|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 417
Regeling
van tijdelijke bijdragen aan havenbedrijven voor herstructurering van de
arbeidsvoorziening in havens ter vervanging van
hoofdstuk V van de Werkloosheidswet
(Wet tijdelijke bijdrage herstructurering
arbeidsvoorziening havens)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De werking van de
havenbijdrageregeling |
| 3 |
De geschiedenis van
de bijdragen aan havenbedrijven |
| 4 |
De motieven voor
intrekking van de bijdrageregeling |
| 5 |
Overleg met de
sociale partners |
| 6 |
De inhoud van de
regeling |
| 7 |
Financiële
gevolgen |
|
xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m 12 |
Algemeen
1.
Inleiding
In
het voorliggende wetsvoorstel komt hoofdstuk V van de
Werkloosheidswet
(WW) te vervallen. Thans is in dat hoofdstuk ondergebracht de zogenaamde
bijdrageregeling havenarbeidsreserve. De bestaande ontvangers van
deze bijdragen, werkgevers die een arbeidspool in stand
hielden in bepaalde havengebieden, moeten worden geherstructureerd vanwege
de ingrijpende veranderingen die in het havenbedrijf hebben
plaatsgehad. De regering meent dat deze herstructurering, die bijdraagt aan
verbetering van de arbeidsvoorziening in de havens, met een
tijdelijke bijdrage moet worden ondersteund. Dit wetsvoorstel voorziet
daarin.
In dit algemene deel van
de toelichting wordt in paragraaf 2 een korte uiteenzetting over de
werking van de bestaande havenbijdrageregeling gegeven. In paragraaf 3
wordt ingegaan op de geschiedenis van de regeling. In paragraaf 4
wordt geschetst op grond van welke overwegingen is besloten tot
intrekking van deze havenbijdrageregeling. In paragraaf 5 komt het
overleg dat over intrekking is gevoerd met de sociale partners in de havens aan
de orde. In paragraaf 6 wordt de hoofdlijn van de tijdelijke
bijdrageregeling uiteengezet. In paragraaf 7 ten
slotte worden de geldelijke gevolgen
belicht.
2. De werking van de
havenbijdrageregeling
Op grond van artikel
69,
eerste lid, van de Werkloosheidswet (WW) kan de
minister werkgevers
die voor hun havenarbeiders een loongarantieregeling hebben getroffen,
aanwijzen voor een geldelijke bijdrage uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds (AWf). In het op grond van artikel
69, vijfde lid, van de WW
getroffen Besluit van 24 december 1986, Stcrt. 1986, 250, is een aantal eisen
opgenomen waaraan zo’n loongarantieregeling moet voldoen. Globaal
genomen komt het hierop neer dat over niet-gewerkte uren ten minste
het toepasselijke minimumloon moet worden betaald.
rblz.|2|
Op
grond hiervan zijn thans in zes havengebieden werkgevers
aangewezen als bijdragegerechtigde. Het volgende staatje laat zien om
welke havengebieden en om welke werkgevers het gaat.
Tabel
1. De werkgevers
die in aanmerking komen voor een bijdrage op grond van de
bijdrageregeling havenarbeidsreserve:
| Havengebied |
Aangewezen
werkgever |
Aanvullende
opmerkingen |
| Rotterdam: |
Stichting Samenwerkende
Havenbedrijven (SHB) |
In deze stichting
nemen diverse havenbedrijven deel |
|
Amsterdam: |
Stichting Samenwerkende
Havenbedrijven (SHB) |
In deze stichting
nemen diverse havenbedrijven deel |
| Delfzijl: |
Havenbedrijf
Delfzijl BV en Transit Center Eemshaven BV |
Deze werkgevers
zijn verenigd in de Stichting Eemsmond |
| Vlissingen: |
De NV Haven
van Vlissingen |
|
| Terneuzen: |
Aug. de Meijer
BV; Terneuzen Ovet BV |
Deze werkgevers
zijn verenigd in de Stichting Scheldemond |
| Zaandam: |
Stichting "Het
Centraal
Administratiebureau voor Zaandam en de IJmond" |
|
De bijdrage die deze
werkgevers ontvangen, omvat niet de volledige loonkosten die met het
aanhouden van een loongarantieregeling samenhangen. In artikel
70,
eerste lid, van de WW is bepaald dat
Onze Minister bepaalt over welke
kosten een bijdrage mogelijk is en welk deel van die kosten wordt
vergoed.
De systematiek voor de
berekening van het subsidiepercentage loopt sterk uiteen. Zo geldt voor
de in het havengebied Terneuzen aangewezenen een vergoeding van 45%,
genomen over - globaal gezegd - 80% van de relevante kosten. Voor de
aangewezenen in de havengebieden Rotterdam en Amsterdam geldt ter zake
een heel andere systematiek. Voor hen geldt dat het
vergoedingspercentage gerelateerd is aan de mate van improduktiviteit
en, zij het stapsgewijze, kan variëren van 0 tot 52% van de relevante
kosten. Voor de andere havengebieden gelden andere regelingen. Ten
slotte
is voor alle havengebieden het aantal personen ten aanzien van wie een
bijdrage in de leegloopkosten wordt verstrekt, gebonden aan een maximum.
Tot 1986 gold dit overigens niet voor de SHB-en van Amsterdam en
Rotterdam. Voor die havengebieden wordt sedertdien per kalenderjaar een
maximum vastgesteld. Voor de andere havengebieden gelden vaste maxima.
Met hantering van zulke maxima kan worden voorkomen dat ook voor
structureel overcompleet personeel in de havenarbeidsreserve een
bijdrage in de leegloopkosten wordt verstrekt. Immers, de
bijdrageregeling is bedoeld voor tijdelijk overcompleet door (korte)
dalen in het aanbod van lading.
3. De geschiedenis van
de bijdragen aan havenbedrijven
Het verdere verleden
De huidige
havenbijdrageregeling in hoofdstuk V
van de WW
heeft een lange
voorgeschiedenis. Al vanaf 1916 heeft de overheid bijgedragen in de
leegloopkosten van havenwerkgevers.
Er was sprake van
onvoorspelbare wisselingen in de goederenaanvoer. De
communicatiemogelijkheden, ook die tussen schip en haven, waren beperkt,
evenals overigens de navigatietechnieken. Bovendien speelde de wilde
vaart een duidelijke rol in de goederenaanvoer. Vertragingen door
externe factoren, bijvoorbeeld door mist, technische storingen op zee
of door havenstakingen in het buitenland, kwamen met grotere vertraging
ter kennis van de ontvangende haven. In dit licht kon van een
werkplanning niet of nauwelijks sprake zijn.
Voordat de overheid door
bijdrageverlening bij de gang van zaken in het havengebeuren werd
betrokken, konden havenwerkgevers als zij een schip te lossen hadden een
beroep doen op drie soorten personeel: hun eigen vaste personeel, het
los-vaste personeel en het losse personeel. Als er rblz.|3|
werk was, had
uiteraard het eigen personeel de voorkeur en kwamen de losse werknemers
op de laatste plaats. Van dag tot dag werd bekeken hoeveel personeel
nodig was. Regels voor de verdeling van de beschikbare arbeid onder het
losse en los-vaste personeel waren er niet. Van een recht op
inkomensbescherming was evenmin sprake. Bij werkloosheid was een beroep
op de armenzorg of op de kas van de vakbeweging nodig. Wanneer het in de
rest van het bedrijfsleven slecht ging, was er uiteraard een overschot
aan losse werknemers dat zich voor havenwerk aanbood.
De bedoeling van
steunverlening door de overheid was in eerste instantie de slechte
sociale omstandigheden van de vele losse havenarbeiders te bestrijden.
Van 1945 tot 1971 verleende het ministerie van Sociale Zaken een
bijdrage in de kosten van bestaanszekerheidsregelingen voor de
havenarbeidsreserve in een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam en
Amsterdam. Voorwaarde was wel dat voor de havenwerkers een loongarantie
bestond voor het geval geen werk voorhanden was.
In 1971 werd de
toenmalige bijdragegenietende werkgevers meegedeeld dat in het kader van
de noodzakelijke bezuiniging op overheidsuitgaven de bestaande,
rechtstreeks ten laste van de rijksbegroting komende, verstrekking van
bijdragen zou worden beëindigd. Vanaf 1973 zouden de havenwerkers bij
leegloop een beroep moeten doen op het wachtgeldfonds. Het ging bij
leegloop immers, zo luidde de redenering, om een vorm van tijdelijke
werkloosheid. Met de beëindiging van de verstrekking van bijdragen
zou ook de voorwaarde van volledige loondoorbetaling bij
improduktiviteit komen te vervallen. Deze voorstellen stuitten op heftig verzet
van de sociale partners. Uiteindelijk heeft, na een vijfjarige discussie over
de oude regeling, het parlement ingestemd met het regeringsvoorstel om
de huidige havenbijdrageregeling, gefinancierd en uitgevoerd door het AWf, in de
WW
op te nemen. Deze regeling is per 1 januari 1976 van kracht
geworden (Wet van 6 april 1977, Stb. 1977, 226).
De regering
beargumenteerde het handhaven van een bijdrageregeling voor havenwerkgevers
hoofdzakelijk vanuit de nadelige gevolgen van een tariefsverhoging die van
het wegvallen van de bijdrage het gevolg zou zijn. Reders zouden met
hun ladingpakketten naar andere havens uitwijken, wat ook voor
de werkgelegenheid in van de havenactiviteiten afhankelijke bedrijven
negatieve gevolgen zou hebben. De havenarbeidsreserves zouden worden opgeheven.
Immers zouden reservehavenwerkers bij werkloosheid een
beroep op de WW hebben moeten doen. Dit zou voor hen de
verplichting hebben meegebracht ander passend werk, desnoods
buiten de havens, te aanvaarden. Hierdoor zou de voor de havens zo
noodzakelijke deskundigheid kunnen weglekken. Voorts zou het vervallen
van inkomenszekerheid voor reservepersoneel de arbeidsrust in de
havens niet bevorderen.¹ Omdat toen nog het Rijk de helft van de lasten van
het AWf
voor zijn rekening nam, kwam ook de helft van deze bijdrage
ten laste van de schatkist. Hieraan kwam een einde toen met ingang
van 1 januari 1982 de rijksbijdrage aan het AWf
werd stopgezet.
1. Zie hieromtrent ook
Kamerstukken II 1975-1976, 14 005, nr. 3,
blz. 7 en 8.
Het recente verleden
Vanaf 1982 hebben zich,
met name in de havengebieden van Rotterdam en Amsterdam,
ontwikkelingen voorgedaan die voor de toepassing van de havenbijdrageregeling
gevolgen hebben gehad.
Het rapport van de
Nederlandse Herstructureringsmaatschappij
In 1983 bracht de
Nederlandse Herstructureringsmaatschappij (NEHEM) het "Struktuurverbeteringsplan
voor de conventionele stukgoedstuwadoorssector in de Nederlandse havens" uit. Door de ontwikkelingen
rblz.|4|
in het havenbedrijf was
een zeker structureel overcompleet aan havenwerkers ontstaan. Tegelijkertijd
diende er bij de oplossing hiervan te worden toegezien dat geen
erosie van deskundigheid in de havens zou optreden. Genoemd plan
voorzag in aanzetten voor een aanpak van dit probleem. Over dit plan
sloten de sociale partners deelakkoorden. Aan deze akkoorden was een
tijdelijk toenemend beroep op de bijdrageregeling inherent. De toenmalige
bewindslieden gingen, na advies van het bestuur van het AWf en van de Sociale Verzekeringsraad te hebben
ingewonnen, met de
afspraken akkoord. Zij wilden hiermee de sociale partners de gelegenheid
geven hun plannen ter oplossing van de werkgelegenheidsproblematiek
op te lossen. Beide akkoorden liepen op 1 juli 1985 af.
De "akkoorden-Lems en -Van der
Louw"
Na afloop van de
NEHEM-akkoorden bleek de werkgelegenheidsproblematiek in de Rotterdamse en
Amsterdamse havens nog niet te zijn opgelost. In verband
hiermee werd in 1986 voor Amsterdam het "akkoord-Lems" en voor Rotterdam
het "akkoord-Van der Louw" gesloten. Zij bevatten bepalingen over vervroegde uittreding, aannemingsbeleid
ten aanzien van leerlingen en dergelijke.
Zij bevatten ook de afspraak dat voor de contractperiode (1985 tot
en met 1990) alleen voor de zogenaamde "serviceleegloop" een
bijdrage op het tot dan toe gebruikelijke niveau zouden ontvangen. Onder
"serviceleegloop" werd verstaan de mate van leegloop die minimaal
nodig is om binnen de havens een goed serviceniveau te handhaven. Voor de
meerdere improduktiviteit - hier ging het in feite om improduktiviteit
wegens structureel overcompleet - voorzagen de akkoorden in vergoeding
tot 70% van de met de loongarantieregeling samenhangende loonkosten
over die improduktieve uren.
Hoewel de
bijdrageregeling havenarbeidsreserve niet is bedoeld voor structureel overcompleet,
stemden de toenmalige bewindslieden in met het overeengekomene. Men
wilde ook hier de sociale partners tegemoet komen in hun streven de
werkgelegenheidsproblematiek op te lossen.
4. De motieven voor
intrekking van de bijdrageregeling
De regering heeft zich na
de afloop van de hierboven in paragraaf 3 genoemde
"akkoorden-Lems
en -Van der Louw" nadrukkelijk de vraag gesteld of handhaving van
de bijdrageregeling havenarbeidsreserve gewenst is.
De regering is tot de
conclusie gekomen dat dit niet langer het geval is. Zowel door ontwikkelingen
op het terrein van de sociale verzekeringen als op dat van de
arbeidsomstandigheden en de arbeidsmarktregulering acht de regering de
oorspronkelijke motieven voor de regeling niet meer valide. In de eerste
plaats is hierbij van belang dat de regering wil komen tot een situatie waarbij
in het algemeen meer verantwoordelijkheden bij de sociale partners
worden gelegd. Hierop en op de sociale en economische aspecten wordt hierna
achtereenvolgens ingegaan.
Juiste verdeling van
verantwoordelijkheden
De opvang van pieken en
dalen in de produktie behoort tot de verantwoordelijkheid van individuele
bedrijven
of, zo men zich aaneensluit, tot de verantwoordelijkheid
van bedrijfsgenoten. De taak van de overheid is beperkt tot een algemeen
basisniveau aan ordening en bescherming. Slechts in zeer
bijzondere omstandigheden kan de overheid gedwongen zijn tijdelijke opvang
van specifieke problemen te bieden. Zoals hieronder wordt betoogd, zijn er
voor de bedrijfstak havens geen bijzondere sociale noch economische motieven
meer aanwezig om blijvende steun in de leegloopkosten te geven
vanuit de collectieve sector.
rblz.|5|
De sociale aspecten van
de bijdrageregeling
Zet men de vroegere
sociale omstandigheden van het losse havenpersoneel af tegen de huidige, dan
kan volgens de regering de conclusie slechts zijn dat het
nodige ten goede is veranderd. Zo is door de ontwikkeling van ons socialezekerheidsstelsel de inkomensonzekerheid bij werkloosheid in
belangrijke mate teruggedrongen. Mede door toegenomen overheidsbemoeienis,
gepaard aan verdergaande technische ontwikkelingen, is de
werktuigveiligheid aanzienlijk toegenomen en is de kwaliteit van de arbeid
in het algemeen en de kwaliteit van ordenende en sturende regelgeving
sterk verbeterd.
De economische aspecten
van de bijdrageregeling
Uit
paragraaf 3 blijkt
dat in het verleden ook economische motieven voor handhaving van de bijdrageregeling zijn gebruikt.
In dit verband moet thans
evenwel worden geconstateerd dat zich zowel in de verschijningsvorm
als in de laad- en lostechnieken de nodige ontwikkelingen hebben
voorgedaan. Containerisering, mechanisering en automatisering hebben
zich juist ook in de havens doorgezet. Hierbij komt nog dat ontwikkelingen op
het gebied van de communicatietechniek en navigatietechniek de
onvoorspelbaarheid van wisselingen in het ladingaanbod ten minste relatief hebben
doen afnemen. In zo’n situatie moet men zich volgens de
regering terdege afvragen of handhaving van de loonkostensubsidie, die
de bijdrageregeling in feite toch is, niet contraproduktief werkt.
Deze kan er immers toe
leiden dat de beschikbaarheid van arbeidskracht ten opzichte van het
beschikbaar zijnde werk te groot blijft of zich langzamer dan bij
afwezigheid van zo’n subsidie aan de hoeveelheid voorhanden werk aanpast.
Verder kan er in de sfeer van de loonvorming een vertekenende
uitstraling van uitgaan in die zin dat de loonvorming zich niet of langzamer
dan anders beweegt in de richting die voor de betreffende sector efficiënt is. Anders gezegd: economische
inefficiëntie door relatieve of
absolute overcapaciteit aan arbeidskracht kan het tariefdrukkend effect van
loonkostensubsidies verminderen of wegnemen. Dat in de stukgoedsector
overcapaciteit aan arbeidskracht geen onbekend verschijnsel is, moge met
name blijken uit de specifieke regelingen die voor Amsterdam en
Rotterdam hebben gegolden in de periode van 1983 tot en met 1990 (zie
hiervoor ook het slot van paragraaf 3).
Internationale aspecten
- Verdragen
Voor het beleid ten
aanzien van de havengebieden is in de eerste plaats van belang het ook door
Nederland bekrachtigde Verdrag van de Internationale
Arbeidsorganisatie (ILO) van 27 juni 1973 (Trb. 13 mei 1974, 70) over de sociale
gevolgen van nieuwe laad- en losmethoden in de havens. De meest
belangrijke bepalingen daarin zijn de volgende.
Artikel 2, eerste lid,
verklaart tot kwestie van nationaal beleid dat alle betrokkenen worden
aangemoedigd de havenarbeiders zoveel mogelijk een duurzame of
regelmatige arbeid te waarborgen. Het tweede lid stelt onder meer dat havenarbeiders
in ieder geval minimumtijdvakken van tewerkstelling of een minimuminkomen
moet worden gegarandeerd. In artikel 4, tweede lid, is bepaald
dat als personeelsreductie nodig is, al het nodige moet worden gedaan om de
gevolgen daarvan voor havenarbeiders zoveel mogelijk te
voorkomen of te verzachten. In artikel 7 staat dat in het uiterste geval door
nationale wetgeving het verdrag ten uitvoer moet worden gebracht.
Ook van 27 juni 1973
dateert aanbeveling 145 van de Algemene Conferentie van de ILO (Trb.
13 mei 1974, 70). Hier zijn met name de rblz.|6|
onderdelen A en B van die
aanbeveling van belang. In onderdeel A komt tot uiting dat zoveel
mogelijk gekomen moet worden tot garantie van duurzame of regelmatige
arbeid. Als die garantie niet kan worden gegeven, moeten, volgens
onderdeel B, afhankelijk van onder meer de economische situatie garanties worden gegeven over werk en/of inkomen.
Die garantie kan worden
gegeven door gegarandeerde minimumtewerkstelling, presentiegeld als er geen
werk is, een werkloosheidsuitkering of een combinatie van deze zaken. Als afvloeiing van havenwerkers
onvermijdelijk is, moeten
die werknemers, zo stelt artikel 10, geldelijk worden beschermd. Dit kan
door toelagen van de werkgever of door werkloosheidsuitkeringen.
- Regelingen in andere
Noordzeekuststaten
Bezien vanuit concurrentieoogpunt zijn Antwerpen en Hamburg voor de Nederlandse havens de
belangrijkste tegenspelers. Van deze is Antwerpen de
belangrijkste. De Belgische overheid draagt in de leegloopkosten van de havens bij door
middel van de reguliere werkloosheidsuitkering. Deze uitkering bedraagt
60% van het basisloon en wordt bij wijze van garantieloon
verstrekt. Daarnaast ontvangen specifieke groepen havenarbeiders bij
werktekort een minimale aanvulling van de werkgever (de zogenaamde "aanwezigheidsvergoeding").
In Hamburg worden bij
werktekort eveneens garantielonen betaald. Het niveau ervan ligt op
ongeveer 75% van het basisloon, behorend bij de vroege zaterdagdienst. De
kosten hiervan komen ten laste van het havenbedrijfsleven. De
financiering ervan gebeurt door opslag op de behandelde tonnage. Over
dit onderdeel van de internationale concurrentiepositie heeft de regering
geconcludeerd dat er geen achterstand is van de Nederlandse havens,
omdat buitenlandse havens systematisch aanzienlijke subsidies van hun overheden zouden ontvangen. Hiermee wil
tevens gezegd zijn dat
het argument dat intrekking van de bijdrageregeling de concurrentiepositie
van de havens geweld zou aandoen volgens de regering niet opgaat.
Aan de hierboven
aangeduide internationale aspecten kan de regering geen argument ontlenen de
bijdrageregeling te handhaven. Met ons socialeverzekeringsstelsel meent de regering ruimschoots te voldoen aan hetgeen
verdragsrechtelijk is vereist. Wel verschaft het ILO-verdrag van 1974 een grond om tot
een
finale, tijdelijke herstructureringsregeling van de havenbijdrage te
komen, zoals door de regering wordt voorgesteld.
Argumenten voor beëindiging van de bijdrageregeling
In hetgeen eerder in deze
paragraaf is opgemerkt, liggen de eerste argumenten voor beëindiging van de bijdrageregeling reeds besloten. Er zijn echter nog andere
argumenten die voor afschaffing pleiten. Het eerste is de beperkte
handhaafbaarheid van de regeling. Zo geldt dat aan subsidiëring in
verband met improduktiviteit een moeilijke verifieerbaarheid van relevante gegevens
inherent is. Zo is bijvoorbeeld de grens tussen structureel
overcompleet en improduktiviteit wegens wisselingen in het ladingaanbod lang
niet altijd goed zichtbaar.
Tegen deze achtergrond
mag niet onvermeld blijven dat ook in andere sectoren van het
bedrijfsleven onvoorzienbare wisselingen in de produktie zeker geen onbekend
verschijnsel zijn. Die sectoren kennen geen regelingen op grond
waarvan een deel van het ondernemersrisico - middels het AWf
- door
de rest van het bedrijfsleven wordt overgenomen.
Verder blijft de
economische ontwikkeling van onze havens een punt van nadrukkelijke
aandacht. Met name ook de voortdurende aandacht van de overheid voor
infrastructurele ontwikkeling rondom de havens moge daarvan blijk geven.
rblz.|7|
Al
het voorgaande afwegende meent de regering dat thans geen termen meer aanwezig zijn om de
bijdrageregeling te handhaven.
Raadpleging Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming (Tica)
Begin mei 1995, dat wil
zeggen na afronding van het overleg met de sociale partners in de
havens (zie hiervoor paragraaf 5), heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid het Tica gevraagd de voorgestelde regeling waar nodig van
technisch commentaar te voorzien.
Dit commentaar werd
genoemde minister op 31 mei 1995 aangeboden.¹ Waar nodig wordt in het
vervolg van deze toelichting naar dat commentaar verwezen of op dat
commentaar ingegaan.
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
Overige adviezen
Op 15 mei 1995 heeft de
Nationale Havenraad een spontaan advies uitgebracht over de
gevolgen van de regeling tot verlening van tijdelijke bijdragen in de
herstructureringskosten voor de havengebieden Vlissingen, Delfzijl,
Terneuzen en Zaanstad. Dit advies komt aan de orde in paragraaf 6 onder
"Ontbreken herstructurering in kleinere havens".
5. Overleg met de
sociale partners
Reeds in 1993 heeft de
vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in diverse gesprekken met
de sociale partners in de havens te kennen gegeven, op de in
paragraaf 4 aangeduide gronden, te willen komen tot beëindiging
van de havenbijdrageregeling.
Eind 1993 zette een
werkgroep, bestaande uit de sociale partners en ambtenaren van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de voor- en nadelen van
beëindiging op een rij. Op het punt van de zin van arbeidspools was de
werkgroep eensluidend in haar opvatting. Arbeidspools bieden een zinvolle
regulering van de arbeidsmarkt in de havens. Daarnaast blijft zo
vakbekwaamheid voor de havens behouden, waarvan positieve impulsen
uitgaan naar de arbeidsveiligheid. Voor wat betreft de financiering van arbeidspools liepen de meningen sterk uiteen. De sociale
partners meenden dat
financiering vanuit de collectieve sector geboden blijft in verband met
handhaving van de concurrentiepositie van de Nederlandse zeehavens.
Voorts meenden sommigen dat de deelneming aan betaalde en
kwalitatief goede arbeid en de bevordering van werkgelegenheid - kerntaken voor het
departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - een ondersteunende
taak ten aanzien van de havenpools inhoudt. De ambtenaren
daarentegen kenden meer gewicht toe aan de hernieuwde
verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners, waarbij de
overheid een basisniveau aan sturing en ordening aanbiedt.
Alles overwegende bood de
vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
sociale partners eind 1993 aan, de havenbijdrageregeling na 1994 te beëindigen,
met dien verstande dat voor 1995 tot en met 1999 voor de
aangewezen havenwerkgevers een bijdrage mogelijk zou blijven van 100, 75,
50 en 25% van de bijdrage over 1994. Partijen zouden 1994 dan kunnen
gebruiken om onderling te bezien hoe in de verschillende havens het
best op de beëindiging van de regeling zou kunnen worden ingespeeld.
Los van dit proces werden
voor de Rotterdamse havens al in 1993 plannen ontwikkeld om te
komen tot een commercieel zelfstandige draaiende havenpool. Eind
1994 sloten sociale partners in de Rotterdamse havens een akkoord dat
voorzag in een structureel via het wachtgeldfonds voor de havens
gefinancierde havenpool. Ook zou de havenpool de centrale instantie voor
de arbeidsvoorziening in dat havengebied worden.
rblz.|8|
In
het Amsterdamse havengebied zijn besprekingen gaande over de herstructurering van de
bestaande havenpool (SHB-Amsterdam). Eén van de voorstellen van
werkgeverszijde voorziet in een havenpool, verdeeld in twee subpools. De
eerste pool, groot 125 personen, moet voorzien in 80% van de behoefte aan
wisselend inzetbaar havenpersoneel. De tweede pool, groot circa 270
personen, moet voorzien in de rest van die behoefte. Van de overige
havengebieden werd niet vernomen van regelingen die op de beëindiging
van de
havenbijdrageregeling inspelen.
De Amsterdamse en
Rotterdamse plannen zijn eind 1994 en begin 1995 diverse malen onderwerp
van gesprek geweest tussen de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de sociale partners. In dat verband is ook het vraagstuk van
publieke financiering via het wachtgeldfonds versus meer private financiering van de havenpool onderwerp van
bespreking geweest in een
werkgroep van sociale partners en ambtenaren. Deze werkgroep bracht de minister een verdeeld advies uit. De sociale partners
voorzagen grote problemen met betrekking tot het draagvlak indien
fondsvorming langs private weg zou moeten plaatsvinden. De ambtenaren meenden
dat, vanuit de hernieuwde verantwoordelijkheidsverdeling
tussen overheid en sociale partners, publieke financiering van
havenpools via het wachtgeldfonds niet in de rede ligt. Ook de
Minister van Sociale en Werkgelegenheid was deze laatste mening toegedaan.
Zijn voorkeur gaat uit naar private financiering, eventueel ondersteund
door algemeenverbindendverklaring van ter zake door de sociale partners
gemaakte afspraken.
Op 14 maart 1995 heeft
een laatste overleg plaatsgehad met sociale partners uit de havens
van Rotterdam en Amsterdam. In die vergadering is overeenstemming
bereikt over de regeling zoals die thans in de vorm van een wetsvoorstel
voorligt. Het gezamenlijk persbericht, alsmede de bevestiging van de
hoofdlijnen van de inhoud van het akkoord, zijn als bijlage bij deze memorie
gevoegd.¹
1. Ter inzage gelegd bij
de afdeling Parlementaire Documentatie.
6. De inhoud van de
regeling
Het doel van het
voorliggend wetsvoorstel is tweeërlei.
In de eerste plaats wordt beoogd de havenbijdrageregeling, neergelegd in
hoofdstuk V
van de WW,
in te trekken.
In de tweede plaats wordt
beoogd om, in havengebieden waarin gekomen wordt tot
zelfstandig opererende havenpools, uiterlijk tot over 1999 een tijdelijke
bijdrage te leveren in de kosten van herstructurering, te betalen uit het Algemeen
Werkloosheidsfonds. Deze bijdrage wordt verstrekt op
declaratiebasis per kalenderjaar.
In het navolgende worden
de diverse elementen van deze herstructureringsbijdrageregeling toegelicht.
Het maximum dat aan
herstructureringsbijdrage kan worden ontvangen
De regeling voorziet erin
dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vaststelt op welke herstructureringsbijdrage in totaal in het
betreffende havengebied
maximaal recht bestaat over de periode van 1996 tot en met 1999.
Het ligt in de bedoeling
hierbij als maximum aan te houden viermaal het bedrag dat op grond van
de havenbijdrageregeling gemiddeld over 1993 en 1994 in dat
havengebied is uitgekeerd. Bovendien kan er door het betreffende havengebied
voor worden gekozen over 1995 geen bijdrage op grond van de havenbijdrageregeling te ontvangen, doch een herstructureringsbijdrage.
In dat geval zal voor de
maximale herstructureringsbijdrage over 1995 als
uitgangspunt worden aangehouden het bedrag dat op grond van de havenbijdrageregeling gemiddeld over 1993 en 1994 in
het havengebied is
uitgekeerd. Het opnemen van bovenbedoelde keuze moet begrepen worden
tegen de achtergrond van het feit dat herstructureringen rblz.|9|
in de havens reeds
in 1995 zouden kunnen worden ingezet. In het havengebied Rotterdam zal
ook daadwerkelijk in de loop van dit jaar reeds een nieuwe havenpool
gestalte krijgen. In zo’n geval worden dus in 1995 reeds kosten voor
herstructurering gemaakt. Met name wanneer die herstructureringskosten
hoger zouden zijn dan de bijdrage op grond van de huidige
bijdrageregeling over 1995, acht de regering het voor de hand liggend om ook voor deze
eerste kosten een herstructureringsbijdrage mogelijk te maken.
De bovenbedoelde maxima
gelden als uitgangspunt. Reeds nu echter wil de regering kenbaar
maken dat het voor het havengebied van Amsterdam die maxima
hoger wil vaststellen.
Hierbij spelen twee
factoren een rol.
In de eerste plaats doet
zich in de Amsterdamse havens het verschijnsel voor dat voor de meeste goederensoorten het ladingaanbod afneemt,
terwijl tegelijkertijd de
Amsterdamse havens de belangrijkste havens voor wat betreft cacaoaanvoer
blijven. De cacaoaanvoer wordt echter hierdoor gekenmerkt dat
die aanvoer slechts in een beperkt deel van het jaar plaatsvindt (oktober
tot en met maart) en bovendien die aanvoer in geringe mate gecontaineriseerd
is. Dit bijeen leidt ertoe dat in de Amsterdamse havens sprake is van hoge
leegloop in verhouding met de andere Nederlandse zeehavens.
In de tweede plaats is
het zo dat één van de grotere Amsterdamse havenbedrijven - Combined Terminals Amsterdam
- op het moment waarop dit wetsvoorstel
wordt ingediend in zeer ernstige moeilijkheden verkeert. Omdat dit
bedrijf één van grootste afnemers van de diensten van de Amsterdamse havenarbeidsreserve was, betekent dit voor die
arbeidsreserve dat daarin
een aanzienlijk structureel overcompleet zal ontstaan.
Hierdoor is naar het
oordeel van de regering ten opzichte van de andere Nederlandse zeehavens een
zodanig bijzondere situatie ontstaan dat de regering uitsluitend voor
herstructurering van arbeidsvoorziening in de Amsterdamse havens meer
geld wil uittrekken dan bovenbedoeld maximum. Dat maximum zou, genomen over de jaren 1995 tot en met
1999, voor de Amsterdamse
havens uitkomen op ongeveer ƒ15 miljoen. De regering zal
voor die periode echter een bedrag van ƒ24,1 miljoen voor herstructureringsbijdragen beschikbaar stellen. Deze
verhoging van ongeveer ƒ9
miljoen is gebaseerd op de extra kosten die men in de Amsterdamse
haven verwacht in verband met opleiding van havenpersoneel en
outplacement van overtollig havenpersoneel.
De verdeling van de
herstructureringsbijdragen over de jaren 1995 tot en met 1999
In
artikel 5 van het
wetsvoorstel is bepaald dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
per havengebied bepaalt hoe het voor het betreffende havengebied
geldende maximum aan herstructureringsbijdrage over de jaren 1995 tot en
met 1999 wordt verdeeld.
De regering meent dat bij
die verdeling rekening moet worden gehouden met twee
verschijnselen. In de eerste plaats zullen de meeste herstructureringskosten
worden gemaakt bij de aanvang van de herstructurering en in de eerste jaren
daarna. Bij de verdeling van de bijdragen over genoemde jaren dient hiermee rekening te worden gehouden. In de
tweede plaats moet ervoor
gewaakt worden dat het Algemeen Werkloosheidsfonds in de
eerste jaren van de overgangsperiode met te hoge bijdragelasten wordt geconfronteerd. Daarom zal bij de invulling van
genoemde verdeling als
uitgangspunt het volgende stramien worden gehanteerd:
- 1995, 1996 en 1997:
maximaal 160% van het gemiddelde bedrag over 1993 en 1994;
rblz.|10|
- 1998:
maximaal 20% van het gemiddelde bedrag over 1993 en 1994.
Uiteraard geldt hierbij
dat indien in een havengebied in 1995 geen herstructureringskosten
zijn gemaakt of indien die kosten wel zijn gemaakt, maar voor dat
gebied voor dat jaar is gekozen voor bijdrage op grond van de huidige
havenbijdrageregeling, het jaar 1995 in de verdeling niet zal worden
meegenomen. De verdeling wordt dan maximaal: 160% over 1996 en 1997 en 80%
over 1998.
De voorwaarden waaronder
een herstructureringsbijdrage kan worden ontvangen
De voorwaarden met
betrekking tot herstructurering
Een voorwaarde voor
herstructureringsbijdrage is dat de contouren van de herstructurering van
de arbeidsvoorziening in het betreffende havengebied op 1 januari
1996 zichtbaar moeten zijn. Er moet namelijk uiterlijk op die datum
een ten minste tot 1 januari 2000 geldende overeenkomst tussen de sociale
partners in dat havengebied bestaan waarin de arbeidsvoorziening aldaar
en de reservevorming voor de daar opererende havenpool zijn
vastgelegd. Bovendien zal de herstructurering moeten inhouden dat de havenpool
als aparte rechtspersoon vorm krijgt en dat een aparte rechtspersoon
bestaat waarbinnen de vorming en instandhouding van een reserve ten
behoeve van de havenpool plaatsvindt en aan wie de
herstructureringsbijdragen kunnen worden betaald.
Ter toelichting van deze
voorwaarden merkt de regering het volgende op. In paragraaf 5 is
reeds vermeld dat voor de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het
nut van havenpools niet ter discussie staat. De regering onderschrijft
dat standpunt. Met name bij de regulering van de arbeidsvoorziening in
havens waar een groot aantal bedrijven opereert, acht de regering de
havenpool een geschikt instrument. De regering meent hierbij voorts dat
een havenpool die regulerende functie voor het hele betreffende
havengebied het best kan vervullen als de havenpool een onafhankelijke positie
heeft ten opzichte van de andere havenwerkgevers. Uit de in paragraaf 2
opgenomen tabel 1 blijkt dat thans alleen in de havengebieden Amsterdam,
Rotterdam en Zaandam sprake is van een onafhankelijke positie
van de havenpool. In de andere havengebieden (Vlissingen, Terneuzen en
Delfzijl) vormt havenpool onderdeel van het totale personeelsbestand
van een havenwerkgever. Met de voorwaarde dat op 1 januari 1996 een
langdurige arbeidsvoorzienings- en reservevormingsovereenkomst moet bestaan, wil de
regering bevorderen dat alleen die havengebieden
collectieve middelen ontvangen waarin bedrijfstakgenoten
afspraken hebben gemaakt die een goed perspectief op een zelfstandig
functioneren bieden. Bij het tot stand brengen van zo’n overeenkomst dienen
partijen uiteraard rekening te houden met het mededingingsrecht. Tevens
zal rekening gehouden moeten worden met de gerechtvaardigde
belangen van derden.
Voor het havengebied van
Rotterdam geldt dat de havenpool vorm zal krijgen als
aandelenvennootschap. Het daartoe benodigde aandelenkapitaal kan uiteraard slechts
verkregen worden als uitzicht op dividend bestaat. Anderzijds moet
worden gesteld dat zolang uit de publieke middelen een
herstructureringsbijdrage wordt verschaft, geen dividenduitkering aan aandeelhouders plaats
dient te vinden. Eventueel gemaakte winsten moeten in die
visie in het vermogen van de vennootschap worden gehouden. Met de
voorwaarde dat in de jaren 1996 tot en met 1998 geen winstuitdeling
dient plaats te hebben, meent de regering een juiste afweging te hebben
gemaakt tussen de mogelijkheden tot het aantrekken van
aandelenkapitaal enerzijds en de belangen van de publieke sector anderzijds.
rblz.|11|
Voor
het welslagen van herstructureringen in de door de regering gewenste zin is het nodig
dat adequate reserves worden gevormd. In het wetsvoorstel is dit
daarom opgenomen als voorwaarde om voor een herstructureringsbijdrage
in aanmerking te komen. Vanuit de gedachte dat het hier in eerste
instantie een verantwoordelijkheid van de sociale partners in de havens
betreft, is de regering niet overgegaan tot gedetailleerde invulling van deze eis.
Toetsing aan deze voorwaarde dient door het Tica te worden
vormgegeven. In het technisch commentaar op het wetsvoorstel heeft het
Tica ter zake aangegeven dat het zich deze invulling aldus voorstelt dat als
het reservefonds financieel onvoldoende wordt gevoed om een
levensvatbare havenarbeidsreserve tot stand te brengen, en daarmee verlening van
herstructureringsbijdragen ondoelmatig is, het, in overleg met de
rechtspersoon die het reservefonds beheert, tot nadere invulling zal komen.
Deze benadering sluit
geheel aan bij hetgeen de regering zich voorstelt.
De voorwaarden met
betrekking tot de ontvanger van de herstructureringsbijdrage
De betaling van
herstructureringsbijdragen zal geschieden aan een voor een havengebied
afzonderlijk op te richten aparte rechtspersoon. Het bestuur van de
rechtspersoon zal paritair moeten zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van
werkgevers- en werknemerszijde en een onafhankelijk voorzitter
moeten hebben. Een andere voorwaarde is dat die rechtspersoon statutair
is belast met de vorming en instandhouding van de financiële reserve
ten behoeve van de arbeidspool en met het beheer en bestuur over de te
ontvangen herstructureringsbijdragen. Het bestuur van die rechtspersoon is
verantwoordelijk voor een rechtmatige en doelmatige besteding van
de aan hem toevertrouwde gelden.
Met deze voorwaarden
meent de regering twee doelstellingen te verwezenlijken. In de
eerste plaats gaat het bij de herstructureringsbijdragen, hoe tijdelijk van aard
deze ook zijn, om gemeenschapsgeld, dat op verantwoorde wijze
moet worden beheerd. Aan de andere kant
blijven sociale partners op deze wijze een wezenlijke, gezamenlijke, invloed
behouden op de arbeidsvoorziening in de haven.
De voorwaarden met
betrekking tot de te vergoeden kosten
De kosten waarvoor
herstructureringsbijdrage wordt verleend, zijn:
1. om- her- en
bijscholing van de op 1 januari 1995 bij de in dat jaar op grond van hoofdstuk V
van
de WW
als aangewezen geldende werkgever in dienst zijnde havenwerkers, die toen behoorden tot de bij die werkgever aanwezige
havenarbeidsreserve;
2. organisatieadvieskosten die in het kader van de herstructurering worden gemaakt en kosten
anderszins die met de omvorming van de organisatie samenhangen;
3. in het kader van de
herstructurering gemaakte kosten van outplacement voor
havenarbeiders die laatstelijk vóór de herstructurering behoorden tot de
havenarbeidsreserve van een werkgever die in 1995 gold als aangewezen
werkgever op grond van hoofdstuk V
van de WW
en voor havenarbeiders in
dienst van de havenpool;
4. kosten van tijdelijke improduktiviteit.
Ter
toelichting zij
hierbij het volgende opgemerkt.
Met name in de
Rotterdamse haven wordt thans toegewerkt naar zelfstandig opererende
havenpools die bovendien kunnen bestaan van de opbrengsten van de door
hen geleverde diensten. Bij de ontwikkeling van hun plannen voor de
havens van Rotterdam hebben de sociale partners zich er rekenschap van
gegeven dat omvorming van de havenpool tot commercieel zelfstandig
bedrijf ook voor de bij de pool werkzame havenarbeiders de nodige
aanpassingen met zich brengt. Zo zal meer nog rblz.|12|
dan nu sprake moeten zijn
van multifunctionele inzetbaarheid. Meer nog dan nu zal ook sprake
moeten zijn van servicegevoelig en klantgericht werken. Hiertoe is om-
her- en bijscholing nodig. Daarom zijn de daaraan verbonden kosten
subsidiabel gemaakt.
Herstructurering betekent
veelal ook dat advieskosten zijn gemaakt. Voorts brengt de
omvorming van de organisatie vaak kosten anderszins met zich, zoals kosten
voor herhuisvesting en herinrichting van kantoren en eventueel opslag. Ook
die kosten zijn daarom subsidiabel gemaakt.
Herstructureringen
brengen daarnaast ook vaak de noodzaak met zich aanpassingen in het
personeelsbestand door te voeren. Ook bij de herstructurering van de
arbeidsvoorziening in de havens zal dat nodig kunnen zijn. Aan het slot
van paragraaf 3 heb ik erop gewezen dat structurele
overcompleetheid van personeel in de havens geen onbekend verschijnsel is. Zeker
waar gewerkt wordt naar commerciële zelfstandigheid van de havenpool dient
structurele overcompleetheid uiteraard te worden vermeden. In dat
kader zouden de sociale partners kunnen komen tot het ontwikkelen van
outplacementregelingen. Omdat dergelijke regelingen gericht zijn
op het in het arbeidsproces houden van werknemers en daarmee
een beroep op de WW
kan worden voorkomen, acht de regering het redelijk ook de kosten voor zulke regelingen subsidiabel te maken. Als
uitdrukkelijke voorwaarde is hieraan verbonden dat het niet kan
betreffen toeslagen die op een gehele of gedeeltelijke WW-uitkering worden
verstrekt.
Voor wat de kosten van
tijdelijke leegloop betreft, merk ik ten slotte het volgende op.
Herstructurering is vaak slechts een eerste stap op weg naar het einddoel. Dat geldt
ook voor herstructureringen in de havens en met name ook voor de plannen
ter zake voor de Amsterdamse en Rotterdamse havens. Na de
herstructurering is het zaak verder te werken aan het einddoel van zelfstandig
en bedrijfseconomisch optimaal functionerende pools. Dat betekent dat
na herstructurering enkele jaren sprake zal zijn van een benedenoptimaal
niveau van leegloop. Binnen het geheel van de hier gedane voorstellen acht
de regering het redelijk om ook voor de kosten voor tijdelijke leegloop
een herstructureringsbijdrage mogelijk te maken.
Controle en toezicht
Binnen dit wettelijk
kader verleent het Tica de bijdragen. Het Tica controleert daarbij of
aan de voorwaarden van deze wet is voldaan. Het
College van toezicht
sociale verzekeringen (Ctsv) houdt toezicht op de uitvoering van deze wet
door het Tica. Het Ctsv houdt dus geen toezicht op de wetsuitvoering door
de beherende rechtspersonen in de onderscheiden havens, zoals het Tica in
zijn technisch commentaar terecht opmerkt.
Ontbreken
herstructurering in kleinere havens
Hierboven is weergegeven
welke modellering van de arbeidsvoorziening in de havens de regering
het liefst gerealiseerd zou zien. Het Tica wees er in het op
31 mei 1995 uitgebrachte technische commentaar al op dat
herstructurering van de arbeidsvoorziening in kleinere havens van die havens relatief
grote financiële inspanningen zal kunnen vergen. De Nationale Havenraad
wees in zijn spontane advies van 15 mei 1995 erop dat de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de
herstructureringskosten niet zonder meer op de kleinere havens kunnen worden toegepast.
Met verwijzing naar het in paragraaf 5 weergegeven
afbouwvoorstel dat de vorige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in
zijn overleg met de sociale partners in de havens deed, verzocht genoemde
raad te komen tot een aparte afbouwregeling voor de kleinere havens.
In verband hiermee heeft
de regering overwogen dat ook de kleinere rblz.|13|
havens geconfronteerd
worden met de wens de havenbijdrageregeling te beëindigen. Dit brengt
ook voor die havens hoe dan ook de noodzaak met zich te komen tot een
andere wijze van financiering van de havenarbeidsreserve.
Onverkort vasthouden aan
de door de regering voorgestane modellering per 1 januari 1996
betekent dat havens waarvoor herstructurering op dit moment nog een te
zware belasting zou zijn of waarbinnen herstructurering op 1
januari 1996 nog niet voldoende vorm heeft gekregen, het vanaf die
datum geheel zonder bijdragen uit het AWf
moeten stellen. Dit acht
de regering niet redelijk. De regering heeft daarom besloten voor die
havengebieden waarin op 1 januari 1996 geen herstructurering is
gerealiseerd toch te voorzien in een geleidelijke afbouw van de thans
bestaande havenbijdrageregeling. Deze afbouw zal worden ingevuld op basis
van het in paragraaf 5 weergegeven afbouwvoorstel dat de vorige Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn overleg met de
sociale partners in de havens deed. In concreto zal de afbouwregeling inhouden
dat aan die havens over 1996 tot en met 1998 een bijdrage wordt
verstrekt van 75, 50 en vervolgens 25% van de gemiddeld over 1993 en
1994 door de betreffende haven ontvangen bijdrage. Over 1995
zullen deze havens uiteraard de reguliere bijdrage op grond van de
havenbijdrageregeling ontvangen.
7.
Financiële
gevolgen
In de hiernavolgende
tabel zijn de financiële gevolgen van
het onderhavige wetsvoorstel weergegeven.
Tabel 2. De financiële
gevolgen van de regeling van herstructureringsbijdragen (x ƒ1 miljoen):
| |
Exploitatiejaren |
Totaal
t/m 1999 |
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999
e.v. |
| Overgangsrecht: |
| SHB Rotterdam |
12,6xx |
12,6xx |
12,6xx |
1,7xx |
0,0xx |
39,5xx |
| SHB Amsterdam |
7,7xx |
7,7xx |
7,7xx |
1,0xx |
0,0xx |
24,1xx |
| Overige havengebieden |
1,1xx |
0,8xx |
0,6xx |
0,3xx |
0,0xx |
2,8xx |
| Totaal |
21,4xx |
21,1xx |
20,9xx |
3,0xx |
0,0xx |
66,4xx |
| Ongewijzigd beleid: |
| SHB Rotterdam |
7,9xx |
7,9xx |
7,9xx |
7,9xx |
7,9xx |
39,5xx |
| SHB Amsterdam |
6,3xx |
6,3xx |
6,6xx |
7,1xx |
7,6xx |
33,9xx |
| Overige havengebieden |
1,1xx |
1,1xx |
1,1xx |
1,1xx |
1,1xx |
5,5xx |
| Totaal |
15,3xx |
15,3xx |
15,6xx |
16,1xx |
16,6xx |
78,9xx |
| Verschillen (– =
besparing): |
| SHB Rotterdam |
4,7xx |
4,7xx |
4,7xx |
–6,2xx |
–7,9xx |
0,0xx |
| SHB Amsterdam |
1,4xx |
1,4xx |
1,1xx |
–6,1xx |
–7,6xx |
–9,8xx |
| Overige havengebieden |
0,0xx |
–0,3xx |
–0,5xx |
–0,8xx |
–1,1xx |
–2,7xx |
| Totaal |
6,1xx |
5,8xx |
5,3xx |
–13,1xx |
–16,6xx |
–12,5xx |
Uit deze tabel blijkt het
volgende.
Op basis van ongewijzigd
beleid, dat wil zeggen als de huidige havenbijdrageregeling zou
worden voortgezet, zou dat in de jaren tot en met 1999 ongeveer ƒ79 miljoen
gaan kosten. Hierbij is rekening gehouden met de
afzetverwachtingen die sociale partners hebben ten aanzien van het
havengebied van Amsterdam.
rblz.|14|
Bij
gewijzigd beleid komen de kosten maximaal op ƒ66,4 miljoen te liggen. Dit zijn
maximumkosten omdat, zoals in paragraaf 6 al is aangegeven, bij de
verlening van herstructureringsbijdragen maxima zullen gelden. Hierbij is
ervan uitgegaan dat de kleinere havens (in tabel 2 aangeduid
als overige
havengebieden) alle gebruik zullen maken van de in paragraaf 6 onder
"Ontbreken herstructurering in kleinere havens" beschreven
afbouwregeling.
Bij deze opstelling is
rekening gehouden met het in paragraaf 6 aangegeven stramien voor
verdeling van de herstructureringsbijdragen en de uitwerking van de
afbouwregeling over de jaren 1995 tot en met 1999.
Artikelsgewijs
Artikel 1
De havenpool is een
afzonderlijke rechtspersoon die de arbeidspool in stand houdt in een
bepaald havengebied. In deze arbeidspool zitten werknemers die ingezet
kunnen worden bij ondernemingen in dat havengebied. De
werkgevers in dat havengebied die de arbeidskrachten afnemen, voorzien de
havenpool van het benodigde risicokapitaal.
De partijen zijn in de
praktijk de partijen van de collectieve arbeidsovereenkomsten die in een havengebied
gelden.
Artikel 2
Het moet het Tijdelijk
instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) duidelijk zijn aan welke
instantie de bijdrage verstrekt kan worden en met het oog op welke
activiteiten. Uit het tweede lid blijkt dat voor de bijdrage in aanmerking komen
rechtspersonen die zijn opgericht in verband met de omvorming van de
werkgever die op grond van hoofdstuk V
van de WW
een havenbijdrage
ontving tot een havenpool. Deze werkgevers zijn in het algemene deel van
de toelichting beschreven. Indien er geen sprake is van herstructurering
en omvorming tot een havenpool, geldt deze tijdelijke
bijdrageregeling niet. De bijdragen worden verstrekt aan de
rechtspersoon die wordt
opgericht met het doel de ontvangen herstructureringsbijdragen
te beheren en daartoe een reservefonds te vormen. Het is duidelijk
dat dit doel uit de statuten van de beherende rechtspersoon moet
blijken. In artikel 4 wordt nader aangegeven voor de kosten van welke
activiteiten de bijdrage is bedoeld. De bijdragen op grond van dit hoofdstuk
zijn te beschouwen als subsidies in de zin van de nieuwe titel
4.2 die met
de derde tranche wordt opgenomen in de Algemene wet
bestuursrecht.
De aangewezen rechtspersoon, die veelal een stichting zal zijn, zal een paritair samengesteld
bestuur moeten hebben met een onafhankelijke voorzitter. Dit wordt in
het derde lid bepaald.
Dit artikel regelt aldus
de voorwaarden die aan de rechtspersoon worden gesteld om door de minister te kunnen worden aangewezen.
Artikel 3
Dit artikel bevat
belangrijke (ontbindende) voorwaarden voor de bijdrageverlening door
het Tica. Als blijkt dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over het
gebruik maken van een havenpool voor de inhuur van personeel en
er geen reservefonds wordt gevormd om tegenvallers in de
havenpool te kunnen opvangen, dan is de havenpool onvoldoende levensvatbaar
en dragen de bijdragen niet bij tot een succesvolle
herstructurering.
rblz.|15|
Artikel 4
In het
algemeen deel is
toegelicht welke gemaakte kosten voor een bijdrage ten laste van
het AWf
in aanmerking komen. Door de, overigens niet uitputtende,
opsomming in dit artikel wordt het doel van de bijdrage duidelijk. De kosten
zullen in ieder geval verband moeten houden met de herstructurering. De
ontvangers van de bijdragen moeten aan het Tica verantwoorden dat de
kosten waarvoor een bijdrage wordt ontvangen ook werkelijk zijn
gemaakt. Het Tica zal dit ook moeten controleren.
Artikel 5
In het
algemeen deel van
deze toelichting is de omvang van de bijdragen aangegeven. In
de ministeriële regeling zal bepaald worden welk maximum aan de
bijdragen is verbonden, voor welke bijdrage de aangewezen rechtspersonen
in de genoemde periode ten hoogste in aanmerking komen en hoe
dit maximum over de jaren verdeeld mag worden. De maximumbijdragen zijn te beschouwen als een subsidieplafond in de zin van artikel 4.2.1.2
[zie artikel 4:22, red.] van de (derde tranche van de) Algemene wet
bestuursrecht. Dit betekent dat verzoeken om hogere bijdragen op grond van
deze wet geweigerd kunnen worden.
Artikel 6
Zoals gebruikelijk bij
subsidieverlening worden in verband met de toekenning en
verantwoording aan de ontvanger van de bijdrage enkele verplichtingen opgelegd.
De belangrijkste zijn in het tweede lid genoemd. De verplichting rekening
en verantwoording van de uitgaven af te leggen, brengt met zich dat een
accountantsverklaring dient te worden overlegd. Wat betreft het stellen
van zekerheid voor verleende voorschotten heeft het Tica erop gewezen
dat het deze zekerheid nodig acht om te voorkomen dat
voorschotten niet meer kunnen worden verhaald.
Overigens
dienen voorschotten met name verstrekt te worden indien de te subsidiëren kosten
al zijn gemaakt. Wordt aan die eisen en verplichtingen niet voldaan, dan moet
het Tica daaraan bij de toekenning van de bijdragen gevolgen
verbinden. Dit geldt ook wanneer niet aan de in het derde lid opgenomen eisen
wordt voldaan dat de winst bestemd moet worden voor de toename
van het eigen vermogen van de havenpool en dat het reservefonds ook
daadwerkelijk gevoed moet worden met substantiële bijdragen
van werkgevers en werknemers. Deze eisen hebben als achtergrond
dat geen handelingen plaatsvinden die belemmerend zijn voor het
tot stand brengen van een levensvatbare havenpool. De tijdelijke
bijdrage zou dan niet doelmatig zijn.
Artikel 7
Het
College van toezicht
sociale verzekeringen houdt op grond van de Organisatiewet sociale
verzekeringen toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de
uitvoering van wetten door onder andere het
Tica. In dit artikel is
bepaald dat
het toezicht van dit College zich ook uitstrekt tot de uitvoering van deze wet
door het Tica. Voor het overige vloeien de verplichtingen van het
Tica die met het toezicht van het College en zijn taak als fondsbeheerder
te maken hebben voort uit de Organisatiewet sociale verzekeringen.
Dit geldt niet zonder meer voor de verklaring van rechtmatigheid van
uitgaven en ontvangsten die het College jaarlijks aan de minister aanbiedt. Die
rechtmatigheidsverklaring wordt met het bepaalde in het tweede
lid ook verwacht voor de uitgaven op grond van deze wet.
rblz.|16|
Artikel 8
Door de wijziging van
artikel 93 van de WW
kunnen de bijdragen ten laste komen van het
Algemeen Werkloosheidsfonds.
Artikel 9
Hoofdstuk V
van de WW,
dat het opschrift draagt "Toekenning bijdrage aan havenbedrijven", kan
in zijn geheel komen te vervallen. Het gaat om de artikelen 69 tot en
met 71. In artikel 130 van de WW
is bepaald dat de werkgever tegen een
beschikking van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
(Tica)
waarbij de hoogte wordt vastgesteld van een bijdrage als bedoeld in
artikel 69 administratief beroep kan instellen bij de minister. Deze bepaling
moet dus ook vervallen. Voor het bezwaar en beroep tegen besluiten
van het Tica en de minister is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
toepassing. Dit betekent dat tegen de besluiten van het Tica en van de
minister op grond van de Awb beroep openstaat bij de rechtbank. De
besluiten van het Tica worden in deze wet
en de daarop gebaseerde ministeriële besluiten meer ingekaderd dan op grond van
hoofdstuk V
van de WW.
Administratief beroep bij de minister zal niet snel tot een onafhankelijk
afweging leiden. Voorafgaand aan het beroep op de rechtbank vindt
natuurlijk wel de bezwaarschriftprocedure plaats, waarbij het
bestuursorgaan dat
het besluit heeft genomen het besluit nog eens heroverweegt. Omdat de
bijdragen op grond van deze wet beschouwd kunnen worden als
subsidies, kan de algemene procedure van hoger beroep gelden en wordt in
afwijking van bijvoorbeeld beroep tegen besluiten op grond van de WW
geen hoger beroep opengesteld bij de Centrale Raad van Beroep
door deze wet op de bijlage bij de Beroepswet te plaatsen.
Artikel 10
De reorganisatie van de
havenwerkgever die op grond van hoofdstuk V
van de WW
een bijdrage
ontving, kan al vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet
gestalte
krijgen. Daarom wordt het mogelijk gemaakt de bijdrage op grond van hoofdstuk V
aan te merken als een bijdrage in de kosten van
herstructurering. In dat geval moeten die kosten betrekking hebben op de posten die
in artikel 4 zijn genoemd en wordt de hoogte van de bijdrage bepaald op
grond van de ministeriële regeling van artikel
5. In feite betekent deze bepaling dat de aan de havenwerkgever over 1995 op voorschot betaalde
havenbijdrage in 1996 bij de eindafrekening kan worden omgezet in een
herstructureringsbijdrage, die dan op grond van het derde lid van dit
artikel als herstructureringsbijdrage kan worden uitbetaald aan de op
grond van deze wet aangewezen rechtspersoon voor datzelfde havengebied.
Het tweede lid maakt duidelijk dat het Tica na de datum van inwerkingtreding van deze wet op de voet
van hoofdstuk V
van de WW
de bijdragen over de periode vóór 1
januari 1996 kan verlenen. Het gaat daarbij om bijdragen op grond van hoofdstuk V
van de WW
over 1995 die pas na 1 januari 1996 worden
betaald. In dat geval kan de ontvanger van de bijdrage al de
rechtspersoon zijn die op grond van artikel 2 is aangewezen. Omdat deze rechtspersoon
niet zonder meer de rechtsopvolger is van de werkgever die op
grond van hoofdstuk V
van de WW
was aangewezen, is in het
derde lid geregeld dat de bijdrage dan aan die rechtspersoon kan worden
uitbetaald.
Artikel 11
Dit artikel regelt de
mogelijkheid aan de havenwerkgevers van kleine havens die niet
herstructureren door de arbeidsreserve op te nemen in rblz.|17|
een havenpool die voor
dat havengebied wordt opgericht, maar die wel op grond van hoofdstuk V
van de WW
een bijdrage ontvingen, bij wijze van overgangsmaatregel in
aanmerking te laten komen voor een bijdrage. De minister stelt de
maximumomvang van de bijdrage en de verdeling over deze havenwerkgevers
vast. Bij het verlenen van deze bijdragen kan het Tica de
verplichtingen opleggen voor de administratie en verantwoording die in artikel
6, tweede
lid zijn vermeld.
Artikel 12
Om de tijdelijkheid van
de bijdrage te benadrukken, is aan de werking van deze wet
een
einddatum verbonden.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
|
|