|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 32 037
Wijziging
van de Wet werk en bijstand, de Algemene
Ouderdomswet en de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met de
overheveling van de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen
van 65 jaar of ouder van de gemeenten naar de Sociale
verzekeringsbank en het aanbrengen van enkele andere aanpassingen in
de Algemene Ouderdomswet en tot wijziging van enkele socialeverzekeringswetten
in verband met de gelijkstelling binnen de sociale zekerheid van
voormalige pleeg- en stiefkinderen met eigen kinderen
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitvoering
Wwb 65+ |
| 2.1 |
Doelgroep |
| 2.2 |
Tegengaan
niet-gebruik en één loket |
| 2.3 |
Verantwoordelijkheidsverdeling |
| 2.4 |
Vrijlating van
vermogen, particuliere oudedagsvoorziening en inkomsten uit arbeid |
| 2.5 |
Andere naamgeving |
| 2.6 |
Armoedebeleid
gemeenten |
| 2.7 |
Financiële
paragraaf |
| 2.8 |
Overgangsrecht |
| 3 |
Inkoopregeling AOW |
| 3.1 |
Verruiming
beslistermijn inkoopregeling |
| 3.2 |
Openstellen
inkoopregeling voor categorie gewezen verplicht volksverzekerden |
| 4 |
Gelijkstelling binnen
de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen
aan eigen kinderen |
| 5 |
Adviezen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Inleiding
De
Algemene Ouderdomswet (AOW) is een opbouwverzekering. De hoogte van het
AOW-pensioen is afhankelijk van het aantal verzekerde jaren in de leeftijd
tussen 15 en 65 jaar. Als men in Nederland woont of in loondienst werkt, bouwt
men per verzekerd jaar 2% AOW op. Gedurende de periode dat men verzekerd is en inkomen verdient, draagt men bij aan
de AOW door betaling van
premie. Het opbouwsysteem leidt zo tot een solidaire voorziening.
Inherent aan de
opbouwsystematiek is het feit dat niet iedereen de volledige 50 jaren AOW opbouwt.
Deze groep mensen krijgt later een onvolledig AOW-pensioen. Naast het
AOW-pensioen hebben mensen vaak een aanvullend pensioen en
eventueel daarnaast nog private aanvullingen. Deze aanvullingen zorgen
ervoor dat de meeste mensen met een onvolledige AOW toch een inkomen
hebben dat boven het bestaansminimum
uitkomt. Voor een aantal
mensen is dit echter niet het geval, omdat zij geen of weinig aanvulling
hebben. Voor deze mensen fungeert de Wet werk en bijstand (Wwb) als
vangnet.
Dit wetsvoorstel legt de
uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of
ouder (Wwb 65+) bij de Sociale verzekeringsbank (SVB) in de vorm van een
aanvullende inkomensvoorziening ouderen. Hoofdstuk 2
licht dit
deel van het wetsvoorstel nader toe. Omdat de SVB sinds 1 januari 2009
valt onder de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen, zal de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) dit wetsvoorstel
medeondertekenen. Ingevolge artikel 6 van de rblz.|2|
Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen is medeondertekening van de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties noodzakelijk wanneer een zelfstandig
bestuursorgaan een nieuwe wettelijke taak krijgt toebedeeld.
Daarnaast regelt
dit
wetsvoorstel twee onderwerpen op het gebied van de inkoopregeling AOW.
Allereerst een verruiming van de beslistermijn in de vrijwillige verzekering
AOW. Deze verruiming heeft als doel het inkopen van
AOW-verzekeringsjaren te vergemakkelijken. In de tweede plaats gaat het om het
openstellen
van de inkoopregeling voor personen die vóór hun 15e naar het buitenland
vertrekken en na hun 15e zich weer in Nederland vestigen. Op dit moment
zijn deze personen uitgesloten van deelname aan de vrijwillige
verzekering AOW. Dit leidt tot ongewenste effecten. Zie hoofdstuk
3.
Tot slot repareert dit
wetsvoorstel een ander ongewenst effect van huidige regelgeving. Het gaat
het om een aanpassing van de definitie van het begrip gezamenlijke
huishouding in de sociale zekerheid, zodanig dat waar mogelijk
pleeggezinnen en stiefgezinnen in de sociale zekerheid net zo behandeld worden
als
gezinnen met eigen kinderen. Hoofdstuk 4 licht dit toe.
2. Uitvoering
Wwb 65+
Dit hoofdstuk behandelt
de inrichting van de integrale uitvoering van de aanvullende algemene
bijstand voor mensen van 65 jaar of ouder door de SVB.
Integraal wil niet
alleen zeggen dat de SVB de uitvoering landelijk doet. Maar ook dat zij
- en niet meer de gemeente - de verantwoordelijkheid heeft voor
die uitvoering. Ingegaan wordt op de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de
SVB, de financiering van de SVB en de relatie met de gemeenten
in verband met het gemeentelijk armoedebeleid en de re-integratie van
een partner jonger dan 65 jaar. Allereerst wordt ingegaan op de doelgroep
en de redenen om te komen tot integrale overheveling naar de SVB.
2.1. Doelgroep
Het aantal mensen met
een onvolledige AOW-opbouw groeit. Ultimo 2008 krijgen circa 464
000 ¹ mensen een onvolledig AOW-pensioen en dit aantal zal door de vergrijzing
verder toenemen. Een deel van hen woont in het buitenland. Eind 2008
waren er in Nederland ongeveer 217 000 personen met onvolledige AOW.
Daarbinnen gaat het om de kwetsbare groep die geen toereikende overige
middelen van bestaan heeft. De Wwb 65+ is voor hen een
noodzakelijke aanvulling tot een minimuminkomen.
1. 4e Kwartaalbericht SVB
2008.
Grafiek 1. Ontwikkeling Wwb
65+ uitkeringen:

Bron: CBS [Centraal
bureau voor de statistiek, red.]
rblz.|3|
De groei van het aantal
mensen met onvolledige AOW en daarmee het beroep op aanvullende
bijstand zet zich ook in de toekomst voort. Eind 2008 maakten 33 560
huishoudens met onvolledige AOW gebruik van de aanvullende bijstand.
Zij zijn als volgt te kenschetsen:
Tabel 1. Gebruik Wwb
65+
naar leefvorm en geslacht:
| Geslachtxx |
Totaal |
Alleenstaande |
Alleenstaande ouder |
Gehuwden en
samenwonenden* |
Overig |
| Man |
15 450 |
x5 195 |
55 |
10
180 |
20 |
| Vrouw |
18 110 |
16 460 |
55 |
x1
580 |
15 |
* Het geslacht van de
oudste persoon van het (echt)paar.
Bron: CBS ultimo 2008.
Tabel 2. Gebruik Wwb 65+
naar herkomst en naar gemeentegrootte*:
| Herkomstgroepering |
Gemeentegrootte
(aantal inwoners) |
| Autochtoonxxxxxxxxxxxxxxxxx |
3
785 |
Minder
dan 10 000 |
xx
190 |
| Marokko |
5
650 |
10 000-20 000 |
xx
980 |
| Turkije |
4
390 |
20 000-50 000 |
x5
020 |
| Suriname |
6
645 |
50 000-100 000 |
x5
965 |
| Nederlandse Antillen en Aruba |
1
520 |
100 000-150 000 |
x3 655 |
| Overige
niet-westers |
6
005 |
150 000 of meer |
17 745 |
| Overige
westers |
5
440 |
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
x |
| Onbekend |
x
120 |
x |
x |
* Door
afrondingsverschillen wijkt optelling van de subtotalen af van het
totaal van 33 560.
Bron: CBS ultimo 2008.
Daarnaast is er een
groep die ook recht heeft op aanvullende bijstand, maar hier geen gebruik
van maakt. Volgens onderzoek heeft 26% van de huishoudens met
onvolledige AOW potentieel recht op aanvullende bijstand.
Eén op de drie
van hen maakt daar echter geen gebruik van.¹
1. "Niet-gebruik Wwb
65+
in 2005", SVB, 2008. Het gaat hier om het
potentiële (maximaal mogelijke) niet-gebruik.
2.2. Tegengaan
niet-gebruik en één loket
De regering besteedt in
het Coalitieakkoord ¹ bijzondere aandacht aan het inkomensbeleid voor
kwetsbare groepen. Het zet in op verruiming van de mogelijkheden voor
gemeenten tot het voeren van gericht armoedebeleid. Tegengaan van het
niet-gebruik van inkomensvoorzieningen vormt daar een onderdeel van. Dit
bevordert ook de participatie van deze groepen en daarmee de sociale
samenhang van de samenleving.
In het Coalitieakkoord
is daarnaast een betere afstemming van de dienstverlening in de keten van werk en
inkomen opgenomen. Dit krijgt vorm in de geïntegreerde
dienstverlening in de Werkpleinen (de locaties werk en inkomen van de
Wet SUWI). Deze richt zich onder meer op één aanspreekpunt voor de klant en een
geïntegreerd werkproces. De overheveling van de aanvullende bijstand
naar de SVB sluit daarop aan. De SVB integreert de activiteiten voor
algemene bijstand in haar bedrijfsproces voor de AOW
en zij is het
aanspreekpunt van personen van 65 jaar of ouder voor beide regelingen. Met de
overheveling van de Wwb 65+ en daarmee de inrichting van één
loket voor huishoudens met onvolledige AOW en onvoldoende eigen
middelen verwacht de regering het niet-gebruik onder deze huishoudens ten
aanzien van het potentiële recht op aanvullende bijstand tegen te gaan.
1. Kamerstukken II 2006-2007 30 891, nr. 4, kabinetsformatie brief
informateur d.d. 7 februari 2007 met het
Coalitieakkoord "Samen werken, samen leven".
rblz.|4|
2.2.1. Achtergrond voor
overheveling naar de SVB
Sinds 2004 hebben gemeenten de mogelijkheid de verstrekking van de aanvullende bijstand
voor personen van 65 jaar of ouder te laten uitvoeren door de SVB. In 2006
heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) goedkeuring
verleend aan de SVB deze taak uit te voeren. Achtergrond
hiervan is een motie over een onderzoek naar het uitkeren van
inkomenstoeslagen aan AOW-ers, met behoud van de voor de bijstand geldende
normen, door de SVB in plaats van door gemeenten.¹ De overdracht van de
uitvoering van gemeenten aan de SVB gebeurt op vrijwillige basis.
1. Kamerstukken II 2004-2005, 29 850, nr. 11.
Tijdens het algemeen
overleg van 17 januari 2008 is gesproken over de groep mensen die naast
hun onvolledige AOW-pensioen recht hebben op aanvullende bijstand.
Hierbij heeft de Staatssecretaris van SZW met de Tweede Kamer vastgesteld
dat er sprake is van een aanzienlijk niet-gebruik. De Staatssecretaris van
SZW heeft tijdens het algemeen overleg aangekondigd gemeenten
te zullen stimuleren de uitvoering van de Wwb
65+ aan de SVB
over
te dragen.
In een brief van 4 juli
2008 heeft de Staatssecretaris van SZW
aangegeven dat een substantiële
groei van het aantal door de SVB in mandaat uitgekeerde aanvullende
bijstandsuitkeringen ondanks het stimuleren van gemeenten niet wordt
voorzien.¹ Tegelijk blijkt uit onderzoek van de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI) dat de ervaringen met de uitvoering van aanvullende bijstand
door de SVB positief zijn.² Ook blijkt uit ramingen dat, wanneer de SVB de
aanvullende bijstand geheel uitvoert, het niet-gebruik teruggedrongen wordt.
Ouderen met een onvolledige AOW zullen daardoor circa €|20
miljoen meer aan bijstand ontvangen. Uit het IWI-onderzoek blijkt dat
sommige gemeenten bezwaren hebben tegen een overdracht van de
uitvoering aan de SVB. Zij geven aan zelf al beleid te voeren op het bestrijden
van niet-gebruik of noemen de uitvoering van de SVB in de
mandaatconstructie te duur. De IWI stelt echter ook vast dat waar de gemeenten de
uitvoering van de aanvullende bijstand hebben overgedragen aan de SVB
het niet-gebruik daalt.
De regering beseft dat,
met het beleggen van de uitvoering van Wwb
65+ bij de SVB, de
keuzevrijheid van gemeenten om de uitvoering zelf te doen of uit te besteden,
vervalt, maar de regering laat het belang van het terugdringen van niet-gebruik door de
burger prevaleren boven de keuzevrijheid van gemeenten.
1. Kamerstukken II 2007-2008, 29 389, nr. 11.
2. Onderzoek "Rechten
verzilveren, terugdringen van het niet-gebruik van
de aanvullende bijstand onder 65-plussers", 2008, Inspectie Werk en
Inkomen van het ministerie van SZW.
Tijdens het algemeen
overleg van 5 november 2008 ¹ was de brief van 4 juli 2008 onderwerp
van gesprek. Het aantal mandaterende gemeenten blijkt eind 2008 te
stagneren. Zo mandateert de helft van de 50 grootste gemeenten op dat moment
niet en heeft ook geen voornemens hiertoe. Gezien het belang dat de regering hecht aan uitvoering van
Wwb 65+
door de SVB en de
stagnatie in het aantal mandaterende gemeenten heeft de regering, breed
gesteund door de Tweede Kamer, vervolgens het startschot gegeven voor de
definitieve overheveling van de uitvoering van de Wwb 65+ van de gemeenten
naar de SVB.
1. Kamerstukken II 2008-2009, 29 389, nr. 14.
2.2.2. Praktijkervaring
met uitvoering door de SVB
De in 2006 gecreëerde
mogelijkheid om de aanvullende bijstand te mandateren aan de SVB
gaat uit van de eigen gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de Wwb. Een
gemeente kan op basis van de lokale situatie de afweging maken de
uitvoering van de aanvullende bijstand wel of niet uit te besteden aan de
SVB. Het boven aangehaalde IWI-onderzoek over de uitvoeringspraktijk
bij gemeenten die wel en die niet mandateren, leert het volgende.
rblz.|5|
Allereerst vinden zowel
gemeenten die mandateren als die niet mandateren dat uitvoering door de
SVB klantvriendelijker is en dat onterecht niet-gebruik hierdoor
vermindert. Ouderen wenden zich liever tot het "pensioenloket van de
SVB" dan tot het bijstandsloket. De drempel is lager en voor het
basisinkomen tot het minimumniveau ontstaat één loket. Kanttekening
hierbij is dat ook niet-mandaterende gemeenten afhankelijk van hun
aanpak resultaten kunnen boeken bij terugdringing van niet-gebruik. De
meerwaarde van uitvoering door de SVB is dus niet in alle gevallen even
groot. In de tweede plaats heeft de SVB de cliënt structureel beter in
beeld dan de gemeente. Zij heeft met iedere potentiële Wwb-cliënt contact. De
SVB benadert de cliënt ook altijd actief, de benadering bij gemeenten is meestal
passief.
2.2.3. Conclusie
De regering concludeert
dat wanneer alle gemeenten zouden uitbesteden aan de SVB,
meer mensen
van de aanvullende bijstand gebruik gaan maken. Het aantal
mandaterende gemeenten stagneert echter. Alleen door de
verantwoordelijkheid voor de Wwb 65+ integraal over te hevelen naar de SVB valt
maximaal te profiteren van de mogelijkheden van de SVB om niet-gebruik
tegen te gaan. Hierdoor ontstaat voor burgers ook één loket voor het
minimuminkomen na het 65ste levensjaar. De SVB stuurt iedereen die voor
AOW in
aanmerking komt in het 64ste levensjaar een brief voor de AOW-aanvraag. Bij mensen met een
onvolledige AOW-opbouw gaat dit
vergezeld van een eenvoudig stroomschema, waarmee de klant snel
kan bepalen of mogelijk recht op aanvullende bijstand bestaat. Is dat
het geval, dan neemt de SVB naast de aanvraag voor de AOW ook de Wwb-aanvraag in behandeling. Mocht iemand niet reageren op de brief, dan
neemt de SVB alsnog contact op met betrokkene.
Dit wetsvoorstel
realiseert de integrale overheveling door de uitvoering van de Wwb
65+ een
wettelijke taak te maken van de SVB.
2.3.
Verantwoordelijkheidsverdeling
2.3.1. Financiële
verantwoordelijkheid
Op het moment dat de
Wwb 65+ een wettelijke taak van de SVB wordt, verandert de
verantwoordelijkheidsverdeling zoals die nu is. In de huidige situatie voert
de SVB in
opdracht van de gemeente de Wwb 65+ in mandaat uit. De gemeente
blijft daarbij financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de
Wwb 65+. De SVB brengt de gemeenten uitvoeringskosten en uitkeringslasten in
rekening. De SVB legt vervolgens verantwoording af aan de gemeente over
de uitvoering van de Wwb 65+.
Wanneer de Wwb 65+ een
wettelijke taak wordt van de SVB, vervalt de bestuurlijke en
financiële verantwoordelijkheid van gemeenten voor dit deel van de
Wwb. Voor
het aanbrengen van een nieuwe structuur van financiering en
verantwoording is het eenvoudiger aan te sluiten bij een al bestaande structuur. De
regering kiest er daarom voor om aan te sluiten bij het SUWI-regime. De
hier voorgestelde wijzigingen van de Wet SUWI
hebben betrekking op de
financiering van de Wwb 65+ en de verantwoording daarvan.
De financiële
eindverantwoordelijkheid in de relatie tussen de SVB als uitvoeringsorgaan en het
ministerie van SZW ligt bij het ministerie. De planning &
control-cyclus, zoals die is vastgelegd in de Wet SUWI, zal gaan gelden voor de
Wwb 65+. Dit betekent dat de budgettaire kaders jaarlijks door het
ministerie van SZW worden vastgesteld. Het jaarplan van de SVB wordt hierop
gebaseerd. Na afloop van het kalenderjaar legt rblz.|6|
de SVB in het
jaarverslag verantwoording af over de uitvoering. Het jaarverslag van de SVB gaat
vergezeld van een accountantsverklaring welke ziet op de
rechtmatigheid van de uitvoering. Het SVB-jaarverslag wordt aan de Kamer aangeboden.
Met het overnemen van de SUWI-systematiek wordt het ministerie van
SZW verantwoordelijk voor de aansturing van de SVB voor wat betreft de
uitvoering van de Wwb 65+. De wijze van aansturing is gelijk aan de manier
waarop het ministerie de SVB aanstuurt voor de uitvoering van
haar andere wettelijke taken, zoals de uitvoering van de AOW
en Anw.
Het toezicht blijft bij de IWI, aangezien
de IWI op basis van de Wet SUWI toezicht houdt op de uitvoering
van alle wettelijke taken van de SVB. De SUWI-systematiek biedt alles overziend
voldoende waarborgen voor een doelmatige en rechtmatige
uitvoering van de Wwb 65+ door de SVB.
2.3.2. Uitgangspunt:
oudste partner
Uitgangspunt van dit
wetsvoorstel is dat de SVB de uitvoering van de
Wwb voor haar rekening
neemt wanneer de oudste partner 65 jaar oud is. Op deze wijze ontstaat
er één loket voor het minimuminkomen na 65 jaar: de SVB.
Een andere mogelijkheid
zou zijn uit te gaan van het moment waarop de jongste partner 65 jaar
wordt. De uitvoering van de aanvullende bijstand blijft in dat geval bij
de gemeenten voor zolang er sprake is van een partner voor wie de
re-integratieverplichting uit de Wwb geldt. Hieraan kleven echter
belangrijke nadelen. In de eerste plaats is er dan geen sprake meer van één
loket voor het minimuminkomen na 65 jaar. Immers een alleenstaande AOW-gerechtigde zou zich in die situatie tot de SVB moeten wenden. Voor een
gehuwde AOW-gerechtigde is dit echter niet direct duidelijk. Dit
hangt af van de vraag of zijn partner jonger of ouder is dan 65. Wanneer de
partner in kwestie ouder is, moet deze persoon zich wenden tot de SVB. Met
een partner jonger dan 65 jaar zou deze persoon zich dan tot de
woongemeente moeten wenden. Dit kan verwarrend zijn voor burgers en mogelijk
niet-gebruik aanwakkeren, iets wat dit wetsvoorstel juist probeert te
bestrijden. In de tweede plaats is van belang dat de SVB de uitvoering heeft
op het moment dat dit, vanuit het oogpunt van het bestrijden van niet-gebruik, noodzakelijk is. Uit
tabel 2 blijkt dat de
man vaker de oudste
partner is. In de meeste gevallen zal de man ook de kostwinner zijn. Wanneer
de oudste partner de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, kan de
situatie ontstaan dat er sprake is van een onvolledige AOW-pensioen en te
weinig overig (pensioen)inkomen. Juist op dat moment ontstaat er
behoefte aan een aanvulling vanuit de Wwb. Vanuit het oogpunt van het
bestrijden van het niet-gebruik is het daarom van belang dat de SVB al
vanaf dat moment ook de uitvoering heeft. De aanvraag voor de
aanvullende bijstand kan dan in het verlengde lopen van de aanvraag van het
AOW-pensioen. Dit werkt het meest efficiënt en is klantvriendelijk. In
de derde plaats is van belang dat de SVB, voor de gemeenten waarvoor de
SVB de Wwb in mandaat uitvoert, de uitvoering overneemt op het moment
waarop de oudste partner de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Op dit
moment geldt dit uitgangspunt dus voor het grootste deel van de
personen die aanvullende bijstand ontvangen. Wanneer het uitgangspunt
veranderd zou worden - in die zin dat het moment bepalend is
waarop de jongste partner 65 wordt - dan zou dit betekenen dat die
uitvoering voor een deel weer terug zou moeten naar de gemeenten.
Tot slot is de regering
ervan overtuigd dat de re-integratie van de partner jonger dan 65 jaar geen
belemmering vormt om de uitvoering van de Wwb 65+ bij de SVB te
leggen vanaf het moment dat de oudste partner 65 jaar wordt. Dit wordt
nader toegelicht in de volgende paragraaf. Het geheel overziend
kiest de regering ervoor het moment waarop de oudste partner 65 jaar
wordt als uitgangspunt te nemen.
rblz.|7|
2.3.3. Re-integratie
jongere partner
Wwb 65+ wordt verstrekt
als aanvulling op de gezamenlijke middelen van het gezin
(gezinsbijstand). Dit betekent dat ook de verplichtingen op grond van de
Wwb voor ieder
van de partners gelden. Vanuit het uitgangspunt dat met de overheveling
geen wijziging van de Wwb wordt beoogd, blijven in het geval er sprake is van een partner jonger dan 65 jaar de
arbeids- en
re-integratieverplichting van artikel 9 Wwb
gelden. Eveneens blijft de mogelijkheid
bestaan voor deze verplichtingen een ontheffing te verlenen op grond van
dringende redenen of op verzoek van een alleenstaande ouder in verband met de
verzorging van een kind jonger dan 5 jaar.
De SVB is niet toegerust
de jongere partner te re-integreren. In het voorliggende wetsvoorstel blijven
derhalve de gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen
van deze jongere partner bij arbeidsinschakeling en voor het bepalen en
aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Dit vraagt
om een goede
samenwerking tussen de SVB en gemeenten. Hiervoor
wordt in de Wet SUWI (artikel
9) al ruimte geboden. Wanneer de jongere
partner naar het oordeel van de gemeente niet voldoet aan de gestelde
verplichtingen, zal de SVB op voordracht van de gemeente een maatregel
opleggen.
Tegenover de plicht tot
arbeidsinschakeling en re-integratie heeft de jongere partner
aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het
oordeel van
de gemeente noodzakelijk geachte voorziening gericht op
arbeidsinschakeling. Het voorliggende wetsvoorstel brengt hierin geen wijziging.
Gemeenten zijn op grond
van de Wwb verplicht bij het ondersteunen naar arbeidsinschakeling
en het aanbieden van re-integratievoorzieningen evenwichtige aandacht te
besteden aan groepen bijstandsgerechtigden en voor verschillende
doelgroepen daarbinnen. Dit biedt naar de mening van de regering voldoende
waarborgen voor een evenwichtige benadering met betrekking tot de
arbeidsinschakeling en re-integratie van de jongere partners met een
arbeidsverplichting. De regering heeft daarbij mede overwogen dat de
gemeente een financiële prikkel heeft om de re-integratie van de jongere partner
ter hand te nemen, omdat zij daarmee voorkomt dat de jongere partner,
na eventueel een Anw-uitkering, een beroep op de bijstand moet doen
als de AOW-uitkering en aanvullende bijstandsuitkering van de oudste partner
wegens overlijden wordt beëindigd. Dit zal met name voorkomen
in de situatie waarin het leeftijdsverschil tussen de oudste en jongste
partner aanzienlijk is.
2.3.4. Bevoegdheden
Met het voorliggende
wetsvoorstel krijgt de SVB voor personen van 65 jaar of ouder dezelfde
bevoegdheden als die de gemeenten thans uitoefenen bij de uitvoering van de
Wwb voor personen van 65 jaar of ouder. Met de Wwb is een nieuwe
verdeling ontstaan tussen Rijk en gemeenten. Oogmerk is gemeenten meer mogelijkheden te geven eigen keuzes te
maken. Dit wordt in de Wwb ondersteund door aan gemeenten meer bevoegdheden te geven.
Het gaat hierbij onder meer om de bevoegdheid tot terugvordering en
verhaal, tot afstemming van de bijstand op de omstandigheden, mogelijkheden en de
middelen van de belanghebbende, tot afstemming van de
bijstand door middel van verlagingen bij het niet nakomen van
verplichtingen, tot het verlenen van een geldlening bij een zelfbewoonde eigen
woning en tot het opleggen van verplichtingen die strekken tot het
verminderen of beëindigen van de bijstand.
De gemeenten kunnen,
gelet op de financiële stimulans en de eigen beleidsruimte, daarmee
eigenstandig een afweging maken wanneer van de bevoegdheden gebruik
wordt gemaakt of daarvan wordt afgezien. Deze eigen beleidsruimte laat
onverlet dat van gemeenten verwacht mag rblz.|8|
worden dat zij een
beleid voeren dat een effectieve en doelmatige bijdrage levert aan de
uitvoering van de Wwb.
Vanuit het uitgangspunt
dat er geen inhoudelijke wijziging plaatsvindt in de Wwb
wordt in het
voorliggende wetsvoorstel voorgesteld dezelfde beleidsvrijheid aan de
SVB te verlenen.
Bij deze keuze heeft de
regering het volgende mede afgewogen. Indien voor de SVB de aan gemeenten verleende bevoegdheden worden omgezet in een verplichting, bijvoorbeeld een verplichting tot terugvordering
en verhaal, kan de
voorgestelde overgang van de uitvoering van de Wwb naar de SVB tot
gevolg hebben dat onderscheid ontstaat tussen enerzijds personen
jonger dan 65 jaar met bijstand en anderzijds personen van 65 jaar of
ouder met AOW en aanvullende bijstand. Een onderscheid kan
bijvoorbeeld ontstaan bij de situatie waarbij de uitkering wordt teruggevorderd.
Een verplichting tot terugvordering voor de SVB leidt ertoe dat bij
personen van 65 jaar of ouder met AOW en aanvullende bijstand te
veel of ten
onrechte verleende bijstand altijd wordt teruggevorderd. Bij personen jonger dan
65 jaar met bijstand geldt dat de gemeente bepaalt in welke
gevallen tot terugvordering wordt overgegaan. Dit kan in het individuele geval
ertoe leiden dat er een onderscheid bestaat in behandeling tussen
personen jonger dan 65 jaar met bijstand en personen van 65 jaar of ouder met
AOW en aanvullende bijstand.
Het omzetten van
bevoegdheden naar verplichtingen voor de SVB kan dus leiden tot
leeftijdsonderscheid. Een dergelijk onderscheid kan de regering niet
objectief
rechtvaardigen, reden waarom in het voorliggende wetsvoorstel aan de SVB dezelfde
beleidsvrijheid wordt toegekend als die gemeenten thans hebben bij de uitvoering van de
bijstandverlening aan
personen van 65 jaar of
ouder. De regering merkt daarbij op dat de logistieke overwegingen, zoals
kostenaspecten, organisatorische en uitvoeringsaspecten, overwegend geen
rechtvaardiging kunnen vormen voor een onderscheid tussen
groepen op basis van leeftijd. Het feit dat de SVB, in tegenstelling tot
gemeenten, geen financiële prikkel kent, is derhalve naar de mening van de
regering onvoldoende rechtvaardiging om aan de SVB verplichtingen op te
leggen waar de gemeenten die thans als bevoegdheid uitvoeren.
De regering heeft geen
reden aan te nemen dat de SVB de Wwb niet stringent zal uitvoeren
of niet adequaat en doeltreffend gebruik zal maken van de verleende
bevoegdheden. Het in paragraaf 2.4 genoemde SUWI-regime ten aanzien van de
aansturing en financiering van de SVB met daarnaast het toezicht van
de IWI
op de SVB biedt daartoe een voldoende
waarborg voor een
doelmatige en rechtmatige uitvoering van de Wwb. Daarnaast heeft de
ervaring geleerd dat de SVB de AOW zorgvuldig uitvoert. Aangezien de
AOW en de Wwb, bijvoorbeeld voor wat betreft de gezamenlijke huishouding
en de inlichtingenverplichting, op onderdelen overeenkomen, gaat de
regering ervan uit dat die zorgvuldige uitvoering eveneens zal
plaatsvinden voor de Wwb.
De taak tot uitvoering
van Wwb 65+ door de SVB is geregeld in een aparte paragraaf in de
Wwb.
Uitgangspunt daarbij is dat de bepalingen van de Wwb over het vaststellen
van het recht en de hoogte van de algemene bijstand van toepassing
zijn. In de paragraaf zijn voorts enkele bijzondere bepalingen
opgenomen
die gelden voor de uitvoering door de SVB.
De SVB dient binnen de
beleidsruimte die de Wwb biedt beleidsregels op te stellen die gelden
voor alle personen die van de SVB aanvullende bijstand ontvangen. Deze
beleidsregels worden door de SVB gepubliceerd in de Staatscourant. Om
te bewaken dat de beleidsregels die opgesteld worden door de SVB aansluiten bij wat in het gemeentelijke domein
gebruikelijk is, wordt ervan uitgegaan dat de SVB in het kader van de samenwerking op grond
van artikel 9 van de Wet
SUWI het beleid afstemt rblz.|9|
op dat van de gemeenten.
Indien noodzakelijk kunnen daarvoor op grond van artikel
9, derde
lid, van de Wet SUWI nog nadere regels bij algemene maatregel van bestuur
worden vastgesteld. Dit bewerkstelligt inhoudelijke beïnvloeding van
gemeenten op het bijstandsbeleid van de SVB, waardoor verschillen in
uitvoering tussen gemeenten en de SVB zo klein mogelijk kunnen blijven.
2.4. Vrijlating van
vermogen, particuliere oudedagsvoorziening en inkomsten uit arbeid
De Wwb
voorziet in de
noodzakelijke kosten van het bestaan en zorgt daarmee voor een
passende bestaansvoorziening voor iedereen die zelf niet in staat is
in het
eigen levensonderhoud te voorzien. Dit betekent dat er pas recht op bijstand
bestaat als er onvoldoende eigen inkomen of vermogen is om in het onderhoud te voorzien en er ook geen recht (meer)
is op een andere
uitkering of voorziening.
De beginselen waarop de Wwb berust, hangen samen met de functie die
de wet vervult als
laatste voorziening in het stelsel van sociale zekerheid. Dit geldt voor het
beginsel van complementariteit: de laatste voorziening vult zo nodig aan wanneer
eigen middelen en andere voorzieningen niet toereikend zijn om in
het noodzakelijke te voorzien. Het individualiseringsbeginsel, inhoudende dat de
bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en
middelen in het individuele geval, vloeit voort uit het
complementariteitsbeginsel en uit het noodzakelijkheidscriterium. Dit criterium komt tot
uitdrukking door het feit dat de overheid de voorziening van het bestaan op zich
neemt.
Een ander essentieel
kenmerk van de Wwb is de sluitstukfunctie op voorliggende voorzieningen.
Bijstandverlening kan alleen dan aan de orde zijn indien er geen
beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is. Deze uitgangspunten
gelden onverkort voor personen van 65 jaar of ouder die een beroep op
de Wwb doen. De regering heeft met de overheveling van de
bijstandverlening voor deze groep aan de SVB
geen wijziging in deze uitgangspunten
beoogd. Dit past ook bij het door de regering gehanteerde beginsel dat
deze overheveling geen inhoudelijke wijziging in de Wwb teweegbrengt.
2.4.1. Vrijlating van
vermogen
Een bescheiden vermogen
staat de verlening van algemene bijstand niet in de weg. Een vrij te
laten vermogen van €|5455,- voor een alleenstaande en €|10 910,- (per 1
januari 2009) voor een alleenstaande ouder en echtpaar past binnen de maat van
het complementariteitsbeginsel van de Wwb. De regering is in het kader
van het voorliggende wetsvoorstel niet voornemens het vrij te laten
vermogen voor personen van 65 jaar of ouder te verhogen. Een verhoging
van de vrijlating van vermogen voor personen van 65 jaar of ouder
leidt naar de mening van de regering tot een niet objectief te motiveren
onderscheid met personen jonger dan 65 jaar. Voor beiden groepen geldt in
dezelfde mate het complementariteitsbeginsel van de Wwb.
Het feit dat personen
van 65 jaar of ouder minder tijd hebben om alsnog vermogen bij elkaar te
sparen nadat het in het kader van de middelentoets van de Wwb in aanmerking
is genomen, is naar de mening van de regering onvoldoende
rechtvaardiging om voor hen een hoger bedrag aan vermogen vrij te laten
dan voor personen jonger dan 65 jaar. Er zijn ook personen jonger dan 65
jaar die bijstand ontvangen en die eveneens geen of minder gelegenheid
hebben vermogen bij elkaar te sparen, omdat zij ontheven zijn van de
arbeids- en re-integratieverplichting. Te denken valt aan onder meer
arbeidsongeschikten. Nog afgezien van de budgettaire gevolgen die niet in de
begroting zijn voorzien, past een verhoging van het vrijlaten vermogen
voor zowel personen van 65 jaar of ouder als voor rblz.|10|
personen jonger dan 65
jaar naar het oordeel van de regering niet in de maat van de
complementariteit en het vangnetkarakter van de Wwb en is daarmee ongewenst.
De hoogte van de
vermogensvrijlating en de pensioenvrijlating zijn daarnaast op elkaar afgestemd
zodat er geen onderscheid bestaat tussen mensen die via (rente
over) vermogen een oudedagsvoorziening opbouwen en mensen die
dat doen via een pensioen. De oudedagsvoorziening van de eerste groep wordt
als vermogen gedeeltelijk vrijgelaten, die van de tweede groep
wordt als inkomen gedeeltelijk vrijgelaten. Een verruiming van de
vermogenstoets leidt ertoe dat er een disbalans ontstaat tussen beide
groepen. De huidige vrijlating van pensioeninkomsten bedraagt €|216,60 op
jaarbasis voor een alleenstaande en €|433,20 voor een
echtpaar (1 januari 2009). Bij de huidige vermogensvrijlating van €|5455,- voor een
alleenstaande en €|10 910,- voor een gezin en een gemiddeld rendement van 4% komen de rente-inkomsten uit
vermogen ongeveer
overeen met de bedragen van de pensioenvrijlating. Deze rente-inkomsten uit
vermogen worden in het kader van de Wwb
eveneens vrijgelaten.
Een ruimere vermogensvrijlating leidt tot een hoger rendement, waardoor
personen die via een pensioen een oudedagsvoorziening hebben opgebouwd op
achterstand raken. Als de vermogensvrijlating wordt verhoogd, dan
dient dus ook de pensioenvrijlating te worden verhoogd.
Een verruiming van de
pensioenvrijlating is echter naar het oordeel van de regering ongewenst
omdat dit leidt tot overcompensatie en rechtsongelijkheid binnen de groep personen
met een uitkering op grond van de AOW. Hieronder zal
hierop verder worden ingegaan.
2.4.2. Vrijlating van een
particuliere oudedagsvoorziening
De Wwb garandeert aan
personen met een onvolledige AOW het sociaal minimum ter hoogte van
de volledige AOW-uitkering. Een pensioenvoorziening wordt, gezien het
complementaire karakter van de Wwb, in beginsel in mindering
gebracht op de bijstandsuitkering. De Wwb kent wel een vrijlating van
een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere
oudedagsvoorziening. De huidige vrijlating van pensioeninkomsten
bedraagt €|216,60 op jaarbasis voor een alleenstaande en €|433,20 voor een
echtpaar (1 januari 2009). Om in aanmerking te komen voor deze
pensioenvrijlating geldt dat de vrijlating van een deel van het pensioen
wordt verleend als de som van de eigen inkomsten lager is dan de
toepasselijke bijstandsnorm. Naar de mening van de regering past de huidige hoogte
van de pensioenvrijlating binnen de maat van het complementaire
karakter van de Wwb. Zoals hiervoor aangegeven, zijn de hoogte van de
vermogensvrijlating en de pensioenvrijlating daarnaast op elkaar afgestemd
zodat er geen onderscheid bestaat tussen mensen die via (rente
over) vermogen een oudedagsvoorziening opbouwen en mensen die
dat doen via een pensioen. De regering overweegt derhalve in het kader
van dit wetsvoorstel geen verruiming van de pensioenvrijlating.
De regering heeft
daarbij mede overwogen dat een verruiming van de pensioenvrijlating,
naast de budgettaire gevolgen die niet in de begroting zijn voorzien, tot
verdere overcompensatie en rechtsongelijkheid leidt, waardoor er een
onbedoeld "haasje-overeffect"
ontstaat.¹ Dit acht de regering ongewenst. Een
verhoging van de pensioenvrijlating leidt tot de situatie dat een persoon
van 65 jaar of ouder die naast de onvolledige AOW en pensioen
aanvullende bijstand ontvangt in een betere positie komt te verkeren dan een
persoon van 65 jaar of ouder met een onvolledige AOW en pensioen maar
zonder aanvullende bijstand. Om voor de pensioenvrijlating in
aanmerking te komen, dient de belanghebbende namelijk in aanmerking
te komen voor bijstand. Indien dat niet het geval rblz.|11|
is, omdat de onvolledige
AOW en het pensioen iets meer bedraagt dan het sociaal minimum,
wordt niet geprofiteerd van de hogere vrijlating. Hierdoor geraken personen met AOW zonder aanvullende bijstand financieel
achterop ten opzichte
van personen met AOW en aanvullende bijstand. Er treedt
binnen de doelgroep rechtsongelijkheid op.
Daarnaast is van belang
dat alleen personen van 65 jaar of ouder met een aanvullend particulier
pensioen profiteren van de hogere vrijlating. Ouderen zonder
aanvullend pensioen profiteren hier niet van, waardoor bij personen met een qua
hoogte gelijk inkomen de ene persoon beter af kan zijn dan de ander.
Er treedt dus ook in dit opzicht rechtsongelijkheid op binnen de doelgroep.
Tot slot zal een persoon
van 65 jaar of ouder die een volledige AOW ontvangt eveneens niet
kunnen profiteren van de hogere pensioenvrijlating, omdat in die situatie
geen bijstand wordt ontvangen.
1. Zie ook de brief van
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid d.d. 4 juli 2008 met notities,
Kamerstukken II 2008-2009 29 389, nr. 11, waarin het "haasje-overeffect"
met rekenvoorbeelden is
geïllustreerd.
2.4.3. Vrijlating van
inkomsten uit arbeid
In de Verzamelwet
SZW-wetgeving 2009 ¹ is geregeld dat 25% van de inkomsten uit arbeid,
met een maximum van €|184,- per maand, niet bij de
bijstandverlening in
aanmerking te nemen voor personen van 65 jaar of ouder die algemene
bijstand ontvangen. Een vrijlating van inkomsten uit arbeid voor personen van
65 jaar of ouder met aanvullende bijstand kan stimuleren dat ouderen
langer blijven doorwerken of weer aan het werk gaan. Door de vrijlating
worden de inkomsten niet geheel op de bijstandsuitkering in mindering gebracht,
maar behoudt de oudere een deel van die inkomsten.
Dit draagt ook bij aan
de invulling van de eigen verantwoordelijkheid van de oudere met een
onvolledige AOW-opbouw om dit AOW-hiaat zelf
zoveel mogelijk te verkleinen. Aan de andere kant is het een keuze van de
oudere zelf of hij na
het bereiken de pensioengerechtigde leeftijd wil blijven doorwerken of
weer aan het werk wil gaan om zo te profiteren van de vrijlating van de
arbeidsinkomsten.
Voor personen van 65
jaar of ouder vervallen twee voorwaarden met betrekking tot de
vrijlating van inkomsten uit arbeid. In tegenstelling tot de vrijlating voor
personen jonger dan 65 jaar hoeft ten eerste deze vrijlating van arbeidsinkomsten
niet bij te dragen aan de arbeidinschakeling van de oudere. Dit wordt
voorgesteld omdat voor personen van 65 jaar of ouder op grond van de
Wwb
geen arbeids- en re-integratieverplichtingen gelden. Daarnaast wordt
deze vrijlating niet meer beperkt tot zes aaneengesloten maanden. Dit omdat er,
anders dan bij personen jonger dan 65 jaar, geen sprake is van
armoedeval bij deze groep. Werken is immers een vrije keuze. Door het
laten vervallen van de twee genoemde voorwaarden wordt het
aantrekkelijker voor personen vanaf 65 jaar met aanvullende bijstand om te blijven
werken of om te gaan werken.
Net als bij personen
jonger dan 65 jaar werkt de vrijlating van inkomsten uit arbeid voor personen
van 65 jaar of ouder wel door naar inkomensafhankelijke regelingen.
1. Wet van 2 juli 2009 (Stb.
2009,
318).
Omdat de vrijlating van
inkomsten uit arbeid doorwerkt naar inkomensafhankelijke regelingen, heeft de
Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de
Tweede Kamer tijdens het algemeen overleg d.d. 16 april 2009 de
regering verzocht de mogelijkheden te bezien tot verhoging van die vrijlating voor
personen van 65 jaar of ouder met AOW en aanvullende bijstand.
Met een dergelijke verhoging wordt beoogd meer van de inkomsten uit
arbeid te behouden om op die wijze de effecten van de doorwerking naar
inkomensafhankelijke regelingen te mitigeren.
De regering ziet geen
aanleiding het huidige vrijlatingspercentage te verhogen voor personen
van 65 jaar of ouder die naast de AOW en aanvullende bijstand inkomsten uit arbeid ontvangen. Nog afgezien van de budgettaire
gevolgen die niet in de begroting zijn voorzien en dat een rblz.|12|
verhoging doorwerkt naar
bedoelde inkomensafhankelijke regelingen, leidt het voorstel naar
de mening van de regering tot een niet-gerechtvaardigd onderscheid met personen
jonger dan 65 jaar die naast een aanvullende bijstand eveneens
inkomsten uit arbeid ontvangen en in aanmerking komen voor de
gedeeltelijke vrijlating van deze inkomsten. Ook voor deze personen werkt de
vrijlating van inkomsten uit arbeid door naar inkomensafhankelijke
regelingen als voor personen van 65 jaar of ouder. Het mitigeren van de
effecten van de doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen voor alleen
personen van 65 jaar of ouder kan niet het verschil in behandeling
objectief rechtvaardigen.
Een verhoging van de
vrijlating van inkomsten uit arbeid voor personen van 65 jaar of ouder
brengt derhalve naar de mening van de regering onvermijdelijk met zich
mee dat ook voor personen jonger dan 65 jaar die vrijlating moet worden
verhoogd. In tegenstelling tot bij personen van 65 jaar of ouder, waarvoor
in het kader van de Wwb geen arbeidsverplichting geldt, zal een verhoging
van de vrijlating van inkomsten uit arbeid leiden tot een
armoedeval bij personen jonger dan 65 jaar. Het wordt door een dergelijke verhoging
voor hen aantrekkelijker in de bijstand te blijven doordat er gewenning
optreedt aan het hogere inkomen en ontmoedigt het zoeken naar en het
accepteren van een baan. Dit acht de regering ongewenst en in strijd
met de uitgangspunten van de Wwb.
2.4.4. Eigen woning en
Wwb
Bij het bezit van een
woning in eigendom is overigens ook sprake van vermogen in de zin van
de Wwb. De regering wenst te benadrukken dat het bezit van een woning
in eigendom niet in alle gevallen het recht op bijstand in de weg
staat. Het betekent ook niet dat het recht op bijstand altijd leidt tot verkoop
van de woning in eigendom. In de Wwb zijn namelijk aparte bepalingen
opgenomen ingeval een (potentiële) bijstandsgerechtigde een eigen woning bezit.
Op grond van het voorliggende wetsvoorstel zal de SVB
deze
bepalingen gaan uitvoeren voor personen van 65 jaar of ouder die een
beroep doen op de Wwb en een eigen woning bezitten. Artikel 50
Wwb bepaalt dat de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of
zijn gezin bewoonde woning recht heeft op bijstand, voor zover
verkoop van of het vestigen van een hypotheek bij een reguliere bank op de
woning in redelijkheid niet kan worden verlangd. Het wordt namelijk
bezwaarlijk geacht wanneer degene die door eigen inspanning zelfstandig in zijn
huisvesting voorziet en een beroep moet doen op bijstand, altijd de zelfbewoonde woning moet verkopen. De beoordeling
of de woning al dan niet
moet worden verkocht, wordt overgelaten aan de gemeenten en op grond
van het voorliggende wetsvoorstel voor personen van 65 jaar of
ouder aan de SVB.
Indien naar het oordeel
van de gemeente of de SVB recht op bijstand bestaat, wordt de
bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening, eventueel onder verband van een
hypotheek ("krediethypotheek"). Bij de bepaling van de hoogte van de
krediethypotheek wordt niet de volledige waarde van het in de
woning gebonden vermogen in het economisch verkeer in aanmerking
genomen. Het vermogen gebonden in de eigen woning wordt eerst
verminderd met de op de woning drukkende (hypotheek)schulden ("overwaarde"). Van dit saldo wordt een in
Wwb genoemd bedrag
vrijgelaten, waardoor niet het gehele in de woning gebonden vermogen in
aanmerking wordt genomen. Per 1 januari 2009 bedraagt de vrijlating
van het in de woning gebonden vermogen €|46
100,-. Alleen het meerdere
wordt als bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.
rblz.|13|
Tabel 3. Ontwikkeling
krediethypotheken:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
| Aantal
bijstandsuitkeringen van thuiswonenden onder 65 jaar onder
verband van krediethypotheek |
330x |
320x |
410x |
365x |
| Aantal
bijstandsuitkeringen van thuiswonenden van 65 jaar of ouder onder
verband van krediethypotheek |
20x |
20x |
25x |
25x |
| Totaal aantal
bijstandsuitkeringen van thuiswonenden onder 65 jaar |
322 080x |
320 100x |
335 425x |
338 575x |
| Totaal aantal
bijstandsuitkeringen van thuiswonenden van 65 jaar of ouder |
20 170x |
21 390x |
22 960x |
24 370x |
Bron: CBS, bewerking
SZW.
In 2004 is 0,11% van het
totaal aantal bijstandsuitkeringen thuiswonenden onder de 65 jaar als
bijstand in de vorm van een geldlening tegenover 0,10% van het totaal
aantal bijstandsuitkering thuiswonenden 65 jaar of ouder. Meer recente
cijfers op basis van de Bijstandsuitkeringenstatistiek van het CBS
zijn niet
beschikbaar, omdat dit onderdeel vanwege de rapportage in het kader
van de Wwb is vervallen.
Per 1 april 2009
verstrekt de SVB voor 177 gemeenten circa 20 000 uitkeringen. In 27 gevallen is sprake
van een lopende krediethypotheek.
De voorwaarden waaronder
de bijstand als geldlening dient te worden terugbetaald, wordt
bepaald door de gemeente en op basis van het voorliggende wetsvoorstel voor
personen van 65 jaar of ouder door de SVB. Een mogelijkheid is dat
terugbetaling geschiedt op het moment van verkoop van de woning of
bij overlijden van de langstlevende echtgenoot.
2.5. Andere naamgeving
Tijdens het algemeen
overleg van 16 april 2009 is door de Tweede Kamer de wens geuit te komen
tot een andere naamgeving voor de aanvullende bijstand. De negatieve
connotatie die sommige ouderen hebben met de term "bijstand" kan
hen kunnen weerhouden een aanvraag te doen voor de aanvullende bijstand.
Met dit wetsvoorstel wordt in de Wwb vastgelegd dat de SVB
algemene
bijstand voor personen van 65 jaar of ouder uitvoert in de vorm van
een aanvullende inkomensvoorziening ouderen. De SVB zal in haar
communicatie met (potentiële) rechthebbenden de naam "aanvullende
inkomensvoorziening ouderen" gaan gebruiken.
2.6. Armoedebeleid
gemeenten
Gemeenten zijn
verantwoordelijk voor het armoedebeleid voor hun inwoners. Dit vullen zij in door
specifieke gemeentelijke regelingen, bijzondere bijstand en thans de
aanvullende bijstand. De overheveling van de aanvullende bijstand naar de
SVB betekent niet dat het gemeentelijke minimabeleid aan kracht inboet. De
SVB-activiteiten zijn juist ondersteunend hieraan.
Het genoemde IWI-onderzoek leert dat gemeenten na mandatering van de Wwb
65+ aan de
SVB het
gebruik van hun andere minimaregelingen zien toenemen. Gemeenten
krijgen er met de SVB een kanaal bij voor de benadering van ouderen. Zoals
hierboven aangegeven, legt de SVB contact met iedere potentiële cliënt voor
Wwb 65+. De SVB attendeert vervolgens
bijstandscliënten op
het bestaan van minimaregelingen in hun gemeente. Gemeenten en SVB kunnen
ook verdere afspraken maken. Bijvoorbeeld over het meesturen van
gemeentelijk voorlichtingsmateriaal voor minima door de SVB aan de
inwoners van de betreffende gemeente. Daarnaast behouden gemeenten zelf
zicht op hun inwoners die de aanvullende algemene bijstand ontvangen van
de SVB. Zij kunnen via het Inlichtingenbureau
rblz.|14|
beschikken over de
betreffende gegevens van de SVB. De grondslag hiervoor vormen de
artikelen 62 Wet
SUWI en 64 en 67
Wwb. Zie hiervoor de artikelsgewijze
toelichting bij artikel 47e. Zo hebben gemeenten deze potentiële cliënten van hun
minimabeleid in beeld en kunnen hen proactief diensten verlenen.
2.7. Financiële
paragraaf
2.7.1. Uitkeringslasten
Met dit wetsvoorstel
komt de uitvoering van de aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of
ouder in handen van de SVB. Hieronder is de huidige raming van de
aanvullende bijstand voor personen van 65 jaar of ouder weergegeven. Na de
overheveling naar de SVB behoort deze reeks niet meer tot het inkomensdeel van de
Wwb. De ramingen zullen in de
toekomst periodiek
worden herzien.
Tabel 4. Overheveling
uitkeringslasten (x €|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Overheveling
uitkeringslasten |
193,1 |
208,2 |
222,5 |
238,8 |
249,7 |
262,2 |
Als gevolg van de
overheveling naar de SVB zal het niet-gebruik worden teruggedrongen. Hierdoor
zullen de uitkeringslasten stijgen, vooralsnog wordt uitgegaan van de
volgende reeks:
Tabel 5. Terugdringen
niet-gebruik (x €|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Terugdringen
niet-gebruik |
12,5 |
20 |
20 |
20 |
20 |
20 |
Het jaar 2010 wordt
gezien als een overgangsjaar omdat niet meteen alle niet-gebruik in beeld
zal zijn. De raming van het terugdringen van het niet-gebruik is gebaseerd op een eerdere pilot die heeft plaatsgevonden.
Er is verondersteld dat
20% van de onvolledige AOW-ers niet-gebruikers zijn. Het grootste deel
hiervan is onvrijwillig, een klein deel is vrijwillig, omdat men niet
afhankelijk wil zijn van de overheid en/of omdat het aanvullende bedrag
simpelweg te klein is.
2.7.2. Personele
paragraaf en uitvoeringskosten SVB
De SVB verwacht dat voor
de directe gevalsbehandeling circa 3,7 fte per 1000 huishoudens nodig
zullen zijn. Dit is inclusief management, kwaliteitsbewaking, overleg en capaciteit voor relatiebeheer met de
gemeenten. De formatie
in 2010 voor de uitvoering van de Wwb 65+ komt daarmee uit op circa 140
fte.
Onderstaande tabel bevat
een raming van de uitvoeringskosten van de SVB. Deze zijn opgesteld
uitgaande van het loon-/prijsniveau 2008. In de raming is rekening
gehouden met de stijging van het aantal mensen dat een beroep zal doen op
de Wwb 65+, wat leidt tot een oplopende reeks voor de uitvoeringskosten.
De SVB heeft, ten
behoeve van de uitvoering in mandaat voor gemeenten, projectkosten gemaakt
welke nog niet volledig zijn afgefinancierd. Het gaat hier om circa €|1,5 miljoen. Daarnaast raamt de SVB initiële implementatiekosten van de overheveling op €|2,5 miljoen. In totaal gaat het dus om €|4 miljoen
eenmalige kosten.
rblz.|15|
Tabel 6. Uitvoeringkosten
SVB (x €|1
miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Uitvoeringskosten
SVB
|
10,3 |
11,2 |
11,8 |
12,4 |
13,2 |
13,7 |
2.7.3. Uitname
gemeentefonds (Gf)
Met dit wetsvoorstel
vervalt de uitvoering van de Wwb 65+ voor de
gemeenten. Daarom vindt
een uitname uit het gemeentefonds plaats van de uitvoeringskosten.
Met de uit te nemen gelden wordt de uitvoering van de SVB
bekostigd.
De hoogte van de uitname
is bepaald conform de Financiële-verhoudingswet. Hierbij zijn er twee
methoden. De uitname kan gebaseerd worden op wat in het verleden is
toegevoegd aan het gemeentefonds voor de uitvoering van de taak. De regering
heeft het niet juist gevonden om de uitvoeringskosten per bijstandsgerechtigde
uit te nemen. Dit bedrag is te hoog gelet op het feit dat
het om een bijzondere doelgroep gaat waarvoor door gemeenten minder uitvoeringskosten gemaakt worden dan voor bijstandsgerechtigden
met een
re-integratieverplichting. Er zullen namelijk minder vaak (inkomens)mutaties
plaatsvinden en het contact met de gemeente is minder frequent.
De tweede methode is het
baseren van de uitname op de feitelijk gemaakte
uitvoeringskosten voor deze doelgroep. Het baseren van de uitname op de feitelijk
gemaakte uitvoeringskosten van de gemeenten stuit op het probleem
dat er geen inzicht bestaat in die feitelijke uitvoeringskosten. De door de gemeenten
gemaakte feitelijke uitvoeringskosten moeten daarom worden
benaderd. De regering heeft gekozen deze feitelijke uitvoeringskosten te
benaderen aan de hand van de uitvoeringskosten die de SVB
in haar
uitvoeringstoets heeft geraamd, omgerekend naar het loon-/prijsniveau 2009.
Hierbij is rekening
gehouden met het feit dat de SVB de Wwb 65+ efficiënter zal kunnen uitvoeren.
Dit komt omdat er schaalvoordeel optreedt (van ruim 400 gemeenten
naar één SVB), meer specialisatie mogelijk is en werkprocessen van
AOW en
Wwb 65+ gecombineerd kunnen worden uitgevoerd. Het efficiencyvoordeel wordt geschat op minimaal 20%.
In onderstaande tabel is
aangegeven hoe de uitname is opgebouwd. De SVB heeft, ten behoeve
van de uitvoering in mandaat voor gemeenten, projectkosten gemaakt
welke nog niet volledig zijn afgefinancierd. Het gaat hier om circa €|1,5 miljoen. Daarnaast raamt de SVB initiële implementatiekosten van de
overheveling op €|2,5 miljoen. In totaal gaat het dus om €|4 miljoen
eenmalige kosten. Omdat het niet juist zou zijn deze kosten volledig voor
rekening van het gemeentefonds te brengen, heeft de regering besloten
deze kosten te delen met het gemeentefonds. In het uitnamebedrag voor 2010
zijn deze kosten voor de helft (€|2 miljoen) opgenomen.
Het aantal gerechtigden
zal ook na 2015 verder toenemen. Voor de jaren na 2015 zal de uitname
constant worden gehouden op het niveau van 2015.
Tabel 7. Uitname gemeentefonds
(x €|1 miljoen):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Uitvoeringskosten SVB
|
10,3 |
11,2 |
11,8 |
12,4 |
13,2 |
13,7 |
| Implementatiekosten voor
rekening Gf |
x2,0 |
- |
- |
- |
- |
- |
| Efficiency SVB |
x2,5 |
x2,7 |
x2,7 |
x2,7 |
x3,1 |
x3,3 |
| Loon-/prijsbijstelling
2009 |
x0,6 |
x0,5 |
x0,6 |
x0,6 |
x0,6 |
x0,7 |
| Overheveling
uitvoeringskosten Gf |
15,4 |
14,4 |
15,1 |
15,7 |
16,9 |
17,7 |
rblz.|16|
2.7.4. Administratieve
lasten
De administratieve
lasten zullen met het in werking treden van dit wetsvoorstel verminderen. Gevolgen
voor de burger: vanwege de eenloketgedachte nemen de administratieve
lasten voor de burgers af. De besparing wordt veroorzaakt door
een afname in tijd en kosten voor de bezoeken van de burgers
aan de gemeente, die nu komen te vervallen. Daarnaast komt het
vervolggesprek met de casemanager te vervallen (tijdsbesparing).
Bij de raming is gekeken
hoeveel personen van 65 jaar of ouder naar verwachting jaarlijks
instromen in de aanvullende bijstand. De tijdbesparing wordt berekend
door het
instroomvolume te vermenigvuldigen met 2,67 uur (1,67 uur
reistijd en 1 uur vervolggesprek). De kostenbesparing voor de burger is
berekend door het instroomvolume te vermenigvuldigen met €|5,12
(reiskosten).
Tabel 8. Administratieve
lasten:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Instroom |
4 900 |
5 100 |
5
300 |
5 300 |
6 000 |
6 400 |
| Tijd (in uren) |
–13
200 |
–13
500 |
–14
300 |
–14
300 |
–16
000 |
–17
100 |
| Kosten (in €) |
–25
300 |
–26
000 |
–27
300 |
–27
300 |
–30
800 |
–32
800 |
2.8. Overgangsrecht
De hoofdregel
is dat
besluiten van de gemeenten over
bijstandverlening aan een 65-plusser op de
datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel gelden als besluiten van
de SVB. Voor bepaalde overgangssituaties dient daarnaast nog
overgangsrecht te worden vastgesteld. Uitgangspunt voor het overgangsrecht
is dat gemeenten, vanwege het financiële belang, bevoegd blijven
tot besluitvorming over de verlening van bijstand die heeft plaatsgevonden
vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan personen die op die
datum bijstand ontvangen van de SVB of die geen bijstand meer
ontvangen. Dit heeft gevolgen voor terugvordering van te veel of ten
onrechte verstrekte bijstand, voor verhaal van bijstand op derden en voor
beslissingen in bezwaar en het behandelen van beroep en hoger
beroep, waarbij
de gemeente beslissingsbevoegd en partij blijft.
Hierop bestaan drie
uitzonderingen. Voor een persoon die op de datum van inwerkingtreding van
het wetsvoorstel bijstand ontvangt van de SVB
en vóór die datum
bijstand van de gemeente ontvangt in de vorm van een geldlening, eventueel
onder verband van een hypotheek, in verband met een eigen woning, is de
SVB bevoegd tot besluitvorming, ook voor het gedeelte van de
bijstandverlening vóór de inwerkingtreding. In geval van een hypotheek wordt die
in de registers op naam van de SVB gesteld. De tweede uitzondering
betreft de persoon die op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel
bijstand ontvangt van de SVB en de gemeente is vóór die
datum overgegaan tot verhaal van bijstand op derden en dit verhaal
loopt door na de datum van inwerkingtreding, dan is de SVB bevoegd tot
besluitvorming over het verhaal op derden. De SVB treedt dan in de rechten
van de gemeente. De laatste uitzondering betreft een gedraging of omstandigheid die wordt ontdekt na de datum van
inwerkingtreding van het
wetsvoorstel en die leidt tot te veel, te weinig of ten onrechte verstrekte
bijstand vóór de datum van inwerkingtreding, dan is de SVB bevoegd tot
besluitvorming over die te veel, te weinig of ten onrechte verstrekte
bijstand.
rblz.|17|
3. Inkoopregeling AOW
3.1. Verruiming
beslistermijn inkoopregeling
Om te voorkomen dat
mensen een onvolledige AOW-pensioen hebben, is het voor nieuwkomers
mogelijk om onverzekerde jaren in te kopen, de inkoopregeling AOW. De
doelstelling van de inkoopregeling AOW is mensen optimaal in staat
te stellen zelf verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen AOW-gat.
Voor inkoop is premie verschuldigd over het feitelijke inkomen dat
in de jaren vóór vestiging in Nederland genoten werd. Indien men geen
inkomen had, bedraagt de premie 10% van de maximale premie. Op dit
moment maken weinig mensen gebruik van de inkoopmogelijkheid.¹ Naast de onbekendheid van de inkoopregeling
spelen de kosten van
inkoop een belangrijke rol. Vooral voor hoge inkomens zal een private
voorziening aantrekkelijker zijn. Daarnaast vormt een mogelijk recht op
bijstand een overweging.
In de brief van 19
november 2007 ² is aangekondigd dat de huidige inkoopregeling AOW zal worden verruimd
door de beslistermijn te verlengen van vijf jaar naar tien jaar.
Het verlengen van de beslistermijn stelt mensen in de gelegenheid een
weloverwogen keuze te maken voor inkoop en maakt het ook mogelijk
voldoende geld te sparen.
1. In de jaren 2003 tot
2006 werd respectievelijk door 45, 35, 26 en 22
personen tot inkoop overgegaan. Het
betreft hier voor het merendeel jongeren, die inkopen tegen de minimale premie omdat in
voorgaande jaren geen inkomen is genoten.
2. Kamerstukken II 2007-2008,
29 549, nr. 13.
3.2. Openstellen
inkoopregeling voor categorie gewezen verplicht volksverzekerden
In bepaalde gevallen kan
het zijn dat personen niet in aanmerking komen voor de vrijwillige
verzekering in de AOW, terwijl dit wel gewenst is. Het gaat hierbij om personen
die vóór het 15e levensjaar naar het buitenland vertrekken en zich na
het 15e levensjaar weer in Nederland vestigen. Voorwaarde van de
inkoopregeling bij aankomst in Nederland is namelijk dat men nooit eerder
verplicht verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. Verplicht verzekerd voor
de volksverzekeringen is men echter vanaf geboorte. In deze
gevallen kan men zich dus niet achteraf inkopen. Op het moment van
vertrek hadden deze personen zich ook niet vrijwillig kunnen verzekeren voor
de periode naar de toekomst toe, omdat als voorwaarde hiervoor geldt dat men
minimaal 15 jaar oud is. Deze personen vallen nu dus tussen wal
en schip. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat personen tot 15 jaar
niet aangemerkt worden als verplicht verzekerd voor de
volksverzekeringen, waardoor inkoop van ontbrekende AOW-verzekeringsjaren
op een later moment
mogelijk blijft.
4. Gelijkstelling binnen
de sociale zekerheid van voormalige pleeg- en stiefkinderen
aan eigen kinderen
Bij het debat over het
rapport van de Themacommissie Ouderenbeleid in januari en februari 2008
heeft de Tweede Kamer de motie-Willemse-van der Ploeg aangenomen.¹
Hierin wordt de regering verzocht te onderzoeken of er mogelijkheden zijn
om AOW-gerechtigden met inwonende pleegkinderen ouder dan
18 jaar die tot dan toe onder het geregistreerd pleegouderschap vielen
op eenzelfde wijze te behandelen als AOW-gerechtigde ouders met inwonende
eigen kinderen. Bij brief van 10 februari 2009 hebben de Minister en
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de toegezegde analyse
aan de Tweede kamer aangeboden.² In deze brief is tevens
medegedeeld dat de socialezekerheidswetgeving zal worden aangepast om te
voorkomen dat een alleenstaande ouder als de ongehuwde partner in een
gezamenlijke huishouding met zijn meerderjarig geworden voormalig
pleeg- of stiefkind wordt gezien.
1. Kamerstukken II 2007-2008, 29 549, nr. 21.
2. Kamerstukken II 2008-2009, 31 700 XV, nr. 54.
Het gaat om het
volgende. Een pleegkind dat verzorgd wordt door een alleenstaande
pleegouder kan vanaf het moment dat het kind meerderjarig rblz.|18|
is geworden,
gezien worden als de ongehuwde partner die met zijn ongehuwde pleegouder een
gezamenlijke huishouding voert. Dat heeft consequenties voor het
recht op of de hoogte van een socialezekerheidsuitkering. Gevolg is bijvoorbeeld
dat de AOW-uitkering van een alleenstaande AOW-er op dat moment
daalt naar 50% van het minimumloon. Dit is een gevolg van de
omstandigheid dat in de sociale zekerheid als gehuwd of als
echtgenoot mede wordt aangemerkt "de ongehuwde meerderjarige die met
een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert". De
enige uitzondering daarop wordt gevormd door twee
bloedverwanten in de eerste graad (ouder en kind). De regering acht de
uitkeringsgevolgen voor de alleenstaande ouder van een voormalig pleegkind
of meerderjarig stiefkind ongewenst en stelt daarom voor de
uitzondering voor bloedverwanten in de eerste graad ook te laten gelden voor
pleegkinderen en stiefkinderen.
De achtergrond hiervan
is dat het een kenmerk van gezinnen is dat ouders en kind in een
ouder-kindrelatie staan met enerzijds een gezagscomponent en anderzijds een
afhankelijkheidscomponent. Beide componenten veranderen niet
wezenlijk op het moment dat het kind meerderjarig wordt. Het is dan niet logisch
dat ouder en kind op dat moment opeens als gelijkwaardige partners
gezien zouden worden. Om die reden is in de sociale zekerheid bepaald dat een alleenstaande ouder geen gezamenlijke
huishouding kan voeren
met zijn meerderjarige eigen kind. Deze zelfde overweging geldt echter
ook voor pleeg- en stiefkinderen. Het uitgangspunt van de regering is dat
als maatschappelijke opvattingen daar aanleiding toe geven, waar mogelijk
pleeggezinnen in de sociale zekerheid net zo behandeld worden als
gezinnen met eigen kinderen. Omdat de situatie van een pleegkind dat
meerderjarig wordt niet wezenlijk anders is dan de situatie waarin een
eigen kind meerderjarig wordt, wijzigt dit wetsvoorstel de omschrijving van wie
in de sociale zekerheid mede als gehuwd of als echtgenoot wordt
aangemerkt.
De verschillende
regelingen die worden aangepast zijn de Algemene nabestaandenwet (Anw),
AOW, Toeslagenwet (TW),
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong), Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening zelfstandigen (WAZ),
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen
[IOW, red.], Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wwb,
Wet werk en inkomen
kunstenaars (Wwik), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet
WIA) en de Ziektewet (ZW).
De aanpassing houdt in
dat meerderjarig geworden pleeg- en stiefkinderen voor de omschrijving van
wie als gehuwd of als echtgenoot wordt aangemerkt, worden
gelijkgesteld aan bloedverwanten in de eerste graad (eigen kinderen). Bij
pleegkinderen kan het gaan om een pleegkind waarvoor de ouder kinderbijslag
kreeg of een pleegkind waarvoor de ouder een pleegvergoeding in
het kader van de geïndiceerde jeugdzorg ontvangt. Wanneer een
beroep op deze bepaling wordt gedaan, zal het meestal gaan om de
situatie dat het pleegkind van een alleenstaande ouder meerderjarig
wordt. Het kan echter ook gaan om situaties dat het uitkeringsrecht begint
of wijzigt, bijvoorbeeld als een alleenstaande ouder 65 wordt of dat van
twee AOW-ers er één overlijdt terwijl het pleeg- of stiefkind al
meerderjarig is. Het is mogelijk dat het dan niet meteen duidelijk is dat
één van deze
personen een voormalig pleegkind is. Het is dan aan de voormalige
pleegouder hiervoor bewijzen te leveren. Een aanwijzing is bijvoorbeeld als
beide personen sinds de minderjarigheid van het voormalige pleegkind bij
elkaar wonen.
rblz.|19|
Het begrip gezamenlijke
huishouding heeft geen invloed op de hoogte van de uitkering voor de
arbeidsongeschiktheidswetten; dit begrip is daar alleen voor de
overlijdensuitkering van belang. In de AOW,
TW, Wwb, Wwik, Ioaz en
Ioaw wordt
voor de hoogte van de uitkering rekening gehouden met de omvang
van een huishouden. Om ervoor te zorgen dat mensen er als gevolg van
deze wetswijziging niet op achteruitgaan, is er voor deze wetten voorzien in overgangsrecht. Wanneer een huishouden
met een reeds bestaand
recht in de nieuwe situatie erop achteruitgaat, kan ze door het overgangsrecht gebruik blijven maken van het oude recht.
Door het overgangsrecht
gaan huishoudens met bestaande rechten er niet op achteruit.
De Anw wijkt in dit
geval af van de andere wetten, omdat in 1998 al is geregeld dat
pleegkinderen waarvoor de pleegouder kinderbijslag ontvangt niet als
partner worden aangemerkt zodra het pleegkind 18 wordt.¹ Pleegkinderen
waarvoor een pleegvergoeding wordt ontvangen, worden echter nog steeds
als partner aangemerkt zodra ze meerderjarig zijn. Op dit punt wordt
de Anw aangepast.
1. Wet van 18 juni 1998
tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet
in verband met gebleken onbillijkheden (Stb. 1998, 377). Deze wet is in werking
getreden met
ingang van 1 juli 1998 en werkte terug tot
en met 1 juli 1996 (Stb. 1998, 377).
De financiële
consequenties van het gelijk behandelen van een volwassen voormalig pleeg- of
stiefkind met een eerstegraads bloedverwant zijn verwaarloosbaar.
5. Adviezen
Het voorliggende
wetsvoorstel is voor advies over de uitvoeringsaspecten voorgelegd aan de
SVB,
het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.] en het Uitvoeringspanel gemeenten. In het Uitvoeringspanel
gemeenten participeren vijftien gemeenten, de
Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) en Divosa [Vereniging
van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid, red.]. Ook is het wetsvoorstel voorgelegd aan de
Inspectie Werk en Inkomen voor een toezichtbaarheidstoets, aan Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] in het kader
van de administratieve lastendruk voor de burger en aan de VNG
SVB
De SVB geeft aan dat de
wetswijziging gericht op het overhevelen van de aanvullende bijstand
naar de SVB uitvoerbaar en handhaafbaar is. Dit geldt ook voor de
voorgestelde wijzigingen van de inkoopregeling AOW. Hierbij gaat het om de
verruiming van de beslistermijn voor de inkoopregeling van vijf naar
tien jaar en
het openstellen van de inkoopregeling voor personen die een periode
in Nederland hebben gewoond, vervolgens voor hun 15e naar het buitenland zijn vertrokken en zich na hun 15e weer
in Nederland vestigen.
De SVB heeft nog twee
opmerkingen gemaakt aangaande de uitvoerbaarheid. In de Memorie van
Toelichting, Onderdeel H, artikel 78i, [lees: In de toelichting
op artikel I, onderdeel H, artikel 78i, red.] wordt de situatie aangestipt
waarin een besluit tot herziening betekent dat bijstand wordt teruggevorderd
over een periode vóór de overgang. Voorgesteld wordt dat er dan tussen
de SVB en het desbetreffende college nadere
afstemming plaatsvindt over de verrekening van de gelden die op grond
van
de tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit worden geïnd.
De SVB stelt voor de
tekst zodanig te redigeren dat duidelijk wordt dat verrekening naar rato
plaatsvindt als sprake is van substantiële bedragen die op grond van de
tenuitvoerlegging van het terugvorderingsbesluit kunnen worden geïnd.
Doel hiervan is te voorkomen dat in de praktijk de verwachting kan ontstaan
dat de SVB zal overgaan tot verrekening van
kruimelbedragen.
Aangezien verwacht wordt
dat ook gemeenten zullen afzien van een verrekening van kruimelbedragen zijn
de toevoegingen die de SVB voorstelt rblz.|20|
niet noodzakelijk. De
SVB kan indien nodig in haar uitvoeringspraktijk hierover afspraken maken
met gemeenten.
In de tweede plaats
stelt de SVB voor aan artikel 47c
een lid toe te voegen waarin wordt neergelegd
dat de SVB beleidsregels mag opstellen ten aanzien van het bepaalde
in eerste en tweede lid. Uit de voorliggende tekst trekt de SVB de
conclusie dat - nu een bepaling ontbreekt waarin aan de SVB de opdracht
wordt gegeven dat de SVB nadere regels stelt ten aanzien van het bepaalde
in het eerste en tweede lid van artikel 47c
- geen bevoegdheid is gegeven
een Maatregelenbesluit Wwb 65+ te mogen maken. In plaats daarvan zal de
SVB beleidsregels opstellen. Voort stelt de SVB dat het aanbeveling
verdient om aan de huidige toelichting op artikel 47c
toe te voegen:
"Met
betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
bevoegdheid als bedoeld in artikel 47c
zal de SVB
beleidsregels opstellen". De SVB stelt dat hierdoor duidelijk wordt dat de
SVB beleidsregels mag opstellen voor maatregelenbeleid ten aanzien van de
65-plusser én ten aanzien van de 65-minner, deze laatste voor zover
het de re-integratieverplichtingen betreft.
De regering neemt deze
suggesties van de SVB niet over. Het stellen van beleidsregels vloeit al
voort uit de Algemene wet bestuursrecht, omdat het bij de uitvoering
van deze bevoegdheid onder meer gaat om de afweging van belangen.
Ten aanzien van de
gelijkstelling van voormalige pleeg- en stiefkinderen met een eigen kind voor
het begrip gezamenlijke huishouding in een aantal socialezekerheidswetten heeft de SVB een drietal opmerkingen. Ten eerste
is zij van
mening dat de uniformiteit in de uitvoering aangetast wordt doordat in de
uitvoering van AOW en Anw
enerzijds en de AKW anderzijds geen
gelijke kindbegrippen meer kunnen worden gehanteerd. Het is onze inschatting
dat er geen problemen zullen optreden voor de uitvoering, omdat de
wijziging alleen betrekking heeft op het begrip gezamenlijke huishouding
en dit begrip speelt geen rol in de AKW. Bij de AOW en Anw moet gekeken
worden of er sprake is van een gezamenlijke huishouding, terwijl er
bij de AKW gekeken wordt of een kind zodanig onderhouden wordt dat er
recht bestaat op kinderbijslag.
Verder vraagt de SVB een
duidelijke motivatie waarom er gekozen is voor uitbreiding van het
begrip gezamenlijke huishouding voor aangehuwde kinderen en
pleegkinderen. De uitbreiding van het begrip geeft invulling aan de
motie-Willemse-van der Ploeg (Kamerstukken II 2007-2008, 29 549, nr. 21), waarin de
regering verzocht wordt te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om AOW-gerechtigden
met inwonende pleegkinderen ouder dan 18 jaar [lees: van 18 jaar of
ouder, red.] die tot dan
toe onder het geregistreerd pleegouderschap vielen op eenzelfde
wijze te behandelen als AOW-gerechtigde ouders met inwonende eigen kinderen. Door
dit wetsvoorstel wordt
tegemoetgekomen aan de wens uit
de Tweede Kamer pleeg- en stiefkinderen die meerderjarig worden
gelijk te behandelen als bloedverwanten uit de eerste graad.
Als laatste voorziet de
SVB problemen bij de beoordeling van de vraag of in het verleden sprake
is geweest van een pleegkindrelatie. Het is mogelijk dat het niet meteen
duidelijk is dat één van deze personen een voormalig pleegkind is. Zoals uit
het algemeen deel van de memorie van toelichting blijkt, is het dan aan
de voormalige pleegouder hiervoor bewijzen te leveren. Wanneer de
desbetreffende personen geen bewijs kunnen leveren, dan zal de SVB ervan mogen uitgaan dat er geen sprake is van
een pleegkind.
UWV
Het UWV heeft een
uitvoeringstoets uitgebracht met betrekking tot de gelijkstelling van
stief- en pleegkinderen met eigen kinderen. Naar aanleiding rblz.|21|
van deze toets is
voorzien in een overgangsbepaling voor de TW. Het UWV voorziet geen
uitvoeringstechnische bezwaren tegen het
wetsvoorstel.
IWI
De IWI heeft geen
opmerkingen over de toezichtbaarheid op dit
wetsvoorstel.
Uitvoeringspanel gemeenten
Het Uitvoeringspanel gemeenten (UP) kan zich vinden in het voorliggende
wetsvoorstel. In zijn
advies heeft het UP een aantal vragen en opmerkingen. Hieronder gaat de
regering op deze opmerkingen in.
De leden van het UP
vragen of de gemeente of de SVB
een maatregel oplegt wanneer de
jongere partner bij de naleving van de arbeids- en re-integratieverplichting
in gebreke blijft.
In het voorliggende
wetsvoorstel zal de SVB, als uitvoerder van de
Wwb voor personen van 65
jaar of ouder, bij het niet of niet voldoende nakomen van verplichtingen, waaronder de
arbeids- en de
re-integratieverplichting van de jongere partner,
de uitkering verlagen. Indien de gemeente een gegrond vermoeden heeft dat de jongere partner niet
voldoet aan de
verplichting tot arbeidsinschakeling dan wel niet of onvoldoende gebruik maakt van
re-integratievoorzieningen of inburgeringsvoorzieningen, stelt de gemeente de SVB
daarvan in kennis.
In zijn advies vragen de
leden van het UP of een snelle uitvoering is geregeld van verlaging van de
uitkering door de SVB bij het niet of niet voldoende nakomen van de
arbeids- en re-integratieverplichting door de jongere partner.
De regering is van
mening dat de verlaging van de uitkering wegens het niet of niet voldoende
nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting door de jongere partner
op adequate wijze is geregeld. De SVB zal namelijk de uitvoering
van een dergelijke verlaging zo snel mogelijk ter hand nemen, in principe bij de
eerstkomende betaling, tenzij er minder dan één week tussen zit. Deze
werkwijze wordt thans eveneens gehanteerd bij de mandaatsconstructie.
De
SVB zal na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel deze
werkwijze handhaven.
Verder wijst het UP erop dat de kans toeneemt dat de jongere partner door de klantmanager
beleefd wordt als een niet-uitkeringsgerechtigde en dat het idee van een
verlaging van de uitkering wegens het niet of niet voldoende nakomen van de
arbeids- en re-integratieverplichting buiten beeld verdwijnt.
Met het UP hecht de
regering belang aan de re-integratie van de jongere partner. Voorkomen moet
worden dat de jongere partner in de uitvoering wordt beleefd als
niet-uitkeringsgerechtigde. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het ondersteunen
van deze jongere partner bij arbeidsinschakeling en voor het bepalen en
aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
Gezien het feit dat de gemeenten bij het ondersteunen naar arbeidsinschakeling
en het aanbieden van re-integratievoorzieningen evenwichtige aandacht
dienen te besteden aan groepen bijstandsgerechtigden en voor verschillende doelgroepen daarbinnen en
een financiële prikkel
hebben vooral jongere partners te re-integreren, gaat de regering ervan uit
dat gemeenten de re-integratie van de jongere rblz.|22|
partner adequaat en
overeenkomstig de bedoelingen van de Wwb zullen uitvoeren.
Het UP vraagt of het
doorgeven van gegevens via het Inlichtingenbureau ten behoeve van
armoedebestrijding behouden blijft wanneer de mandateringsrelatie verdwijnt.
Het Inlichtingenbureau
levert aan gemeenten maandelijks rapportages op persoonsniveau van alle
in die gemeente verstrekte Wwb door de SVB.
Ten aanzien van het
overgangsrecht geeft het UP de voorkeur aan een scherpe grens bij de
datum van inwerkingtreding. Alles wat betrekking heeft op de periode
vóór
deze datum valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente
en wat
daarna gebeurt onder de verantwoordelijkheid van de SVB. Wanneer het
bijvoorbeeld gaat om een terugvordering die zowel de periode vóór
als na de datum van inwerkingtreding betreft, dan is het voor de periode
tot die datum aan de gemeente om bijvoorbeeld te bepalen of ze wel of
niet wil terugvorderen, aldus het UP.
De regering is aan dit
deel van het advies van het UP grotendeels tegemoetgekomen. Uitgangspunt
voor het overgangsrecht is dat gemeenten, vanwege het financiële
belang, bevoegd blijven tot besluitvorming over de verlening van
bijstand die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan
personen die op die datum bijstand ontvangen van de SVB
of
die geen bijstand meer ontvangen. Dit heeft gevolgen voor terugvordering van te veel of ten onrechte verstrekte
bijstand, voor verhaal
van bijstand op derden en voor beslissingen in bezwaar en het
behandelen van beroep en hoger beroep waarbij de gemeente
beslissingsbevoegd en partij blijft. Hierop bestaan drie
uitzonderingen, waarvoor de regering
verwijst naar paragraaf 2.7.
VNG
De VNG kan zich inhoudelijk vinden in het
wetsvoorstel. Wel
heeft de VNG moeite met de uitname uit het gemeentefonds. De VNG
stelt zich op het standpunt dat in 2010 eenmalig een uitname dient plaats
te vinden.
De regering deelt deze mening niet. Bij
een uitname uit het gemeentefonds moet het gaan om een uitname op basis van de feitelijke
kosten. De feitelijke kosten hebben in dit geval betrekking op de periode
tot en met 2015. Gedurende deze periode lopen de uitvoeringskosten op
vanwege de stijging van het aantal personen dat gebruik zal maken van de
aanvullende bijstand. De uitname uit het gemeentefonds zal daarom
gebaseerd worden op de uitvoeringskosten tot en met 2015.
Actal
Omdat met dit
wetsvoorstel een verlichting betekent van de administratieve lasten voor burgers, is
het voor toetsing voorgelegd aan Actal. Actal heeft aangegeven geen
bezwaren te zien in het wetsvoorstel.
Artikelsgewijs
Artikel
I
(wijziging van
de Wet werk en bijstand)
Onderdeel A (artikel
3)
In artikel 3, tweede
lid, onderdeel a, van de Wwb wordt als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde die met een ander een rblz.|23|
gezamenlijke huishouding
voert. Daarop wordt alleen voor bloedverwanten in de eerste graad
(eigen kinderen) een uitzondering gemaakt. Omdat een meerderjarig
voormalig pleegkind ten opzichte van zijn pleegouder(s) geen eerstegraads
bloedverwant is, kan de ongehuwde voormalig pleegouder een gezamenlijke huishouding voeren met het meerderjarige
voormalig pleegkind. In
die situatie wordt de ongehuwde voormalige pleegouder
voor de toepassing van de Wwb als gehuwd of als echtgenoot
aangemerkt. Omdat pleeggezinnen in de sociale zekerheid voor wat betreft het
aanwezig achten van een gezamenlijke huishouding net zo behandeld moeten
worden als gezinnen met eigen kinderen, worden meerderjarige
voormalige pleegkinderen op dit punt gelijkgesteld aan eerstegraads
bloedverwanten. Hiermee wordt in de Wwb het verschil in behandeling tussen
enerzijds een ongehuwde die samenwoont met een eigen kind en anderzijds
een ongehuwde die samenwoont met een meerderjarig voormalig pleegkind
opgeheven.
Onderdeel B (artikel
4)
In artikel 4, onderdeel
a en b, van de Wwb wordt onder alleenstaande (ouder) verstaan de
ongehuwde die geen gezamenlijke huishouding voert met een ander. Daarop
wordt alleen voor bloedverwanten in de eerste graad (eigen kinderen)
een uitzondering gemaakt. Omdat een meerderjarig voormalig pleegkind ten
opzichte van zijn pleegouder(s) geen eerstegraads bloedverwant is,
kan de ongehuwde voormalig pleegouder een gezamenlijke huishouding
voeren met het meerderjarige voormalige pleegkind. In die situatie wordt de
ongehuwde voormalige pleegouder voor de toepassing van de Wwb
als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt. Omdat pleeggezinnen in
de sociale zekerheid voor wat betreft het aanwezig achten van een
gezamenlijke huishouding net zo behandeld moeten worden als
gezinnen met eigen kinderen, wordt aan artikel 4 een nieuw tweede lid
toegevoegd, waarin meerderjarige voormalig pleegkinderen op dit punt
gelijkgesteld worden aan eerstegraads bloedverwanten. Hiermee wordt in de
Wwb het verschil in behandeling tussen enerzijds een ongehuwde die samenwoont met een eigen kind en anderzijds een
ongehuwde die samenwoont
met een meerderjarig voormalig pleegkind opgeheven.
Onderdeel C (artikel
7)
Onderdeel b van het
eerste lid van artikel 7 bepaalt dat het college verantwoordelijk is voor het verlenen van
(algemene en bijzondere) bijstand. In het voorgestelde zesde
lid wordt geregeld dat het college niet verantwoordelijk is voor de verlening van
bijstand indien dat op grond van artikel 47a, eerste lid, tot de
taak van de SVB behoort. In de nieuwe paragraaf 5.4 waarbij in
artikel
47a de taak aan de SVB wordt verleend, wordt vervolgens bepaald op welke wijze
de SVB invulling dient te geven aan de uitvoering van die taak.
Onderdeel D (artikel
41)
In artikel 41 is
geregeld bij wie een aanvraag om bijstand moet worden ingediend. In het eerste
lid staat de hoofdregel, namelijk indiening bij het UWV. In het tweede lid staat een uitzondering
op deze hoofdregel. Hierin is bepaald dat de volgende groepen van
personen een aanvraag moeten indienen bij het college:
- personen die in een
inrichting verblijven;
- personen zonder adres; en
- personen van 65 jaar
of ouder.
rblz.|24|
In
dit onderdeel wordt
deze uitzondering gewijzigd. Indiening bij het college geldt dan nog
slechts voor de volgende twee groepen:
- personen jonger dan
65 jaar die in een inrichting verblijven; en
- personen jonger dan
65 jaar zonder adres.
Reden voor deze
wijziging is dat in de nieuwe voorgestelde paragraaf over de verlening van
bijstand door de SVB is bepaald dat een aanvraag voor bijstand voor
personen van 65 jaar of ouder, ongeacht of ze in een inrichting verblijven of
geen adres hebben, hun aanvraag moeten indienen bij de SVB (zie
het voorgestelde artikel 47d, tweede lid).
Onderdeel E (paragraaf 5.4)
In dit onderdeel wordt
een nieuwe paragraaf in de Wwb geïntroduceerd. Deze paragraaf bevat
artikelen over de uitvoering van de verlening van algemene bijstand door
de SVB in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening
ouderen met toepassing van de bepaling [lees: bepalingen, red.]
van de Wwb.
Deze paragraaf is
noodzakelijk om de toepassing van een aantal artikelen uit de Wwb voor de SVB
duidelijk te maken. Daartoe wordt in deze paragraaf bepaald dat de algemene
artikelen over de toepassing van de Wwb van toepassing zijn,
tenzij in deze paragraaf anders is bepaald. Bij een aantal onderwerpen op
Wwb-terrein gelden bijzondere bepalingen, die in deze paragraaf zijn
opgenomen waarbij bepaald is in welke mate de artikelen van de Wwb van
toepassing zijn dan wel niet van toepassing zijn. Met deze aparte
SVB-paragraaf is het mogelijk aan te geven hoe de artikelen in de Wwb
die over "het college" gaan, gelden voor de SVB. Indien het wenselijk is dat
deze artikelen ook gelden voor de SVB, moet dat expliciet geregeld worden. Dit
gebeurt ook in deze paragraaf.
Artikel 47a.
Taak Sociale
verzekeringsbank
In het eerste lid wordt
de nieuwe taak van de SVB beschreven. Uit de aanhef blijkt dat het
alleen gaat om de verlening van algemene bijstand, die daarmee de vorm
krijgt van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen en dus niet
om verlening van bijzondere bijstand. Uit de onderdelen a en
b van
het eerste lid blijkt aan welke groepen personen die algemene bijstand door
de SVB wordt verleend. Ten eerste gaat het om alleenstaanden en alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder (onderdeel
a). Daarnaast gaat het
om gehuwden van wie beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn dan wel van
wie één van beide echtgenoten 65 jaar of ouder is (onderdeel b). Indien
het een echtpaar betreft waarvan één van de echtgenoten jonger is dan 65 jaar,
is de SVB verantwoordelijk voor het verlenen van algemene bijstand
aan de echtgenoot van 65 jaar of ouder. Daarnaast kunnen er in verband met
de bijstandsverplichting re-integratieverplichtingen gelden voor de jongere
echtgenoot. De verantwoordelijkheid hiervoor en het aanbieden van
eventuele voorzieningen voor die echtgenoot blijft bij het college
berusten. De voorwaarde dat het moet gaan om personen die "hier te
lande in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat
zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van
het bestaan te voorzien" is rechtstreeks overgenomen van artikel
7, eerste
lid, onderdeel b, van de Wwb, waarin de verantwoordelijkheid van
het college voor de verlening van bijstand is vastgelegd.
In het tweede lid is
bepaald welke bepalingen van de Wwb van toepassing zijn bij de uitvoering
van de taak. Dit geldt voor zover in deze paragraaf dit overigens niet
anders is bepaald.
Het verlenen van
algemene bijstand aan 65-plussers door de SVB
betreft een taak van de SVB in
de zin van artikel 34, eerste lid, onderdeel d, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De rblz.|25|
uitvoering van deze taak
door de SVB valt dus onder de werkingssfeer van hoofdstuk 8 van de
Wet SUWI, dat financiële bepalingen en bepalingen met betrekking tot de
planning en verslaglegging bevat. In verband met het verlenen van
algemene bijstand aan 65-plussers door de SVB hoeven in de Wwb
dus geen
afzonderlijke bepalingen opgenomen te worden met betrekking tot de
uitvoeringskosten, het jaarplan, de voorafgaande instemming van
besluiten, het jaarverslag en de jaarrekening. De artikelen 45 tot en
met 50 van de Wet SUWI, die in voormeld
hoofdstuk 8 zijn opgenomen, behoeven evenmin
aanpassing. Wel moeten de wijze waarop en de voorwaarden waaronder
de aan de SVB toegekende rijksbijdrage ten behoeve van de
uitvoering van de Wwb wordt verstrekt nader worden geregeld. Daartoe is in
hoofdstuk 8 van de Wet SUWI een bijzondere bepaling
ingevoegd (zie
artikel III).
Artikel 47b.
Invulling
toepassing artikelen voor Sociale verzekeringsbank
Artikel 47b geeft aan in
bepaalde artikelen van de Wwb in plaats van
"het
college" "de SVB"
gelezen moet worden. Dit betreft de artikelen die daarmee direct ook
gelden voor de bijstandverlening door de SVB.
Artikel 47c.
Toepassing
afstemming door Sociale verzekeringsbank
Artikel 47c regelt voor
de SVB wat artikel 18
Wwb voor het college regelt. Artikel
47c is echter
toegespitst op de uitvoering door de SVB. Het eerste lid komt volledig
overeen met het eerste lid van artikel 18. Hierin is bepaald dat de bijstand
moet worden afgestemd op de specifieke situatie van de belanghebbende,
waardoor maatwerk kan worden geleverd. Onder belanghebbende wordt
hier ook het gezin verstaan (zie het vijfde lid).
In het tweede lid wordt
geregeld dat de SVB de bijstand verlaagt ingeval de belanghebbende
bepaalde verplichtingen niet nakomt of indien hij naar het oordeel van de
SVB onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef toont. Dit geldt niet
indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
De SVB heeft deze
bevoegdheid ook bij dergelijke gedragingen van een belanghebbende die
jonger is dan 65 jaar die tot het gezin van de persoon van 65 jaar of ouder
behoort. De SVB kan echter niet beoordelen of deze voldoet aan de voor hem
geldende verplichtingen, zoals het naar vermogen accepteren van
algemeen aanvaarde arbeid en het gebruik maken van
re-integratievoorzieningen en inburgeringsvoorzieningen. Daarom is in het derde lid
bepaald
dat het college de SVB ervan in kennis stelt als het een gegrond
vermoeden heeft dat die belanghebbende niet aan die verplichtingen voldoet.
In het zesde lid is geregeld dat indien de SVB dit
artikel toepast naar aanleiding van een melding als bedoeld in het derde
lid, het college daarvan onmiddellijk in kennis wordt gesteld.
Met betrekking tot de
wijze waarop invulling wordt gegeven aan de bevoegdheid de algemene
bijstand te verlagen, zal de SVB beleidsregels opstellen over de wijze
waarop die bevoegdheid wordt toegepast, waarbij zoveel mogelijk zal
worden aangesloten bij hetgeen in de gemeentelijke praktijk gebruikelijk
is. Het vierde lid bepaalt dat de SVB uiterlijk drie maanden na het opleggen
van een besluit om de algemene bijstand te verlagen, beoordeelt of
er aanleiding is om dat besluit te herzien.
Artikel 47d.
Specifieke
bepalingen voor uitvoering door de Sociale verzekeringsbank
Dit artikel geeft
invulling aan een aantal bepalingen van de Wwb
specifiek voor de uitvoering door
de SVB.
In het eerste lid van
artikel 47d worden twee artikelen genoemd die niet van toepassing dienen te
zijn bij bijstandverlening door de SVB omdat ze overbodig zijn. Het gaat
hierbij ten eerste om artikel 40, eerste lid, van de
rblz.|26|
Wwb. Hierin is geregeld
dat recht op bijstand bestaat tegenover het college van de gemeente
waar de belanghebbende woont. Indien de bijstandverlening
echter tot taak van de SVB behoort, bestaat het recht niet meer tegenover het
college waar de belanghebbende woont, maar tegenover de SVB. Dit
laatste hoeft niet expliciet bepaald te worden omdat dat al voortvloeit
uit artikel 47a, eerste lid. Daarnaast wordt
artikel 62c van de Wwb
buiten
toepassing verklaard. Hierin is geregeld dat de tenuitvoerlegging van
een rechterlijke uitspraak omtrent verhaal van bijstand bij verhuizing
overgaat op de gemeente waar degene op wie verhaald wordt, gaat
wonen. Dit probleem speelt niet als de SVB het verhaal van bijstand op
grond van rechtelijke uitspraak ten uitvoer legt.
In
het tweede en derde
lid wordt aangegeven hoe bepalingen uit de Wwb van toepassing zouden
zijn op bijstandverlening door de SVB.
In het tweede lid staat
dat de aanvraag om bijstand moet worden ingediend bij de SVB. In het derde
lid wordt aangegeven wanneer een belanghebbende zich gemeld heeft. Deze
melding is van belang voor de toekenning van de algemene bijstand
als aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen.
Artikel 47e.
Gegevensverstrekkingen aan en door de Sociale verzekeringsbank
Artikel 47e verklaart de
artikelen 64 en 67 van overeenkomstige toepassing op de SVB. Het gaat
daarbij om de inlichtingenverplichting aan en door de SVB in het kader
van de uitvoering van de Wwb door de SVB. Met deze bepaling geldt
de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen ten opzichte van de SVB
in dezelfde mate als ten opzichte van het college indien dat
noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wwb. Daarnaast is voor de onderlinge
gegevensuitwisseling in het SUWI-domein tussen de gemeenten, het
UWV
en de SVB onder andere voor de uitvoering van de Wwb de algemene bepaling van
artikel 62 Wet
SUWI van belang. In dat
artikel komt ook de
samenwerking bij de gegevensverwerking binnen het SUWI-domein tot uitdrukking door middel van de elektronische voorzieningen,
ook wel aangeduid als Suwinet, en waartoe ook behoort de inrichting van het digitaal klantdossier. De gegevensuitwisseling binnen het
SUWI-domein wordt dan
ook in eerste instantie beheerst door dit algemene artikel in de Wet
SUWI.
Voor de dienstverlening ten behoeve van gegevensverwerking door
gemeenten heeft het Inlichtingenbureau een functie. In de praktijk
zullen de gegevensuitwisselingen met de gemeenten dan ook via het
Inlichtingenbureau verlopen, zoals ook in artikel 64 en
67 van de Wwb is geregeld.
Niet alle gegevensverstrekkingen die in artikel 64 en
67 van de Wwb worden genoemd, betreffen een directe relatie met de gemeenten. Vandaar
dat de genoemde bepalingen van de Wwb van overeenkomstige
toepassing zijn verklaard in dit artikel.
Onderdelen F en
G (artikelen 63 en
64)
Artikel 63 gaat over de
verplichting van een werkgever om inlichtingen te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wwb. Met de voorgestelde toevoeging
wordt verduidelijkt dat het hierbij moet gaan om inlichtingen die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Wwb door het college. Dit omdat naast
het college ook de SVB in bepaalde gevallen over de uitvoering van de
Wwb gaat. Het is niet de bedoeling dat werkgevers aan het college
informatie verstrekken die de SVB nodig heeft voor de uitvoering van de
Wwb.
In dat geval dienen werkgevers deze informatie aan de SVB te
verstrekken. Dit laatste is geregeld door artikel 63 op te nemen in de opsomming
van artikel 47b (zie ook de toelichting op artikel 47b).
Artikel 64 gaat over de
verplichting van instanties om inlichtingen te verstrekken aan het
college die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de rblz.|27|
Wwb. Voor de toepassing
van artikel 64 voor de gegevensverstrekking aan de SVB is in
artikel
47e een aparte bepaling opgenomen waarbij artikel 64 van overeenkomstige toepassing is verklaard.
Onderdeel H (artikelen 78i,
78j,
78k, 78l en 78m)
Onderdeel H bevat
overgangsbepalingen.
Artikel 78i
regelt dat
besluiten over de verlening van algemene bijstand van de gemeenten met
ingang van de inwerkingtreding van deze wet gelden als besluiten van
de SVB. Dit geldt ook voor rechtshandelingen in verband met verhaal van
de kosten van deze bijstandverlening aan personen van 65 jaar of
ouder met toepassing van paragraaf 6.5 van de
Wwb (artikel 78i, tweede
lid). Dit betekent dat de SVB ook kan beslissen ten aanzien van
omstandigheden die betrekking hebben op de periode vóór de overgang. Indien
een besluit tot herziening betekent dat bijstand wordt teruggevorderd
over een periode vóór de overgang, zal er tussen de SVB en het
desbetreffende college nadere afstemming plaatsvinden over de verrekening van
de gelden die op grond van de tenuitvoerlegging van het
terugvorderingsbesluit worden geïnd.
De artikelen 78j en 78k
regelen in welke gevallen rechtshandelingen die in gang zijn gezet vóór
inwerkingtreding van deze wet in verband met het verlenen van algemene
bijstand aan de personen die 65 of ouder zijn onder de
verantwoordelijkheid blijven van de gemeenten dan wel overgaan naar de
SVB.
In het algemeen geldt
dat de gemeenten hun bevoegdheid behouden met betrekking tot zaken die
in gang zijn gezet vóór de inwerkingtreding van deze wet en geen directe
relatie hebben met besluiten tot het verstrekken van algemene bijstand
die overgaan naar de SVB. Zo blijft de gemeente bevoegd nog niet
volledig geïnde vorderingen in verband met terugvordering of verhaal te innen
(artikel 78j). Met betrekking tot de terugvorderingen in de situatie
dat de
SVB tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de Wwb
ten
aanzien van 65-plussers in mandaat uitvoert, geldt dat over de afwikkeling
van de terugvorderingen die zijn ingesteld tijdens de mandaatperiode
afspraken zullen worden gemaakt tussen SVB en gemeenten.
Terugvorderingen die zijn ingesteld vóór de mandaatperiode, ook al lopen ze door in
de mandaatperiode, zijn en blijven de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
Ten aanzien van
krediethypotheken is het volgende bepaald. Uitkeringen die nog in de vorm van
een lening worden verstrekt en waarbij als dekking een hypotheek is
gevestigd, gaan over op de SVB. De SVB treedt dan in de rechten van de
colleges (artikel 78k). De hypotheekakte wordt dan op naam van de SVB
gesteld in de registers. Daarvoor bevat artikel 78k
ook bepalingen,
zodat niet per geval aktes hoeven te worden opgemaakt.
Ingeval de bijstand
inmiddels niet meer in de vorm van een lening wordt verstrekt bij de
overgang van de uitkeringverstrekking naar de SVB, blijft de gemeente
bevoegd bij
verkoop van de woning via de gevestigde krediethypotheek de
vordering op grond van de lening te innen. Hierop heeft artikel 78j,
tweede lid betrekking.
Het uitgangspunt dat de gemeente nog beslist over besluiten die genomen zijn
vóór de
datum van de overgang naar de SVB geldt ook ten aanzien van besluiten
waartegen bezwaar is ingediend of nog kan worden ingediend (artikel
78l).
Hiervoor is gekozen omdat in de bezwaarfase nog sprake is van een gehele
heroverweging en het college zelf nog eens kan bepalen of de juiste
besluiten zijn genomen, waarvoor zij immers ook nog financieel verantwoordelijk is. In de fase van beroep en hoger beroep is
het ook nog van belang
dat het college betrokken blijft bij de besluiten die rblz.|28|
betrekking hebben op de
periode vóór de overgang. Hierop heeft het tweede lid van artikel 78l
betrekking.
Dit neemt niet weg dat
de SVB wel in de plaats van het college kan treden bij nog na de overgang
naar de SVB doorlopende bestuursrechtelijke gedingen indien de SVB
al wegens de mandaatverlening vóór de datum van de overgang naar de
SVB namens de colleges optreedt in de nog lopende bestuursrechtelijke gedingen
(artikel
78l, derde lid).
In artikel 78m wordt
voorzien in een overgangsbepaling voor bijstandsgerechtigden die op grond van
artikel
11 van de Wwb recht hebben op een bijstandsuitkering
en voor wie de gelijkstelling van meerderjarige stief- of voormalige
pleegkinderen aan eigen kinderen een verslechtering ten opzichte van de
huidige situatie zou kunnen betekenen. Een soortgelijke overgangsbepaling wordt
opgenomen in de AOW
(artikel II, onderdeel D), de Toeslagenwet
(artikel V, onderdeel B), de Ioaz
(artikel IX, onderdeel C), de
Ioaw
(artikel X, onderdeel C) en de Wwik
(artikel XIII, onderdeel C).
Artikel
II
(wijziging
van de Algemene Ouderdomswet)
Onderdeel A (artikel
1)
In artikel 1, derde lid,
onderdeel a, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de
ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Daarop wordt alleen voor
bloedverwanten in de eerste graad (eigen kinderen) een uitzondering gemaakt. Omdat een meerderjarig voormalig
pleegkind die met zijn
ongehuwde voormalige pleegouder een gezamenlijke huishouding voert geen
eerstegraads bloedverwant is, wordt de ongehuwde voormalige
pleegouder in die situatie voor de toepassing van de AOW
als gehuwd of als
echtgenoot aangemerkt. De situatie dat iemand voor een pleeg- of
stiefkind zorgt dat op een gegeven moment meerderjarig wordt, is vergelijkbaar
met een natuurlijke ouder waarvan het kind meerderjarig wordt. De
gezinssituatie verandert niet wezenlijk door het meerderjarig worden van
het kind. Er blijft op dat moment in zekere zin sprake van een
pedagogische relatie en van een zekere afhankelijkheid die niet ervaren wordt als
een gezamenlijke relatie van twee gelijkwaardige partners. Om die reden
moeten voormalige aangehuwde of pleegkinderen beschouwd worden als
eigen kinderen. In het nieuwe achtste lid van artikel 1 worden
meerderjarige aangehuwde en voormalige pleegkinderen voor de toepassing van
de AOW gelijkgesteld aan eigen kinderen. Hiermee wordt in de AOW
het verschil in behandeling tussen met de ongehuwde voormalige
(pleeg)ouder samenwonende eigen kinderen en aangehuwd en
pleegkinderen opgeheven.
In de situatie dat
toeslag is verleend wegens het aanmerken van het pleegkind als jongere
partner van de pensioengerechtigde kan deze wijziging een achteruitgang
betekenen. Voor die omstandigheid is voorzien in overgangsrecht in
artikel 63a (onderdeel D).
Onderdeel B (artikel
38)
Hetgeen geregeld wordt
in dit nieuwe tweede lid van artikel 38 van de
AOW stond oorspronkelijk
in het Besluit vrijwillige verzekering AOW, AWW en AAW. Dit besluit
is met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken en vervangen door het Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001 en de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW en Anw. Per abuis is deze bepaling toen niet
overgenomen. Door deze wijziging van artikel 38 van de
AOW wordt die omissie
gerepareerd.
Door het voorgestelde
tweede lid wordt geregeld dat personen jonger dan 15 jaar die geëmigreerd
zijn en na hun 15de jaar weer in Nederland rblz.|29|
komen wonen, zich
vrijwillig kunnen verzekeren over de achterliggende periode. Zonder genoemde
bepaling zou deze categorie personen zich niet vrijwillig kunnen
verzekeren, aangezien het alleen mogelijk is om je over een achterliggende
periode vrijwillig te verzekeren als je nooit eerder verplicht verzekerd
bent
geweest en het alleen mogelijk is je naar de toekomst toe vrijwillig
te verzekeren wanneer je 15 jaar of ouder bent.
Onderdeel C (artikel
39)
Door wijziging van
artikel 39 van de AOW wordt geregeld dat het verzoek tot inkoop over
verstreken perioden uiterlijk tien jaar in plaats van vijf jaar na het begin van de
verplichte verzekering moet worden gedaan.
Onderdeel D (artikel 63a)
In artikel 63a wordt
voorzien in een overgangsbepaling voor AOW-gerechtigden die op grond van
artikel
8 van de AOW recht hebben op een toeslag en voor wie de
gelijkstelling van meerderjarige stief- of voormalige pleegkinderen aan eigen
kinderen een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie zou
kunnen betekenen. Een soortgelijke overgangsbepaling wordt opgenomen in de
Wwb (artikel I, onderdeel
H), de Toeslagenwet (artikel V, onderdeel
B), de Ioaz (artikel IX, onderdeel
C), de Ioaw (artikel X, onderdeel
C)
en de Wwik (artikel
XIII, onderdeel C).
Artikel
III
(wijziging
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)
Het nieuwe artikel 51
bepaalt dat de kosten van het verstrekken van algemene bijstand worden
bekostigd uit een rijksbijdrage. Deze rijksuitkering wordt op dezelfde wijze
bepaald als de uitkering op grond van artikel 69 van de
Wwb. De
verdeelmaatstaven werken ook voor de verdeling van het budget voor de
SVB.
Daarvoor kunnen op grond van de algemene maatregel van bestuur op
grond van het vierde lid nadere regels worden gesteld.
Daarnaast wordt een
aantal bepalingen opgenomen over de wijze waarop de SVB de uitgaven ten
laste van deze uitkering verantwoordt. Dit gebeurt op dezelfde wijze als de
andere uitgaven van de SVB. Daarom is dit artikel ook ingepast in het
hoofdstuk planning en verslaglegging van de Wet
SUWI. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven, neemt de SVB de raming
van de uitgaven ten laste van de rijksbijdrage op in de begroting en het
jaarplan en verantwoordt de SVB deze via de tussentijdse verslagen
en het jaarverslag. Wel is nog een aparte bepaling opgenomen over de wijze
van administreren van de uitgaven ten laste van deze taak van de SVB.
Dit dient afzonderlijk te gebeuren. Dit geldt overigens ook voor de uitvoering van de andere
socialeverzekeringswetten
door de SVB, die
gefinancierd worden uit fondsen. Omdat het hier over het budget gaat dat
vergelijkbaar is met dat voor de colleges van burgemeester en
wethouders op grond van de
Wwb, is er geen sprake van de vaststelling van de uitgaven zoals wel geldt
voor andere rijksgefinancierde regelingen. De kosten voor de algemene
bijstandsuitkeringen worden door de SVB ten laste van de uitkering
gebracht.
Artikelen IV tot en met
XIV
Al deze wijzigingen
hebben betrekking op het gelijkstellen van meerderjarige voormalige pleegkinderen
met bloedverwanten in de eerste graad (zie ook de toelichting
op de wijziging in artikel I, onderdeel A en B, en
artikel II, onderdeel A).
Daarbij wordt opgemerkt
dat in de Anw al sinds 1 juli 1998 een bepaling is opgenomen waarin
meerderjarige aangehuwde of voormalige rblz.|30|
pleegkinderen van de
nabestaande worden gelijkgesteld aan bloedverwanten in de eerste graad
(artikel 3, zevende lid). Omdat in artikel
5, eerste lid, van de wet
voor het recht op nabestaandenpensioen alleen pleegkinderen in de zin
van de Algemene Kinderbijslagwet als kind worden aangemerkt, geldt
bedoelde gelijkstelling echter niet voor voormalige pleegkinderen waarvoor
een pleegvergoeding op grond van de Wet
op de jeugdzorg werd
of wordt ontvangen. Daarom wordt aan artikel 3
een achtste lid toegevoegd waardoor bepaald wordt dat alleen voor het bepalen van het
bloedverwantschap in de eerste graad bij gelijkstelling van samenwonenden met
gehuwden als voormalig pleegkind ook een pleegkind wordt verstaan waarvoor een pleegvergoeding op grond van de
Wet op de jeugdzorg werd
of wordt ontvangen. De definitie in het achtste lid wijkt dus af van de
definitie in artikel 5, vierde lid.
Artikel
V
(wijziging van
de Toeslagenwet)
In artikel 44c wordt
voorzien in een overgangsbepaling voor toeslaggerechtigden die op grond van
artikel
2 van de TW recht hebben op een toeslag en voor wie de
gelijkstelling van meerderjarige stief- of voormalige pleegkinderen aan eigen
kinderen een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie zou
kunnen betekenen. Een soortgelijke overgangsbepaling wordt opgenomen in de
Wwb (artikel I, onderdeel
H), AOW
(artikel II, onderdeel D), de Ioaz
(artikel IX, onderdeel C), de
Ioaw (artikel X,
onderdeel C) en de Wwik
(artikel XIII, onderdeel C).
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
|