogelijkheden. rblz.|13|
Het is van
belang dat alle jonggehandicapten in beginsel bereid zijn om mee te werken
aan het opstellen van een dergelijk plan. Deze plicht is vormgegeven
als voorwaarde om in aanmerking te komen voor inkomensondersteuning
(zie subparagraaf 2.2.1), waardoor het onderstaande sanctiebeleid voor de
handhaving ervan niet van toepassing is.
Specifieke verplichtingen
Naast de algemene
verplichtingen, die voor iedere jonggehandicapte gelden, kent de Wajong
ook
specifieke verplichtingen die uitsluitend voor de jonggehandicapten in de
werkregeling gelden. De belangrijkste verplichtingen gelden als
voorwaarde om in aanmerking te komen voor inkomensondersteuning. Dit
wordt in subparagraaf 2.2.1 nader toegelicht.
De Wajong
kent de volgende
specifieke verplichtingen. De plichten om zich geneeskundig te laten
behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen als het UWV
of het
re-integratiebedrijf daartoe opdracht geeft en de genezing niet te
belemmeren. Tevens moet de jonggehandicapte meewerken aan het opstellen
van het re-integratieplan door het re-integratiebedrijf en voldoen aan de
verplichtingen die daarin zijn opgenomen.
De jonggehandicapte dient
zich voorts te onthouden van gedrag dat leidt tot ontslag en mag evenmin
meewerken aan zijn ontslag terwijl daar geen goede reden voor is en de
dienstbetrekking zonder enig bezwaar voortgezet had kunnen worden.
Sanctiebeleid
Het
UWV geeft aan het begin
van het proces duidelijke voorlichting over de verplichtingen van de
jonggehandicapte. Het UWV en het re-integratiebedrijf maken in samenspraak met de
jonggehandicapte heldere en concrete re-integratieafspraken, waarbij rekening wordt gehouden met
zijn arbeidsbeperkingen.
Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd zodat de jonggehandicapte
weet wat hij moet doen. Als de jonggehandicapte zijn algemene verplichtingen
niet naleeft, zal het UWV overgaan tot het opleggen van een
sanctie. Dit geldt eveneens bij niet-naleving van een aantal specifieke plichten (in de werkregeling). Het sanctiebeleid is
een middel om te bevorderen
dat de jonggehandicapte zich houdt aan zijn verplichtingen en moet
worden gezien als een stok achter de deur.
Voor de naleving van
genoemde verplichtingen wordt het sanctieregime gevolgd dat nu ook geldt
voor de Wajong, de Wet WIA
en de WW. Deze wetten kennen een regime van
maatregelen en bestuurlijke boetes. Een maatregel is een korting op
de hoogte en duur van de inkomensvoorziening bij overtreding van een
verplichting. De hoogte en duur worden afgestemd op de ernst van de
gedraging en de mate waarin de gedraging aan de uitkeringsgerechtigde wordt verweten. Van het opleggen van een
maatregel wordt in ieder
geval afgezien als verwijtbaarheid ontbreekt. De afstemming van de hoogte en
duur van de sancties is centraal geregeld in het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten.
2.2. Mogelijke
inkomensvoorzieningen
De ondersteuning bij het
vinden en behouden van werk zal er meestal toe leiden dat een
jonggehandicapte in zijn levensonderhoud kan voorzien. Immers, als tegenprestatie
voor het verrichten van arbeid ontvangt de jonggehandicapte loon van
zijn werkgever. Dit loon zal veelal toereikend zijn om de noodzakelijke
middelen van bestaan te financieren. Dit is echter niet altijd het geval,
bijvoorbeeld omdat de jonggehandicapte volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is, minder dan het wettelijk minimumloon verdient (bijvoorbeeld
vanwege werken in deeltijd of vanwege loondispensatie voor de werkgever) of
studeert. In deze situaties is het redelijk rblz.|14|
en billijk dat de
jonggehandicapte aanspraak kan maken op een inkomensvoorziening van de overheid.
Dit
wetsvoorstel kent daarom de volgende vier vormen van
inkomensvoorzieningen:
• Werkregeling: een
inkomensondersteuning voor jonggehandicapten die kunnen werken. Deze
regeling bestaat uit twee fasen:
- Een
inkomensondersteuning voor jonggehandicapten tot 27 jaar.
- Een
inkomensondersteuning voor jonggehandicapten vanaf 27 jaar.
• Een inkomenondersteuning
voor jonggehandicapten tijdens studie of school.
• Een uitkering voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
De inhoud en vormgeving van
deze vormen van inkomensvoorziening komen hierna aan de orde.
2.2.1. De werkregeling voor
jonggehandicapten
Inkomensondersteuning kan in
de werkregeling onderdeel uitmaken van de arbeidsondersteuning. De
jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning ontvangt echter niet
vanzelfsprekend ook inkomensondersteuning. Aan het ontvangen van
inkomensondersteuning zijn voorwaarden verbonden. De
jonggehandicapte moet bereid zijn om naar vermogen arbeid te verrichten. Met
andere woorden, de inkomensondersteuning is geconditioneerd. Daarnaast
zal de jonggehandicapte door middel van een aanvraag kenbaar moeten
maken dat hij behoefte heeft aan inkomensondersteuning.
Geconditioneerde
inkomensondersteuning
Een jonggehandicapte dient
bereid te zijn om te werken. Deze bereidheid is in het wetsvoorstel tot
uitdrukking gebracht door de belangrijkste verplichtingen als
voorwaarde te stellen voor de inkomensondersteuning. De jonggehandicapte heeft
recht op inkomensondersteuning als hij aan de volgende voorwaarden
voldoet. Ten eerste moet hij (algemeen geaccepteerde) arbeid zoeken en aanvaarden.
Daartoe kan hem een werkaanbod worden gedaan. Hij mag
daarbij geen eisen stellen die het aanvaarden of verkrijgen van arbeid
belemmeren. Ten tweede moet hij meewerken aan activiteiten die het UWV
voorstelt om zijn kans om een baan te vergroten. Ten derde moet hij meewerken
aan aanpassingen van de arbeidsplaats en de verkrijging van persoonsgebonden voorzieningen. Ten slotte moet hij
meewerken aan het opstellen
van het participatieplan en voldoen aan de verplichtingen die daarin
zijn opgenomen.
De eigen
verantwoordelijkheid van de jonggehandicapte staat voorop. Dat brengt mee dat een
jonggehandicapte zelf actief naar een baan zal moeten zoeken, bijvoorbeeld door
het raadplegen van de vacaturebank, het bezoeken van banenwebsites
en het aanschrijven, bellen of persoonlijk benaderen van een werkgever.
Dit kan uitmonden in een sollicitatie naar een baan en een uitnodiging
van de werkgever voor een gesprek. Ook kan het UWV
bepaalde activiteiten van de jonggehandicapte verlangen. Welke
activiteiten in een
individueel geval nodig zijn, is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden.
Dit
kan variëren van een korte cursus waarin enkele basisvaardigheden
worden geleerd, zoals een sollicitatietraining, tot een opleiding om de jonggehandicapte bij te scholen.
Het
UWV kan een concreet
werkaanbod doen. De jonggehandicapte dient dit aanbod te aanvaarden.
Bij de keuring is daarbij bezien wat voor werk de betrokkene kan
verrichten. Een jonggehandicapte dient alle arbeid die maatschappelijk algemeen
aanvaard is te accepteren als hij daartoe met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. Het oordeel of een baan geschikt is voor een
jonggehandicapte hangt dus mede af van de arbeidskundige beoordeling. Daarbij wordt
aangetekend dat een baan ook geschikt is als die slechts
kan worden uitgeoefend met behulp van een rblz.|15|
voorziening of persoonlijke
ondersteuning, zoals een werkplekaanpassing, een doventolk of een
jobcoach. Aan de jonggehandicapte worden dus eisen gesteld met betrekking
tot zijn bereidheid om te werken. Die bereidheid zal moeten blijken uit zijn
handelen en gedrag. Alleen zeggen dat men bereid is, is dan ook onvoldoende. Het is aan het UWV om de bereidheid
te beoordelen. Deze
bereidheid ontbreekt bijvoorbeeld als de jonggehandicapte een werkaanbod op
maat weigert, zonder dat daar een goede grond voor aanwezig
is. Het werkaanbod is na een zorgvuldig proces én in samenspraak
met de jonggehandicapte tot stand gekomen. Het UWV kan daarbij met
strikt persoonlijke omstandigheden van de jonggehandicapte rekening
houden. Er zal altijd sprake zijn van maatwerk. Een weigering wordt daarom
de jonggehandicapte zwaar aangerekend. Bovendien is het een kans op
regulier werk, waarmee de jonggehandicapte zelf inkomen kan verdienen,
die hij voorbij laat gaan. Bij de beoordeling of de bereidheid bij de
jonggehandicapte ontbreekt om arbeid te verrichten, gaat het UWV
niet over één nacht ijs. Er wordt veel geïnvesteerd in het maken van
maatwerkafspraken met de jonggehandicapte. Er gaat aan deze situatie
veelal een periode vooraf waarin het UWV in samenspraak met de
jonggehandicapte afspraken maakt. Het UWV neemt de afspraken door met de
jonggehandicapte, motiveert en spoort hem aan om zich welwillend en
coöperatief op te stellen. De inkomensondersteuning zal derhalve niet
lichtvaardig door het UWV worden beëindigd. Op een gegeven moment kan
echter niet anders dan worden geconcludeerd dat de jonggehandicapte niet
bereid is arbeid te verrichten en dat niet langer wordt voldaan aan de
voorwaarden die gelden voor inkomensondersteuning. Ook zullen er situaties
zijn waarbij gelijk uit handelen en gedrag blijkt dat er geen
bereidheid is om te werken.
Het ontbreken van de
bereidheid om arbeid te verrichten, heeft tot gevolg dat de jonggehandicapte geen
inkomensondersteuning (meer) ontvangt. Uiteraard kan hij - als
hij het met de beslissing van het UWV
om de inkomensondersteuning te
beëindigen niet eens is - daartegen bezwaar aantekenen en daarna eventueel in beroep gaan.
Om (weer) in aanmerking te
komen voor inkomensondersteuning zal de bereidheid van de betrokkene
duidelijk moeten blijken. Hij zal daartoe zijn gedrag en handelen moeten
aanpassen. Hij kan zich bijvoorbeeld weer actief opstellen, alsnog
meewerken aan het opstellen van het participatieplan en solliciteren. Dit kan
ertoe leiden dat het UWV vaststelt dat de jonggehandicapte weer bereid
is om arbeid te verrichten, waardoor weer aanspraak bestaat op
inkomensondersteuning. Dit geldt echter niet voor de jonggehandicapte die een
passend werkaanbod heeft geweigerd. Bij weigering van een werkaanbod
komt de betrokkene slechts weer voor inkomensondersteuning in
aanmerking indien hij zelf werk vindt of een volgend werkaanbod van het UWV aanvaard.
De inkomensondersteuning tot
27 jaar
De inkomensondersteuning in
de werkregeling kent twee fasen. De eerst fase eindigt als de "definitieve" beoordeling plaatsvindt van de jonggehandicapte. In de regel vindt die plaats
als hij de leeftijd van 27 jaar bereikt. Als het recht op
arbeidsondersteuning later is ingegaan dan op de leeftijd van 20 jaar, dan
vindt die beoordeling plaats als het recht op arbeidsondersteuning zeven
jaar bestaat. Hierbij heeft de volgende afweging een rol gespeeld. Op de
leeftijd van 27 jaar wordt geacht dat een goed beeld is te geven van
de arbeidsmogelijkheden en -beperkingen, nadat eerst op basis van
ervaring is gebleken of, en zo ja, welke mogelijkheden er zijn. Deze termijn is
nodig om de jonggehandicapte voldoende arbeidservaring te laten
opdoen, zodat zijn resterende verdiencapaciteit met een redelijke mate van
nauwkeurigheid kan worden vastgesteld. Het kabinet verwacht dat op een
eerdere leeftijd, bijvoorbeeld twee jaar na rblz.|16|
school, nog onvoldoende
werkervaring is opgedaan, de fysieke en psychische ontwikkeling van betrokkene
veelal nog zeker niet stilstaat en het vinden van een plek in de
maatschappij nog volop gaande is, om een definitief oordeel te geven.
De leeftijd van 27 jaar correspondeert daarnaast met de voorgestelde periode
van werkleerrecht voor leeftijdgenoten, die met elkaar gemeen hebben
dat zij van school komen en aan het begin van hun werkzame leven staan. Dat is dan ook de reden voor
het onderscheiden van twee
fasen in het regime van de inkomensondersteuning. Hierna komt eerst de hoogte
van de inkomensondersteuning in de eerste fase aan bod, en
daarna de hoogte daarvan in de tweede fase.
De inkomensondersteuning is
zo vormgegeven dat (meer) werken lonend is. Dit stimuleert dat
jonggehandicapten hun arbeidsvermogen volledig proberen te benutten en te
vergroten. Dit opent het perspectief dat jonggehandicapten op termijn (meer dan) het
wettelijk minimumloon zullen verdienen door het verrichten van arbeid, zodat zij geen inkomensondersteuning
meer nodig hebben.
Bij de vormgeving van een
participatiebevorderende incentivestructuur kan gekozen worden voor een
systeem dat erin zou bestaan dat bij werken van iedere extra euro aan
inkomsten 75 cent in mindering wordt gebracht. Anders gezegd, van iedere
euro houdt de jonggehandicapte een kwartje over. Het totale inkomen zou
dan langzaam maar zeker toenemen van 75% van het
wettelijk minimumloon tot 100%
van het
wettelijk minimumloon. Het
inkomen van de jonggehandicapte bevindt zich vaak in de range van 20%
van het
wettelijk minimumloon tot 70% van het
wettelijk minimumloon en een systeem met een sterkere financiële prikkel
is mogelijk.
De participatiebevorderende
incentivestructuur van de inkomensondersteuning ziet er daarom als volgt
uit. In de regel zal de jonggehandicapte met arbeid meer verdienen dan
20% van het
wettelijk minimumloon. Als hij precies dat bedrag verdient, dan ontvangt hij een
inkomensondersteuning van 55% van het
wettelijk minimumloon. Indien hij meer verdient dan 20% van het
wettelijk minimumloon, wordt de helft van dat meerdere inkomen in mindering gebracht op
voornoemd bedrag van 55% van het
wettelijk minimumloon. Met andere woorden, de jonggehandicapte
gaat er in totaal een halve euro in bruto-inkomen op vooruit bij
iedere euro die hij meer verdient. De netto-inkomensvooruitgang is zelfs
nog groter doordat
de arbeidskorting toeneemt bij een hoger inkomen uit
arbeid. Meer werken is dus lonend voor een jonggehandicapte.
Dit systeem brengt mee dat
het totale bruto-inkomen van de jonggehandicapte gelijk is aan 100% van
het
wettelijk minimumloon als
hij met werken een inkomen verdient van 70% van het
wettelijk minimumloon. Het stelsel in
Nederland kent vanuit het oogpunt van bescherming een minimumloon
en een aan dat minimumloon verbonden sociaal
minimum. Voor mensen
die niet zelf het minimumloon verdienen, zoals jonggehandicapten, is
het zaak dat hun inzet om te werken lonend is. Het kabinet vindt het onlogisch dat loonaanvulling zou kunnen plaatsvinden
tot boven het minimumbeschermingsniveau voor werkenden. Dit brengt mee dat het totaal
van de inkomensondersteuning én het inkomen uit arbeid niet meer dan
100% van het wettelijk minimumloon mag bedragen.
Verder is nog het volgende
van belang. Als de jonggehandicapte met werken een inkomen verdient
van meer dan 75% van het
wettelijk minimumloon, dan voldoet hij niet meer aan één van de
voorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning (zie hierna). Dit zou in
theorie een reden kunnen zijn om het recht op arbeidsondersteuning te
doen eindigen, en dus ook de inkomensondersteuning. Echter, als de
jonggehandicapte meer verdient dan 75% van het
wettelijk minimumloon met behulp van
arbeidsondersteuning, dan zou het contraproductief zijn om het recht daarop te
eindigen, want dan zal hij zijn baan zeer waarschijnlijk verliezen. Daarom eindigt
het recht op arbeidsondersteuning niet rblz.|17|
zolang de jonggehandicapte
deze ondersteuning nodig heeft om aan het werk te blijven. Alleen als de jonggehandicapte zonder arbeidsondersteuning
ófwel vijf jaar heeft
gewerkt en daarna feitelijk meer verdient of gaat verdienen dan 75% van
het
wettelijk minimumloon,
ófwel gedurende één jaar meer dan 100% van het
wettelijk minimumloon gaat verdienen, eindigt het
recht daarop.
Tot slot is in
het
wetsvoorstel er volledigheidshalve rekening mee gehouden dat een
jonggehandicapte niet werkt of minder verdient dan 20% van het
wettelijk minimumloon. De jonggehandicapte
ontvangt in dat geval in principe een inkomensondersteuning van
55% van het
wettelijk minimumloon. Als de jonggehandicapte geen arbeid verricht maar aantoont bereid is te werken of als hij minder dan
20% van het
wettelijk minimumloon verdient maar
aantoont dat hem dat niet kan worden verweten, dan ontvangt hij een inkomensondersteuning die gelijk is aan of het
inkomen aanvult tot 75% van het
wettelijk minimumloon.
Dit bedrag geldt voor een overgangstermijn. Zolang niet is gebleken dat
de nieuwe aanpak werkt en veel meer perspectief voor deze
jongeren schept door het arbeidsaanbod dat wordt gedaan en de
arbeidsmogelijkheden die ontstaan, zal bij de inkomensondersteuning van deze jongeren van 75%
van het
wettelijk minimumloon worden uitgegaan, hoewel zij niet volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Of de nieuwe werkregeling in dit opzicht
werkt, zal te zijner tijd een nader kabinetsbesluit vergen. Alsdan kan aan de
orde komen of voor deze groep het niveau van 75% van het
wettelijk minimumloon blijvend
moet worden gehandhaafd. Met het oog hierop zal via monitoring en
evaluatie de werking van de nieuwe regeling en de effecten ervan ten
aanzien van de doelstelling en het sociale stelsel worden gevolgd. Om het
toekomstige kabinetsbesluit te effectueren, is in het wetsvoorstel geregeld
dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de hoogte
van de maximale inkomensondersteuning 70% van het
wettelijk minimumloon bedraagt vanaf een
in dat besluit te bepalen datum.
De inkomensondersteuning
vanaf 27 jaar
Ook de inkomensondersteuning
in de tweede fase is zo vormgegeven dat (meer) werken loont. Op de
leeftijd van 27 jaar maar ten minste zeven jaar na het ontstaan van het
recht op arbeidsondersteuning, vindt de "definitieve" beoordeling van de
jonggehandicapte plaats. Met "definitief" wordt in deze zin overigens niet
gedoeld op het feit dat er na die leeftijd geen beoordeling meer
plaatsvindt. Ook na de leeftijd van 27 jaar wordt nog bezien welke mogelijkheden
een jonggehandicapte heeft om arbeid te verrichten.¹ Hierdoor kan
rekening gehouden worden met het in de loop van de tijd (tot 65 jaar) veranderende arbeidsmarktperspectief van de
jonggehandicapte als gevolg
van medische, technische en economische ontwikkelingen.
1. Bij iedere beoordeling
bepaalt het UWV of en wanneer de betrokkene zal
worden opgeroepen voor herbeoordeling (de
zogenoemde professionele herbeoordeling). Daarnaast kan het UWV een jonggehandicapte
voor een herbeoordeling oproepen als
het UWV dat nodig acht en kan betrokkene
zelf om beoordeling vragen.
De
"definitieve beoordeling" houdt in dat het UWV
vaststelt wat diens resterende verdiencapaciteit
is. Dit is het inkomen dat de betrokkene naar verwachting, al dan niet met
arbeidsondersteuning, kan verdienen. Van de jonggehandicapte wordt dan
ook verwacht dat hij zich maximaal inspant om dat bedrag daadwerkelijk
te verdienen. Omgekeerd kan niet van hem worden verwacht dat hij
(veel) meer dan dat bedrag verdient. Het is dan ook redelijk en billijk om
de jonggehandicapte, als hij zijn resterende verdiencapaciteit volledig
benut, een inkomensondersteuning te bieden die zijn inkomen uit arbeid aanvult tot het
wettelijk minimumloon.
Dit betekent dat als de
jonggehandicapte bijvoorbeeld een resterende verdiencapaciteit van 50%
van het
wettelijk minimumloon heeft én dat bedrag ook daadwerkelijk verdient,
hij een aanvulling tot
100% van het
wettelijk minimumloon ontvangt. Als deze jonggehandicapte daarentegen, hoewel hij
bereid is te werken, geen of een lager inkomen uit arbeid heeft, is zijn totale inkomen lager, met een ondergrens
van 75% van het
wettelijk minimumloon. Het systeem
bevat dus een sterke financiële prikkel om de resterende verdiencapaciteit
volledig te benutten.
rblz.|18|
Voor een jonggehandicapte
die werkt met begeleiding van een jobcoach én met loondispensatie,
geldt een gunstiger regeling. In dat geval neemt zijn totale inkomen ook toe
naarmate hij meer verdient, maar er kan nu een inkomensondersteuning
worden gegeven die het totale inkomen aanvult tot het voor zijn
functie geldende loon, met een maximum van 120% van het
wettelijk minimumloon. Als een
jonggehandicapte in dat geval een resterende verdiencapaciteit van 50%
van het
wettelijk minimumloon heeft, hij dat bedrag ook daadwerkelijk verdient én een functieloon
heeft van 120% van het
wettelijk minimumloon, dan ontvangt hij een totaal inkomen van 120% van
het
wettelijk minimumloon.
Deze regeling is een
voortzetting van de huidige Breman-regeling [Regeling
samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid, red.]. De Breman-regeling houdt verband
met de inkomensgelijkheid tussen enerzijds jonggehandicapten die met
een Wsw-indicatie begeleide arbeid verrichten en anderzijds
jonggehandicapten die onder vergelijkbare omstandigheden in een
reguliere dienstbetrekking arbeid verrichten. In het licht van de mogelijke
wijziging van de Wsw zal in de toekomst overwogen kunnen worden om de voorgestelde regeling aan te passen.
2.2.2. Een inkomensondersteuning voor jonggehandicapten tijdens studie en school
Ook met betrekking tot
studie en scholing is het uitgangspunt om jongeren die vanaf 1 januari
2010 instromen gelijk te behandelen. Er is slechts reden om onderscheid
te maken als dit functioneel is voor de ondersteuning bij het vinden
en behouden van werk. Bij studerende en schoolgaande jonggehandicapten is dat het geval. Doordat een jonggehandicapte
minder mogelijkheden heeft
om te werken naast zijn studie of school, zou hij eerder dan een jongere zonder arbeidsbeperkingen zijn
aangewezen op een
studielening. Het wetsvoorstel regelt daarom een inkomstenondersteuning voor
de jonggehandicapte die studeert of naar school gaat en aanspraak
heeft op studiefinanciering, op financiële ondersteuning door een
HO-instelling [HO: hoger onderwijs, red.] uit
het afstudeerfonds dan wel profileringsfonds of op een tegemoetkoming
scholingskosten. Dit wordt hierna toegelicht.
Het stelsel van
studiefinanciering gaat uit van drie elementen: een basisbeurs, een aanvullende beurs (of
ouderlijke bijdrage) en een lening (of inkomsten uit arbeid).
Hiermee wordt invulling gegeven aan de gedeelde verantwoordelijkheid van
overheid, ouders en student zelf voor de investering in de eigen opleiding. De
hoogte van de aanvullende beurs is afhankelijk van het inkomen
van de ouders (tot circa modaal) en het aantal kinderen in het gezin. Voor
het gedeelte waarvoor de student zelf verantwoordelijk is, kan hij werken of een
lening sluiten bij de IB-Groep. Daarnaast ontvangen studenten in het
hoger onderwijs een OV-Studentenkaart die recht geeft op deels
gratis reizen en deels reizen met korting. Verder kunnen studenten hoger
onderwijs een collegegeldkrediet afsluiten om het collegegeld te kunnen
betalen.
Het totaal beschikbare
inkomen zonder werk (basisbeurs, aanvullende beurs of ouderlijke
bijdrage, lening en OV-Studentenkaart) is gelijk aan het "normbudget" voor de
kosten van levensonderhoud en studiekosten. Een student kan van dit budget
rondkomen. De normbedragen worden sinds 2002 jaarlijks aan de hand
van de inflatie geïndexeerd nadat de toenmalige Minister van OCW had
geconcludeerd dat de ontwikkeling van de (normbedragen) studiefinanciering de jaren ervoor voldoende was. Het
ministerie van OCW laat
regelmatig onderzoeken hoe het is gesteld met de financiële situatie van
studenten (Studentenmonitor hoger onderwijs).
Studenten die geen schulden
willen maken, kunnen naast hun studie gaan werken in plaats van een
lening te sluiten. Doordat een jonggehandicapte student minder
arbeidsmogelijkheden heeft, zou hij eerder aangewezen rblz.|19|
zijn op een lening. Het is
daarom billijk om hem tijdens de studie te voorzien van een extra inkomen, zodat
hij geen schulden behoeft te maken. Daarom is gekozen voor een
inkomensondersteuning tijdens studie en school die ruwweg overeenkomt met het bedrag dat de jongere geacht
wordt zelf bij te dragen in
het stelsel van studiefinanciering: de hoogte van de inkomensondersteuning
bedraagt bij 25% van het wettelijk minimumloon
netto, afhankelijk van leeftijd, ongeveer €|200,- tot €|300,- per maand, terwijl de maximale lening (hoger onderwijs) €|280,- per maand is.
Hierdoor wordt voorkomen dat
de jonggehandicapte student schulden moet maken die hij mogelijk
niet kan terugbetalen. Immers, hij behoeft - evenals studenten die naast
hun studie werken - geen lening te sluiten om in zijn levensonderhoud
en studiekosten te voorzien.
In combinatie met de
studiefinanciering of andere tegemoetkomingen in de studiekosten voorziet
deze inkomensondersteuning studerende jonggehandicapten van een adequate financiële
ondersteuning. Zoals aangegeven, opteert het kabinet voor een
voor alle studerende en schoolgaande jonggehandicapten uniforme
inkomensondersteuning. Dat betekent uiteraard dat de situatie dat een
jonggehandicapte naast zijn studie of school werkt ook optreedt. Voor de
studerende of schoolgaande jonggehandicapte die gaat werken, wordt in
het wetsvoorstel geregeld dat het inkomen tot 25% van het wettelijk
minimumloon niet
wordt gekort op de inkomensondersteuning. Daarboven wel. Deze
inkomensondersteuning eindigt als de aanspraak op studiefinanciering, op
financiële ondersteuning door een HO-instelling uit het afstudeerfonds
dan wel
profileringsfonds, of op tegemoetkoming scholingskosten eindigt.
2.2.3. De uitkering voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Als een jonggehandicapte
door zijn beperkingen niet kán werken, nu niet en in de toekomst niet, dan
kan hij niet in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Andere jongeren
doen dat vanaf een bepaalde leeftijd wel. Het gebruikelijke patroon in de
maatschappij is immers dat iemand door het verrichten van arbeid in
zijn eigen levensonderhoud voorziet. Zonder hun arbeidsbeperkingen zouden
jonggehandicapten zeer waarschijnlijk ook zijn gaan werken. Vanaf een
bepaalde leeftijd zouden zij dan ook inkomen uit arbeid hebben verkregen.
Nu dat feitelijk niet het geval is, kan dan ook met recht worden gezegd dat
zij inkomsten derven door hun handicap. Dit risico valt echter niet
privaat te verzekeren. Voor hun inkomensbescherming zijn jonggehandicapten
daarom vaak aangewezen op de overheid. Dat rechtvaardigt het
bestaan van een wettelijke inkomensondersteuning voor deze groep. De
gemeenschap kan langs deze weg uiting geven aan haar solidariteit met
jonggehandicapten. Daarom hebben volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
aanspraak op een uitkering, waarvan de hoogte 75% van het wettelijk
minimumloon bedraagt.
Niet uit te sluiten valt dat
een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte toch betaalde arbeid gaat
verrichten. Dit zal zich uiteraard niet vaak voordoen. In principe zou de
betrokkene, als hij meer verdient dan 20% van zijn maatmaninkomen, geen
aanspraak meer hebben op voornoemde uitkering. Het is echter
geenszins zeker dat de jongehandicapte de betreffende arbeid blijvend zal kunnen
verrichten. Daarom zullen de inkomsten uit die arbeid op dezelfde
wijze worden verrekend als in de werkregeling tot 27 jaar (zie hiervoor).
Op deze wijze worden jonggehandicapten, ondanks hun volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid, gestimuleerd
om te gaan werken. Immers,
als blijkt dat de arbeid toch te zwaar is, ontvangen zij direct weer
75% van het wettelijk minimumloon. Deze zekerheid behoeft echter
niet permanent te worden geboden. Evenals in de IVA [inkomensvoorziening
volledig arbeidsongeschikten, bedoeld in hoofdstuk
6 van de Wet WIA, red.] zal de
jonggehandicapte door het UWV worden herbeoordeeld als
rblz.|20|
hij gedurende één jaar
meer heeft verdiend dan 20% van zijn maatmaninkomen.
2.3. Het recht op
arbeidsondersteuning
In deze paragraaf wordt
ingegaan op de voorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning. Eerst
komt aan de orde onder welke voorwaarden dit recht ontstaat. Daarna
komen de omstandigheden aan de orde waaronder een bestaand recht eindigt.
Als deze omstandigheden zich niet meer voordoen, kan het recht
soms herleven. Dit houdt in dat het "oude" recht weer bestaat.
2.3.1. Ontstaan van het recht
op arbeidsondersteuning
De ontstaansvoorwaarden voor
het recht op arbeidsondersteuning komen overeen met de voorwaarden
die gelden voor het huidige recht op Wajong. Immers, de doelgroep
van de Wajong wordt niet gewijzigd door het
wetsvoorstel. Hier kan
dan ook worden volstaan met een korte toelichting op de ontstaansvoorwaarden.
Allereerst geldt als eis dat
de betrokkene ingezetene is, dat wil zeggen dat hij in Nederland woont op
zijn 17e verjaardag. Ten tweede dient hij, als hij meent jonggehandicapt te
zijn en daarom in aanmerking wil komen voor arbeidsondersteuning,
daarvoor een aanvraag in te dienen bij het UWV. Deze aanvraag is, anders dan
nu, een ontstaansvoorwaarde voor het recht op arbeidsondersteuning. Dit
recht ontstaat niet eerder dan zestien weken na de aanvraag, en op zijn
vroegst op de 18e verjaardag van de betrokkene.
Na de aanvraag stelt het
UWV eerst vast of de betrokkene met arbeid niet meer kan verdienen dan 75%
van zijn maatmaninkomen (de derde voorwaarde). Dit maatmaninkomen is in de
regel gelijk aan het wettelijk minimum(jeugd)loon. De vaststelling
of aan deze voorwaarde is voldaan, geschiedt door een verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige
beoordeling. Eerst stelt de
verzekeringsgeneeskundige vast of de betrokkene een ziekte of gebrek heeft,
en zo ja, of hij al op zijn 17e verjaardag een ziekte of gebrek had.
Verder doet hij een prognose over het verdere verloop van de ziekte of het
gebrek. Als de prognose is dat de betrokkene volledig zal genezen of
herstellen binnen één jaar, dan ontstaat geen recht op arbeidsondersteuning. In
het andere geval brengt de verzekeringsgeneeskundige in kaart welke beperkingen
de betrokkene van zijn ziekte of gebrek ondervindt.
Vervolgens stelt de arbeidskundige vast wat de resterende verdiencapaciteit van de
betrokkene is. Daarvoor dient de arbeidskundige drie functies te duiden die
de betrokkene kan verrichten ondanks zijn arbeidsbeperkingen. Het
middelste loon van die drie functies is de resterende
verdiencapaciteit. Als de arbeidskundige geen of minder dan drie functies kan duiden,
heeft de betrokkene geen resterende verdiencapaciteit.
Bij het duiden van die
functies wordt, althans bij de eerste ("voorlopige") beoordeling vlak
vóór de 18e
verjaardag, er geen rekening mee gehouden of de betrokkene die
functies eventueel met behulp van persoonlijke ondersteuning zou kunnen
verrichten. Bij de ("definitieve") beoordeling vanaf de leeftijd van 27
jaar verandert dat. De betrokkene zal in dat geval inmiddels enkele jaren
arbeidservaring hebben opgedaan, meestal met inzet van persoonlijke ondersteuning (zoals doventolk of
jobcoach) of andere re-integratie-instrumenten. De arbeidskundige mag bij deze beoordeling
daarom ook functies duiden die de betrokkene met behulp daarvan kan verrichten. Dit zal er
vaak op neerkomen dat de betrokkene, anders dan bij de eerste
beoordeling, wel een (theoretische) resterende verdiencapaciteit rblz.|21|
heeft. Deze wordt
vergeleken met wat de betrokkene feitelijk verdient met arbeid. Het
hoogste bedrag geldt als de resterende verdiencapaciteit van de betrokkene.
Als de betrokkene een
resterende verdiencapaciteit heeft die hoger is dan 75% van zijn
maatmaninkomen,
ontstaat in principe geen recht op arbeidsondersteuning. De gezondheidstoestand van
de betrokkene kan na de eerste beoordeling echter
verslechteren. Als dat binnen vijf jaar na de 18e verjaardag gebeurt en het
gevolg is van dezelfde ziekte of gebrek (oorzaak), kan de betrokkene
een nieuw verzoek om arbeidsondersteuning indienen. Dit verzoek dient
hij wel te onderbouwen met feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat
zijn gezondheidstoestand is verslechterd na de vorige beoordeling. Het UWV
beoordeelt dan opnieuw
of de betrokkene niet meer
kan verdienen dan 75% van het maatmaninkomen. Zo ja, dan ontstaat alsnog
recht op arbeidsondersteuning. Dit is billijk want de oorzaak van
het verlies aan verdiencapaciteit is gelegen in de ziekte die of het gebrek
dat de betrokkene al had op zijn 18e verjaardag.
Als aan de bovengenoemde
voorwaarden is voldaan, ontstaat in principe een recht op
arbeidsondersteuning. Dit is slechts anders als zich een uitsluitingsgrond voordoet
op de dag dat het recht zou ontstaan. Uitsluitingsgronden zijn
omstandigheden die verhinderen dat een recht op arbeidsondersteuning
ontstaat. Er zijn drie omstandigheden waarin geen recht ontstaat. De
eerste omstandigheid is detentie, dat wil zeggen dat de jonggehandicapte
rechtens zijn vrijheid is ontnomen. In dit geval bestaat geen noodzaak tot
arbeidsondersteuning door het UWV. De tweede omstandigheid is dat
de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. De derde
omstandigheid betreft het feit dat de jonggehandicapte een vreemdeling is die niet
rechtmatig verblijft in Nederland. In dit geval zou een recht op
arbeidsondersteuning het vreemdelingenbeleid doorkruisen.
2.3.2. Eindigen van het recht
op arbeidsondersteuning
Een recht op
arbeidsondersteuning blijft bestaan totdat een zich in de wet genoemde eindigingsgrond
voordoet. Het recht eindigt dus van rechtswege, met dien verstande dat het
UWV dat moet vaststellen. Onder de volgende omstandigheden
eindigt het recht:
• Met ingang van de eerste
dag van de kalendermaand waarin de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
• Als de jonggehandicapte
overlijdt.
• Als de jonggehandicapte
verzoekt om beëindiging van zijn recht.
• Eén maand nadat de
jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Hierbij worden
perioden van vrijheidsontneming bij elkaar samengeteld als zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
• Met ingang van de eerste
dag van de kalendermaand volgend op die waarin de jonggehandicapte
buiten Nederland is gaan wonen. Hierbij geldt een hardheidsclausule
op grond waarvan het UWV bevoegd is het recht voort te zetten.
Dit is een voorzetting van het huidige beleid (zie artikel
17 [3:19], zevende
lid, Wajong). Een reden voor toepassing van de hardheidsclausule is
bijvoorbeeld dat de jonggehandicapte in het buitenland kan werken,
terwijl dat in Nederland niet mogelijk is.
• Als de jonggehandicapte
meer dan 75% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, tenzij hij werkt.
• In dat laatste geval
eindigt het recht als de jonggehandicapte ófwel na een periode van vijf jaar
werken met die arbeid feitelijk meer dan 75% van zijn maatmaninkomen
verdient, ófwel gedurende één jaar met arbeid feitelijk ten minste
100% van het wettelijk minimumloon verdient, tenzij hij werkt met een structurele arbeidsondersteuning. Daaronder vallen de volgende rblz.|22|
vormen van
arbeidsondersteuning: loondispensatie, jobcoach, intermediaire voorziening (zoals
bijvoorbeeld een doventolk) en vervoersvoorzieningen. Zolang de betrokkene deze
vormen van arbeidsondersteuning nodig heeft, eindigt het
recht dus niet, ongeacht wat hij verdient. Dat is
systematisch bezien logisch, want de Wajong biedt arbeidsondersteuning aan
degenen die dat nodig hebben. Daarmee is niet verenigbaar dat het
recht daarop zou eindigen als iemand met behulp van die ondersteuning
zijn arbeid verricht. Dat is immers het doel van de Wajong. Het
recht kan wel eindigen na één of vijf jaar werken als de betrokkene
geen structurele arbeidsondersteuning heeft, bijvoorbeeld een werkplekvoorziening. Die voorziening verliest men
namelijk niet bij het einde
van het recht op arbeidsondersteuning. Indien de werkplekaanpassing
later moet worden vervangen, kan een beroep worden gedaan op de Wet WIA.
2.3.3. Herleven van het recht
op arbeidsondersteuning
Een geëindigd recht kan
soms herleven. Herleving houdt in dat het oude recht weer bestaat. Dat is
het geval als de eindigingsgrond zich niet meer voordoet en de betrokkene
een verzoek om herleving van zijn recht heeft ingediend. Onder de volgende
omstandigheden kan het recht op arbeidsondersteuning herleven:
• Als de jonggehandicapte
die eerder verzocht heeft om beëindiging, verzoekt om herleving van
zijn recht. Deze herleving kan niet eerder ingaan nadat het recht één
jaar lang beëindigd is geweest.
• Als de jonggehandicapte
die rechtens zijn vrijheid is ontnomen in vrijheid wordt gesteld en
een verzoek om herleving doet. De herleving van het recht kan ingaan
vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld.
• Als de jonggehandicapte
die buiten Nederland is gaan wonen weer in Nederland gaat wonen en een
verzoek om herleving doet. De herleving van het recht kan ingaan
vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de
jonggehandicapte in Nederland is gaan wonen.
• Als het recht is
geëindigd omdat de betrokkene meer dan 75% van zijn maatmaninkomen kan verdienen
en binnen vijf jaar vanwege dezelfde oorzaak opnieuw niet meer
dan dat bedrag kan verdienen.
Hoofdstuk 3.
Overige aspecten
3.1. Overgangsrecht
Een nieuwe regeling voor
Wajong-ers doet de vraag rijzen naar de positie van huidige
uitkeringsgerechtigden. Zo dient ook in verband met het onderhavige wetsvoorstel de
vraag te worden gesteld hoe wordt omgegaan met de uitkeringsrechten van
mensen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wijziging reeds een
Wajong-uitkering hadden.
Het kabinet heeft gekozen
voor eerbiedigende werking van bestaande rechten van Wajong-ers.¹
Daarbij heeft het kabinet groot gewicht toegekend aan het feit dat de nieuwe
aanpak die het kabinet voorstaat voor jonggehandicapten nog niet
in praktijk is gebracht en zich dus in zekere zin in de praktijk nog moet
bewijzen. Een overgang van bestaande Wajong-ers naar de nieuwe regelingen is
dan niet voor de hand liggend. Voor eerbiedigende werking pleit verder dat de huidige
Wajong-ers voor wat
hun inkomensvoorziening
betreft reeds kortere of langere tijd (mede) afhankelijk zijn van de
Wajong en daar hun leef- en verwachtingspatroon op hebben afgestemd. Een
nadeel van onmiddellijke werking zou bovendien zijn dat het UWV
op korte
termijn geconfronteerd wordt enerzijds met de uitvoering van de nieuwe
Wajong-regelingen en anderzijds met het rblz.|23|
omzetten en beoordelen van
de huidige Wajong-populatie naar de nieuwe regelingen.
1. Hierbij is rekening
gehouden met het Toetsingskader Overgangsrecht (Kamerstukken I 1999-2000, 25 900, EK 87,
nr. 87b). Bij de te maken keuze van overgangsrecht moet een afweging worden gemaakt
tussen de beginselen van rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid. In zijn algemeenheid is de rechtszekerheid het meest gediend met
eerbiedigende werking en de rechtsgelijkheid met
onmiddellijke werking van nieuwe regelgeving. Bij
de afweging spelen aspecten als het
karakter van de regeling en het doel van de
wijziging, alsmede de uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid een rol. Met betrekking tot de
nieuwe regeling zijn er zowel overwegingen die
pleiten voor eerbiediging van bestaande
rechten als voor onmiddellijke werking of
uitgestelde overgang naar de nieuwe regelingen.
Alles afwegende heeft het kabinet de
conclusie getrokken dat overgangsrecht met
eerbiedigende werking de voorkeur geniet. Onderkend
wordt dat aan de keuze voor eerbiedigende
werking nadelen zijn verbonden, maar die
zijn niet prohibitief.
Tevens weegt voor het
kabinet mee dat voor de huidige Wajong-ers een aantal maatregelen is
genomen om hun kansen op werk te vergroten. Zo worden in het kader van de
herbeoordelingsoperatie, die voortvloeit uit de aanscherping van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, bestaande gevallen door het
UWV actief benaderd voor re-integratie op de arbeidsmarkt. Daarnaast
is het UWV gestart met een pilot om meer kansrijke Wajong-ers, dus met name de recent ingestroomde
Wajong-ers, naar werk te bemiddelen.
Ook hebben rechthebbende
onder de huidige Wajong profijt van een aantal
participatie bevorderende maatregelen die het wetsvoorstel begeleiden, zoals:
• de afschaffing
drempelbedrag voor vergoeding van aanpassingen op de werkplek (2009);
• de oprichting van het
servicecentrum Wajong (oktober 2008);
• de vereenvoudiging en
digitalisering van aanvragen voor re-integratievoorzieningen;
• de uitbreiding van
voorzieningen voor zelfstandigen (2010);
• de lancering van de
website Wajongwerkt.nl (oktober 2008); en
• betere matchingmogelijkheden door het Cliëntvolgsysteem (2008).
Hiermee zorgt het kabinet
ervoor dat het belangrijkste doel van de gewijzigde
Wajong, namelijk werk voor
jonggehandicapten, ook voor bestaande Wajong-ers meer
binnen handbereik komt.
De wijziging van de
Wajong zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2010 in werking
treden. De nieuwe Wajong geldt voor degenen die op of na die datum een
aanvraag hebben ingediend. Dit betekent het volgende. Iedereen die vóór
1 januari 2010 een aanvraag heeft ingediend, op die datum 17 jaar of ouder
is en recht heeft op een uitkering op basis
van de huidige Wajong,
behoudt dat recht. Als dat recht op of na 1 januari 2010 eindigt, kan het
herleven als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. In dit geval is
immers geen sprake van een aanvraag voor een recht op Wajong-uitkering,
maar van een aanvraag voor herleving van een "oud" recht. Hetzelfde
geldt voor degenen die recht hadden op een Wajong-uitkering die is
geëindigd vóór 1 januari 2010. Ook dit "oude" recht kan herleven na 1
januari 2010.
3.2.
Uitvoering
Het UWV
heeft de
taak de Wajong uit te voeren. Het UWV heeft veel ervaring met
re-integratie van mensen die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en heeft
de laatste jaren geïnvesteerd in de begeleiding van Wajong-ers, onder
andere in Wajong-netwerken en het werken met gespecialiseerde
arbeidsdeskundigen.
De
combinatie van beperking en weinig of geen werkervaring maakt het veelal
noodzakelijk dat werkgevers aangepast werk creëren. Het UWV
werkt
daarbij samen met re-integratiebedrijven en andere instanties, zoals
scholen en zorginstellingen.
De
komende jaren geeft het UWV voor Wajong-ers zo snel mogelijk nadere
invulling aan de werkgeversbenadering die de fusieorganisatie UWV-CWI
thans al gebruikt voor de WW. Deze aanpak gaat nog meer dan nu het geval
is uit van de regionale arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via vaste
aanspreekpunten (accountmanagers) voor bedrijven. In de uiteindelijke
matching van vraag en aanbod zullen vanzelfsprekend ook private rblz.|24|
partijen, zoals re-integratiebedrijven en andere instanties, net als nu
een belangrijke rol spelen.
In LWI-verband zal het UWV ook samenwerken met
gemeenten. Gemeenten hebben sinds de invoering van
de Wwb ervaring opgegaan met het aanboren van werkgelegenheid aan de
onderkant van de arbeidsmarkt. Hierbij hebben ze expertise opgedaan over
de lokale arbeidsmarkt en netwerken ontwikkeld met lokale bedrijven. Er
komen mogelijkheden om te experimenteren met betrekking tot de
uitvoering van de Wajong door gemeenten en in dat kader wordt ook bezien
wat de meest effectieve (financiële) prikkels, richting overheid, zijn
om te kunnen benutten om te komen tot het zo optimaal aan het werk
helpen van Wajong-ers. De wetsbasis voor experimenten zal nog worden
geregeld, waarna in een algemene maatregel van bestuur de modaliteiten
van experimenten kunnen worden vormgegeven.
3.3.
Ontvangen commentaren en adviezen
3.3.1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV)
A. De uitvoeringstoets van het UWV
Het
UWV is van oordeel dat het conceptwetsvoorstel uitvoerbaar en
handhaafbaar is. Ook de beoogde invoeringsdatum van 1 januari 2010 is
volgens het UWV haalbaar, mits de inhoud van de wet- en regelgeving,
waaronder de lagere regelgeving, op 1 april 2009 vaststaat. Het UWV wil
op die datum namelijk starten met de systeemaanpassingen, zodat de
eerste software releases per 1 oktober 2009 kunnen plaatsvinden.
In
de uitvoeringstoets zelf bespreekt het UWV, na een inleiding en een
overzicht van de gehanteerde uitgangspunten, eerst zijn rol bij de
preventie van de instroom in de Wajong. Het UWV merkt op dat
dienaangaande het al een actieve rol vervult met de inzet van de ADj
(arbeidsdeskundige jonggehandicapten) als regisseur in regionale
netwerken. Deze netwerken, waarin vele instanties deelnemen, hebben tot
doel om een vloeiende overgang voor de jongere te bevorderen van school
naar werk. De gewijzigde Wajong betekent dat de rol van het UWV langs
twee lijnen zal worden geïntensiveerd: in de regionale netwerken zal
het UWV de focus op doorstroom naar arbeid en het voorkomen van instroom
in de Wajong versterken. Daarnaast zal het UWV zijn poortwachtersrol bij
de instroom bevorderen.
Verder vraagt het UWV in het bijzonder aandacht
voor de taak van scholen. Het UWV is van mening dat onderzocht zou
kunnen worden of er nog meer mogelijkheden zijn om scholen te stimuleren
de doorstroom naar arbeid te verhogen. In dit verband geeft het UWV drie
opties in overweging: 1. Financiële prikkels voor scholen. 2. Invoering
van een eindverslag waarin scholen zich verantwoorden over de
inspanningen om leerlingen te laten doorstromen naar arbeid. 3.
Inrichting van een benchmark op basis waarvan
jongeren/ouders/begeleiders de school kunnen kiezen die de meeste kans
op werk biedt.
Vervolgens gaat het UWV in op vijf belangrijke onderdelen van het
conceptwetsvoorstel, waarbij tevens enkele wijzigingen worden
voorgesteld.
1. Aanvang inkomensondersteuning
In
de eerste plaats stelt het UWV het moment waarop de
inkomensondersteuning aanvangt aan de orde. Het UWV stelt dat in de
huidige uitvoeringspraktijk veel aanvragen te laat, dat wil zeggen na de
datum waarop het recht op Wajong-uitkering is ontstaan, worden
ingediend. Dit heeft diverse oorzaken, variërend van onbekendheid tot
weloverwogen rblz.|25|
handelen. Een te late aanvraag heeft tot gevolg dat de
uitkering wordt uitbetaald vanaf zijn vroegst één jaar vóór de datum van
de aanvraag, met dien verstande dat in bijzondere gevallen het UWV de
uitkering met verdergaande terugwerkende kracht kan uitbetalen. Het UWV
constateert dat volgens het conceptwetsvoorstel de inkomensondersteuning
niet eerder aanvangt dan zestien weken na de aanvraag van arbeids- en
inkomensondersteuning, terwijl niet is voorzien in een mogelijkheid om
in bijzondere gevallen de inkomensondersteuning met terugwerkende kracht
te verstrekken. Naar het oordeel van het UWV kan dit tot onbedoelde
effecten leiden. Ten eerste kan dit tot een verhogend effect van het
aantal aanvragen leiden. Mensen zullen ruim vóór de 18e verjaardag voor
alle zekerheid arbeids- en inkomensondersteuning aanvragen om te
voorkomen dat rechten worden verspeeld. Ten tweede heeft een te late
aanvraag direct financiële gevolgen. Dit kan volgens het UWV onder meer
tot weerstand leiden bij jonggehandicapten en hun begeleiders. Het UWV
pleit er daarom voor om het UWV de bevoegdheid te geven om in (een zeer
beperkt aantal) bijzondere gevallen de inkomensondersteuning met
terugwerkende kracht te kunnen verstrekken.
2. Re-integratie en werkaanbod
De
uitvoering van de arbeidsondersteuning, waaronder het werkaanbod, is
volgens het UWV goed uitvoerbaar. Het UWV zal het werkaanbod voor
jonggehandicapten niet zelf uitvoeren, maar hierover afspraken maken met
de re-integratiebranche. Ook zal het UWV met gemeenten overleggen over
de mogelijkheden om in samenwerking stage- en werkplekken voor
jonggehandicapten tot stand te brengen.
Voor twee punten vraagt het UWV nadere aandacht. Dat betreft ten eerste
de duurzaamheid van de werkhervatting. Volgens het UWV is de focus van
de re-integratie-instrumenten nu vooral gericht op het in dienst nemen
van jonggehandicapten. Naar het oordeel van het UWV zal ook de
duurzaamheid van de werkhervatting meer moeten worden gestimuleerd.
Ten
tweede vraagt het UWV aandacht voor beschut werk en de rol van de
Wsw.
In de werkregeling zal volgens het UWV rekening moeten worden gehouden
met een groep waarvoor een concreet beschut werkaanbod nodig is. Naar
het oordeel van het UWV zal daarom een publieke voorziening voor deze
groep nodig blijven. Het UWV merkt op dat het de commissie-De Vries
heeft geïnformeerd over zijn visie op de rol van de Wsw.
3. Beëindiging arbeidsondersteuning
Het
UWV merkt op dat het recht op arbeidsondersteuning, evenals nu het recht
op een Wajong-uitkering, in principe eindigt als de jonggehandicapte
meer dan 75% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Daarop worden enkele
uitzonderingen gemaakt als de jonggehandicapte werkt. Met die
uitzonderingen wordt beoogd om werken te stimuleren. Volgens het UWV kan
één uitzondering leiden tot ongewenste effecten. Als de
jonggehandicapte met werken een inkomen van ten minste 100% van het wettelijk
minimumloon verdient
en blijft verdienen, dan eindigt het recht na één jaar. Volgens het
UWV is er dan veelal nog sprake van (blijvende) beperkingen. Het is niet
ondenkbaar dat de betrokkene na dat jaar uitvalt of om andere redenen
zijn werk verliest. Naar het oordeel van het UWV is het daarom
belangrijk dat het re-integratie-instrumentarium in de werkregeling voor
een langere tijd beschikbaar blijft. Onder verwijzing naar de motie-Heerts
¹ stelt het UWV voor dat het recht ook dan, evenals bij een
inkomen van minder dan 100% van het wettelijk minimumloon, na vijf jaar werken eindigt.
1. Kamerstukken II 2006-2007,
28 333, nr. 90.
4. Breman-regeling
Het
UWV merkt op dat de voorgestelde inkomensondersteuning vanaf
rblz.|26|
27 jaar een
uitzondering kent voor de jonggehandicapte die werkt met ondersteuning
van een jobcoach en voor wie de werkgever loondispensatie ontvangt. In
dat geval geeft de inkomensondersteuning een aanvulling tot het voor hem
geldende functieloon, met een maximum van 120% van het wettelijk
minimumloon. Dit vormt een
voortzetting van de huidige "Breman-regeling". Het UWV vraagt
om de rechtvaardiging voor deze uitzondering toe te lichten, mede met
het oog op de informatieverstrekking aan zijn cliënten.
5. Plichten en sancties
Het
UWV merkt op dat in het conceptwetsvoorstel dezelfde
re-integratieverplichtingen en sanctiemogelijkheden zijn opgenomen als
in de overige wetten. Naar het oordeel van het UWV bevordert dit de
effectiviteit van re-integratie en uniformiteit in de uitvoering. Ook de
wijze waarop invulling wordt gegeven aan het nieuwe begrip "geconditioneerde
inkomensondersteuning" is volgens het UWV uitvoerbaar.
Het
UWV gaat nader in op drie voorstellen op het onderdeel plichten en
sancties. Ten eerste betreft dit het voorstel dat de
inkomensondersteuning, als die is beëindigd omdat de jonggehandicapte
niet bereid is om te werken, pas weer wordt verstrekt als de
jonggehandicapte feitelijk werkt. Het zou volgens het UWV betekenen dat
de inkomensondersteuning mede afhankelijk is van de beschikbaarheid van
passend werk voor die jonggehandicapte. Die factor kan hij echter niet
altijd beïnvloeden.
Ten
tweede plaatst het UWV een kanttekening bij het voorstel dat de hoogte
van de inkomensondersteuning 55% van het wettelijk
minimumloon bedraagt, als de jonggehandicapte
verweten kan worden dat hij minder verdient dan 20% van het wettelijk
minimumloon. Dit is volgens
het UWV - naast de sancties en de geconditioneerde
inkomensondersteuning - een derde vorm van "sanctionering".
Naar het oordeel van het UWV is dat onwenselijk. Overigens merkt het UWV
op dat deze situatie zich in de praktijk niet kan voordoen. Het UWV
verzoekt dan ook deze bepaling te schrappen.
Ten
derde plaatst het UWV een kanttekening bij het voorstel dat de
jonggehandicapte verplicht is zich te onthouden van verwijtbaar gedrag
dat kan worden aangemerkt als dringende reden voor ontslag (artikel
5.6.2 [2:32], tweede lid, onderdeel a) en verplicht is zich geneeskundig te
laten behandelen en zijn genezing niet te belemmeren (artikel
5.6.1 [2:31],
tweede lid, onderdeel a). Het UWV geeft aan dat in het participatieplan,
naast de wijze waarop de arbeidsondersteuning wordt gegeven en de
mogelijkheden van de jongere op de arbeidsmarkt, ook de afspraken staan
die het UWV maakt met de Wajong-er omtrent zijn rechten en plichten. Deze
afspraken zijn toegesneden op de persoon en situatie van de
jonggehandicapte (maatwerk). Bovengenoemde verplichtingen over behoud
van werk en geneeskundige behandelingen zijn dan in het participatieplan
al aan de orde en hoeven, volgens het UWV, niet apart worden genoemd in
de wettekst, omdat dit het leveren van maatwerk aan de cliënt niet ten
goede komt.
Uitvoeringskosten en re-integratiemiddelen
De
extra benodigde re-integratiemiddelen bedragen volgens het UWV
€|89
miljoen structureel. De structurele extra uitvoeringskosten raamt het
UWV op
€|51 miljoen. Daaraan liggen de volgende uitgangspunten ten
grondslag. Basis is het voor 2010 voorziene aantal van 23 000 aanvragen
om arbeidsondersteuning. De instroom in de werkregeling zal vanaf 2010
met 10% dalen en de uitstroom uit de werkregeling tot 27 jaar zal 10
procentpunt hoger liggen dan de huidige uitstroom van 20%. Van de instroom
komen circa 8000 personen (52%) direct voor arbeidsondersteuning in
aanmerking en circa 2600 (17%) personen (die om medische redenen tijdelijk
niet bemiddelbaar zijn) vanaf het tweede jaar na de instroom.
rblz.|27|
De extra
uitvoeringskosten worden ten eerste veroorzaakt door het
participatieplan dat in de plaats komt van de beperktere
re-integratievisie. Ten tweede worden de deelnemende cliënten zeven
jaar begeleid, met een vanaf het derde jaar sterk teruglopende
intensiteit van de monitoring. De periodieke evaluatie van het
participatieplan leidt tot kleine (50%) dan wel grote (20%)
bijstellingen. Na afloop van de begeleidingsperiode, die voor de meeste
jonggehandicapten eindigt bij het bereiken van de 27-jarige leeftijd,
wordt een re-integratieverslag opgesteld en wordt men herbeoordeeld.
Door deze extra frontofficeactiviteiten nemen de uitvoeringskosten toe
van de huidige
€|30 miljoen naar een in 2018 te bereiken structureel
niveau van
€|75 miljoen. Met inbegrip van de met de regeling
samenhangende extra backofficeactiviteiten en bezwaar- en
beroepsprocedures nemen de uitvoeringskosten structureel toe met
€|51
miljoen.
De
implementatiekosten worden door het UWV geraamd op
€|16,45 miljoen in
2009 en
€|2,35 miljoen in 2010.
Extra fte
Het
UWV schat in dat in de structurele situatie
circa 550 extra fte nodig zijn
voor de uitvoering van het conceptwetsvoorstel; voor het grootste deel
frontofficemedewerkers. Hierbij is nog geen rekening gehouden met
mogelijke inverdieneffecten op frictiekosten/kosten sociaal plan door
interne doorstroom van boventallig personeel.
B. Reactie op de uitvoeringstoets
In
reactie op de door het UWV besproken vijf onderdelen van het
conceptwetsvoorstel wordt het volgende opgemerkt.
1. Aanvang inkomensondersteuning
In
het conceptwetsvoorstel is geregeld dat het recht op
arbeidsondersteuning niet eerder ontstaat dan zestien weken nadat
daartoe een aanvraag is ingediend. Deze tijd heeft het UWV
nodig om vast
te stellen of aan alle voorwaarden voor dat recht is voldaan en om een
participatieplan op te stellen. In die periode kan de jongere tevens een
aanvraag om inkomensondersteuning indienen. In dat geval ontvangt hij,
als aan alle voorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning is
voldaan, inkomensondersteuning vanaf de eerste dag dat hij recht heeft
op arbeidondersteuning. Als de aanvraag voor inkomensondersteuning pas
daarna wordt ingediend, wordt zij verstrekt vanaf de datum van de
aanvraag.
Het
met terugwerkende kracht verstrekken van inkomensondersteuning past niet
bij het doel van het wetsvoorstel. Dit doel is om jongeren met
arbeidsbeperkingen te ondersteunen bij het vinden en behouden van werk.
Arbeidsondersteuning staat daarom centraal in het wetsvoorstel. Het
spreekt vanzelf dat deze arbeidsondersteuning niet eerder kan worden
gegeven dan nadat de jonggehandicapte daartoe een aanvraag heeft
ingediend en het UWV de tijd heeft gehad om vast te stellen of aan de
voorwaarden is voldaan en om een participatieplan op te stellen. Een
onderdeel van die arbeidsondersteuning kan zijn dat de jonggehandicapte
inkomensondersteuning wenst en nodig heeft. Met dit karakter van de
inkomensondersteuning, te weten een onderdeel van het totale pakket aan
arbeidsondersteuning, strookt het niet dat die inkomensondersteuning met
terugwerkende kracht zou kunnen worden verstrekt. Dit zou immers
betekenen dat een onderdeel van de arbeidsondersteuning wordt verstrekt
over een periode voordat het recht op arbeidsondersteuning is ontstaan.
Het
kabinet deelt niet de opvatting van het UWV
dat het ontbreken van de
mogelijkheid om de inkomensondersteuning met terugwerkende kracht te
verstrekken tot onbedoelde effecten kan leiden. Volgens het UWV kan dit rblz.|28|
tot een toename van het aantal aanvragen leiden, omdat jongeren hun
aanvraag zullen indienen ruim vóór hun 18e verjaardag. Het kabinet vindt
dit, anders dan het UWV, geen onbedoeld effect. Immers, de voorspelde
toename is volgens het UWV een gevolg van het (vaker) tijdig indienen
van een aanvraag. Met de voorgestelde regeling wordt dus voorkomen dat,
zoals dat in de huidige situatie het geval is, aanvragen te laat worden
ingediend. Dit is nu juist hetgeen beoogd wordt met het aanmerken van de
aanvraag als ontstaansvoorwaarde voor het recht op arbeidsondersteuning.
Het is juist wenselijk dat jongeren die ondersteuning nodig hebben zich
tijdig melden, zodat zij meteen de benodigde ondersteuning kunnen
krijgen, en niet eerst een periode laten voorbijgaan waarin zij
arbeidsmogelijkheden hebben.
2. Re-integratie en werkaanbod
Het
is belangrijk dat jongeren met een beperking maar met perspectief op
reguliere arbeid niet alleen gaan, maar ook blijven deelnemen aan het
arbeidsproces. Het streven is dan ook dat de werkhervatting duurzaam is.
De ondersteuning en begeleiding die door het UWV
aan de jonggehandicapte
wordt geboden, is daarom niet alleen gericht op het vinden van een
(reguliere) baan, maar ook op het behouden van een baan. Het kabinet
deelt niet de opvatting van het UWV dat de focus van het re-integratie-instrumentarium vooral gericht is op het in dienst nemen
van een jonggehandicapte. De jonggehandicapte kan immers ook een beroep
doen op voorzieningen zoals de jobcoach, arbeidsplaatsaanpassingen en
vervoersvoorzieningen die hem (structureel) in staat stellen zijn
werkzaamheden te verrichten. Bovendien heeft hij aanspraak op de no-riskpolis, zodat zijn werkgever geen loonkosten heeft als de
jonggehandicapte de bedongen arbeid niet kan verrichten vanwege ziekte.
Het kabinet onderschrijft het voorstel van het UWV om in overleg met de
betrokken partijen te bezien wat de mogelijkheden zijn de duurzaamheid
van de werkhervatting verder te stimuleren.
Het
UWV heeft aandacht gevraagd voor beschut werk en de rol van de
Wsw. Dit
onderwerp maakt deel uit van het advies van de commissie fundamentele
herbezinning Wsw (commissie-De Vries). Het kabinet zal de visie van het
UWV betrekken bij zijn reactie op het advies.
3. Beëindiging arbeidsondersteuning
In
het wetsvoorstel is geregeld dat het recht op arbeidsondersteuning niet
eindigt als de jonggehandicapte werkt en dat werk slechts kan verrichten
omdat hij een structurele arbeidsondersteuning heeft. Onder een
structurele arbeidsondersteuning worden de volgende vormen van
arbeidsondersteuning verstaan: loondispensatie, jobcoach, intermediaire
voorziening (zoals een doventolk) en vervoersvoorzieningen. Het zou in
tegenspraak zijn met het doel van het wetsvoorstel als een
jonggehandicapte die één van deze vormen van arbeidsondersteuning
ontvangt, die ondersteuning zou verliezen als hij met werken meer
verdient dan 75% van zijn maatmaninkomen.
In
andere gevallen doet die tegenspraak zich niet voor. Iemand die zonder
arbeidsondersteuning met werken meer verdient dan 75% van zijn
maatmaninkomen (dit is gelijk aan 75% van het wettelijk
minimumloon), voldoet niet meer aan de
kernvoorwaarde voor het recht op arbeidsondersteuning. In principe zou
dat tot beëindiging van dat recht moeten leiden. Dat zou uiteraard geen
prikkel vormen om meer te gaan verdienen dan 75% van het wettelijk
minimumloon.
Daarom eindigt het recht op
arbeidsondersteuning, evenals in de huidige Wajong, in beginsel pas na
vijf jaar werken. Als de betrokkene in die periode van vijf jaar met dat werk
echter meer gaat verdienen dan 100% van het wettelijk minimumloon, dan is de inkomensbescherming
vanuit de Wajong niet langer nodig. De hoogte van de
inkomensondersteuning bedraagt dan immers nul. Bovendien rblz.|29|
heeft de
betrokkene als hij later uitvalt recht op loondoorbetaling of recht op
ziekengeld. De hoogte daarvan bedraagt ten minste 70% van het loon of
het dagloon en is dus (vrijwel) gelijk aan of hoger dan de maximale
inkomensondersteuning die hij op grond van de Wajong zou kunnen
ontvangen. Vanuit een oogpunt van inkomensbescherming is een terugval op
de Wajong dan ook niet nodig als de betrokkene met werken meer verdient
dan 100% van het wettelijk minimumloon. Daarbij is ervoor gekozen dat het recht pas eindigt als
hij dat inkomen uit arbeid gedurende één jaar verdient, zodat er
zekerheid bestaat dat hij die arbeid daadwerkelijk aankan.
Het
kabinet deelt niet de opvatting van het UWV
dat het noodzakelijk is dat
de betrokkene na dat jaar nog een beroep kan doen op het re-integratie-instrumentarium van de
Wajong. Immers, als de betrokkene uitvalt, is zijn
werkgever of het UWV verantwoordelijk voor diens re-integratie. Zowel de
werkgever als het UWV is verplicht om al het redelijkerwijs mogelijke te
doen om de betrokkene weer aan het werk te helpen. Daarbij kan een
beroep worden gedaan op de re-integratie-instrumenten van de Wet WIA.
Ook de betrokkene zelf kan daar een beroep op doen, zoals de
voorzieningen tot aanpassing van de werkplek, de persoonlijke
ondersteuning tijdens werk en de vervoersvoorzieningen. Dit pakket is
naar het oordeel van het kabinet meer dan voldoende om de eigen arbeid
te hervatten of passende arbeid te vinden.
De
verwijzing naar de motie-Heerts ¹ treft volgens het kabinet geen doel. De
strekking van deze motie is niet om de betrokkene zekerheid te bieden
dat hij een beroep kan doen op het re-integratie-instrumentarium in de
WAO, maar om hem zekerheid te bieden dat hij direct zijn oude
WAO-uitkering weer ontvangt als hij het werk niet aankan. Met andere
woorden, de terugvaloptie biedt inkomensbescherming. Zoals hiervoor
uitgebreid is betoogd, biedt de regeling omtrent de beëindiging van het
recht op arbeidsondersteuning dezelfde inkomensbescherming.
1. En voorstel van Wet
tot wijziging
van de WAO en de WAZ om uitkeringsgerechtigden te stimuleren arbeid te
gaan verrichten.
4. Breman-regeling
Zoals het UWV terecht opmerkt, is de inkomensondersteuning aan
jonggehandicapten van 27 jaar of ouder die werken met ondersteuning van
een jobcoach en voor wie de werkgever loondispensatie ontvangt, een
voortzetting van de huidige Breman-regeling. Het is dus geen nieuw
beleid. De rechtvaardiging daarvan is destijds tweeledig geweest. Ten
eerste creëert de Breman-regeling inkomensgelijkheid tussen enerzijds
jonggehandicapten die met een Wsw-indicatie begeleide arbeid verrichten
en anderzijds jonggehandicapten die onder vergelijkbare omstandigheden
in een reguliere dienstbetrekking arbeid verrichten. Van vergelijkbare
omstandigheden is sprake als de jonggehandicapte zijn arbeid alleen kan
verrichten met behulp van persoonlijke ondersteuning én voor wie zijn
werkgever loondispensatie ontvangt. Omdat jonggehandicapten met een Wsw-indicatie het rechtens bij de functie geldende loon ontvangen,
vergde de rechtsgelijkheid dat ook de bedoelde groep jonggehandicapten
het voor hun functie geldende loon ontvingen. Er is voor een maximum van
120% van het wettelijk minimumloon gekozen, omdat het functieloon doorgaans enigszins boven het
minimumloonniveau ligt.
Ten
tweede voorkomt de Breman-regeling dat de uitstroom uit de Wsw
wordt
belemmerd als gevolg van een mogelijke inkomensachteruitgang. Een
jonggehandicapte die met toepassing van artikel 7
Wsw een
arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werkgever komt in aanmerking
voor persoonlijke begeleiding op de werkplek. Op basis van deze
arbeidsovereenkomst ontvangt de jonggehandicapte het loon voor die
functie, terwijl de gemeente aan zijn werkgever loonkostensubsidie
verstrekt alsmede een subsidie voor de noodzakelijke kosten van
arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van de betrokkene op
zijn werkplek.
rblz.|30|
Indien
bij herindicatie blijkt dat de betrokken jonggehandicapte niet langer
geïndiceerd is voor de Wsw, kan het behoud van die functie in gevaar
komen. De werkgever heeft immers geen aanspraak meer op de voornoemde
subsidies van de gemeente. Hij zal de jonggehandicapte niet langer in
dienst willen houden als diens arbeidsprestatie lager ligt dan in de
betreffende functie als normaal wordt beschouwd. Daarvoor kan
loondispensatie in combinatie met persoonlijke ondersteuning op basis
van de Wajong uitkomst bieden. De werkgever verkeert zodoende in
dezelfde situatie als vóór de intrekking van de Wsw-indicatie. De
jonggehandicapte ondervindt in deze situatie echter een
inkomensachteruitgang, omdat de werkgever een lager loon betaalt dan het
functieloon. Daarom biedt de huidige en voorgestelde Wajong in deze
situatie een inkomensgarantie tot dat functieloon.
5. Plichten en sancties
Het
kabinet vindt het belangrijk dat jongeren met arbeidsbeperkingen
daadwerkelijk aan de slag gaan. Enerzijds krijgen zij daarbij de
noodzakelijke ondersteuning en begeleiding van het UWV, maar anderzijds
wordt verwacht dat zij naar vermogen trachten arbeid te verrichten. Als
onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen jonggehandicapten in
aanmerking komen voor inkomensondersteuning. Voorwaarde daarvoor is wel
dat de jonggehandicapte bereid moet zijn te werken. Een werkaanbod is
niet vrijblijvend en een weigering moet volgens het kabinet dan ook
leiden tot het beëindigen van de inkomensondersteuning. Het kabinet
vindt het weigeren van een concreet, passend werkaanbod zo ernstig dat
een jonggehandicapte slechts weer voor inkomensondersteuning in
aanmerking komt als hij zelf werk vindt dan wel een nieuw werkaanbod van
het UWV aanvaardt.
Naar aanleiding van het voorstel van het UWV
om de bepaling te schrappen
waarin is geregeld dat de hoogte van inkomensondersteuning 55% van het wettelijk
minimumloon bedraagt, als de jonggehandicapte verweten kan worden dat hij minder
verdient dan 20% van het wettelijk minimumloon, is de wettekst gepreciseerd.
Het uitgangspunt is dat iemand die - al dan
niet op basis van een werkaanbod - een baan aanvaardt daarmee ten
minste 20% van het wettelijk
minimumloon zal verdienen. Als hij minder verdient, dan komt dat in
principe voor zijn eigen risico. Daarom ontvangt hij een
inkomensondersteuning van 55% van het
wettelijk minimumloon. Alleen als hij aantoont dat hem niet
kan worden verweten dat hij minder verdient dan 20% van
het wettelijk minimumloon, ontvangt hij
een inkomensondersteuning dat zijn loon aanvult tot 75% van
het wettelijk minimumloon. Het kabinet
is van oordeel dat de voorgestelde bepaling voor de jonggehandicapte en
de uitvoering een extra prikkel is om er alles aan te doen om in
voldoende mate betaalde arbeid te verkrijgen.
Naar aanleiding van de verplichting dat de Wajong-er
zich onthoudt van
verwijtbaar gedrag dat kan worden aangemerkt als dringende reden voor
ontslag en de verplichting zich geneeskundig te laten behandelen, wil
het kabinet allereerst opmerken dat in het participatieplan uitsluitend
wettelijke verplichtingen kunnen worden geconcretiseerd. De
verplichtingen om zich geneeskundig te laten behandelen en zich
geneeskundig te laten behandelen en zijn genezing niet te belemmeren,
worden van zodanig belang geacht dat deze plichten, evenals dat in de Wet WIA
het geval is, in de wet zijn verankerd. Ingevolge
artikel 5.6.1 [2:31],
tweede lid, onderdeel a, kan het UWV de jonggehandicapte opdragen een
medische behandeling te ondergaan. De wet biedt het UWV derhalve ruimte
om rekening te houden met de individuele omstandigheden en daarover
afspraken te maken met de jonggehandicapte en deze vast te leggen in het
participatieplan. Het kabinet vindt het belangrijk dat de
jonggehandicapten die werken hun werk ook behouden. Daarom is geregeld
dat de jonggehandicapte die werkt zich moet onthouden van verwijtbaar
gedrag dat leidt tot ontslag.
rblz.|31|
De voorbeelden
uit de toelichting op artikel 5.6.2, tweede lid,
onderdeel a, zijn zoals gebruikelijk illustratief bedoeld. Het is de
bedoeling dat het UWV in voorkomende gevallen toetst of het ontslag
verwijtbaar is. Deze situatie kan zich ook voordoen indien de
verplichting niet in het participatieplan is opgenomen. Overigens kent
de Wet WIA een vergelijkbare bepaling. Gezien het vorenstaande neemt het
kabinet de suggestie van het UWV niet over om de bovengenoemde plichten
niet in de wettekst op te nemen.
Uitvoeringskosten
De
raming van de extra re-integratiemiddelen en extra uitvoeringskosten is
afgestemd in onderling overleg tussen SZW en het UWV, met inbegrip van
de gehanteerde veronderstellingen. Het kabinet stelt vast dat de
werkregeling een ambitieus programma is met een lange doorlooptijd.
Daarom wordt voorgesteld om bij de monitoring
aandacht te besteden aan de effectiviteit van de lange
begeleidingsperiode en de toegevoegde waarde van de nieuwe aanpak. Op
basis hiervan kan er reden zijn tot bijstelling van de werkwijze. Zo zou
wellicht kunnen blijken voor welke (categorieën) jonggehandicapten
voortzetting van de begeleiding naar maximaal zeven jaar zinvol is dan
wel dat met een kortere periode kan worden volstaan. Het resultaat zal
van invloed kunnen zijn op de omvang van de extra structurele
uitvoeringskosten.
Bij
de implementatiekosten gaat het om een relatief fors bedrag van bijna
€|19 miljoen. Het UWV
zal dan ook worden verzocht in de
tertaalverslagen 2009 en 2010 aandacht te besteden aan de voortgang.
Extra fte
Het
kabinet is van oordeel dat het UWV, gelet op de toename met 550 fte,
rekening dient te houden met mogelijke inverdieneffecten op
frictiekosten/kosten sociaal plan uit hoofde van interne doorstroom van
boventallig personeel.
3.3.2. De Inspectie Werk en Inkomen (IWI)
De
IWI plaatst drie opmerkingen bij het conceptwetsvoorstel. In de eerste
plaats merkt de IWI op dat artikel 5.1.2
[2:2] van het conceptwetsvoorstel een
definitie geeft van het begrip "maatmaninkomen". Dit artikel
kent geen delegatiebepaling waarin bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Daarom is het de vraag
of artikel 6 van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen [lees: Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.], waarin uitvoerig is geregeld op
welke wijze het maatmaninkomen moet worden bepaald, van toepassing is op
de definitie van het begrip "maatmaninkomen". Om discussie
daarover te voorkomen, geeft de IWI in overweging om een
delegatiebepaling op te nemen in het artikel en tevens te regelen dat
het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidsregelingen mede berust op
die nieuwe delegatiebepaling.
In
de tweede plaats merkt de
IWI op dat het de bedoeling is dat de nieuwe
regeling in de Wajong alleen gaat gelden voor nieuwe gevallen. Naar de
mening van de IWI is echter niet eenduidig aangegeven en geregeld welke
gevallen precies onder de huidige regeling blijven vallen. De paragrafen
1.3 respectievelijk 3.1 van de memorie van toelichting bevatten daarover
verschillende passages, terwijl de wettekst geen verbinding legt met het
moment waarop de wetswijziging in werking treedt. Gelet hierop verdient
het naar de mening van de IWI aanbeveling om de passages in de memorie
van toelichting eenduidig te formuleren en tevens de wettekst zodanig te
formuleren dat duidelijk is wat het toetsmoment is en welke gevallen
precies onder de huidige Wajong blijven vallen.
rblz.|32|
In de
derde plaats merkt de
IWI op dat de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is een
uitkering ontvangt, tenzij hij aanspraak heeft op inkomensondersteuning
tijdens studie of scholing. In de artikelsgewijze toelichting staat
echter dat laatstgenoemde uitzondering geldt bij het ontvangen van de
inkomensondersteuning tijdens school of studie. Naar de mening van de
IWI dienen tekst en toelichting op elkaar te worden afgestemd. Daarbij
heeft de IWI een voorkeur voor het begrip "aanspraak".
Jonggehandicapten zouden immers kunnen afzien van een aanvraag voor de
inkomensondersteuning tijdens studie of scholing, omdat deze lager is
dan de uitkering in verband met volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid. Verder verdient het naar de mening van de IWI de
voorkeur om in de toelichting nadrukkelijk aan te geven dat ook indien
de aanvraag voor inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
achterwege blijft, geen uitkering wordt verstrekt in verband met
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
Reactie op de toezichtbaarheidstoets
Artikel 5.1.2
[2:2] van het conceptwetsvoorstel bevat, zoals de
IWI constateert, een definitie van het begrip "maatmaninkomen" in
onderdeel b, maar kent geen delegatiebepaling. Het kabinet deelt de
opvatting van de IWI dat dit tot discussie kan leiden over de vraag of artikel 6 van het
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidsverzekeringen [lees: Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.] een nadere uitwerking geeft van dat begrip "maatmaninkomen".
Daarom is het advies van de IWI overgenomen en is een delegatiebepaling
opgenomen in artikel 5.1.2 [2:2]
van het conceptwetsvoorstel. Evenzo zal het
advies van de IWI worden gevolgd om te regelen dat het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidsregelingen mede berust op die delegatiebepaling.
De
IWI merkt terecht op dat de nieuwe regeling in de Wajong
alleen gaat
gelden voor nieuwe gevallen. De door de IWI genoemde passages in de
memorie van toelichting weken inderdaad van elkaar af. Deze passages
zijn geherformuleerd. In beide passages wordt nu aangegeven dat de
nieuwe Wajong geldt voor degenen die op of na 1 januari 2010 een
aanvraag hebben ingediend. Dit betekent het volgende. Iedereen die vóór
die datum een uitkering heeft aangevraagd en recht heeft op een
uitkering op basis van de huidige Wajong, behoudt dat recht. Als dat
recht op of na 1 januari 2010 eindigt, kan het herleven als aan de
voorwaarden daarvoor is voldaan. In dit geval is immers geen sprake van
een aanvraag voor een recht op Wajong-uitkering, maar van een aanvraag
voor herleving van een "oud" recht. Hetzelfde geldt voor
degenen die recht hadden op een Wajong-uitkering die is geëindigd vóór
1 januari 2010. Ook dit "oude" recht kan herleven na 1 januari
2010.
Het
voorgaande is op de volgende manier in de wettekst geregeld. In het
hoofdstuk over de huidige Wajong is geregeld dat het recht alleen kan
ontstaan als de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010, terwijl in
het hoofdstuk over de nieuwe Wajong is geregeld dat het recht alleen kan
ontstaan als de aanvraag is ingediend op of na 1 januari 2010. Verder is
in het hoofdstuk over de huidige Wajong geregeld dat de jonggehandicapte
kan verzoeken om eindiging van zijn recht om in plaats daarvan recht te
krijgen op arbeidsondersteuning op basis van de nieuwe Wajong.
Naar aanleiding van de opmerking van de
IWI over de uitkering in verband
met volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is de artikelsgewijze
toelichting gewijzigd. In de toelichting is nu aangegeven dat de
jonggehandicapte die uitkering niet ontvangt als hij aanspraak heeft op
de inkomensondersteuning tijdens studie of scholing. Voorts is
aangegeven dat daar ook de situatie onder valt dat de jonggehandicapte
geen aanvraag voor die inkomensondersteuning heeft ingediend.
rblz.|33|
3.3.3. Actal
Actal constateert dat het wetsvoorstel op twee wijzen gevolgen heeft
voor de administratieve lasten. Enerzijds nemen deze af als gevolg van
een daling van het aantal Wajong-ers, anderzijds nemen deze toe omdat het
aandeel werkende Wajong-ers stijgt. Dit leidt ertoe dat de
administratieve lasten voor bedrijven nagenoeg gelijk blijven en voor
burgers afnemen.
Actal vraagt in welke mate en op welke wijze het wetsvoorstel bijdraagt
aan het vereenvoudigen van de regelgeving die van toepassing is op Wajong-ers en de betrokken werkgevers. Indien geen vereenvoudiging is
voorzien, adviseert Actal het kabinet met voorstellen voor
vereenvoudiging te komen.
Actal merkt op dat
Wajong-ers en werkgevers te maken hebben met meerdere
uitvoeringsorganisaties en financieringsinstellingen. Naar aanleiding
daarvan adviseert Actal te onderzoeken op welke wijze de uitvoering van
regelingen waarmee Wajong-ers te maken krijgen meer in één hand kan
worden gelegd en hiervan verslag te doen in de memorie van toelichting.
Daarbij geeft Actal in overweging de mogelijkheid om te experimenteren
met uitvoering door gemeenten actief te benutten en dit te melden in de
memorie van toelichting.
Reactie op de administratievelastentoets
Het
kabinet merkt wat de complexiteit van de regelgeving betreft op dat het
wetsvoorstel geen administratieve lasten meebrengt voor werkgevers. Noch
op macroniveau, noch op individueel niveau. Op macroniveau nemen de
administratieve lasten enerzijds af als gevolg van een lagere instroom
en hogere uitstroom, anderzijds toe als gevolg van een toename van het
aantal werkende jonggehandicapten. De verwachting is dat beide effecten
elkaar in evenwicht houden. Op het individuele niveau blijven de
administratieve lasten gelijk omdat de werkgever onder dezelfde
voorwaarden als nu in aanmerking komt voor re-integratie-instrumenten.
Het is nog te vroeg om daar via dit wetsvoorstel verandering in aan te
brengen. Omdat de re-integratie-instrumenten ook in andere wetten zijn
opgenomen, zouden al die wetten op dezelfde manier moeten worden
gewijzigd. Bovendien dient eerst meer zicht te bestaan op de vraag welke
voorwaarden zouden kunnen vervallen zonder dat dat leidt tot een scherpe
stijging van de collectieve uitgaven. Daarom kiest het kabinet voor
vermindering van de administratieve lasten voor werkgevers door het
instellen van een servicecentrum. Het servicecentrum Wajong
van het UWV neemt administratieve handelingen uit handen van werkgevers, zodat zij
minder last hebben van de (ervaren) complexiteit van regels. De
ervaringen die het servicepunt hiermee opdoet, kunnen als input dienen
voor voorstellen om die complexiteit, indien dat zinvol en mogelijk
blijkt, te verminderen.
Daarnaast zal het participatieplan transparanter maken welke
ondersteuning kan worden ingezet als een werkgever een jonggehandicapte
in dienst wil nemen. Hiervan profiteren zowel de jonggehandicapten als
werkgevers, ook al is de specifieke invulling van instrumenten als
loondispensatie en werkplekaanpassing afhankelijk van de concrete
functie die de werkgever heeft.
Bij
de vraag wie de Wajong moet uitvoeren, heeft het kabinet zich de vraag
gesteld welke organisatie naar verwachting de beste resultaten zal
boeken bij het re-integreren van jonggehandicapten naar werk. Dit is
immers de doelstelling van het wetsvoorstel. Om jongeren met beperkingen
te re-integreren, is specifieke deskundigheid vereist. Immers,
vastgesteld moet worden welke arbeidsmogelijkheden de jonggehandicapte rblz.|34|
nog heeft. Op dit terrein heeft het UWV de meeste expertise opgebouwd.
Zo heeft het UWV de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in de begeleiding
van jonggehandicapten, bijvoorbeeld door de inzet van gespecialiseerde
arbeidsdeskundigen. Ook organisaties van doelgroepen zelf benadrukken de
competenties van het UWV op dit terrein. Bovendien is het UWV dé
autoriteit bij het beoordelen van de (mate van) arbeidsongeschiktheid.
Een onderdeel van die beoordeling is de vaststelling welke functies op
de arbeidsmarkt de jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden
kan verrichten. Doordat deze beoordeling plaatsvindt door één
organisatie, wordt bovendien de gelijke behandeling tussen
jonggehandicapten gewaarborgd. Verder heeft het UWV, omdat het landelijk
werkt, meer mogelijkheden om werkgevers te vinden die jonggehandicapten
in dienst willen nemen dan gemeenten die vooral op lokale schaal werken.
Dat laat onverlet dat langs verschillende wegen een meer integrale
uitvoering wordt nagestreefd van de regelingen waarmee Wajong-ers te
maken hebben. Ten eerste door de vorming van de LWI’s, waarin het UWV,
de CWI en gemeenten participeren [lees: waarin het UWV en gemeenten
participeren, red.]. Ten tweede doordat het UWV samenwerkt
met gemeenten, scholen en andere betrokken organisaties. Sinds 2005 is
het UWV de regisseur van regionale netwerken waaraan deze partijen
deelnemen. Doel van de netwerken is het bevorderen van een vloeiende
overgang voor de jongere van school naar werk. Dit doel verwezenlijkt
het UWV door vooral de samenwerking met en tussen partijen op de
terreinen van zorg, welzijn en arbeid te regisseren en te faciliteren.
Ten derde kan er geëxperimenteerd worden met de uitvoering van de
Wajong door gemeenten.
Hoofdstuk 4.
Financiële effecten
De in het
voorgaande beschreven aanpassingen van de Wajong
hebben diverse volume-
en financiële effecten. Enerzijds wordt het re-integratiebudget voor
Wajong-ers aanzienlijk geïntensiveerd. Hierdoor vinden naar verwachting
meer Wajong-ers aansluiting bij de arbeidsmarkt, waardoor anderzijds, met
name op de langere termijn, besparingen op de uitkeringslasten te
verwachten zijn. Dit hoofdstuk licht de volume- en financiële effecten
toe.
4.1.
Ontwikkelingen bij ongewijzigd beleid
Eind 2007 telde
Nederland 167 000 jonggehandicapten met een Wajong-uitkering. Dit is 1,6%
van de huidige beroepsbevolking. Het aantal Wajong-ers groeit volgens de
laatste inzichten tot ongeveer 450 000 in 2050.¹ Dat is bijna 5% van de
beroepsbevolking op dat moment. De uitkeringslasten Wajong bedragen
momenteel bijna
€|2 miljard of 0,4% BBP en stijgen bij ongewijzigd
beleid door naar
€|5,3 miljard of 1% BBP in 2050. Tabel 1 geeft een
beeld van de ontwikkeling van het aantal Wajong-ers en de daarmee
samenhangende uitkeringslasten.
1. Januarinota financiële
ontwikkeling UWV-fondsen 2007-2008 en UWV Kwartaal Verkenning UKV
2007-IV.
Tabel 1. Aantal uitkeringen en
uitkeringslasten Wajong bij ongewijzigd beleid:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2020 |
2050 |
| Aantal uitkeringen ultimo (x
1000) |
167 |
179 |
192 |
204 |
216 |
227 |
238 |
299 |
450 |
Uitkeringslasten
(x €|1 miljard) |
1,9 |
2,1 |
2,2 |
2,3 |
2,5 |
2,6 |
2,8 |
3,5 |
5,3 |
De
grote stijging van het aantal Wajong-ers heeft twee redenen. Aangezien de
Wajong pas sinds 1976 bestaat, is er tot 2023 sprake van een natuurlijke
oploop van het bestand, omdat pas dan de eerste generatie 18-jarige
instromers uit 1976 de 65-jarige leeftijd bereikt en om die reden
uitstroomt. Het bestand groeit echter nog snel door na 2023 vanwege de rblz.|35|
sterk gestegen instroom van
de afgelopen jaren. Een echt stabiel niveau wordt bij voortzetting van
de huidige instroomniveaus pas rond 2050 bereikt.
4.2.
Gevolgen van de wetswijziging
Vanaf 2010 ziet de Wajong
er heel anders uit dan nu. De focus ligt op arbeidsondersteuning
en de vraag wat nodig is voor iedere individuele jongehandicapte om aan
de slag te komen en te blijven in regulier werk. Door de in het
wetsvoorstel beschreven maatregelen zal de participatie langs drie
lijnen toenemen: ten eerste zullen minder jongeren in de Wajong
instromen, ten tweede zullen meer jongeren vanuit de Wajong aansluiting
op de reguliere arbeidsmarkt vinden en uitstromen en ten derde zullen
meer jonggehandicapten binnen de Wajong naar vermogen participeren. In
de raming is verondersteld dat de instroom in de werkregeling met 10%
kan dalen ten opzichte van het huidige niveau. Dit is gebaseerd op een
veronderstelde betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt
(zogenoemde netwerkactiviteiten om de overgang en aansluiting tussen
onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren) en de focus op werk. Tevens is
verondersteld dat de uitstroom uit de werkregeling met 10 procentpunten
toeneemt als gevolg van die focus op werk en de werkaanbiedingen.
Uitgaande van een dergelijk instroom- en uitstroomeffect zal het aantal
uitkeringen na invoering van het onderhavige wetsvoorstel zich als volgt
ontwikkelen, verdeeld naar regelingen:
Tabel 2. Aantallen jonggehandicapten in de werkregeling en in de uitkering voor dva
[duurzaam en volledig arbeidsongeschikten / volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten?, red.] (x 1000):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2020 |
2050 |
| Aantal jonggehandicapten
ultimo |
203 |
214 |
224 |
235 |
285 |
408 |
| • instroom t/m 2009 |
186 |
181 |
175 |
170 |
134 |
x20 |
| • werkregeling +
voortgezette werkregeling |
r12 |
r22 |
r33 |
r44 |
100 |
255 |
| • uitkering voor volledig
en duurzaam ao |
rr5 |
l11 |
r16 |
r21 |
r51 |
133 |
Een
daling van het aantal uitkeringen met ruim 40 000 op een totaal verwacht
aantal van 450 000 lijkt bescheiden. Dit miskent echter de
participatie-effecten die zich binnen de Wajong
zullen voordoen. Een
deel van de jongeren met een beperking zal alleen met ondersteuning
vanuit de Wajong aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.
In
2007 bedroeg de participatie onder de Wajong uitkeringsgerechtigden 25%.
Handhaving van een dergelijk participatieniveau zou bij een zo snel
groeiende populatie als die van de Wajong-ers bij ongewijzigd beleid al
erg ambitieus zijn. Met de wetswijziging verwacht het kabinet echter een
substantiële toename van de participatie te kunnen realiseren van 75
000 tot 80
000 personen. Dit kan zowel gaan om banen zonder enige
uitkeringsafhankelijkheid (de mensen die volledig de Wajong uitstromen)
als om kleinere banen waarin naar vermogen wordt gewerkt met
ondersteuning binnen de Wajong.
Tabel 3: Ontwikkeling
participatie van Wajong-gerechtigden (x
1000):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2020 |
2050 |
| Participatieniveau
ongewijzigd (25%) |
51 |
54 |
57 |
59 |
x75 |
113 |
| Additionele participatie |
x1 |
x3 |
x6 |
x9 |
x37 |
x77 |
| • waarvan regulier buiten
Wajong |
x1 |
x3 |
x4 |
x5 |
x14 |
x42 |
| • waarvan regulier binnen
Wajong |
x0 |
1⁄2 |
x2 |
x4 |
x23 |
x34 |
| Totale participatie
t.o.v.
oude wet |
52 |
57 |
62 |
69 |
112 |
189 |
rblz.|36|
4.3.
Budgettaire effecten van de nieuwe Wajong
Re-integratie-uitgaven en uitvoeringskosten
In
2008 is aan het UWV een budget van
€|74 miljoen beschikbaar gesteld voor
re-integratie van Wajong-ers;
€|11 miljoen daarvan was al een
intensivering van re-integratiemiddelen vooruitlopend op de nieuwe
Wajong uit het Iedereen Doet Mee-project (IDM). Daarnaast kost de
uitvoering van de Wajong nog eens
€|70 miljoen. Beide budgetten gaan
aanmerkelijk stijgen als gevolg van de wetswijziging.
Tabel 4. Intensivering
re-integratiebudget en uitvoeringskosten (x
€|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
Re-integratiebudget
bij ongewijzigd beleid ¹
• re-integratiemiddelen
• extra budget uit IDM
(Begroting 2008)
• deel IDM 2008
gereserveerd voor nieuwe wet |
74
63
11
|
74
63
11
|
75
64
12
–1 |
78
67
20
–9 |
78
67
19
–8 |
78
67
19
–8 |
Intensiveringen:
• extra re-integratiemiddelen nieuwe instroom
• extra re-integratiemiddelen zittend bestand |
|
18 |
13
x7 |
36
|
50
|
61
|
| Uitvoeringskosten
bij ongewijzigd beleid |
70 |
87 |
78 |
70 |
72 |
74 |
Intensiveringen:
• implementatiekosten
• extra uitvoeringskosten |
|
17
|
r
x2
x4 |
21 |
28 |
34 |
1. Deze bedragen zijn nog
inclusief de onderwijsvoorzieningen die per Begroting 2009 verschuiven
van de begroting van SZW naar de begroting van
OCW.
Het
huidige budget voor re-integratiemiddelen zal al in 2013 vrijwel
verdubbeld zijn ten opzichte van de Begroting 2008 exclusief IDM-gelden.
Ruim
€|60 miljoen zal dan extra besteed worden aan intensivering van
de re-integratiemiddelen voor re-integratietrajecten, inzet van
jobcoaches en speciale arbeidsdeskundigen, voorzieningen etc. De
IDM-gelden, die in de Begroting 2008 zijn toegevoegd, zijn grotendeels
belegd. Hieruit worden onder meer extra jobcoaches tijdens stages,¹
experimenten in het kader van regionale samenwerking en diverse
subsidies (onder meer Rea-scholingsinstituten en Stichting Cross-Over)
betaald. In deze extra budgetten is al rekening gehouden met de
uitvoeringskosten van de re-integratie.
1. Amendement-Ortega-Martijn,
Kamerstukken II 2007-2008, 31 224.
De
uitvoeringskosten zullen eveneens substantieel toenemen. Met name de
beoordeling van de participatiemogelijkheden en daarmee samenhangend het
opstellen van een participatieplan legt een additioneel beslag op de
capaciteit van het UWV. In 2009 is bovendien sprake van substantiële
implementatiekosten ten behoeve van onder meer ICT, opleidingen en
communicatie.
Aangezien de werkregeling tot 2018 in omvang zal toenemen (omdat in 2018
de eerste lichting 18-jarigen uit 2010 de 27-jarige leeftijd zal
bereiken), nemen de kosten van de werkregeling tot 2018 nog toe. De
intensivering in re-integratiemiddelen loopt dan ook verder op van
€|61 miljoen in 2013 naar
€|89 miljoen in 2018 en verder. De
uitvoeringskosten lopen eveneens verder op, van
€|34 miljoen in 2013
naar
€|51 miljoen in 2018 en verder. De totale intensivering loopt dus
op tot
€|140 miljoen in 2018.
Uitkeringslasten
Tegenover de intensiveringen van re-integratiemiddelen en
uitvoeringskosten staat een daling van de uitkeringslasten. Deze zal
langzaam oplopen in de tijd en heeft drie belangrijke oorzaken. In de
eerste plaats vertaalt het lagere aantal uitkeringen zich in een daling
van de uitkeringslasten. rblz.|37|
Dit betreft alleen
de daling van het aantal uitkeringen als gevolg van minder instroom
aangezien de gevolgen van stijgende uitstroom voorzichtigheidshalve op
de korte termijn buiten beeld zijn gehouden. De stijging van de
uitstroom is dus wel een nadrukkelijke ambitie van het kabinet, maar
geen zekerheid waarvoor op korte termijn al substantiële financiële
besparingen kunnen worden ingeboekt. Het kabinet kiest er nadrukkelijk
voor om uitstroom niet te beleggen met een financiële
besparingsdoelstelling.
De
uitkeringslasten dalen verder binnen de eerste fase van de werkregeling
door de "werk-moet-lonensystematiek", als gevolg waarvan de
participatie ook binnen de Wajong zal stijgen, en de
inkomensondersteuning voor studerenden. Het totale beeld aan de kant van
de uitkeringslasten ziet er als volgt uit:
Tabel 5. Ontwikkeling
uitkeringslasten (x
€|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2050 |
| Uitkeringslasten bij
ongewijzigd beleid |
2300 |
2500 |
2600 |
2800 |
5300 |
| Gevolgen nieuwe werkwijze |
xx–8 |
x–20 |
x–37 |
x–57 |
–354 |
| • minder uitkeringen |
xx–2 |
xx–3 |
xx–6 |
x–12 |
–254 |
| • werkregeling (studie,
werk moet lonen) |
xx–6 |
x–17 |
x–31 |
x–45 |
–100 |
Aangezien jongeren die studeren in de nieuwe situatie 25%
van het wettelijk minimumloon ontvangen,
zou het kunnen zijn dat jonggehandicapten meer gebruik zullen maken van
de aanvullende leenfaciliteiten bij de studiefinanciering. Als ze die
lening niet terug kunnen betalen, zal dat effect kunnen hebben op de
begroting van het ministerie van OCW.
4.4.
Gevolgen voor de administratieve lasten
Gevolgen voor werkgevers
Werkgevers en onderwijsinstellingen hebben volgens de 0-meting
Administratieve Lasten uit april 2008 bij de huidige
Wajong te maken met
een tweetal onderdelen die administratieve lasten veroorzaken: het
aanvragen van de loondispensatie en de subsidieregeling scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen.
Het
wetsvoorstel heeft langs twee wegen invloed op de ontwikkeling van de
administratieve lasten: (1) het volume neemt af ten opzichte van het
basispad als gevolg van een lagere instroom en een hogere uitstroom en
(2) het aandeel werkenden binnen de Wajong neemt toe. Eerstgenoemde
leidt tot een afname van de administratieve lasten, laatstgenoemde tot
een toename. De verwachting is dat deze twee effecten elkaar in de
structurele situatie (2050) in evenwicht houden. Binnen deze
kabinetsperiode is het mogelijk om een zeer bescheiden reductie van
enkele duizenden euro’s op jaarbasis te bewerkstelligen omdat het
volume-effect in de tijd vooruitloopt op het participatie-effect.
De nieuwe
Wajong faciliteert werkgevers bij het in dienst nemen van Wajong-gerechtigden. Hierbij kan gedacht worden aan de website "Wajong
werkt" en een servicepunt voor werkgevers met daaraan gekoppeld een
voorlichtingscampagne. Zo zal het servicecentrum Wajong van het UWV
de
papieren rompslomp voor werkgevers zoveel mogelijk uit handen nemen,
bijvoorbeeld door aanvraagformulieren vooraf grotendeels in te vullen
met de gegevens waarover het UWV reeds beschikt. De transactiekosten die
een werkgever maakt voor het in dienst nemen van een Wajong-gerechtigde
nemen hierdoor af. Echter, deze kosten vallen rblz.|38|
niet onder de definitie
van administratieve lasten en zijn in de berekeningen daarom niet
meegenomen.
Gevolgen voor werknemers/burgers
De
administratieve lasten voor burgers worden verdeeld in een
tijdscomponent en een kostencomponent (de zogenaamde out-of-pocketkosten).
Volgens het administratievelastenmodel Wajong is er op dit moment een
drietal onderdelen van de Wajong dat een groot beroep op het tijdsbeslag
van de uitkeringsgerechtigde doet: de uitkeringsaanvraag, de
herbeoordeling en het meedelen van relevante feiten aan het UWV.
De
twee effecten van de wetswijziging Wajong die hierboven zijn beschreven,
doen zich ook voor bij de gevolgen voor de administratieve lasten voor
de burger. Dit leidt ertoe dat in de structurele situatie (2050) het
tijdsbeslag 19 000 uur per jaar lager is dan bij ongewijzigd beleid.
De out-of-pocketkosten blijven nagenoeg onveranderd. Binnen deze
kabinetsperiode nemen zowel het tijdsbeslag als de out-of-pocketkosten
marginaal af ten opzichte van de situatie zonder wetswijziging.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Onderdeel A
Het nieuwe
artikel 1 [1:1]
betreft
deels handhaving van de huidige tekst en deels aanvulling met
definities die in hoofdstuk 1a [2]
worden gehanteerd. Voor zover nodig wordt
hierna een toelichting op de onderdelen gegeven.
Onderdeel c
De naam van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt in dit wetsvoorstel
gewijzigd in Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten. De definitiebepaling is
hierop aangepast.
Onderdeel d
In de
artikelen 5.1.3 [2:3]
en
5b [3:2] is voor hoofdstuk 1a
[2] respectievelijk hoofdstuk 2
[3] geregeld wie als
jonggehandicapte in de zin van dat hoofdstuk wordt beschouwd. De
begripsbepaling is hierop aangepast. In de overige hoofdstukken wordt onder het begrip
jonggehandicapte zowel de jonggehandicapte op grond van hoofdstuk 1a
[2] als de jonggehandicapte op grond van hoofdstuk 2
[3] verstaan.
Onderdeel i
In de
hoofdstukken 1a [2]
en 2 [3] wordt hetzelfde verstaan onder het begrip resterende
verdiencapaciteit. De wijze waarop deze wordt vastgesteld, is in de beide
hoofdstukken
afzonderlijk geregeld, namelijk in artikel 5.1.5
[2:5] en in
artikel 5a [3:1].
Onderdeel l
Op grond van dit hoofdstuk
kan aanspraak bestaan op een inkomensvoorziening. Dit kan de
inkomensondersteuning werkregeling zijn (artikel
5.7.2 [2:40]), de voortgezette
inkomensondersteuning werkregeling (artikel
5.7.3 [2:41]), eventueel een
verhoogde voortgezette inkomensondersteuning in verband met de "Breman-regeling"
(artikel 5.7.4 [2:42]) of de inkomensondersteuning tijdens studie en scholing
(artikel 5.7.5 [2:43]). Daarnaast ontvangen volledig en duurzaam arbeidsongeschikten op grond van
hoofdstuk 1a [2]
een uitkering (artikel
5.7.7 [2:45]). In dit onderdeel is geregeld dat al deze
rblz.|39|
verschillende vormen van
inkomensondersteuning of uitkering begrepen worden onder het begrip
"inkomensvoorziening".
Onderdeel B
Artikel 2
[3:1] vervalt op deze
plaats, maar wordt opgenomen in hoofdstuk 2 [3],
artikel 5a [3:1], dat grotendeels
gelijk is aan artikel 2 [3:1].
Onderdeel C
Het begrip jonggehandicapte
wordt in de hoofdstukken 1a [2]
en 2 [3] afzonderlijk opgenomen in de
artikelen
5.1.3 [2:3] en 5b
[3:2]. Daarvoor is ten eerste gekozen om in
hoofdstuk 1a [2]
in
aansluiting op de Wet WIA een positieve formulering te kunnen gebruiken voor het
begrip jonggehandicapte, waarbij uitgegaan wordt van wat de
jonggehandicapte nog wel kan verdienen, en ten tweede om te kunnen
regelen welke jonggehandicapten voor recht op arbeidsondersteuning dan
wel
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komen.
Het tweede tot en met het
vierde lid blijft wel gehandhaafd. Daarin wordt geregeld wie als studerende
in de zin van deze wet wordt aangemerkt. Met het oog hierop wordt ook
het opschrift van artikel 5 [1:4]
gewijzigd.
Onderdeel D
Na hoofdstuk 1
[1] wordt een
nieuw hoofdstuk ingevoegd in de Wajong. In dit hoofdstuk zijn de
voorgestelde wijzigingen zoals omschreven in het algemene deel van deze toelichting
opgenomen. Dit betekent dat alle bepalingen in verband met het recht op
arbeidsondersteuning in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Alle
bepalingen in verband met het huidige recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
worden in hoofdstuk 2 [3]
opgenomen.
Opgemerkt wordt dat het de
bedoeling is de Wajong, zoals deze luidt na inwerkingtreding van
deze wet, zodanig te vernummeren dat de Wajong een doorlopende nummering
kent.
Hoofdstuk
1a [2] Werk en arbeidsondersteuning
Afdeling
1 [1] Algemene
bepalingen
Artikel
5.1.1 [2:1]. Algemene
bepaling
In dit artikel is een algemene bepaling opgenomen die
gehanteerd wordt in hoofdstuk 1a
[2]. Het betreft de term "grondslag".
Artikel
5.1.2 [2:2]. Maatmaninkomen
Het begrip maatmaninkomen is
overgenomen uit de omschrijving van het arbeidsongeschiktheidsbegrip,
bedoeld in artikel 5a [3:1]. Tevens is, net als in
artikel
8 [3:8], tweede lid, van
de Wajong, van belang dat bij het vaststellen van het maatmaninkomen rekening
wordt gehouden met door de jonggehandicapte verkregen nieuwe
bekwaamheden.
Wellicht ten overvloede
wordt hierbij opgemerkt dat bij het bepalen van het maatmaninkomen, evenals
in het huidige artikel 2 [3:1]
van de Wajong, wordt gekeken naar hetgeen
gezonde personen gewoonlijk verdienen in de woonplaats van de
jonggehandicapte of de omgeving daarvan. Dit is anders dan in de Wet WIA
(waar het referentiekader is de plaats waar men arbeid verricht). De reden
voor dit onderscheid is dat jonggehandicapten veelal niet werken op hun
18e, zodat niet kan worden verwezen naar waar de jonggehandicapte arbeid
verricht.
rblz.|40|
In het tweede lid wordt de
mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur verder uit te werken wat onder maatmaninkomen wordt verstaan.
Artikel
5.1.3 [2:3]. Begrip
jonggehandicapte
In dit artikel is
neergelegd wie als jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1a
[2] kan worden aangemerkt.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat dit begrip verschilt van
het begrip jonggehandicapte dat in artikel 5b
[3:2] specifiek voor hoofdstuk 2 [3]
wordt gedefinieerd, omdat in dit artikel wordt uitgegaan van
wat de jonggehandicapte nog wel kan. De doelgroep van de wet wijzigt
hierdoor echter niet.
Eerste lid
Om als jonggehandicapte te
kunnen worden aangemerkt, wordt als eis gesteld dat men op de dag
waarop men de leeftijd van 17 jaar bereikt, of de dag waarop
men tijdens de studie ziek wordt, ingezetene is, dit wil zeggen in Nederland
woont (zie artikel 3 [1:2]
van de Wajong). Jonggehandicapte is de ingezetene die
aansluitend op de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar
heeft bereikt of waarop hij tijdens studie ziek wordt, gedurende 52 weken
niet in staat is geweest om met arbeid meer dan 75% van het
maatmaninkomen te verdienen. Aanvullend is hier geregeld dat aannemelijk moet zijn
dat de ingezetene niet binnen één jaar volledig zal herstellen. Met
volledig herstel wordt bedoeld dat de ziekte die de oorzaak is van de
arbeidsbeperkingen tijdens de beoordeling, naar verwachting binnen één
jaar zal zijn genezen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat alleen personen die als
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling langere tijd
niet in staat zijn om 75% van het maatmaninkomen te verdienen als
jonggehandicapte recht kunnen krijgen op arbeidsondersteuning.
Doordat deze termijn nu inbegrepen wordt in het begrip jonggehandicapte, is
geen wachttijd meer nodig, zoals dat momenteel geregeld is in artikel
6 [3:3].
Om jonggehandicapte in de
zin van dit hoofdstuk te zijn, moet de betrokkene derhalve aan vier
voorwaarden voldoen:
- hij moet ingezetene zijn
op de dag dat hij 17 jaar wordt of op de dag dat hij ziek wordt tijdens
studie;
- hij is op die dag door
zijn ziekte niet in staat om met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen
te verdienen;
- dit duurt onafgebroken
52 weken; en
- het is niet aannemelijk
dat hij daarna binnen één jaar zal herstellen.
Opgemerkt wordt dat wanneer
de ingezetene na voornoemde periode van 52 weken weliswaar ziek is,
maar niet (meer) aan de tweede voorwaarde voldoet, hij op grond van
het tweede lid alsnog jonggehandicapte kan worden wanneer hij als
gevolg van het reeds aanwezige gebrek of de reeds aanwezige ziekte
alsnog aan die voorwaarde gaat voldoen.
Om op grond van het eerste
lid, onderdeel b, als jonggehandicapte beschouwd te kunnen worden,
dient men studerende te zijn. In artikel 5
[1:4], eerste lid (nieuw), is
geregeld wie als studerende wordt beschouwd. In artikel
5.1.3 [2:3], eerste lid,
onderdeel b, is geregeld dat de ingezetene in het jaar voorafgaand aan de dag
waarop hij ziek werd ten minste zes maanden studerende moet zijn
geweest. Derhalve wordt de ingezetene die bij aanvang van de
studie al een gebrek of ziekte had, of waarbij dit gebrek of die ziekte in de
eerste zes maanden van de studie ontstaat, niet als jonggehandicapte
beschouwd. Op deze manier wordt, net als in de huidige regeling, voorkomen
dat een ingezetene die niet als jonggehandicapte kan worden beschouwd, gaat
studeren met als doel na zijn 18 levensjaar alsnog onder de
doelgroep van deze wet te komen.
rblz.|41|
Opgemerkt wordt dat een
ingezetene die studerende is en al op de dag waarop hij 18 jaar wordt
niet in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, onder
onderdeel a van het eerste lid valt.
Tweede lid
In het tweede lid is
geregeld dat de ingezetene die geen jonggehandicapte in de zin van het eerste lid
is alsnog jonggehandicapte wordt wanneer hij binnen vijf jaar alsnog aan
de voorwaarden uit het eerste lid gaat voldoen. Deze termijn van vijf jaar
gaat lopen op het moment waarop de periode van 52 weken, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a of b, is geëindigd, derhalve op de dag waarop de
ingezetene jonggehandicapte zou zijn geworden wanneer hij aan de
voorwaarden zou hebben voldaan.
Daarbij geldt wel als eis
dat het verlies aan arbeidscapaciteit een gevolg is van dezelfde ziekte die al
aanwezig was na afloop van de 52 weken, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a of b.
Artikel
5.1.4 [2:4]. Definitie
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
Het begrip volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is overgenomen uit de Wet WIA.
Eerste lid
De definitie van volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt in dit artikel is afgeleid van de definitie
van arbeidsongeschiktheid zoals die is opgenomen in artikel 2
[3:1] van de huidige Wajong
(nu artikel 5a [3:1]) (arbeidsongeschikt in de zin van
artikel 2 [3:1]
van
de Wajong kan immers ook inhouden dat iemand niet gedeeltelijk
maar volledig arbeidsongeschikt is en voor hem op lange termijn een geringe
kans op herstel bestaat), met dien verstande dat de extensie kleiner is
omdat de arbeidsongeschiktheid volledig en duurzaam moet zijn.
Een redactioneel verschil
met de definitie van arbeidsongeschiktheid is dat hier het begrip
maatmaninkomen wordt gebruikt. Dat begrip is in artikel 5.1.2
[2:2] gedefinieerd.
Alleen wanneer als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek,
zwangerschap of bevalling, duurzaam geen of een geringe verdiencapaciteit bestaat, kan men als volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt worden
aangemerkt. Bij het vaststellen van de arbeidsongeschiktheid wordt, net als nu, een
vergelijking gemaakt tussen het maatmaninkomen en de
resterende verdiencapaciteit. De verdiencapaciteit mag maximaal 20% van het
maatmaninkomen bedragen om als volledig arbeidsongeschikt
te kunnen worden aangemerkt.
Tweede lid
In het tweede lid wordt het
element "duurzaam" nader uitgewerkt. Van duurzaamheid is sprake
wanneer de mogelijkheid tot het verdienen van niet meer dan 20% van het
maatmaninkomen het gevolg is van een stabiele of verslechterende
medische situatie.
Derde lid
Het derde lid voorziet in
een uitbreiding van de term duurzaam. Ook jonggehandicapten die op lange termijn een
geringe kans op herstel hebben, kunnen als volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt worden beschouwd. Deze jonggehandicapten
zullen echter jaarlijks gekeurd worden tijdens de eerste vijf jaar dat zij
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (artikel
5.6.6 [2:36]).
Vierde lid
In het vierde lid is
geregeld dat de jonggehandicapte alleen als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
kan worden beschouwd indien en zolang hij daarmee instemt. Dit brengt
met zich mee dat wanneer de jonggehandicapte rblz.|42|
van mening is nog
verdiencapaciteit te hebben, hij ervoor kan kiezen om niet als volledig
en duurzaam arbeidsongeschikt te worden verklaard. Hierdoor kan hij
in aanmerking komen voor arbeidsondersteuning. Van instemming is sprake als
de jonggehandicapte de gevolgen daarvan kan overzien. Indien
hij die gevolgen niet kan overzien, zal het UWV
bij diens wettelijke vertegenwoordiger te rade moeten gaan. Wanneer
de jonggehandicapte
vervolgens alsnog meent wel volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn,
zal het UWV dit opnieuw beoordelen. Opgemerkt wordt dat de wettelijke
vertegenwoordiger van de jonggehandicapte, bedoeld in artikel
5.2.3 [2:9],
bij de beslissing van de jonggehandicapte om al dan niet in te stemmen een
rol van invloed van hebben.
Artikel
5.1.5 [2:5]. Nadere
bepalingen definitie jonggehandicapte en volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt
Eerste lid
Dit lid legt, net als in de
Wet WIA, expliciet vast dat de beoordeling of iemand jonggehandicapte is
en of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, geschiedt op basis van
een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en - behoudens
uitzonderingen - een arbeidskundig onderzoek. Alhoewel de vraag of iemand
op grond van de Wajong arbeidsongeschikt was tot nu toe ook altijd
werd beantwoord aan de hand van de genoemde onderzoeken, was
dit slechts in lagere regelgeving op grond van de Wajong vastgelegd.
Ter verhoging van de kenbaarheid wordt er nu voor gekozen dit expliciet
in de wet vast te leggen.
Tweede lid
Op grond van het tweede lid
wordt de vraag of de arbeid op basis waarvan wordt vastgesteld op
iemand in staat is inkomen te verdienen, door betrokkene feitelijk
verkregen kan worden, expliciet buiten beschouwing gelaten. Op deze wijze wordt
voorkomen dat arbeidsmarktfactoren, die geheel los staan van de
ziekte of het gebrek, van invloed zijn op de mate van
arbeidsongeschiktheid. De criteria voor de beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid zijn vastgesteld in het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zal mede het onderhavige
artikel als wettelijke basis krijgen.
Derde lid
Dit lid komt overeen met het
vijfde lid van artikel 5a [3:1]
(dit was
artikel
2 [3:1]).
Vierde lid
Hetgeen wordt of kan worden
ontvangen voor arbeid bij wijze van sociale werkvoorziening wordt bij de
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing gelaten.
Bij de beoordeling of iemand in staat is met arbeid een
inkomen te verwerven, worden functies in het bedrijfsleven en bij de overheid in aanmerking genomen. Het mede in
aanmerking nemen van arbeid
in de sociale werkvoorziening zou betekenen dat iemand die tot Wsw-arbeid in staat is, gelet op de daaruit
voortvloeiende verdiensten,
geen recht op arbeidsondersteuning op grond van deze wet
krijgt,
ook al is zijn handicap een belemmering voor het verkrijgen van arbeid
bij een reguliere werkgever.
Vijfde lid
Dit lid komt overeen met
artikel 5a [3:1]
(was
artikel 2 [3:1]), achtste lid, met dien verstande dat het op grond
van deze bepaling voortaan niet meer mogelijk is om afwijkende regels te
stellen. Tevens is bepaald dat nadere regels gesteld kunnen worden in
verband met artikel 5.6.7 [2:37]. Het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten zal mede het onderhavige artikel als wettelijke basis krijgen.
rblz.|43|
Zesde lid
Dit lid strekt er, evenals
artikel 5a [3:1]
(was
artikel
2 [3:1]), negende lid, toe dat het in het vijfde lid bedoelde
besluit (en eventuele wijzigingen daarvan) eerst wordt gepubliceerd en aan de
Staten-Generaal wordt overgelegd, voordat zij van kracht wordt.
Hierdoor bestaat voor iedereen, belanghebbend of niet, de mogelijkheid daarop
te reageren.
Zevende lid
De Regeling
verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten zal mede het onderhavige
artikel als wettelijke basis krijgen.
Artikel
5.1.6 [2:6]. Inkomen
In dit artikel is
gedefinieerd wat onder inkomen wordt verstaan. Bij algemene maatregel van bestuur worden
op grond van het vierde lid hieromtrent nadere regels gesteld.
Afdeling
2 [2]. Algemene plichten jongehandicapten
In deze afdeling zijn
plichten opgenomen die van toepassing zijn op elke jonggehandicapte in de zin
van dit hoofdstuk, en sommige ook voor de ingezetene die het recht op
arbeidsondersteuning heeft aangevraagd. Daarnaast bevat deze
afdeling ook enkele algemene plichten die bijvoorbeeld gelden voor een wettelijke
vertegenwoordiger van een jonggehandicapte of voor een
re-integratiebedrijf.
Artikel
5.2.1 [2:7]. Informatieplicht en medewerking aan controle
Eerste lid
De informatieplicht die de
jonggehandicapte op grond van dit lid heeft, is vergelijkbaar met de
informatieplicht die geldt op grond van artikel 59j [zie artikel
59m [3:74], red.] (dit was artikel
62 [3:74]).
Alle feiten en omstandigheden waarvan het de jonggehandicapte redelijkerwijs duidelijk is dat die van
belang zijn voor een juiste beoordeling van het recht op
arbeidsondersteuning, de hoogte van de inkomensvoorziening of de betaling van de
inkomensvoorziening, moeten aan het UWV worden verstrekt. Daaronder
wordt tevens verstaan informatie omtrent het niet (kunnen) naleven
van plichten door de jonggehandicapte die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zoals plichten die zijn gericht
op behoud, herstel en
verkrijging van mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en plichten die zijn gericht
op daadwerkelijke inschakeling in de arbeid (re-integratie).
Onder informatie in het
kader van re-integratie wordt verstaan gegevens die nodig zijn voor de
inschakeling in de arbeid. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan
informatie over opleidingen en arbeidsmogelijkheden, maar ook aan in het kader
van re-integratie relevante informatie over de genezing, het behoud, het
herstel of de bevordering van de mogelijkheid
tot het verrichten van de
arbeid.
Het feit dat de
informatieplicht dient voor een juiste beoordeling van het recht op
arbeidsondersteuning impliceert dat die plicht geldt voor zowel jonggehandicapten die een
vastgesteld recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk
hebben, als voor jonggehandicapten die het recht op arbeidsondersteuning
hebben aangevraagd of die de wachttijd nog niet hebben doorlopen.
Indien de
inkomensvoorziening op grond van artikel 5.8.9
[2:55] aan een in dat artikel bedoelde instelling
wordt uitbetaald, geldt de in artikel
5.2.1 [2:7], eerste lid, opgenomen
informatieplicht voor die instelling.
rblz.|44|
Tweede lid, onderdeel b
De jonggehandicapte dient
vragen te beantwoorden op een wijze die het UWV
of een door het UWV
aangewezen persoon aangeeft, dat wil zeggen mondeling, schriftelijk,
digitaal of anderszins.
Derde lid
In het derde lid, onderdeel
a, is geregeld dat de informatie- en medewerkingsverplichtingen ook gelden voor de
ingezetene die het recht op arbeidsondersteuning heeft
aangevraagd.
Vierde lid
Het vierde lid regelt dat de
informatie- en medewerkingsverplichtingen ook gelden ten opzichte van
re-integratiebedrijven die een taak hebben bij de re-integratie. De
verplichtingen gelden alleen voor zover dit noodzakelijk is voor de taken die in
opdracht van het UWV worden uitgevoerd. Onderdeel
b ziet op personen
die door het re-integratiebedrijf dat in opdracht van het UWV
activiteiten verricht, zijn ingeschakeld. Gedacht kan worden aan artsen,
paramedici of arbeidskundigen.
Vijfde lid
Op grond van het vijfde lid
dient de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning de
reden van eventuele niet-naleving van zijn re-integratieverplichtingen
zo spoedig mogelijk te melden aan het re-integratiebedrijf. Dit
betekent in beginsel dat vooraf de reden van verzuim moet worden gemeld.
Dit past binnen het uitgangspunt dat de jonggehandicapte actief moet
meewerken aan zijn re-integratie en daarover verantwoording moet afleggen
en derhalve gehouden is tot tijdige informatieverstrekking aan
het re-integratiebedrijf.
De
re-integratieverplichtingen van de jonggehandicapte blijken uit het participatieplan, bedoeld in
artikel 5.5.1 [2:18], en omvatten in ieder geval de verplichtingen, genoemd in
afdeling 6 van hoofdstuk 1a
[a6].
Zesde lid
In het zesde lid is de
verplichting uit artikel 37 [3:37], eerste lid, onderdeel c, overgenomen.
Zevende lid
De informatieplicht geldt
ook voor de werkgever die gebruik maakt van loondispensatie als bedoeld
in artikel 5.5.3 [2:20]. In het geval deze plicht niet wordt nagekomen, kan het UWV
een boete opleggen op grond van artikel
5.9.3 [2:69]. De informatieplicht
voor jonggehandicapten die gebruik maken van deze re-integratie-instrumenten vloeit reeds voort uit het eerste lid en
voor de ingezetene die de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt uit het derde lid, onderdeel
b.
Artikel
5.2.2 [2:8]. Plichten ter
voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op
arbeidsondersteuning
De verplichtingen in dit
artikel betreffen de gedragingen die de jonggehandicapte moet nalaten teneinde te
voorkomen dat hij langer dan nodig arbeidsondersteuning
op grond van dit hoofdstuk nodig heeft. Anders dan in de Wet WIA
bestaat voor de jonggehandicapte geen plicht om het ontstaan van
arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Anders dan bij verzekerden op grond van de
Wet WIA is bij jonggehandicapten de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid immers over het algemeen al op
jonge leeftijd ontstaan.
Eerste lid
Deze bepaling geldt voor
alle jonggehandicapten, en derhalve niet alleen rblz.|45|
voor jonggehandicapten die
recht hebben op arbeidsondersteuning. De bepaling bevat het algemene
vereiste van schadelastbeperkend gedrag; de jonggehandicapte dient
het voortbestaan van arbeidsongeschiktheid te beperken. De jonggehandicapte dient voldoende besef van verantwoordelijkheid
voor de beperking van de
schadelast te tonen en daarnaar te handelen. Dit lid bevat een algemene norm. Het artikel ziet op zowel de
periode voorafgaande aan het
moment waarop het recht op arbeidsondersteuning ontstaat als ook op de gehele periode waarin de jonggehandicapte
recht heeft op
arbeidsondersteuning of waarin dat weer kan ontstaan. Als de schade
eenmaal is ingetreden, moet de jonggehandicapte er alles aan doen de schade
te beperken. Dit betekent dat de jonggehandicapte in ieder geval tijdens de
wachttijd, dus voorafgaande aan het recht op arbeidsondersteuning,
zijn re-integratie niet mag belemmeren. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de
jonggehandicapte tijdens de wachttijd geen re-integratieplicht heeft.
De jonggehandicapte dient de
plicht, bedoeld in artikel 5.2.2 [2:19], eerste lid, na te leven, voor zover dit
redelijkerwijs van hem kan worden verwacht, op straffe van een gehele of
gedeeltelijke weigering van de betaling van de inkomensvoorziening (zie
voor de sancties artikel 5.9.1 [2:67]
en 5.9.2 [2:68]). De beantwoording van de vraag
wat redelijk is en wat niet, is afhankelijk van de individuele
omstandigheden van het geval. Bij de vraag wat redelijkerwijs van de jonggehandicapte
kan
worden gevergd, kunnen zijn competenties, kennis, ervaring en
dergelijke mede in aanmerking worden genomen. Dergelijke
persoonlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval de grens van de
schadebeperkingsplicht verleggen, maar zij kunnen de jonggehandicapte
niet van elke zorg ontheffen.
Er zijn twee voorwaarden
waaraan het gedrag van de jonggehandicapte moet voldoen, wil van een
schending van de schadebeperkingsplicht sprake zijn. Deze
voorwaarden zijn afgeleid van de schadebeperkingsplicht die geldt met betrekking tot
private verzekeringen, maar ook van de invulling van de plicht, bedoeld in
artikel 24, vijfde lid, van de WW,
om de
fondsen niet te benadelen.
Ten eerste is een voldoende causaal verband vereist tussen de gedraging
van de jonggehandicapte en de schadelijke gevolgen. Daartoe is
minimaal een conditio sine qua non vereist, in die zin dat schade zonder de
gedraging van de jonggehandicapte lager zou zijn uitgevallen dan in
werkelijkheid is geschied. Dit is een noodzakelijke doch niet-afdoende toets. Om de
omvangrijke kring van gevolgen in te perken, worden aan de
oorzakelijkheid verdergaande eisen gesteld met behulp van de leer van de
toerekening naar redelijkheid. Voor het aannemen van voldoende causaal verband
tussen het gedrag van de jonggehandicapte en de schade wordt niet een
criterium gehanteerd, maar vindt een weging plaats van relevante
gezichtspunten in hun onderlinge verband.
Ten tweede moet de causale
bijdrage aan de schade van de zijde van de jonggehandicapte aan hem
kunnen worden toegerekend. Dat de jonggehandicapte (extra) schade had kunnen
voorkomen door anders te handelen, is niet voldoende
om zijn schade gedeeltelijk zelf te laten dragen. Vereist is tevens
dat hij anders had moeten handelen. Het gedrag van de jonggehandicapte moet
normschendend zijn. Het komt aan op beantwoording van de vraag
of de jonggehandicapte te kort komt ten opzichte van het normale
inzicht waarvan een redelijk persoon in de gegeven omstandigheden in
zijn eigen belang blijk zou hebben gegeven ter voorkoming of beperking
van schade. Het niet nemen van schadebeperkende maatregelen is alleen dan
aan de jonggehandicapte toe te rekenen indien op grond van
de omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat het
nemen van zodanige maatregelen in redelijkheid van hem kon worden gevergd.
Van een door ernstige rugklachten gevelde jonggehandicapte mag
worden verwacht dat deze zich realiseert dat bepaalde activiteiten,
zoals gedurende de ziekteperiode stukadoren, rblz.|46|
niet herstelbevorderend is.
In dergelijke situaties dient een jonggehandicapte zich te onthouden van
re-integratiebelemmerend gedrag. Doet hij dat niet dan zou hem, op
grond van artikel 5.9.1 [2:67]
of 5.9.2 [2:68], betaling van (een deel van) zijn inkomensvoorziening kunnen worden geweigerd. Daarbij
mag verwacht worden dat de
jonggehandicapte zich in elk geval op de hoogte stelt van de plichten en
verantwoordelijkheden die het recht op
arbeidsondersteuning met
zich meebrengt en zijn verantwoordelijkheid voor de naleving van die
verplichtingen toont.
Tweede lid
De ingezetene die het recht
op arbeidsondersteuning heeft aangevraagd, is, op grond van onderdeel a, verplicht mee te werken aan het opstellen van een participatieplan en
zo nodig een medische behandeling te ondergaan. Met deze verplichtingen en
de mogelijkheid om een maatregel (zie artikel 5.9.1
[2:67] en
5.9.2 [2:68]) op
te leggen, is beoogd de verantwoordelijkheid van de ingezetene tijdens de
periode die aan zijn recht op arbeidsondersteuning voorafgaat te benadrukken.
Artikel
5.2.3 [2:9]. Plichten
wettelijke vertegenwoordiger
Indien de jonggehandicapte
een wettelijke vertegenwoordiger heeft, is ook die persoon verplicht de in
artikel 5.2.1 [2:7], 5.2.2
[2:8], 5.6.1
[2:31] en
5.6.2 [2:32]
genoemde plichten na te leven.
Sommige plichten, zoals de informatieplicht, bedoeld in artikel
5.2.1 [2:7], eerste
lid, kunnen door de wettelijke vertegenwoordiger zelf worden nageleefd (zie ook artikel 59j
[zie artikel 59m [3:74], red.]). Sommige andere plichten zijn gericht op de persoon van de
jonggehandicapte, zoals bijvoorbeeld artikel
5.2.1 [2:7], tweede lid, onderdeel c
(meewerken aan onderzoek). Als het gaat om een dergelijke plicht, heeft
de wettelijke vertegenwoordiger de plicht de jonggehandicapte te "sturen"of
"helpen" bij het naleven van de desbetreffende
verplichting.
Artikel
5.2.4 [2:10]. Delegatiebevoegdheid
De nadere regels over de
informatieverplichting op grond van artikel 5.2.1
[2:7] kunnen ook een nadere
aanduiding van de soort gegevens betreffen die moeten worden verstrekt met
het oog op de re-integratie. Deze nadere regelgeving wordt, indien
dit noodzakelijk blijkt, afgestemd op die op grond van de Wet
SUWI.
Afdeling
3 [3]. Uitsluitingsgronden voor het recht op arbeidsondersteuning
Artikel
5.3.1 [2:11]. Uitsluitingsgronden
In dit artikel zijn de
omstandigheden opgesomd die leiden tot uitsluiting van het recht op
arbeidsondersteuning.
- onderdeel
a en artikel 5.3.2 [2:12]: Het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen:
Op grond van artikel 5.4.1
[2:15] respectievelijk 5.4.2
[2:16] heeft toepassing van deze uitsluitingsgrond tot gevolg
dat geen recht op arbeidsondersteuning ontstaat of dat een recht op
arbeidsondersteuning eindigt indien betrokkene rechtens zijn vrijheid is
ontnomen (met uitzondering van de situatie dat betrokkene op grond van
de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen of op grond van
artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht rechtens zijn
vrijheid is ontnomen). Dit komt overeen met de artikelen
6b [3:5] en 20
[3:22] van de
huidige Wajong. In
artikel 5.3.2 [2:12]
worden hier nog enkele nadere bepalingen
aan toegevoegd. Vindt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf buiten
een justitiële inrichting plaats, dan kan op grond van artikel 5.3.2
[2:12] bij
algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat voor bepaalde
categorieën personen wel recht ontstaat of rblz.|47|
blijft bestaan op
arbeidsondersteuning. Het gaat daarbij om gedetineerden die in de laatste fase van
hun detentie in aanmerking komen voor deelname aan een
penitentiair programma of voor nader te benoemen vormen van verlof. Daartoe
zal het op artikel 6b [3:5], vijfde lid, van de huidige
Wajong gebaseerde Besluit extramurale vrijheidsbeneming
en sociale zekerheid tevens zijn
wettelijke basis krijgen in dit artikellid.
Het feit dat iemand tijdens
de periode van 52 weken, bedoeld in artikel
5.1.3 [2:3], eerste lid, rechtens
zijn vrijheid is ontnomen, heeft geen invloed op de vraag of recht op
arbeidsondersteuning ontstaat. Bepalend hiervoor is het moment waarop die
periode van 52 weken eindigt. Ontstaat op dat moment geen recht omdat
betrokkene gedurende één maand of langer rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, dan ontstaat, voor zover ook aan de overige voorwaarden is
voldaan, alsnog recht op arbeidsondersteuning zodra de vrijheidsbeneming
wordt beëindigd.
Bestaat op het moment dat
iemand rechtens zijn vrijheid wordt ontnomen recht op
arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk, dan eindigt dat recht als gevolg van
toepassing van het eerste lid van artikel 5.3.2
[2:12] pas nadat één maand is
verstreken. In het derde lid van artikel 5.3.2
[2:12] is een voorziening getroffen opdat
vrijheidsontnemingen die worden onderbroken met minder dan vier weken
worden samengeteld. Hiermee wordt voorkomen dat bij elke nieuwe periode van vrijheidsontneming het recht
op arbeidsondersteuning pas
na één maand kan worden beëindigd. Tevens wordt hiermee
geregeld dat er niet te veel beëindigingen en herlevingen van het recht op
arbeidsondersteuning plaatsvinden.
Artikel 5.4.3
[2:17], tweede lid,
regelt dat het recht op arbeidsondersteuning herleeft zodra de
vrijheidsbeneming wordt beëindigd.
- onderdeel
b en artikel 5.3.3 [2:13]: Het niet in Nederland wonen:
Net als in op grond van
artikel 17 [3:19] van de huidige Wajong
geldt ook voor het recht op
arbeidsondersteuning dat dat in beginsel niet exporteerbaar zijn. Met andere woorden:
toepassing van deze uitsluitingsgrond heeft tot gevolg dat er geen
recht op arbeidsondersteuning ontstaat indien men niet in Nederland
woont en een bestaand recht op arbeidsondersteuning eindigt als men niet meer in
Nederland woont.
In het tweede lid van
artikel 5.3.3 [2:13] is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning van een persoon die op grond
van artikel 3 [1:2], derde lid, als ingezetene wordt beschouwd
ook niet ontstaat of eindigt als deze persoon in het buitenland woont of
gaat wonen. Dit is conform artikel 17 [3:19], vierde lid, van de huidige
Wajong.
Uit artikel 5.4.3
[2:17],
tweede lid, vloeit de herleving van het recht op arbeidsondersteuning van
degene die weer in Nederland gaat wonen voort. Deze komen overeen
met de bepalingen die gelden bij het herleven van het recht op
arbeidsondersteuning bij detentie.
Het derde lid van
artikel
5.3.3 [2:13] bepaalt dat het UWV het eerste lid, onderdeel
b, van artikel 5.3.1 [2:11]
buiten
toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover
toepassing, gelet op het belang van de jonggehandicapte, zal leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard. Dit is conform artikel
17 [3:19], zevende lid, van de huidige
Wajong.
-
onderdeel
c en tweede
lid: Vreemdeling die geen rechtmatig verblijf houdt:
De vreemdeling die geen
rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met
e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, heeft geen recht op arbeidsondersteuning. De strekking van onderdeel
d en het
tweede lid is gelijk aan
artikel 6a [3:4] van de huidige
Wajong.
- onderdeel
d: Het
bereiken van de leeftijd van 65 jaar:
Net als op grond van de
huidige Wajong heeft toepassing van deze rblz.|48|
uitsluitingsgrond tot gevolg
dat het recht op arbeidsondersteuning eindigt op de eerste dag van de
kalendermaand waarin de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
Artikel
5.3.4 [2:14]. Niet meewerken
aan medisch onderzoek vóór recht op arbeidsondersteuning
Een eventuele aanspraak op
het recht op arbeidsondersteuning wordt buiten beschouwing gelaten
zolang dit niet kan worden vastgesteld omdat betrokkene niet meewerkt aan
medisch onderzoek. Met deze bepaling wordt bevorderd dat de
persoon die een aanvraag doet voor het recht op arbeidsondersteuning
meewerkt aan medisch onderzoek.
Afdeling
4 [4]. Recht op arbeidsondersteuning
Artikel
5.4.1 [2:15]. Recht op
arbeidsondersteuning
Eerste lid
In dit artikel is geregeld
wanneer het recht op arbeidsondersteuning ontstaat. De
jonggehandicapte dient daartoe een aanvraag in te dienen. Het recht ontstaat niet
eerder dan nadat aan de voorwaarden in het eerste lid is voldaan, doch niet
eerder dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag is gedaan. Dit
betekent dat als de jonggehandicapte op zijn 18e verjaardag recht wil krijgen
op arbeidsondersteuning, hij zijn aanvraag ten minste zestien weken
daarvoor moet hebben ingediend. Dit kan ook op een later moment, maar daar
zijn wel gevolgen aan verbonden. In dat geval geldt niet alleen dat het recht pas na zestien weken ontstaat, maar
ook dat alleen recht op
arbeidsondersteuning kan ontstaan wanneer de ingezetene vanaf het moment
waarop hij als jonggehandicapte beschouwd kon worden in
staat is gebleven niet meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
Geen recht op
arbeidsondersteuning ontstaat als er een uitsluitingsgrond van toepassing is. Opgemerkt
wordt dat wanneer de uitsluitingsgrond niet langer van toepassing is, de
jonggehandicapte niet opnieuw een aanvraag hoeft te doen om het recht
op arbeidsondersteuning alsnog te laten ontstaan. Het is wel aan te
bevelen dat de jonggehandicapte dit het UWV
meldt.
In onderdeel
d is geregeld
dat het recht op arbeidsondersteuning ontstaat als de aanvraag is ingediend
op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet. In deze voorwaarde
komt het onderscheid tussen de instroom in de "oude" Wajong
en de met
deze wet te introduceren regeling tot uitdrukking.
Het recht op
arbeidsondersteuning omvat primair rechten die verband houden met de re-integratie
van de jonggehandicapte. Deze rechten zijn opgenomen in afdeling
5 van hoofdstuk 1a [a5]. Het recht op arbeidsondersteuning geeft tevens aanspraak op
een inkomensvoorziening wanneer aan de voorwaarden die daarvoor gelden, is voldaan.
In beginsel hebben alle
jonggehandicapten die aan de voorwaarden voldoen recht op
arbeidsondersteuning, dus ook de jonggehandicapten die studie of opleiding
volgen of die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Voor deze groepen van
jonggehandicapten zijn daar waar dat nodig is afwijkende bepalingen opgenomen.
Tweede en
derde lid
In deze leden is geregeld op
welke dag het recht op arbeidsondersteuning ingaat.
De termijn van zestien weken
heeft het UWV nodig om iemand te keuren, een participatieplan op te
stellen en de beslissing te nemen. Het recht op rblz.|49|
arbeidsondersteuning staat
voorop. Het participatieplan is daar een wezenlijk onderdeel van.
Voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten is een participatieplan
echter niet nodig; zij ontvangen immers een uitkering en hebben duurzaam geen
arbeidsperspectief. Daarom is de termijn van zestien weken niet nodig
en gaat de uitkering in op datum aanvraag. Dit zelfde geldt voor
jonggehandicapten wiens recht op arbeidsondersteuning op grond van artikel
5.4.3 [2:17],
eerste of tweede lid, herleeft. Voor deze personen is reeds een
participatieplan opgesteld, dat hoogstens bijstelling behoeft. Voor hen is een
periode van zestien weken niet nodig.
Artikel
5.4.2 [2:16]. Einde van het
recht op arbeidsondersteuning
Eerste lid, onderdeel
a, tweede,
derde en
vierde lid
Wanneer de jonggehandicapte
in staat is 75% of meer van het maatmaninkomen te verdienen, dan eindigt
het recht op arbeidsondersteuning na twee maanden. Hierop bestaan
drie uitzonderingen:
- Het recht op
arbeidsondersteuning eindigt op grond van het tweede lid pas wanneer de
jonggehandicapte die arbeid verricht dit gedurende vijf jaar heeft
gedaan en
na die periode ten minste 75% van het van
het wettelijk minimumloon
verdient of gaat verdienen.
- Het recht op
arbeidsondersteuning eindigt, op grond van het derde lid, eerder dan de periode van
vijf jaar, bedoeld in het tweede lid, te weten op de dag dat de
jonggehandicapte gedurende één jaar met arbeid meer dan 100% van het
minimumloon verdient.
- In de situatie waarin de
jonggehandicapte gebruik maakt van bepaalde arbeidsvoorzieningen, zoals
een doventolk, een vervoersvoorziening of een jobcoach, eindigt, op
grond van het vierde lid, het recht op arbeidsondersteuning niet;
dit in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, tweede en derde lid. De
jonggehandicapte is voor zijn inkomen immers afhankelijk van die
arbeidsvoorzieningen die hij op basis van zijn recht op
arbeidsondersteuning krijgt. Pas wanneer deze voorzieningen niet meer nodig zijn, kan
het recht op arbeidsondersteuning eindigen.
Opgemerkt wordt dat de
eventuele inkomensondersteuning vanaf het moment dat de
jonggehandicapte 100% van het
minimumloon gaat verdienen nul is (tenzij
artikel 5.7.4 [2:42] van toepassing is, dan kan de inkomensondersteuning
maximaal 120% van het minimumloon zijn).
Opgemerkt wordt verder dat
de "uitlooptermijn" van twee maanden ook in de Wet WIA
wordt
gehanteerd en tevens, op grond van jurisprudentie, geldt in het kader van de
WAO.
Eerste lid, onderdeel b
Wanneer één van de
uitsluitingsgronden, bedoeld in artikel
5.3.1 [2:11], van toepassing wordt op de
jonggehandicapte, eindigt het recht op arbeidsondersteuning.
Eerste lid, onderdeel c
Indien de jonggehandicapte
wenst dat het recht op arbeidsondersteuning eindigt, dan kan hij daartoe
een verzoek indienen bij het UWV. Het UWV kan daarop besluiten het
recht op arbeidsondersteuning te beëindigen. Daarbij gaat het UWV na,
teneinde een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, of de betrokkene zich
bewust is van wat de consequentie is van het beëindigen van het
recht op arbeidsondersteuning.
Eerste lid, onderdeel d
Wanneer de jonggehandicapte
overlijdt, eindigt het recht op arbeidsondersteuning.
rblz.|50|
Artikel
5.4.3 [2:17]. Herleving van
het recht op arbeidsondersteuning
In artikel 5.4.3
[2:17] is geregeld
wanneer het recht op arbeidsondersteuning weer kan herleven.
Eerste lid
Wanneer de jonggehandicapte
als gevolg van dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht op
arbeidsondersteuning had en dat recht is geëindigd op grond van
artikel 5.4.2 [2:16], eerste lid, onderdeel a, tweede of derde lid, binnen vijf jaar
weer niet in staat wordt om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, dan herleeft het recht op arbeidsondersteuning
op aanvraag.
Tweede lid
Wanneer het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd doordat de jonggehandicapte in detentie
zat, in het buitenland woonde of niet rechtmatig verblijf hield in Nederland,
dan herleeft het recht zodra die omstandigheden zich niet meer voordoen.
Derde lid
De jonggehandicapte wiens
recht op arbeidsondersteuning op zijn verzoek is beëindigd, kan
een aanvraag indienen om het recht op arbeidsondersteuning weer te laten herleven.
Indien zich geen uitsluitingsgronden voordoen, dan herleeft het
recht op arbeidsondersteuning op de dag van deze aanvraag,
tenzij deze dag eerder ligt dan één jaar na de dag waarop het op verzoek van de
jonggehandicapte is beëindigd. Op die manier wordt voorkomen dat
de jonggehandicapte regelmatig verzoekt het recht te beëindigen om
het vervolgens kort daarop weer te laten herleven.
Afdeling
5 [5]. Re-integratie en arbeidsondersteuning
Artikel
5.5.1 [2:18]. Participatie
en re-integratieaanpak door het UWV
Op grond van dit artikel
dient het UWV voor de jonggehandicapte die recht krijgt op
arbeidsondersteuning een participatieplan op te stellen. Het participatieplan dient
uiterlijk op de dag waarop het recht op arbeidsondersteuning ingaat te worden
vastgesteld.
In het participatieplan
zullen de verplichtingen die zijn gericht op re-integratie en de voorwaarden voor
inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
5.7.1 [2:39], worden
geconcretiseerd. Indien in het participatieplan de verplichting is opgenomen dat de
jonggehandicapte zoveel mogelijk meewerkt aan re-integratiewerkzaamheden die worden aangeboden door een
re-integratiebedrijf, dan
betekent dit dat de betrokkene ook daaraan moet meewerken. Ook deze
verplichting zal in het participatieplan worden opgenomen. Tevens zullen in
het participatieplan de gevolgen van het niet naleven van de
verplichtingen worden opgenomen.
Uit het feit dat het
participatieplan in samenspraak met de jonggehandicapte wordt opgesteld (en
geëvalueerd op grond van het tweede lid) en dat hierin ook de plichten
in verband met de werkzaamheden door een re-integratiebedrijf worden
opgenomen, vloeit voort dat het UWV en de jonggehandicapte samen een
keuze voor een re-integratiebedrijf maken.
Doel van het
participatieplan is dat voor de jonggehandicapte duidelijk is welke verplichtingen en
rechten aan zijn uitkering zijn verbonden. Het participatieplan is op
rechtsgevolg gericht, reden waarom daartegen bezwaar en beroep openstaat.
rblz.|51|
In het tweede lid wordt
uiteengezet welke re-integratie-instrumenten in het participatieplan kunnen
worden genoemd. Opgemerkt wordt dat het participatieplan niet de
basis is waarop de instrumenten worden verstrekt. Die verstrekking vindt
immers plaats op grond van de artikelen waarin de desbetreffende instrumenten
worden geregeld.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat het instrument jobcoach weliswaar niet expliciet
wordt genoemd in het tweede lid, maar wel impliciet door de verwijzing naar
artikel 5.5.5 [2:22] in het tweede lid, onderdeel d.
Artikel
5.5.2 [2:19]. Werkaanbod
Artikel
30a, tweede lid, van
de Wet SUWI geeft het UWV de taak in de daar genoemde gevallen een
jonggehandicapte een aanbod van concrete, algemeen geaccepteerde, arbeid te
doen. Artikel 5.5.2 [2:19]
regelt dat zo’n werkaanbod ook kan worden gedaan indien
het participatieplan niet expliciet vermeldt dat de jonggehandicapte een werkaanbod zal worden gedaan.
Artikel
5.5.3 [2:20]. Loondispensatie
De strekking van dit artikel
is gelijk aan artikel 59a [3:63]
van de Wajong. Het is gewenst dit instrument ook
in hoofdstuk 1a [2]
op te nemen voor de jonggehandicapte/ingezetene voor zover zijn
arbeidsprestatie duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die
beloning met het voor hem geldende wettelijk minimumloon rechtvaardigt.
De doelgroep van dit
instrument omvat de:
- jonggehandicapten die
recht op arbeidsondersteuning hebben; en
- ingezetenen die de
leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Dit zijn steeds werknemers omdat zij
immers aan het werk zijn.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat wanneer na het afnemen van de arbeidscapaciteit
het functioneren een loon rechtvaardigt dat boven het voor betrokkene
rechtens geldende wettelijk minimumloon ligt, het instrument
loondispensatie niet kan worden toegepast.
Artikel
5.5.4 [2:21]. Loonkostensubsidie
Ook binnen de nieuwe
regeling kan gebruik gemaakt worden van het instrument
loonkostensubsidie. Het artikel is gelijk aan artikel 59j
[3:71] van de Wajong,
zoals dat in die wet zal worden opgenomen wanneer het voorstel van Wet
stimulering arbeidsparticipatie in werking treedt en zoals dat wordt gewijzigd met het
voorstel van Wet tot wijziging van de Wet
financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten in verband met
de invoering van een premiekorting voor het in dienst nemen van
uitkeringsgerechtigden van 50 jaar of ouder en het in dienst houden van
werknemers van 62 jaar of ouder.
Artikel
5.5.5 [2:22]. Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding
naar arbeid
Om inzichtelijk te maken dat
jonggehandicapten ook gebruik kunnen maken van
arbeidsplaatsvoorzieningen, is dit artikel, waarvan de strekking gelijk is
aan artikel 35 van
de Wet WIA, opgenomen in deze wet. Artikel 35 van de
Wet WIA is van
toepassing op een ieder met een naar het oordeel van het UWV
structurele
functionele beperking. Daaronder vallen ook jonggehandicapten. In de Wet WIA
zal nog worden geregeld dat artikel 35 niet van toepassing is op
jonggehandicapten die reeds op grond van dit artikel recht hebben op
arbeidsplaatsvoorzieningen. Dit neemt niet weg dat een jonggehandicapte die
geen recht meer heeft op arbeidsondersteuning altijd alsnog aanspraak kan
krijgen op arbeidsplaatsvoorzieningen op grond van de Wet WIA wanneer sprake is van een structurele functionele
beperking.
rblz.|52|
Artikel
5.5.6 [2:23]. Voorzieningen
ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als zelfstandige
De strekking van dit artikel
is gelijk aan die van artikel 59b
[3:64] van de Wajong. Het Reïntegratiebesluit
zal
mede het onderhavige artikel als wettelijke basis krijgen.
Artikel
5.5.7 [2:24]. Proefplaatsing
De strekking van dit artikel
is gelijk aan die van artikel 59h
[3:69] van de Wajong.
Artikel
5.5.8 [2:25] Loonsuppletie
en artikel 5.5.9
[2:26] Inkomenssuppletie
De strekking van deze
artikelen is gelijk aan die van de artikelen
59f [3:67] en 59g
[3:68] van de Wajong, met dien
verstande dat ze uitsluitend nog van toepassing zijn op ingezetenen in de
wachttijd. Omdat het loon van jonggehandicapten die recht hebben op
arbeidsondersteuning door middel van de inkomensondersteuning reeds
kan worden aangevuld, hebben deze artikelen voor hen geen betekenis
meer.
Artikel
5.5.10 [2:27]. Nadere regels
aanvraag re-integratie-instrumenten
De delegatiebevoegdheid in
dit artikel ziet op nadere regels met betrekking tot de aanvraag van
re-integratie-instrumenten, net zoals artikel
59i [3:70] van de Wajong
dat doet. De Reïntegratieregeling, waarin regels zijn gesteld met betrekking tot
de aanvraag van loon- en inkomenssuppletie, zal mede worden gebaseerd op
dit artikel.
Artikel
5.5.11 [2:28]. Arbeidsinschakeling door re-integratiebedrijf
Op grond van dit artikel
laat het UWV, wanneer het voor de re-integratie van de jonggehandicapte een
re-integratiebedrijf inschakelt, het re-integratiebedrijf een re-integratieplan
opstellen. In dit plan wordt door het re-integratiebedrijf
omschreven waaruit de activiteiten van het re-integratiebedrijf en de desbetreffende
jonggehandicapte zullen bestaan in het kader van zijn re-integratie.
Artikel
5.5.12 [2:29]. Scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingbelemmeringen
Dit artikel luidt hetzelfde
als artikel 50a [3:49]
van de Wajong. Door het hier ook op te nemen, wordt het ook
van toepassing op jonggehandicapten in de zin van hoofdstuk 1a
[2].
Artikel
5.5.13 [2:30]. Geen
participatieondersteuning volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Van jonggehandicapten die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, wordt niet verwacht dat ze
re-integreren. Zij zijn daartoe op grond van artikel 5.6.4
[2:34] ook niet
verplicht. Derhalve kunnen deze jonggehandicapten ook geen gebruik maken van
de re-integratie-instrumenten uit deze paragraaf.
Een uitzondering hierop
vormen de voorzieningen op grond van de artikelen 5.5.5
[2:22] en
5.5.6 [2:23]
(arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen in verband met de toeleiding
naar werk als zelfstandige). Deze voorzieningen staan immers op grond van de
Wet WIA ter beschikking van een ieder met een naar het oordeel van het
UWV structurele functionele beperking.
Hierbij zij opgemerkt dat de
jonggehandicapte op grond van artikel
5.1.4 [2:4], vierde lid, alleen als
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van rblz.|53|
dit hoofdstuk wordt
beschouwd indien en zolang hij daarmee instemt. Wanneer de jonggehandicapte
aan het UWV aangeeft niet of niet langer als volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wil worden beschouwd, dan zullen alle rechten en
plichten op grond van dit hoofdstuk op hem van toepassing worden.
Afdeling
6 [6]. Plichten in verband met het recht op arbeidsondersteuning
Paragraaf
1 [1]. Verplichtingen van de
jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning
Artikel
5.6.1 [2:31]. Plichten
gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
Eerste lid
Een jonggehandicapte die
niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft resterende
verdiencapaciteit. Hij dient in voldoende mate te trachten deze resterende
verdiencapaciteit te behouden. Voorts dient hij in voldoende mate te trachten
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid te verkrijgen. Dit betekent ook
dat hij zijn mogelijkheden tot medisch herstel moet benutten en zijn
genezing in geen geval mag belemmeren.
Dit artikel betreft zowel
medische mogelijkheden als mogelijkheden die zijn gericht op competenties
die vereist zijn voor het verrichten van arbeid. Vergroting van die
mogelijkheden verbetert de kansen op de arbeidsmarkt nadat die
kansen door de vermindering van de arbeidsgeschiktheid zijn afgenomen.
Tweede lid, onderdeel a
Het
UWV, maar ook een door
het UWV ingeschakeld re-integratiebedrijf, kan de jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning opdragen een medische
behandeling te ondergaan. Een aanwijzing kan bijvoorbeeld inhouden dat de
jonggehandicapte zich onderwerpt aan een door de verzekeringsarts of
een behandelend arts noodzakelijk geachte behandeling van medische
aard, die redelijkerwijs van de jonggehandicapte mag worden gevraagd.
Genezingsbelemmerende gedragingen kunnen de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte verweten worden. Daarbij is niet vereist dat de genezing
daadwerkelijk belemmerd is. Voldoende is dat de handeling naar algemeen
geldende medische maatstaven de strekking heeft de genezing te belemmeren.
Tweede lid, onderdeel b
en c
Het
UWV operationaliseert,
in samenspraak met de jonggehandicapte, de algemene (in deze wet
neergelegde) normen in heldere, concrete, uitvoerbare gedragsnormen en legt deze
vast in het participatieplan. Als het door het UWV ingeschakelde
re-integratiebedrijf een re-integratieplan opstelt, geschiedt dat in samenspraak
met de cliënt. Hierin worden de re-integratieafspraken vastgelegd en wordt
duidelijk welke re-integratieactiviteiten de jonggehandicapte zelf moet
gaan ondernemen en welke rol het re-integratiebedrijf daarin speelt. De
re-integratieafspraken maken duidelijk wat haalbaar is en waar partijen zich aan committeren.
De jonggehandicapte is niet
alleen verplicht aan het opstellen van dit re-integratieplan mee te
werken, maar ook de plichten die daarin zijn opgenomen na te leven.
Artikel
5.6.2 [2:32]. Plichten
gericht op inschakeling in de arbeid
Eerste lid
Aan de jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning en die zijn resterende
verdiencapaciteit niet volledig benut, kan het UWV
een rblz.|54|
registratieplicht opleggen.
Evenals bij de sollicitatieplicht dient sprake te zijn van maatwerk van het
UWV dat goed is afgestemd op de omstandigheden van het individuele geval.
Deze verplichting is niet van toepassing op de jonggehandicapte die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
tot de doelgroep behoort van
de Wet sociale werkvoorziening.
Tweede en
derde lid
Door middel van het tweede
en derde lid wordt voorkomen dat de werknemer zelf ontslag neemt zonder
dat aan voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren verbonden
zijn dat voortzetting redelijkerwijs van hem zou kunnen worden
gevergd. Daardoor zou immers langer recht op arbeidsondersteuning blijven
bestaan en eventuele inkomensondersteuning zou erdoor verhoogd worden.
Ook wanneer iemand tijdelijk
arbeid verricht die voor hem niet passend is, bijvoorbeeld omdat zijn
krachten en bekwaamheden voor die arbeid niet toereikend zijn, bestaat de
mogelijkheid dat hij zijn dienstbetrekking verwijtbaar verliest. Te
denken valt aan verlies van een dienstbetrekking als gevolg van onvoldoende
streven naar verkrijging van arbeid in de dienstbetrekking.
Verwijtbaar verlies van een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van
verwijtbaar verlies van een werkplekaanpassing. In alle gevallen zal het
gaan om gedrag dat niet voldoet aan de normale, reguliere plichten die aan
een werknemer worden gesteld. Dit ter onderscheid van gedrag dat al dan niet
voldoet aan de plichten die worden gesteld in het kader van de
medewerking aan het herstel en het verbeteren van de vaardigheden om de
arbeid te behouden. Het verlies van de arbeid is dus het gevolg van
andere gedragingen dan waar artikel 5.6.1
[2:31] betrekking op heeft.
Verlies van arbeid als
rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek is veelal
door de jonggehandicapte niet te voorkomen en in die gevallen ook niet
verwijtbaar. Verlies van arbeid als gevolg van bedrijfseconomische
omstandigheden is evenmin aan jonggehandicapte te verwijten. Verwijtbaar
verlies van arbeid kan zich onder meer voordoen als een werknemer de
werkgever een dringende reden geeft om het dienstverband met
onmiddellijke ingang te beëindigen, bijvoorbeeld in geval van diefstal of
mishandeling van de werkgever door de werknemer.
In het derde lid is geregeld
dat de jonggehandicapte niet verweten zal worden dat hij geen verweer
voert tegen zijn ontslag. Dit is conform hetgeen hierover is bepaald
in de Wet WIA en de WW.
Vierde lid
In het vierde lid wordt de
omschrijving gegeven van wat onder algemeen geaccepteerde arbeid moet
worden verstaan, omdat de verplichtingen in dit artikel betrekking
hebben op het behouden en verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid.
Hiertoe is aansluiting gezocht bij artikel 2
[3:1], vijfde lid, van de Wajong.
Dit betekent dat de
jonggehandicapte in principe alle algemeen geaccepteerde arbeid waar hij toe in staat
is, zal moeten verrichten.
Artikel
5.6.3 [2:33]. Delegatiebevoegdheid
Dit artikel komt overeen met
artikel 32 van de Wet WIA. Op grond van dit artikel kunnen
jonggehandicapten die studie of scholing volgen, voor een bepaalde duur worden
ontheven van bepaalde plichten.
rblz.|55|
Artikel
5.6.4 [2:34]. Plichten
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
De plichten in deze
paragraaf zijn gericht op arbeidsparticipatie. Dat is niet aan de orde voor volledig en
duurzaam arbeidsongeschikten. In dit artikel wordt geregeld dat de
plichten uit deze paragraaf niet van toepassing zijn op jonggehandicapten
die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn.
Paragraaf
2 [2]. Bevoegdheden en
plichten Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Artikel
5.6.5 [2:35]. Controlevoorschriften
Deze bepaling verleent het
UWV de bevoegdheid controlevoorschiften vast te stellen. Deze
controlevoorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor
de juiste uitvoering van de wet. Bij de controlevoorschriften gaat het om concretisering
van wettelijke bepalingen. Het primaire doel van de
controle is het verzekeren van een juiste wetstoepassing. Secundair doel is de
bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Artikel
5.6.6 [2:36]. Periodieke
beoordeling volledig en duurzaam arbeidsongeschikten met
geringe kans op herstel
Op grond van dit artikel
dient het UWV de volledig en duurzaam arbeidsongeschikte jonggehandicapte die op
lange termijn een geringe kans heeft op herstel jaarlijks
te beoordelen. Deze plicht heeft het UWV in principe gedurende de eerste vijf
jaar na toekenning van het recht op arbeidsondersteuning. Bij deze beoordeling hoeft
het UWV slechts te toetsen of de betrokkene nog volledig
arbeidsongeschikt is en niet of hij nog duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel
5.6.7 [2:37]. Beoordeling
jonggehandicapte in werkregeling
Eerste lid
De jonggehandicapte wordt,
wanneer hij de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt, of, indien de
jonggehandicapte na het 20ste levensjaar is ingestroomd in de Wet
Wajong, wanneer hij ten minste zeven jaar recht op arbeidsondersteuning
heeft gehad, door het UWV opnieuw beoordeeld. Op dat moment kan de
resterende verdiencapaciteit nauwkeuriger worden vastgesteld, omdat de jonggehandicapte inmiddels arbeidservaring
heeft kunnen opdoen in de
jaren waarin hij reeds recht op arbeidsondersteuning had. Nadat de jonggehandicapte op grond van dit
artikel opnieuw is
beoordeeld, wordt de hoogte van zijn inkomensondersteuning mede afhankelijk van zijn
resterende verdiencapaciteit omdat na de beoordeling, op
grond van dit artikel, artikel 5.7.3
[2:41] of
artikel 5.7.4 [2:42]
van toepassing wordt.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald
dat het UWV bij de beoordeling op grond van het eerste lid rekening mag
houden met hetgeen de jonggehandicapte kan verdienen met behulp van de
voorzieningen, bedoeld in artikel 5.5.5
[2:22]. Aldus kan de resterende verdiencapaciteit in bepaalde situaties hoger
worden vastgesteld.
Artikel
5.6.8 [2:38]. Reiskostenvergoeding
Dit artikel komt overeen met
artikel 34 [3:34] van de Wajong.
rblz.|56|
Afdeling
7 [7]. Inkomensvoorzieningen
Paragraaf
1 [1]. Inkomensondersteuning
werkregeling
Artikel
5.7.1 [2:39]. Voorwaarden
inkomensondersteuning
Eerste lid
In dit lid is bepaald dat de
jonggehandicapte die inkomensondersteuning wenst, daartoe eerst een
aanvraag moet indienen bij het UWV. Dit betekent dus dat een recht op
arbeidsondersteuning niet automatisch meebrengt dat men een
inkomensondersteuning ontvangt. Daarvoor is een aparte aanvraag nodig.
Dit is overigens anders voor
jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. In
artikel 5.7.7 [2:45] is bepaald dat artikel 5.7.1
[2:39] niet van toepassing is op de
jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Deze jonggehandicapten
ontvangen een uitkering in plaats van inkomensondersteuning.
Daarvoor hoeft geen aparte aanvraag te worden ingediend; het recht op deze uitkering vloeit automatisch voort uit
het feit dat de
jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is recht heeft op
arbeidsondersteuning. Ook de voorwaarden voor inkomensondersteuning zijn
niet van toepassing op deze jonggehandicapten. Ook voor jonggehandicapten
die studeren, geldt op grond van artikel 5.7.5
[2:43] dat de
voorwaarden uit het tweede en derde lid van dit artikel niet van toepassing zijn.
Voor hen geldt wel dat ze de inkomensondersteuning niet automatisch ontvangen
als ze recht hebben op arbeidsondersteuning. Zij moeten daarvoor wel
eerst een aanvraag indienen. Het eerste lid van artikel 5.7.1
[2:39] is
namelijk wel op hen van toepassing.
Tweede lid
In het tweede lid is
geregeld dat de jonggehandicapte pas inkomensondersteuning ontvangt met ingang van de
dag waarop hij aan de voorwaarden uit het derde en vierde lid
voldoet. Dit moment kan gelegen zijn na de datum waarop de
inkomensondersteuning is aangevraagd. Dit artikellid is niet van
toepassing op jonggehandicapten die studeren. De voorwaarden uit het derde en
vierde lid zijn immers ook niet op hen van toepassing.
Derde lid
De hoofdregel voor
inkomensondersteuning is dat de jonggehandicapte die daar aanspraak op wil
maken, meewerkt aan zijn re-integratie. Dit vloeit voort uit de
voorwaarden die zijn opgenomen in het derde en vierde lid.
Wanneer het
UWV constateert
dat de bereidheid om mee te werken aan re-integratie niet langer
aanwezig is, wordt niet langer aan de voorwaarden voor de
inkomensondersteuning voldaan en zal de inkomensondersteuning worden beëindigd. Het recht
op arbeidsondersteuning wordt in dat geval overigens
niet beëindigd. Wanneer de jonggehandicapte aan kan tonen dat hij weer
aan de voorwaarden voor inkomensondersteuning voldoet, door weer mee te
werken aan zijn re-integratie, dan ontstaat opnieuw
aanspraak op de inkomensondersteuning.
Onder de voorwaarde, bedoeld
in onderdeel a, kan ten minste worden begrepen dat de
jonggehandicapte dient mee te werken aan aanbodversterkende re-integratietrajecten en
bemiddelingstrajecten. Aanbodversterkende trajecten zijn in het
algemeen trajecten gericht op het verminderen van
arbeidsbelemmeringen of het verbeteren van competenties. Scholing en opleiding kunnen
daarvan deel uitmaken. In bepaalde gevallen mag van een
jonggehandicapte worden verwacht dat hij, bijvoorbeeld door middel van scholing
of
opleiding, tracht mogelijkheden tot verrichten van arbeid te
verkrijgen. De activiteiten die onderdeel uitmaken rblz.|57|
van een bemiddelingstraject
behelzen in het algemeen sollicitatieondersteuning en adviseren en motiveren
van cliënten, matching, bemiddeling en nazorg. Onder dit onderdeel
valt ook de verplichting tot medewerking aan een proefplaatsing, indien
het UWV de inzet van dat instrument wenselijk acht. De proefplaatsing
biedt de jonggehandicapte de mogelijkheid drie maanden werk te verrichten
bij een werkgever met behoud van zijn inkomensvoorziening. De
proefplaatsing is een wijze van verkrijging van passende arbeid waarbij de
sollicitatieplicht tijdelijk niet behoeft te gelden.
De voorwaarde, bedoeld in
onderdeel b, houdt in dat de betrokkene mogelijkheden tot
verkrijging van hulpmiddelen in verband met de werkplek en mogelijkheden tot
aanpassing van de werkplek, alsmede andere persoonsgebonden
voorzieningen, moet benutten in verband met zijn arbeidsinschakeling. Met
andere woorden, hij moet trachten deze hulpmiddelen te verkrijgen of deze
aanpassing van de werkplek te bewerkstelligen. Aan aanbod van deze
hulpmiddelen of aanbod van aanpassing van de werkplek dient hij zijn medewerking te verlenen.
De voorwaarden, bedoeld in
de onderdelen c en d, spreken voor zich. Zie voor een toelichting op de
voorwaarde op onderdeel e de toelichting op het derde lid.
De onderdelen
e en f zijn
afgeleid van artikel 24, eerste lid,
onderdeel
b, onder 1º en 2º, van de
WW.
Indien de jonggehandicapte die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is en recht heeft op arbeidsondersteuning geen arbeid verricht, dient
hij elk aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Zolang
hem geen arbeid wordt aangeboden, dient hij in voldoende mate te
trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Daartoe dient
hij te solliciteren, op uitnodiging sollicitatiegesprekken te voeren, en
dergelijke.
Indien betrokkene zich zodanig gedraagt dat zijn gedrag verwijtbaar
leidt tot niet verkrijgen van (een voldoende mate van) algemeen
geaccepteerde arbeid (bijvoorbeeld door zich tijdens een sollicitatieprocedure
onfatsoenlijk te gedragen), voldoet hij niet aan de voorwaarde, bedoeld in
artikel 5.7.1 [2:39], derde lid, onderdeel f.
Opgemerkt wordt dat het
moeilijk voorstelbaar is de sollicitatieplicht, bedoeld onder f, ook van
toepassing te laten zijn op de jonggehandicapte die volledig maar niet
duurzaam arbeidsongeschikt is (en dus onder het bereik van het tweede lid
valt). Omdat het gewenst is die sollicitatieplicht toch algemeen geldend te
laten zijn en de desbetreffende persoon op het moment dat hij niet langer
volledig arbeidsongeschikt is wel kan gaan solliciteren, zal voor deze
groep, op grond van het zevende lid, bij algemene maatregel van bestuur een
uitzondering op de sollicitatieplicht worden gemaakt.
Onderdeel
g is afgeleid van
artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 4º, van de WW. Dit onderdeel
legt de jonggehandicapte de voorwaarde op dat hij zich zodanig opstelt
dat hij algemeen geaccepteerde arbeid kan en wil aanvaarden. De
betrokkene kan door afwijkend gedrag het stellen van irreële eisen of door
ongebruikelijke werktijden een bemiddelingspoging belemmeren. Op welke eisen
deze plicht precies ziet is, vanwege de casuïstiek, moeilijk aan te
geven. Het UWV en zo nodig de rechter moeten beoordelen of van dergelijke
eisen sprake is.
Vierde lid
Meewerken aan re-integratie
betekent ook dat van de jonggehandicapte verwacht wordt dat hij
algemeen geaccepteerde arbeid verricht, wanneer hij daartoe in de
gelegenheid wordt gesteld. Met het algemeen geaccepteerde arbeid verrichten wordt
iedere arbeid die op maat is voor de jonggehandicapte bedoeld. Wanneer blijkt dat
de jonggehandicapte geen rblz.|58|
algemeen geaccepteerde
arbeid verricht terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid wordt gesteld, bijvoorbeeld
doordat hij een werkaanbod dat het UWV hem doet niet aanvaardt,
dan wordt door hem niet of niet langer aan de voorwaarden voldaan. De
jonggehandicapte heeft dan geen aanspraak meer op
inkomensondersteuning. In het vierde lid is geregeld dat in zo’n geval de enkele bereidheid
om weer mee te werken aan re-integratie niet voldoende is om weer
aanspraak op de inkomensondersteuning te krijgen. Deze aanspraak
bestaat pas weer wanneer de jonggehandicapte, al dan niet met
ondersteuning van het UWV, alsnog gaat werken. Alleen dan zal het inkomen dat de
jonggehandicapte met dit werk verdient, worden aangevuld.
Vijfde lid
In het vijfde lid wordt
duidelijk gemaakt wat onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt verstaan.
Hiertoe is aangesloten bij het huidige artikel
2 [3:1], vijfde lid, van de Wajong.
Zesde lid
Op grond van het zesde lid
zijn de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing op
de jonggehandicapte die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking
tot de doelgroep behoort van de Wet sociale
werkvoorziening.
Zevende lid
Zie de toelichting op het
tweede lid, onderdeel f [lees: toelichting op het
derde lid, onderdeel f, red.].
Artikel
5.7.2 [2:40]. Inkomensondersteuning werkregeling
Eerste en
tweede lid
Dit artikel regelt de hoogte
van de inkomensondersteuning van de jonggehandicapte die niet volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is en aan de voorwaarden uit artikel
5.7.1 [2:39] voldoet. Deze jonggehandicapte ontvangt een inkomensondersteuning van 55% van het
minimumloon als hij
minder verdient dan 20% van
het minimumloon. Als hij echter aantoont dat hem niet kan worden
verweten dat hij minder dan dat bedrag verdient, ontvangt hij een
inkomensondersteuning die zijn inkomen aanvult tot 75% van het
minimumloon (zie tweede lid). Inkomsten die de jonggehandicapte verwerft
uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven worden hierop echter in
mindering gebracht.
Er wordt dus van uitgegaan
dat de jonggehandicapte zelf in staat is om 20% van het minimumloon te
verdienen. Wanneer de jonggehandicapte minder dan 20% van het
minimumloon verdient, wordt de helft van zijn inkomen boven die 20% van
het minimumloon in mindering gebracht op de inkomensondersteuning van
55% van het minimumloon, waardoor het totale inkomen van de
jonggehandicapte meer dan 75% bedraagt. Wanneer de jonggehandicapte
meer dan 70% van het minimumloon gaat verdienen, dan vult de
inkomensondersteuning zijn inkomen aan tot 100% van het minimumloon. Als de
jonggehandicapte meer dan 70% van het minimumloon verdient, neemt
het totaal van inkomensondersteuning en inkomen niet verder toe.
Daarbij wordt opgemerkt dat wanneer de jonggehandicapte 100% van het minimumloon
verdient, de inkomensondersteuning nul bedraagt.
Artikel
5.7.3 [2:41]. Voortgezette
inkomensondersteuning werkregeling
Op 27-jarige leeftijd, of,
indien de jonggehandicapte op een later moment is ingestroomd, nadat hij
zeven jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad, wordt de
jonggehandicapte op grond van artikel 5.6.7
[2:37] opnieuw door het UWV
beoordeeld. Na
deze beoordeling wordt dit artikel van rblz.|59|
toepassing.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de voorwaarden, bedoeld in artikel
5.7.1 [2:39],
blijven gelden.
Voor het bepalen van de
hoogte van de inkomensondersteuning speelt in dit artikel de resterende
verdiencapaciteit een rol. Deze is door het UWV vastgesteld bij de hiervoor
genoemde beoordeling. Van de jonggehandicapte wordt verwacht dat hij in
ieder geval zijn resterende verdiencapaciteit volledig probeert te
benutten. Als hij dat doet, dan vult de inkomensondersteuning zijn inkomen aan tot
100%
van het minimumloon. Zo niet, dan is het totaal van
inkomensondersteuning en eventueel inkomen lager dan 100% van het minimumloon, met een minimum van 75% van het
minimumloon. Indien de
jonggehandicapte meer verdient dan zijn resterende verdiencapaciteit, dan
blijft het totaal van zijn inkomen en de inkomensondersteuning 100%
van de grondslag.
Artikel
5.7.4 [2:42]. Breman-regeling
In dit artikel is geregeld
dat de inkomensondersteuning van jonggehandicapten die op grond van artikel
5.6.7 [2:37] opnieuw beoordeeld zijn en die werken met loondispensatie
en een jobcoach, het inkomen uit arbeid aanvult tot maximaal 120% in
plaats van 100% van het minimumloon. Daarbij geldt dezelfde
systematiek als in artikel 5.7.3 [2:41]. Deze regeling is gelijk aan die in de Regeling
samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid,
die ook wel de "Breman-regeling" wordt genoemd.
Paragraaf
2 [2]. Inkomensondersteuning
tijdens studie of scholing
Artikel
5.7.5 [2:43]. Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
Eerste lid
De jonggehandicapte die een
studie of opleiding volgt en aanspraak heeft op studiefinanciering op
grond van de Wet
studiefinanciering 2000 of een financiële voorziening als
bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of recht heeft op een
tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, heeft
daarnaast op grond van dit artikel aanspraak op inkomensondersteuning
wanneer hij dit heeft aangevraagd (zie artikel
5.7.1 [2:39], eerste lid). Deze
vorm van inkomensondersteuning geldt zowel voor de jonggehandicapte die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als voor de jonggehandicapte die
dat niet is.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald
dat de artikelen 5.6.1 [2:31], eerste lid, tweede lid, onderdeel b en c, en derde
lid, 5.6.2 [2:32]
en 5.7.1 [2:39], tweede en derde lid, tot een bij ministeriële regeling
te bepalen tijdstip niet van toepassing zijn op de jonggehandicapte die
studeert of scholing volgt. Dit betekent dat voor hem geen voorwaarden of
plichten zijn verbonden aan de inkomensondersteuning respectievelijk arbeidsondersteuning. Het eerste lid van
artikel 5.7.1 [2:39] is wel van
toepassing. De jonggehandicapte die studeert of scholing volgt, zal derhalve
wel een aanvraag voor inkomensondersteuning moeten doen om deze te
kunnen ontvangen. Ook artikel 5.6.1 [2:31], tweede lid, onderdeel a, is
wel van toepassing op de jonggehandicapte die studeert of scholing
volgt.
Bij ministeriële regeling
zal worden bepaald dat vanaf een bepaald moment de in de genoemde artikelen
genoemde voorwaarden en plichten wel van toepassing zijn op de
jonggehandicapte die studeert of scholing volgt. Hierbij wordt gedacht aan
het moment dat is gelegen twee maanden vóór het einde van de scholing of
de studie. Met deze periode van twee rblz.|60|
maanden zou worden
aangesloten bij de periode die wordt genoemd in de Regeling
vrijstelling verplichtingen WW en Wet WIA.
Artikel
5.7.6 [2:44]. Hoogte
inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
De inkomensondersteuning,
bedoeld in artikel 5.7.5 [2:43], bedraagt 25% van het minimumloon wanneer de
studerende jonggehandicapte geen inkomsten uit arbeid heeft. Ook
wanneer de jonggehandicapte inkomsten heeft die minder dan 25% van het
minimumloon bedragen, blijft de hoogte van de inkomensondersteuning 25%
van het minimumloon. Wanneer de jonggehandicapte meer gaat verdienen dan 25%
van het minimumloon, wordt het meerdere gekort op de
inkomensondersteuning.
Paragraaf
3 [3]. Uitkering volledig en
duurzaam arbeidsongeschikten
Artikel
5.7.7 [2:45]. Uitkering
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
De jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is en die geen aanspraak heeft op inkomensondersteuning als
bedoeld in artikel 5.7.5 [2:43], heeft aanspraak op een uitkering op grond
van dit artikel. Hieraan zijn geen nadere voorwaarden verbonden. Ook is het niet
nodig de uitkering op grond van dit artikel apart aan te vragen,
zoals het geval is bij de inkomensondersteuning als bedoeld in artikel
5.7.2 [2:40].
Opgemerkt wordt dat onder "geen aanspraak maken op inkomensondersteuning"
tevens de situatie wordt
verstaan dat de jonggehandicapte geen aanvraag om
inkomensondersteuning heeft ingediend.
Artikel
5.7.8 [2:46]. Hoogte
uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Eerste lid
Het uitgangspunt is een
uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Veelal zal de
jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is immers geen inkomsten
verwerven. De uitkering wordt dan conform het eerste lid,
onderdeel a, berekend. Wanneer de jonggehandicapte die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is toch inkomsten verwerft, dan worden deze op
dezelfde wijze als in artikel 5.7.2 [2:40]
verrekend.
Tweede lid
Indien na afloop van een
periode van twaalf maanden nog steeds door een jonggehandicapte die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is inkomen wordt genoten dat de
in dit artikel genoemde grens van 20% van het maatmaninkomen
overschrijdt, roept het UWV betrokkene op voor een herbeoordeling. Beoordeeld
dient te worden of er, gezien de arbeidscapaciteit die betrokkene in de
praktijk nog blijkt te hebben, nog wel sprake is van volledige en
duurzame arbeidsongeschiktheid. De verplichting om de betrokkene na twaalf
maanden op te roepen voor een herkeuring laat onverlet de bevoegdheid
voor het UWV om dat op een eerder moment te doen. Het systeem
van professionele herkeuringen brengt immers met zich mee dat het
UWV een betrokkene kan herbeoordelen op het moment dat dat geëigend
voorkomt.
Derde lid
Op grond van het derde lid
bestaat de mogelijkheid het tweede lid buiten toepassing te laten voor bij
ministeriële regeling te bepalen groepen volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten. Hierbij kan worden gedacht aan terminale patiënten of
mensen met een voorspelbaar verslechterende medische situatie.
rblz.|61|
Afdeling
8 [8]. Aanvraag en betaling
Paragraaf
1 [1]. De aanvraag van
arbeidsondersteuning
Artikel
5.8.1 [2:47]. Aanvraag van
arbeidsondersteuning
In dit artikel is geregeld
dat het recht op arbeidsondersteuning door het UWV
wordt vastgesteld. In
artikel 5.4.1 [2:15] wordt reeds geregeld dat het recht op arbeidsondersteuning
ontstaat op de dag waarop aan de voorwaarden wordt voldaan, doch niet
eerder dan zestien weken nadat daartoe een aanvraag is ingediend.
Het is derhalve van belang
om de aanvraag tijdig in te dienen. Opgemerkt wordt dat de
jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is een
uitkering ontvangt op grond van artikel
5.7.7 [2:45]. Daarvoor hoeft niet een
aparte aanvraag te worden gedaan. Deze uitkering gaat in op de dag dat het
recht op arbeidsondersteuning ontstaat.
Artikel
5.8.2 [2:48]. Aanvraag
inkomensondersteuning werkregeling
Het recht op
arbeidsondersteuning brengt niet automatisch mee dat de jonggehandicapte
inkomensondersteuning op grond van artikel 5.7.1
[2:39] ontvangt. De
jonggehandicapte heeft daar enkel aanspraak op als hij dit heeft aangevraagd. Het
UWV beoordeelt op basis van deze aanvraag of aan de voorwaarden voor
inkomensondersteuning is voldaan. Indien dat het geval is, dan wordt de inkomensondersteuning toegekend vanaf de
dag waarop de
jonggehandicapte daartoe een aanvraag heeft gedaan, maar niet eerder dan dat het
recht op arbeidsondersteuning is ontstaan. Dit laatste is geregeld in
artikel 5.7.1 [2:39], tweede lid.
Paragraaf
2 [2]. Betaalbaarstelling
[Betaling, red.]
Artikel
5.8.3 [2:49]. Betaling
De inkomensvoorziening wordt
(net als op grond van artikel 47 [3:45]
van de Wajong het geval is) door
het UWV betaald, over tijdvakken van telkens een kalendermaand.
In een viertal situaties
gaat het UWV over tot opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering. Dat is het geval wanneer het op grond van duidelijke aanwijzingen van
oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat geen aanspraak (meer)
bestaat op de inkomensvoorziening, dan wel recht op een lagere
inkomensvoorziening of dat de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
één van de verplichtingen, genoemd in
artikel 5.2.1 [2:7], 5.2.2
[2:8], 5.6.1
[2:31] of 5.6.2
[2:32], niet is nagekomen dan wel de instelling, bedoeld in
artikel 5.8.9 [2:55], de
verplichting, genoemd in artikel 5.2.1
[2:7], niet is nagekomen. Wanneer vaststaat
dat één van die verplichtingen niet of niet behoorlijk is nagekomen,
leidt dat op grond van artikel 5.9.1
[2:67] tot een maatregel. Tot het opschorten of
schorsen van de betaling van de inkomensvoorziening mag het UWV niet
lichtvaardig overgaan. Er moeten duidelijke aanwijzingen of gegronde
vermoedens bestaan dat zich één van de omstandigheden, genoemd in
het tweede lid, voordoet.
Het overmaken van een
inkomensvoorziening naar het buitenland brengt meer kosten met zich dan
wanneer de inkomensvoorziening binnenslands wordt uitbetaald. Het derde
lid regelt daarom dat de kosten van overmaking naar het buitenland in
mindering worden gebracht op de inkomensvoorziening. De jonggehandicapte kan ook
een ander machtigen de inkomensvoorziening in
ontvangst te nemen. Hij kan die machtiging elk moment weer intrekken. In
het vierde lid is bepaald dat aan de machtiging, respectievelijk de
intrekking van de machtiging, zo spoedig mogelijk moet worden voldaan. In
principe bij het eerstvolgende betalingstijdvak, rblz.|62|
maar als dat gelet op het
tijdstip waarop de machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet
mogelijk
is, met ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.
Artikel
5.8.4 [2:50]. Herziening van
de grondslag
Dit artikel is overgenomen
uit artikel 7 [3:7], derde en vierde lid [,
van de Wajong,
red.].
Artikel
5.8.5 [2:51]. Verhoging bij
hulpbehoevendheid
Dit artikel is gelijk aan
artikel 9 [3:9] van de huidige Wajong. De verhoging bij hulpbehoevendheid betreft
alle vormen van inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk.
Artikel
5.8.6 [2:52]. Tegemoetkoming
in aanvulling op inkomensvoorziening
Dit artikel is gelijk aan
artikel 9a [3:10] van de Wajong.
Artikel
5.8.7 [2:53]. Betaling
vakantiebijslag
Voor de betaling van de
vakantiebijslag is net als in de Wet WIA aangesloten bij de constructie die ook
in artikel 33, derde tot en met vijfde lid, van de
Werkloosheidswet
wordt gehanteerd. Een deel van de inkomensvoorziening, thans 8/108e, wordt
maandelijks gereserveerd. De uitbetaling daarvan vindt achteraf en
eenmaal per jaar plaats, te weten in de maand mei. In geval van eerdere eindiging van het recht op arbeidsondersteuning
dan in de maand mei vindt
uitbetaling plaats in de kalendermaand waarin het recht op
arbeidsondersteuning eindigt. Dit systeem heeft ook tot gevolg dat indien de
inkomensvoorziening wordt gekort bijvoorbeeld in verband met een
toegepaste sanctie of omdat inkomsten uit arbeid worden genoten, de
vakantiebijslag wordt berekend over de inkomensvoorziening die na toepassing van die
korting tot uitbetaling komt. In het tweede lid wordt de hoogte
van het percentage aan vakantiebijslag gekoppeld aan de hoogte van het
percentage aan vakantie-uitkering zoals genoemd in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: WML).
Wijzigt het percentage in de
WML, dan wijzigt ook de in het eerste lid bedoelde breuk. Krachtens
het vierde lid bestaat de mogelijkheid om bij ministeriële regeling met
betrekking tot het eerste lid nadere regels te stellen.
Artikel
5.8.8 [2:54]. Inhouding
vereveningsbijdrage
Dit artikel is gelijk aan
artikel 48 [3:46] van de huidige Wajong.
Artikel
5.8.9 [2:55]. Betaling aan
instellingen
Dit artikel is gelijk aan
artikel 49 [3:47] van de huidige Wajong.
Artikel
5.8.10 [2:56]. Overlijdensuitkering
Evenals in de huidige
Wajong ontvangen nabestaanden van de overleden jonggehandicapte die recht
had op arbeidsondersteuning en een inkomensvoorziening ontving, een
overlijdensuitkering. Deze overlijdensuitkering wordt ook verstrekt indien
het recht op arbeidsondersteuning van de jonggehandicapte in de maand
waarop hij overleed, was beëindigd omdat hij de leeftijd van 65 jaar
had bereikt.
rblz.|63|
Artikel
5.8.11 [2:57]. Verjaringstermijn
Dit artikel komt overeen met
artikel 54 [3:55] van de Wajong.
Artikel
5.8.12 [2:58]. Intrekking en
herziening beschikkingen
Dit artikel
regelt dat het
UWV alvorens tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd betaald is
over te gaan (op grond van artikel
5.8.13 [2:59]), een herzieningsbeschikking
neemt. Een dergelijke herzieningsbeschikking zorgt ervoor dat voor de
persoon van wie wordt teruggevorderd inzichtelijk wordt waarom en op welke
wijze dat zal gebeuren. Deze bevoegdheid laat onverlet dat het op
grond van afdeling 9 [a9]
voor het UWV mogelijk is een waarschuwing te geven of
een boete of maatregel op te leggen.
Indien de voorziening in de
vorm van een subsidie wordt verstrekt, gelden voor de intrekking en
wijzigingen de bepalingen in de Awb (afdeling
4.2.6). Het betreft hier
echter bevoegdheden. Voor de gronden, die zijn geregeld in artikel
4:49,
eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Awb, wordt
bepaald dat die in elk
geval aanleiding zouden moeten geven tot herziening of intrekking door het
UWV.
De expliciete regeling in het tweede lid betekent dat het UWV
gehouden is te reageren indien de in die artikelonderdelen genoemde omstandigheden zich
voordoen. Het gaat om nieuw gebleken feiten en omstandigheden waarvan het UWV redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn.
Ook indien de subsidievaststelling onjuist is en de subsidieontvanger
dit wist of behoorde te weten of indien de subsidieontvanger niet heeft
voldaan aan de aan hem opgelegde verplichtingen, is herziening of intrekking
aan de orde.
Artikelen
5.8.13 [2:59], 5.8.14
[2:60] en 5.8.15
[2:61]
Deze artikelen komen
inhoudelijk overeen met de artikelen 55 [3:56], 56
[3:57] en
57 [3:58]
van de Wajong.
Artikel
5.8.16 [2:62] Schuldregeling en
artikel 5.8.17
[2:63] Preferentie
In deze artikelen wordt de
bevoegdheid voor het UWV opgenomen om onder bepaalde voorwaarden
af te zien van het (verder) terugvorderen van onverschuldigd betaalde
uitkering en wordt geregeld dat de vorderingen van het UWV - met
uitzondering van vorderingen uit opgelegde boeten - bevoorrecht zijn.
Voor een uitgebreide
toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar het algemeen deel van de
memorie van toelichting bij het voorstel van Wet tot wijziging van enkele
socialezekerheidswetten teneinde de Sociale verzekeringsbank en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de mogelijkheid te geven om
van terugvordering af te zien door medewerking aan voorstellen tot schuldregeling
(Kamerstukken 31 586) en naar de toelichting
op artikel III van dat wetsvoorstel.
Artikel
5.8.18 [2:64]. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
Teneinde
te bereiken dat de
op basis van deze wet verleende inkomensondersteuning en uitkeringen zoveel
mogelijk beantwoorden aan het doel waarvoor zij worden
verstrekt, te weten inkomensvoorziening, wordt in dit artikel (net als in
artikel
58 [3:61] van de Wajong) bepaald dat de inkomensvoorziening niet in eigendom kan worden
overgedragen of kan worden beleend dan wel verpand. Ook
met een beding kan hiervan niet worden afgeweken. Ook voorzieningen
als bedoeld in de artikelen 5.5.5 [2:22], 5.5.6
[2:23],
5.5.8 [2:25]
of 5.5.9 [2:26]
zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of
belening.
rblz.|64|
Artikel
5.8.18 [lees: Artikel 5.8.19 [2:65], red.].
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen
Net als op grond van
artikel
59 [3:62] van de Wajong
is de verhoging van de inkomensvoorziening alsmede
de overlijdensuitkering uitgezonderd van de mogelijkheid tot
beslaglegging. Dit geldt eveneens voor voorzieningen als bedoeld in de artikelen
5.5.5 [2:22], 5.5.6
[2:23], 5.5.8
[2:25] of
5.5.9 [2:26].
Afdeling
9 [9]. Sancties
Artikel
5.9.1 [2:67]. Maatregelen
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Het UVW kan de
inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk, blijvend of
tijdelijk weigeren indien bepaalde plichten niet worden nageleefd. De wijze
waarop dit is vormgegeven, is gelijk aan hoe dit in de Wet
WIA is gedaan.
Daarbij doet zich één belangrijk verschil voor. Op grond van dit hoofdstuk
is het namelijk mogelijk dat de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning geen inkomensondersteuning
ontvangt omdat hij die niet
heeft aangevraagd of omdat hij niet aan de voorwaarden voor
inkomensondersteuning voldoet. Voorgesteld wordt om ook in deze situatie een
maatregel op te leggen die inhoudt dat de inkomensondersteuning geheel
of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wanneer bepaalde
plichten niet worden nageleefd. Op die manier heeft de
jonggehandicapte die zijn plichten niet of niet behoorlijk naleeft geen of een lagere
aanspraak op inkomensondersteuning wanneer hij die tijdens de duur van
de maatregel alsnog aanvraagt.
Eerste lid
Op grond van dit lid dient
het UWV de betaling van een inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk
geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk te weigeren indien de
jonggehandicapte verplichtingen als bedoeld in artikel
5.2.1 [2:7], tweede tot en
met zesde lid, 5.2.2 [2:8], 5.6.1
[2:31] of
5.6.2 [2:32]
niet of niet behoorlijk of artikel
5.2.1 [2:7],
eerste lid, niet tijdig, is nagekomen. Een dergelijke weigering wordt ook
een
maatregel genoemd.
Onderdeel a
In de
artikelen 5.2.1 [2:7], 5.2.2
[2:8],
5.6.1 [2:31]
en 5.6.2 [2:32]
zijn plichten voor de jonggehandicapte geregeld.
Indien de jonggehandicapte
deze plichten niet of onbehoorlijk naleeft, wordt een maatregel
opgelegd.
Onderdeel b
Een maatregel wordt ook
opgelegd indien de jonggehandicapte de informatieplicht, bedoeld in
artikel 5.2.1 [2:7], eerste lid, niet tijdig naleeft, dat wil zeggen niet binnen een
door het UWV daarvoor vastgestelde termijn bepaalde informatie aan het
UWV verschaft. Indien de informatieplicht in het geheel niet of
onbehoorlijk wordt nageleefd, wordt op grond van artikel 5.9.3
[2:69] een boete
opgelegd. In dit verschil komt het reparatoire karakter van de maatregel
tot uitdrukking.
Tweede lid
Op grond van het tweede lid
heeft het UWV de bevoegdheid van het opleggen van een maatregel
af te zien en te volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden. Dit artikellid
is gelijk aan artikel 39 [3:39], tweede lid, van de
Wajong.
rblz.|65|
Artikel
5.9.2 [2:68]. Afstemming
maatregel
Eerste lid
Het
UWV dient (ook) bij de
oplegging van maatregelen de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur in acht te nemen. Dit brengt mee dat in elk geval de in het eerste
lid genoemde factoren moeten worden meegewogen. Aangegeven wordt dat bij het
ontbreken van verwijtbaarheid in ieder geval van het opleggen
van een maatregel wordt afgezien. In de algemene maatregel van
bestuur die op grond van het derde lid wordt vastgesteld, wordt nader
inhoud gegeven aan de afstemming bij het opleggen van een maatregel
en het afzien daarvan in andere gevallen. Indien het niet tijdig
nakomen van de informatieplicht niet heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een
te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening, kan het UWV bijvoorbeeld
afzien van het opleggen van een maatregel en een schriftelijke
waarschuwing opleggen. In het Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten is
reeds bepaald dat en op welke wijze het geven van een
waarschuwing meeweegt in de hoogte en duur van de maatregel. Dit besluit zal
mede op deze bepaling gebaseerd worden.
Tweede lid
Uit het
ne-bis-in-idembeginsel vloeit voort dat een gedraging niet tweemaal bestraft mag worden. Reden
waarom in dit artikellid is bepaald dat geen maatregel wordt
opgelegd voor een gedraging waarvoor ook een boete op grond van artikel
5.9.3 [2:69] wordt opgelegd.
Derde lid
Bij algemene maatregel van
bestuur op grond van het derde lid zal worden geregeld welke
maatregelen in welke gevallen worden opgelegd. Daarin zal tevens nader
worden bepaald wanneer de inkomensvoorziening geheel en blijvend wordt
geweigerd. Dit is op grond van het eerste lid ook afhankelijk van de
ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging
kan worden verweten. Het onderscheid tussen een gehele, blijvende
weigering van de inkomensvoorziening en de uitsluitingsgronden, genoemd in
artikel 5.3.1 [2:11], is gelegen in het feit dat
met betrekking tot de
aanwezigheid van een uitsluitingsgrond geen belangenafweging kan worden
gemaakt, terwijl die afweging met betrekking tot het weigeren van de
uitkering juist verplicht is.
Artikel 5.9.3
[2:69]. [Bestuurlijke boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting, red.]
Dit artikel komt overeen met
de artikel 40 [3:40]
van de Wajong. De
artikelen 41 tot en met 46a [lees: artikelen
42 [3:41], 46
[3:43] en 46a
[3:44], red]] zijn van
overeenkomstige toepassing op dit artikel.
Onderdeel E
In hoofdstuk 2 [3]
wordt het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de huidige Wajong
geregeld. Hoofdstuk 2a [a5]
en hoofdstuk 4 [a6]
blijven uitsluitend van
toepassing op jonggehandicapten die recht hebben op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze hoofdstukken worden daarom als afdelingen
toegevoegd aan hoofdstuk 2 [3]. Het opschrift van
hoofdstuk 2 [3]
wordt gewijzigd
om kenbaar te maken dat hierin alle bepalingen in verband met het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn opgenomen.
Onderdeel F
Aan het begin van
hoofdstuk 2 [3]
wordt een nieuwe afdeling ingevoegd waarin algemene bepalingen
zijn opgenomen die alleen van toepassing zijn op dit hoofdstuk.
rblz.|66|
Afdeling
1a [1]. Algemeen
Artikel
5a [3:1]. Begrip
arbeidsongeschiktheid
Dit artikel is vrijwel
identiek aan artikel 2 [3:1], dat vervallen is. Hierin wordt bepaald wat onder
arbeidsongeschiktheid in de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan.
Van de gelegenheid is
gebruik gemaakt om delegatiebepalingen op grond waarvan afwijkende regels
gesteld konden worden te schrappen. Van de mogelijkheid om af te wijken,
was geen gebruikt gemaakt.
Artikel
5b [3:2]. Jonggehandicapte
Omdat het begrip
jonggehandicapte in het nieuwe hoofdstuk 1a
[2] anders is vormgegeven, wordt het
begrip jonggehandicapte zoals dat was opgenomen in artikel
5 [3:2], eerste lid,
verplaatst naar hoofdstuk 2 [3], waarin het huidige recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld blijft.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat antwoord op de vraag welke jonggehandicapte recht heeft
op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a
[2] en welke
jonggehandicapte recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
hoofdstuk 2 [3], mede
wordt gegeven in de artikelen 5.4.1 [2:15],
onderdeel d, en 6c [3:6].
Verder wordt opgemerkt dat
het begrip "studerende" wordt gedefinieerd in artikel
5 [1:4].
Onderdeel G
Omdat voor
afdeling 1 [a2]
een
afdeling 1a [a1] is ingevoegd, wordt afdeling 1
[a2]
vernummerd tot
afdeling 1b [a2].
Onderdelen H,
J en
K
Deze artikelen bevatten
technische wijzigingen in verband met de wijziging van artikel
5 [3:2].
Onderdeel I
Dit voorgestelde
artikel 6c [3:6]
regelt het einde van de instroom van jonggehandicapten in de huidige Wajong
en
vormt zo het spiegelbeeld van artikel
5.4.1 [2:15], onderdeel d.
Wanneer de jonggehandicapte zijn aanvraag indient op of na de datum
van inwerkingtreding van deze wet, heeft hij geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering (als bedoeld in hoofdstuk 2 [3]).
Om te voorkomen dat
jonggehandicapten die de leeftijd van 17 jaar nog niet hebben bereikt
op de dag van inwerkingtreding van deze wet nog instromen in de huidige
Wajong door al vóór de 17de verjaardag een aanvraag te doen, is in
het tweede lid geregeld dat jonggehandicapten die op de dag van
inwerkingtreding van deze wet nog geen 17 waren, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben.
Onderdeel L
Dit betreft een technische
wijziging in verband met de verplaatsing van de inhoud van artikel 62
[3:74] naar artikel 59j
[zie artikel 59m [3:74], red.].
rblz.|67|
Onderdeel M
Omdat alle bepalingen over
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bij elkaar worden gehouden
in hoofdstuk 2 [3], wordt hoofdstuk
2a [a5], waarin de
re-integratie-instrumenten voor jonggehandicapten die recht hebben op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn opgenomen, nu als afdeling 4 [a5]
opgenomen in
hoofdstuk 2 [3].
Onderdeel N
Loondispensatie op grond van
dit artikel kan in het vervolg uitsluitend nog verstrekt worden ten behoeve
van de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zin van hoofdstuk 2 [3]. Ten behoeve van werknemers die
nog geen 18 zijn, kan loondispensatie voortaan op grond van
artikel 5.5.3 [2:20] worden verstrekt. Deze werknemers zullen, wanneer ze jonggehandicapt zijn en aan de voorwaarden daarvoor
voldoen, immers recht op
arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a
[2] krijgen. Het derde lid
kan hierdoor ook vervallen. In artikel 77b
[8:3] is overigens geregeld hoe omgegaan wordt
met loondispensatie voor werknemers jonger dan 18 die al was
toegekend op de dag van inwerkingtreding van deze wet.
Onderdelen O en
P
In een nieuw aan
hoofdstuk 2 [3]
toe te voegen afdeling 5 [a6]
wordt de inhoud van
hoofdstuk 4 [a6]
opgenomen. Artikel 59j
[zie artikel 59m [3:74], red.] is gelijk aan
artikel
62 [3:74]. Hoofdstuk 4 [a6]
en het daarin opgenomen
artikel 62 [3:74] vervalt.
Onderdelen Q,
R en
S
Met deze bepalingen wordt de
naam Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten gewijzigd in
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten. Tevens wordt geregeld dat
ook inkomensvoorzieningen op grond van hoofdstuk 1a
[2] ten laste van
het fonds komen. En dat bedragen die ontvangen worden op grond van artikel
5.8.8 [2.54] en boeten op grond van artikel 5.9.3
[2.69] behoren tot de middelen tot dekking van de uitgaven uit het fonds.
Onderdeel T
Met
dit voorstel van wet
wordt voorgesteld het instrument loonkostensubsidie ook te regelen voor de
nieuwe instroom van jonggehandicapten. Conform de wetten waarin dit
instrument tevens is geregeld, wordt in dit onderdeel voorgesteld het
artikel dat de loonkostensubsidie regelt te laten vervallen op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Zoals ook aangegeven in de memorie
van
toelichting bij het voorstel van wet houdende regels met
betrekking tot participatieplaatsen en loonkostensubsidies (Wet
stimulering arbeidsparticipatie, Kamerstukken 31 577) kan dat aan de orde zijn wanneer blijkt dat
de loonkostensubsidie niet aan zijn doel beantwoordt.
Onderdeel U
Aan
artikel 77 [8:7]
worden de
artikelen uit het nieuwe hoofdstuk 1a
[2] waarin sprake is van een tijdvak
van vier weken toegevoegd.
rblz.|68|
Onderdeel V
Artikel
77a [8:8] Overgangsrecht
in verband met artikel 5.7.2 [2:40], 5.7.3
[2:41] en
5.7.4 [2:42]
In dit artikel wordt de
bevoegdheid gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur het tijdstip
vast te stellen waarop de maximale hoogte van de inkomensondersteuning van
jonggehandicapten die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, wordt
verlaagd naar 70% van het minimumloon. Omdat deze verlaging ook
consequenties heeft voor de wijze waarop de inkomensondersteuning is vormgegeven indien de jonggehandicapte
tussen de 20 en 70% van het
minimumloon verdient, wordt tegelijk met deze verlaging ook het getal
0,55 in de desbetreffende formule verlaagd naar 0,5. Op die manier
blijft de inkomensondersteuning op dezelfde manier opgebouwd.
In het tweede lid wordt
bepaald dat de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd worden over het voornemen om
een tijdstip te gaan vaststellen voor de genoemde wijzigingen.
Artikel
77b [8:9]. Overgangsrecht
in verband met artikel 59a
In dit artikel is geregeld
dat artikel 59a [3:63], zoals dat luidde
vóór de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing
blijft op loondispensatie die vóór de inwerkingtreding van deze
wet was verstrekt aan werknemers jonger dan 18. Hiermee wordt eerbiedigende werking gegeven aan de
"huidige" loondispensatie.
Indien loondispensatie was
verstrekt aan een werknemer die na zijn 18de recht op
arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 1a
[2] krijgt, wordt de loondispensatie
echter vanaf dat moment geacht te zijn gebaseerd op artikel
5.5.3 [2.20], eerste
lid, onderdeel a. Reden hiervoor is dat de jonggehandicapte werknemer
dan geen nieuwe aanvraag hoeft in te dienen terwijl de verwachting van het
UWV dat sprake is van een duidelijk
verminderde arbeidsprestatie
onveranderd is.
Artikel
77c [8:10]. Geen recht op
arbeidsondersteuning en recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
In dit artikel is geregeld
dat jonggehandicapten die recht hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet tevens recht hebben op arbeidsondersteuning.
Onderdeel W
Artikel 79
[8:12] [Citeertitel, red.]
De Wajong
staat door deze
wetswijziging voor nieuwe jonggehandicapten veel meer in het teken van
werken en daarbij benodigde arbeidsondersteuning. Om dit tot uitdrukking te
brengen, wordt de citeertitel van de Wajong gewijzigd in: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet
Wajong).
Artikel
II. Integrale
plaatsing en vernummering
Dit artikel geeft de
bevoegdheid tot vernummering van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten. Dit is noodzakelijk om een heldere doorlopende nummering
aan te brengen.
rblz.|69|
Artikel
III. Inwerkingtreding
Zo nodig kunnen de
verschillende artikelen van deze wet of onderdelen daarvan op verschillende
tijdstippen in werking treden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner