|
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 758.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974,
2184-2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 758 (95a, 95b, 95c, 95d, 95e, 96).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
BESCHIKKING van de Minister
van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1999, 24, houdende plaatsing in het Staatsblad
van de tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen,
zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999
De Minister
van Justitie;
Gelet op artikel XXXVI
van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen;
Besluit:
De
tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, zoals
deze luidt met ingang van 1 januari 1999, in het Staatsblad te
plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
’s-Gravenhage, 21 januari
1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de achtentwintigste
januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Tekst van
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals deze wet
luidt op 1 januari 1999 ¹
1. De voetnoten bij de
artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.
[WET van 24 april 1997,
Stb.
1997, 176, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling
voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een
arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter
zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als
zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende
echtgenoten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art. 1.
Algemene begrippen
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het
College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de
Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in
artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997;
e. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel
78;
f. verzekerde: de persoon, bedoeld in artikel 3;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van deze wet;
h. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. winst uit onderneming: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk
II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
j. winst uit binnenlandse onderneming: winst uit binnenlandse onderneming
als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 48,
vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
k. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964;
l. inkomsten uit tegenwoordige arbeid: inkomsten uit tegenwoordige arbeid
in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
m. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige
die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van
de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen
voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van
de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van
deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke
huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke
huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor
de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen
voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.
Art. 2.
Begrip
arbeidsongeschiktheid
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de verzekerde die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat
is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke
opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst
heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk
verdienen.
-2. De verzekerde die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een
aanvang neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het
eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken
betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien
hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in
staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in
dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter
plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de
omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen,
vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het
tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is
afgenomen.
-4. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
-5. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten
beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-6. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing
gelaten
hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van
sociale werkvoorziening.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot het eerste tot en met zesde lid nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld.
-8. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of
intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zevende lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van bestuur
getroffen ministeriële regeling;
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking
van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onderdeel a wordt
niet gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling
als bedoeld in onderdeel b geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na
die mededeling zijn verstreken.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.
HOOFDSTUK
2
Kring van
verzekerden
Art. 3.
De verzekerde
-1. Verzekerd op grond van deze wet is:
a. de zelfstandige;
b. de beroepsbeoefenaar; en
c. de meewerkende echtgenoot.
-2. Tevens is verzekerd de persoon:
a. die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch
uitsluitend omdat de wachttijd, bedoeld in artikel 7, tweede lid, op hem
van toepassing is, geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft;
b. die na afloop van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid, niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen
vier weken na afloop van dat tijdvak;
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op grond
van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, doch met toepassing van
artikel
20 of 21 in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
e. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid,
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling, en met toepassing van artikel 20 in aanmerking
komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op grond van
deze wet;
g. die recht heeft op een toelage als bedoeld in
artikel 28 van de Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten.
-3. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van
het eerste en derde lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan
de kring van verzekerden.
-5. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde
lid
kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel
hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben
gehouden als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de
Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben
aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld
tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag,
dat bezwaar of dat beroep is beslist.
Art. 3a.
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op
grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een
verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een
verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving
van een andere mogendheid van toepassing is.
Art. 4.
Zelfstandige
Zelfstandige is de persoon jonger dan 65 jaar:
a. die in Nederland woont en die winst uit onderneming geniet, tenzij hij
de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
b. die niet in Nederland woont en die winst uit binnenlandse onderneming
geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening feitelijk
drijft.
Art. 5.
Beroepsbeoefenaar
Beroepsbeoefenaar is de persoon jonger dan 65 jaar die:
a. anders dan uit dienstbetrekking inkomsten uit tegenwoordige arbeid
geniet;
b. anders dan in dienstbetrekking arbeid verricht ten behoeve van een
lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.
Art. 6.
Meewerkende
echtgenoot
Meewerkende echtgenoot is de persoon jonger dan 65 jaar die anders dan in
dienstbetrekking, als zelfstandige of als beroepsbeoefenaar, meewerkt in
de onderneming van zijn echtgenoot.
HOOFDSTUK
3
De
uitkeringen
AFDELING
1
Het recht
op en de hoogte van de uitkering
§ 1.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art. 7.
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt indien hij in de 52 weken onmiddellijk
voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het
verwerven van winst of inkomsten. Als eerste dag van de
arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is
gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan regels stellen inzake welke dag als
eerste werkdag wordt aangemerkt.
-2. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat niet eerder in dan
nadat de arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd en na
afloop van dat tijdvak voortduurt.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met een periode van arbeidsongeschiktheid wordt gelijkgesteld het
tijdvak van ten minste zestien weken, bedoeld in artikel 22, waarin de
vrouwelijke verzekerde recht heeft op uitkering in verband met haar
bevalling.
-5. Recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde
die na afloop van het in het tweede lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen
vier onafgebroken weken na afloop van dat tijdvak.
-6. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het tweede
lid, worden steeds in aanmerking genomen tijdvakken gedurende welke de
verzekerde recht zou hebben gehad op ziekengeld op grond van de Ziektewet
indien hij op grond van die wet zou zijn verzekerd.
-7. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als
arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
Art. 8.
Grondslag van de
uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.
-2. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
4, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het boekjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan
winst heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf boekjaren onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag
aan winst heeft genoten.
-3. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
5, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar gemiddeld
per dag aan inkomsten heeft genoten; of, indien dit leidt tot een hoger
bedrag,
b. hetgeen hij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar gemiddeld
per dag aan inkomsten heeft genoten.
-4. Voor de verzekerde, bedoeld in artikel
6, is de grondslag hetgeen hij
over een tijdvak gelegen in de in het tweede lid genoemde perioden op
basis van de geleverde arbeidsinbreng gemiddeld per dag aan inkomsten
geacht kan worden te hebben genoten.
-5. Indien de verzekerde, bedoeld in artikel 4 en
6, tevens verzekerde is
op grond van artikel 5, wordt de grondslag bepaald op een bedrag dat de
uitkomst vormt van de samentelling van de gemiddelde winst of inkomsten
per dag als bedoeld in het tweede lid en vierde lid en de gemiddelde
inkomsten per dag als bedoeld in het derde lid.
-6. Voor personen die op grond van artikel
3, vierde lid, zijn verzekerd,
kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking
van het tweede tot en met vierde lid, een grondslag worden vastgesteld.
-7. De grondslag bedraagt ten hoogste het minimumloon.
-8. Onder het in het zevende lid bedoelde minimumloon wordt verstaan het
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of,
indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per
maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-9. Indien het minimumloon wordt herzien, wordt de grondslag, bedoeld in het
tweede tot en met zesde lid, naar evenredigheid herzien.
-10. Op een beschikking als gevolg van een herziening van de grondslag op
grond van het negende lid zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de Algemene
wet bestuursrecht niet van toepassing.
-11. Indien de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van dezelfde dag recht heeft op
toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de
overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag,
doch ten hoogste het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen
bedrag gedeeld door 261, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het
dagloon dat aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag ligt.
-12. Indien de verzekerde die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid tevens verzekerde
was op grond van artikel 3, 4 of
5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt het bedrag van de overeenkomstig
het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag, doch ten hoogste
het op grond van artikel 72, tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door
261, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het loon dat hij als
werknemer genoot, voor zover dat loon als dagloon aan de toekenning van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering ten grondslag zou liggen als hij
arbeidsongeschikt zou zijn geworden in de zin van die
wet.
-13. Indien de verzekerde die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op de dag van het intreden van de
arbeidsongeschiktheid recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op
grond van de Ziektewet of een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet,
wordt het bedrag van de overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid
vastgestelde grondslag, doch ten hoogste het op grond van artikel
72,
tweede lid, aangewezen bedrag gedeeld door 261, verminderd met het bedrag
van genoemde uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet of de Werkloosheidswet
waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid.
-14. Indien het in het elfde lid bedoelde dagloon, het in het twaalfde lid
bedoelde loon of het in het dertiende lid bedoelde bedrag van de uitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet
of de Werkloosheidswet, alsmede het in die leden genoemde bedrag van de
overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid vastgestelde grondslag,
lager is dan het minimumloon, bedoeld in het achtste lid, bedraagt de
grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering het minimumloon,
verminderd met dat dagloon, loon of bedrag, tenzij de grondslag berekend
op grond van het tweede tot en met zesde lid tot een lager bedrag leidt,
in welk geval laatstgenoemd bedrag als grondslag geldt.
-15. De toepassing van het elfde, twaalfde en dertiende lid geldt
onverminderd het zevende lid.
-16. Voor de toepassing van het elfde tot en met het dertiende lid wordt
onder loon, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet of
uitkering op grond van de Werkloosheidswet tevens verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht
bestaat, voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is
berekend. Voor de toepassing van het veertiende lid wordt onder loon,
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, ziekengeld op grond van de Ziektewet of
uitkering op grond van de Werkloosheidswet niet verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van dat loon of die uitkering recht
bestaat en wordt onder dagloon verstaan het dagloon maal 100/108.
-17. Het elfde tot en met veertiende lid is niet van toepassing op de
persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de
vrijwillige verzekering, bedoeld in hoofdstuk VI van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, hoofdstuk IV van de
Ziektewet of
hoofdstuk III van de Werkloosheidswet.
-18. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo
nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de winst, de
inkomsten en de periode waarover de winst en de inkomsten worden berekend,
bedoeld in het tweede tot en met het zesde lid.
-19. Voor de toepassing van het elfde tot en met het veertiende lid en het
zestiende lid wordt met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
gelijkgesteld een uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, onder
welke benaming dan ook, met uitzondering van een uitkering in verband met
functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd uittreden, uit hoofde
van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 1, onderdeel
l, van de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Dit lid vervalt
op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de Wet overheidspersoneel onder
de werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 54 van
die wet.
Art. 9.
Percentage
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per dag, de zaterdagen en
zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 70% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel
doenlijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.
-3. Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan
een voor hem gewenste opleiding of scholing, of onvoldoende meewerkt aan
het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of
scholing is afgerond.
Art. 10.
Verhoging
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de verzekerde
verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor
de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd.
De eerste zin vindt geen toepassing indien de verzekerde in een
inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een
verzekering inzake ziektekosten komen.
Art. 11.
Buiten
aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan met betrekking tot
uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of
blijvend, buiten aanmerking laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na het
tijdstip dat de
verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand
van de verzekerde ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het
intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest
doen verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bevoegdheid strekt zich
mede uit tot toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze
toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden.
-3. Zolang het Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond van het
eerste lid arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel
2,
tweede lid, overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de
verzekerde aan deze wet nog te ontlenen aanspraken, met dien verstande
dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip met ingang waarvan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Art. 12.
Herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer de
verzekerde
aan wie zij is toegekend, op grond van deze wet voor een hogere of lagere
uitkering in aanmerking komt.
-2. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering beziet
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
binnen één jaar na ingang
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als
bedoeld in artikel 35, vierde lid, of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen tijdvak geldt, dan wel een tijdvak zal gelden, dat afwijkt
van het in het tweede lid genoemde tijdvak.
-4. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de
artikelen 13 tot en met 16.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt aan
een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze
opleiding of scholing niet herzien in verband met een daaruit
voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel
9,
derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding of
scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art. 13.
Herziening bij
minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 15 en
16, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken
heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet
plaats indien de
toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit
de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is
voortgekomen.
-3. Indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toeneming van
de arbeidsongeschiktheid of in de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan
de toeneming van de arbeidsongeschiktheid arbeid verricht of heeft
verricht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, vindt de in het
eerste lid bedoelde herziening plaats ook indien de toeneming kennelijk is
voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter
zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 14.
Herziening bij
45% arbeidsongeschiktheid of meer
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd artikel
15, plaats
zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft
geduurd.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die uitkering is
herzien de arbeidsongeschiktheid
weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder afwijking van
artikel 13.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste
en tweede lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen.
Art. 15.
Herziening
uitkering zonder wachttijd
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder
dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in daarbij
aan te wijzen gevallen.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend,
onderscheidenlijk wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien,
met toepassing van artikel 36, tweede lid, onderscheidenlijk
artikel 38,
tweede lid, geldt met betrekking tot het eerste lid, onderdeel a en
b, als
dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend
onderscheidenlijk herzien de dag met ingang waarvan die uitkering zou
zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien, indien artikel
36,
tweede lid, onderscheidenlijk artikel 38, tweede lid, geen toepassing zou
hebben gevonden.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor gevallen
waarbij direct herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaatsvindt. Op grond van deze regels kan bedoelde herziening slechts
plaatsvinden ten behoeve van de verzekerde die bij hervatting van de
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven winst of inkomsten geniet die
minder bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande
arbeidsgeschiktheid.
Art. 16.
Herziening bij
toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen
vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als
die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt
genoten, is voortgekomen, vindt herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing indien recht bestaat op herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 14 of
15,
eerste lid, onderdeel a tot en met c.
Art. 17.
Grondslagvaststelling bij toeneming arbeidsongeschiktheid
-1. Indien wegens toeneming van de arbeidsongeschiktheid herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, vindt hernieuwde
vaststelling van een grondslag plaats overeenkomstig artikel 8 en de
daarop berustende bepalingen, mits dat leidt tot een hogere grondslag dan
die welke laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten
grondslag werd gelegd.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in
artikel 8 in plaats van "het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid" gelezen: de toeneming van
zijn arbeidsongeschiktheid.
Art. 18.
Overige gronden
voor herziening of intrekking
-1. Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van een
zodanige uitkering, herziet het Landelijk instituut sociale verzekeringen
een dergelijke beschikking of trekt het deze in:
a. ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel
11;
b. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 45, 46 of 70 heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag
is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op
grond van artikel 45, 46 of 70 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld
of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking af te zien.
Art. 19.
Einde van het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de
leeftijd van 65 jaar bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is
geëindigd of beneden 25% is
gedaald, met ingang van de dag aangegeven in de daartoe strekkende
beschikking van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de verzekerde die deelneemt aan
een voor hem gewenste opleiding of scholing wordt gedurende deze
opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit
voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid, tenzij artikel
9,
derde lid, van toepassing is. Indien de verzekerde tijdens de opleiding of
scholing inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel 58, eerste lid, van
overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien
de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel
58, eerste
lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
Art. 20.
Toekenning
uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
-1. Indien de verzekerde:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is
ingetrokken; of
b. die aan het einde van de wachttijd, bedoeld in
artikel 7, tweede lid,
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken,
zwangerschap of bevalling, maar geen recht had op
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar
na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en
deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit
de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling voortkomt, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
steeds plaats zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken
heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het eerste
lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing:
a. indien op grond van artikel 21 aanspraak bestaat op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. indien artikel
29b van de Ziektewet toepassing kan vinden, tenzij de
toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering het ziekengeld overtreft.
-4. In de gevallen waarin dit artikel toepassing vindt, wordt de grondslag
van de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering niet lager gesteld
dan de grondslag die voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel de
grondslag die in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde van de
wachttijd, bedoeld in artikel 7, eerste lid, recht zou hebben bestaan op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals die sinds de beëindiging van
de uitkering onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond
van artikel 8 zou zijn herzien.
Art. 21.
Heropening van
de uitkering
-1. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier
weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken weer
arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de
verzekerde
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19, eerste
lid, onderdeel b, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt
binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die uitkering, die
voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%,
wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-3. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken met ingang van een dag gelegen
binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die uitkering werd
toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft,
indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak
op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
15, tweede
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en
het derde lid, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang waarvan
de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk
uit een andere oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen,
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de
dag waarop de heropening ingaat.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als
arbeidsongeschikt beschouwd de verzekerde die minder dan 25%
arbeidsongeschikt is.
§ 2.
Uitkering in verband
met bevalling
Art. 22.
Recht op
uitkering in verband met bevalling
-1. Voor de vrouwelijke verzekerde, bedoeld in
artikel 3, eerste lid en
tweede lid, onderdeel a, ontstaat recht op uitkering in verband met haar
bevalling.
-2. Recht op uitkering in verband met bevalling bestaat gedurende ten
minste zestien weken.
-3. Het recht op uitkering in verband met bevalling gaat in op de eerste
dag dat de bevalling, blijkens een verklaring van een arts of een
verloskundige waarop de vermoedelijke bevallingsdatum wordt aangegeven,
binnen zes weken is te verwachten. De vrouwelijke verzekerde kan het recht
op uitkering op een latere dag doen ingaan, doch niet later dan de dag
waarop de bevalling binnen vier weken is te verwachten blijkens bedoelde
verklaring.
-4. Het recht op uitkering in verband met bevalling eindigt op de
dag
gelegen zestien weken na de bevallingsdatum. Indien reeds vóór de
bevallingsdatum recht op uitkering in verband met bevalling bestond,
eindigt het recht zoveel dagen eerder als dat recht heeft bestaan in het
tijdvak van de eerste dag waarop de bevalling binnen zes weken was te
verwachten tot en met de vermoedelijke bevallingsdatum of, indien eerder
gelegen, tot en met de werkelijke bevallingsdatum.
-5. In afwijking van het eerste lid:
a. ontstaat geen recht op uitkering in verband met bevalling voor de
vrouw, bedoeld in artikel 3, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, die op
grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel
3, derde
lid, van verzekering op grond van deze wet is uitgesloten;
b. ontstaat eveneens recht op uitkering in verband met bevalling, volgens
het tweede tot en met vierde lid, voor de vrouw anders dan bedoeld in
artikel 3, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, die op grond van de
algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 3, derde lid, is
verzekerd.
Art. 23.
Recht op
uitkering in verband met bevalling in de vorm van een uitkering ter zake
van vervanging
-1. De vrouwelijke verzekerde kan het recht op uitkering in verband met
bevalling, tezamen met het recht op vakantie-uitkering daarover, doen
bestaan in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging.
-2. Het recht op uitkering in verband met bevalling in de vorm van een
uitkering ter zake van vervanging bestaat uitsluitend, indien:
a. ter vervanging van de vrouwelijke verzekerde een persoon werkzaam is
gedurende de periode dat het recht op uitkering in verband met bevalling
op grond van artikel 22, derde en vierde lid, bestaat; en
b. de persoon die als vervanger werkzaam is, ter beschikking wordt gesteld
door een rechtspersoonlijkheid bezittende instelling die zich krachtens
haar statuten ten doel stelt arbeidskrachten ter beschikking stellen.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot het tweede lid.
Art. 24.
De hoogte van
de uitkering
-1. De uitkering in verband met bevalling wordt berekend naar de grondslag.
-2. Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op de uitkering in verband
met bevalling, met dien verstande dat:
a. voor de verzekerde, bedoeld in artikel 3, eerste lid,
onderdeel
a en c,
in plaats van de perioden, bedoeld in artikel 8, tweede lid, in aanmerking
wordt genomen het boekjaar of de vijf boekjaren onmiddellijk voorafgaande
aan de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband met bevalling;
b. voor de verzekerde, bedoeld in artikel
3, eerste lid, onderdeel
b, in
plaats van de perioden, bedoeld in artikel 8, derde lid, in aanmerking
wordt genomen het kalenderjaar of de vijf kalenderjaren onmiddellijk
voorafgaande aan de ingangsdatum van het recht op uitkering in verband met
bevalling.
-3. De uitkering in verband met bevalling bedraagt per dag, de zaterdagen
en zondagen niet meegerekend, 100% van de grondslag.
-4. De uitkering, bedoeld in artikel
23, bedraagt de grondslag, vermeerderd
met het bedrag aan premies dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen
bij uitbetaling als uitkering in verband met bevalling
daarover verschuldigd zou zijn.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere en
zo nodig afwijkende regels
worden gesteld met betrekking tot het vierde lid.
§ 3.
Vakantie-uitkering
Art. 25.
Recht op
vakantie-uitkering
De verzekerde die over één maand recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband met bevalling,
heeft over die maand recht op vakantie-uitkering.
Art. 26.
Hoogte van de
vakantie-uitkering
-1. De vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan wel het bedrag aan uitkering in
verband met bevalling waarop recht bestond in het tijdvak van twaalf
maanden voorafgaande aan de maand mei.
-2. Indien artikel 58 of 59 is toegepast, wordt onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, verstaan het
bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel
toepassing heeft gevonden.
-3. Indien het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel
15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt
gewijzigd, treedt dit gewijzigde percentage in de plaats van het in het
eerste lid genoemde percentage. Het gewijzigde percentage wordt in
aanmerking genomen over de uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak
aanvangende met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. Op de ambtshalve toekenning van een vakantie-uitkering zijn de
artikelen 3:41 en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
toepassing.
Art. 27.
Recht op
vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
De artikelen 25 en 26, eerste tot en met derde lid, zijn van
overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel
61.
§ 4.
Garantie voor oudere
arbeidsongeschikten
Art. 28.
Vervallen.
Art. 29.
Garantie voor
oudere arbeidsongeschikten
Indien een verzekerde van 45 jaar of ouder die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die als verzekerde, bedoeld in artikel
3, eerste lid, winst of inkomsten gaat genieten in verband waarmee zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, wordt, indien hij binnen
vijf jaar na de datum van aanvang van zijn werkzaamheden opnieuw recht
heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, de grondslag
van die uitkering niet lager gesteld dan de grondslag die voor de
berekening van de laatstelijk ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering in
aanmerking werd genomen, zoals die sinds de beëindiging van de uitkering
op grond van artikel 8 zou zijn herzien.
Art. 30.
Vervallen.
Art. 31.
Vervallen.
Art. 32.
Vervallen.
AFDELING
2
Het
geldend maken van het recht op uitkering
§ 1.
Melding
Art. 33.
Melding
gedurende wachttijd
-1. Teneinde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te
kunnen maken, meldt de verzekerde zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien
weken na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het
eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 34.
Melding tijdens
zwangerschap
-1. Teneinde een recht op uitkering in verband met bevalling geldend te
kunnen maken, meldt de verzekerde uiterlijk drie maanden vóór de
vermoedelijke bevallingsdatum aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen:
a. haar zwangerschap, onder overlegging van de verklaring, bedoeld in
artikel 22, derde lid, of een kopie daarvan;
b. met ingang van welke datum zij het recht op uitkering wenst te
doen ingaan, met inachtneming van artikel 22, derde lid.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan in bijzondere
gevallen ten gunste van verzekerde afwijken van het eerste lid.
§ 2.
Toekenning
Art. 35.
Toekenning
arbeidsongeschiktheidsuitkering
-1. Onverminderd hetgeen in deze wet ter zake van herziening of intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is bepaald, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over tijdvakken van
drie jaar.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt de verzekerde
schriftelijk in kennis van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag
uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. het in artikel 7, tweede lid, genoemde tijdvak van 52 weken eindigt;
b. een tijdvak van drie jaar als bedoeld in het eerste
lid verstrijkt.
-3. Het tweede lid, onderdeel a, is niet van
toepassing indien de
verzekerde de melding, bedoeld in artikel 33, eerste lid, niet of niet
tijdig heeft gedaan. Indien de verzekerde deze melding niet tijdig heeft
gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting voor het
Landelijk instituut sociale verzekeringen uiterlijk drie maanden nadat de
verzekerde de melding heeft gedaan.
-4. De verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering doet zijn aanvraag binnen negen maanden na
aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, onderscheidenlijk uiterlijk drie
maanden vóór het verstrijken van een tijdvak als bedoeld in het eerste
lid.
-5. Indien niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn een
beschikking is gegeven op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering voortgezet tot
het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.
-6. Een aanvraag is tijdig ingediend indien het Landelijk instituut
sociale verzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet
heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het
tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze
kennisgeving is ontvangen.
-7. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring
van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
bepalen dat geen tijdvak geldt dan wel een tijdvak zal gelden dat afwijkt
van het in het eerste lid genoemde tijdvak.
-8. Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke
hardheid, is het Landelijk instituut sociale verzekeringen bevoegd de
uitkering ambtshalve toe te kennen of voort te zetten.
Art. 36.
Ingangsdatum
uitkering
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag met ingang
waarvan de verzekerde aan de vereisten voor het recht op toekenning van
die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de uitkering niet vroeger ingaan
dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel
voortzetting van de uitkering werd ingediend. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin
afwijken.
-3. Toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats
indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a,
bedoelde dag.
Art. 37.
Herziening en
heropening op aanvraag of ambtshalve
-1. Herziening dan wel heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt in elk geval
ambtshalve plaats in geval van een beslissing op grond van artikel
12,
tweede lid.
Art. 38.
Ingangsdatum
herziening en heropening uitkering
-1. De herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de
dag
waarop de verzekerde op grond van deze wet voor een hogere of lagere
uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering tot
gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening van de uitkering, is
artikel 36, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van
afneming van de arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag aangegeven in de
daartoe strekkende beschikking van het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband
houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze herziening niet
eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien
de verzekerde eerder inkomsten uit arbeid verwerft, is artikel
58, eerste
lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
-5. De heropening van de uitkering, bedoeld in
artikel 21, gaat in op de dag met ingang waarvan de verzekerde weer arbeidsongeschikt is geworden.
-6. Heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet
plaats
indien deze zou ingaan op of na de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a,
bedoelde dag.
Art. 39.
Toekenning
uitkering in verband met bevalling
-1. De uitkering in verband met bevalling wordt op aanvraag door het
Landelijk instituut sociale verzekeringen toegekend.
-2. De verzekerde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van de
uitkering of toekenning van de uitkering in de vorm van een uitkering ter
zake van vervanging, doet haar aanvraag uiterlijk twee weken vóór de datum
waarop zij het recht op uitkering wenst te doen ingaan, met inachtneming
van artikel 22, derde lid.
-3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan in bijzondere
gevallen ten gunste van verzekerde afwijken van het tweede lid.
Art. 40.
Toekenning
vakantie-uitkering
De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval artikel
60, eerste lid,
tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
toegekend.
Art. 41.
Oproep en
onderzoek door of namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan, telkens wanneer het
dat nodig oordeelt, oproepen of doen oproepen en op een door of namens hem
te bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. de verzekerde;
b. de verzekerde die de wachttijd van 52 weken, bedoeld in
artikel 7,
tweede lid, doormaakt;
c. de verzekerde die aanspraak maakt op of recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. de vrouwelijke verzekerde of andere persoon die aanspraak maakt op of
recht heeft op een uitkering in verband met haar bevalling;
e. de verzekerde ten aanzien van wie of ten behoeve van wie
reïntegratie-instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 3 of
hoofdstuk 4 van
de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn toegekend of waarvan
toekenning wordt overwogen.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de in het eerste lid,
onderdeel a, b, c en e, bedoelde personen op een door of namens hem te
bepalen plaats door één of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen
doen onderzoeken.
-3. De daartoe door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen oproepen,
ondervragen, doen oproepen, doen ondervragen en, behoudens de persoon,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, onderzoeken of doen onderzoeken
door één of meer door hem daartoe aangewezen deskundigen.
Art. 42.
Vergoeding
kosten en tijdverlies
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de
gevallen en volgens regels die door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
worden vastgesteld.
Art. 43.
Voorschriften
van medische of administratieve aard
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
of de door hem daartoe
aangewezen deskundige kan aan de in artikel 41, eerste lid, onderdeel a,
b,
c en e, bedoelde personen voorschriften geven in het belang van een
behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid, dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Art. 44.
Controlevoorschriften
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan controlevoorschriften
vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt
noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
§ 3.
Maatregelen en boeten
Art. 45.
Gevolgen
weigeren onderzoek
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
weigert de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien een verzekerde als
bedoeld in artikel 41, eerste lid, na tijdig te zijn opgeroepen niet is
verschenen of heeft geweigerd:
a. vragen te beantwoorden die zijn gesteld door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen daartoe aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift, gegeven door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige, om
zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen handelt overeenkomstig
het eerste lid bij toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze
toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping
of de weigering plaatsvond.
Art. 46.
Gevolgen
niet-naleving voorschriften
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
handelt overeenkomstig
artikel 45, indien de verzekerde:
a. de door het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de door hem
daartoe aangewezen deskundige krachtens artikel 43 in het belang van een
behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de
arbeidsgeschiktheid dan wel tot inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
gegeven voorschriften zonder deugdelijke
grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als het Landelijk instituut sociale verzekeringen of
de door hem daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit
noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien
hij de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt
belemmerd of nalaat voldoende mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte
of gebrek te verkrijgen;
d. de controlevoorschriften, bedoeld in
artikel 44, of de verplichting,
bedoeld in artikel 89, vierde lid, van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, niet of niet behoorlijk is nagekomen of de
verplichting, bedoeld in artikel 70, niet binnen de door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. zijn arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel
35, vierde lid,
of 39, tweede lid.
Art. 47.
Afstemming
maatregel op ernst gedraging
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 45 of 46 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en
de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten. Van
het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 70, niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een
uitkering als genoemd in dat artikel of indien de verzekerde zich niet
houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 35, vierde lid, of
39, tweede lid,
kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
afzien van het opleggen
van een maatregel en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich
niet houden aan het voorschrift, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop
eerder aan de verzekerde een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
-4. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
boete als bedoeld in artikel 48 wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid.¹
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste lid.
Art. 48.
Boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting
-1. Indien de verzekerde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger de verplichting, bedoeld in
artikel 70, niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,00.
-2. De hoogte van de boete
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan
worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het
opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Indien het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
70,
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
een uitkering als genoemd in dat artikel, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in
het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke
waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.
-5. De persoon aan wie een
boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Landelijk
instituut sociale verzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de boete van belang zijn.
-6. Voor zover de boete
nog niet is geïnd, vervalt zij door het overlijden van de persoon aan wie
zij is opgelegd.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste en het tweede lid.²
1. Dit artikellid is nog
niet in werking getreden. Tot het moment van
inwerkingtreding is de volgende tekst van
toepassing: Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt nadere regels met betrekking tot
het eerste en het tweede lid.
Art. 49.
Voorschriften
rond voorgenomen boeteoplegging
-1. Indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen
jegens de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een handeling verricht waaraan deze in
redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een bepaalde
gedraging een boete zal worden opgelegd, is verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger niet langer verplicht ter zake van die
gedraging
enige verklaring af te leggen, voor zover het betreft de
boeteoplegging. De verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt hiervan in kennis
gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt
gevraagd.
-2. Indien het Landelijk
instituut sociale verzekeringen voornemens is aan de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een boete op te leggen, wordt hiervan
kennis gegeven aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger onder
vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. De
kennisgeving is een handeling als bedoeld in het eerste lid.
-3. Op verzoek van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de kennisgeving,
bedoeld in het tweede lid, wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse
taal onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde
gronden aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden
meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.
-4. In afwijking van
afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht stelt het
Landelijk instituut sociale verzekeringen de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn
zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd.
-5. Indien de verzekerde
of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn zienswijze mondeling naar
voren brengt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen er
op verzoek van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die de
Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, zorg voor dat een tolk wordt
benoemd die hem kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
daaraan geen behoefte bestaat.
Art. 50.
Voorschriften
rond boetebesluit
-1. Het besluit waarbij de
boete wordt opgelegd, vermeldt de termijn of de termijnen waarbinnen
deze moet worden betaald, alsmede de wijze waarop het besluit bij
gebreke van tijdige betaling, overeenkomstig artikel 54 zal worden
ten uitvoer gelegd.
-2. Op verzoek van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger die het in het eerste lid
bedoelde besluit wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal
onvoldoende begrijpt, draagt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
er zoveel mogelijk zorg voor dat de in dat besluit vermelde
informatie aan de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt meegedeeld in een
voor hem begrijpelijke taal.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste
lid.
Art. 51.
Niet-oplegging van boete
-1. Een boete wordt niet
opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar
ministerie.
-2. De oplegging van een
boete blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging
tegen de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger een strafvervolging is
ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft
genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen op grond van
artikel 74 van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het openbaar
ministerie doet van een omstandigheid als bedoeld in het eerste en het tweede
lid mededeling aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
Art. 52.
Termijnstelling van boete
-1. Een boete wordt
opgelegd binnen één jaar nadat het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger overeenkomstig
artikel 49, vierde lid, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen. Indien ter zake aangifte is gedaan of proces-verbaal
is opgemaakt en ingezonden, vangt het tijdvak van één jaar aan op de
dag na die waarop het openbaar ministerie aan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen heeft meegedeeld dat geen strafvervolging wordt
ingesteld.
-2. Een boete wordt in elk
geval niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de desbetreffende
gedraging heeft plaatsgevonden.
Art. 53.
Afwijking
8:69 Awb
In afwijking van artikel
8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of
hoger beroep het bedrag waarop de boete is vastgesteld ook ten
nadele van de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art. 54.
Boetebesluit
executoriale titel
-1. Het besluit waarbij
een boete is opgelegd, levert een executoriale titel op in de zin van het
Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De titel
heeft mede betrekking op de rente en kosten, bedoeld in het zesde lid.
-2. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van
deze wet, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen of een toeslag
op grond van de Toeslagenwet, wordt het besluit waarbij
de boete is opgelegd ten uitvoer gelegd door verrekening met die
uitkering of toeslag.
-3. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de
Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening
kunstenaars, betaalt de Sociale
Verzekeringsbank, onderscheidenlijk de betrokken gemeente, het
bedrag van die boete, zonder dat daarvoor een machtiging
nodig is van hem, op zijn verzoek aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-4. Indien de persoon aan
wie een boete is opgelegd geen uitkering of toeslag als bedoeld in
het tweede of derde lid ontvangt of meer ontvangt, dan wel ten aanzien van
zodanige uitkering of toeslag toepassing van het tweede of derde lid niet
mogelijk is, wordt het besluit waarbij de boete is opgelegd bij gebreke van
tijdige betaling met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering op zijn kosten betekend en ten uitvoer gelegd.
-5. De tenuitvoerlegging
van een besluit waarbij een boete is opgelegd, vindt plaats met
toepassing van het tweede of derde lid, dan wel van het vierde lid, dan wel van
het tweede of derde lid in combinatie met het vierde lid.
-6. Bij gebreke van
tijdige betaling wordt de verschuldigde boete verhoogd met de
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten.
-7. Op het executoriaal
beslag op grond van dit artikel door het Landelijk instituut sociale
verzekeringen op loon, sociale uitkeringen of andere periodieke
betalingen
die derden verschuldigd zijn of worden aan de persoon aan wie een boete
is opgelegd, zijn de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel
479e, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing. De in artikel 479g aan het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen toegekende bevoegdheid komt
gelijkelijk toe aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-8. De tenuitvoerlegging
van een besluit met toepassing van dit artikel geschiedt zodanig dat de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger blijft beschikken over
een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot
en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
-9. Het achtste lid geldt niet zolang de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, niet of niet behoorlijk nakomt.
AFDELING
3
De betaling
van de uitkering
Art. 55.
Betaalbaarstelling
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de uitkering in verband met bevalling worden
betaalbaar gesteld door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. De
betaling geschiedt als regel in tijdvakken van één maand.
-2. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan een uitkering als bedoeld in het eerste
lid over een door hem te bepalen tijdvak bij wege van voorschot betaalbaar
stellen indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van
de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een
verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde
bedrag aan uitkering dat over het desbetreffende tijdvak wordt betaald.
-3. Onverminderd het
tweede lid schort het Landelijk instituut sociale verzekeringen de betaling
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met
bevalling op of schorst het de betaling, indien het op grond van
duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in artikel
45, 46 of 70 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-4. Ingeval de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met bevalling in
het buitenland wordt betaald, worden de daaraan verbonden kosten van
overmaking op de uitkering in mindering gebracht.
-5. Wanneer de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling is toegekend een ander machtigt om de uitkering
in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging
intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een
betalingstijdvak
aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend,
onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan,
doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag
van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
-6. In afwijking van het
eerste lid wordt de uitkering in verband met bevalling in de vorm van
een uitkering ter zake van vervanging betaalbaar gesteld aan de
instelling, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onderdeel b. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld, zo nodig
in afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, inzake de betaling van
uitkering in verband met bevalling in de vorm van een uitkering ter zake
van vervanging.
Art. 55a.
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
schort de betaling van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband met bevalling op indien de
persoon aan wie de uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet
rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 1b van de
Vreemdelingenwet.
-2. De betaling van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband met bevalling
wordt hervat indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het
Landelijk instituut sociale verzekeringen is gebleken dat hij
feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Art. 56.
Inhouding
vereveningsbijdrage
Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
houdt op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, op de uitkering in
verband met bevalling met uitzondering van de
uitkering in verband met bevalling in de vorm van een uitkering ter zake
van vervanging, op de vakantie-uitkering en op de toeslag op de uitkering
op grond van de Toeslagenwet een bedrag in dat gelijk is aan het bedrag
van de premie die een werkgever op grond van de Werkloosheidswet
op het
overeenkomstige loon van een werknemer die verzekerd is op grond van
die wet inhoudt.
Art. 57.
Betaling aan
instellingen
-1. Indien de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband
met bevalling is toegekend, op grond van artikel
6, derde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en
11 van die
wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12 van die wet, kan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de uitkering tot het bedrag
van die bijdrage in plaats van aan de verzekerde zonder diens machtiging
betalen aan de Ziekenfondsraad.¹
-2. Indien de verzekerde
aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in verband
met bevalling is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het Landelijk instituut
sociale verzekeringen van de desbetreffende inrichting of van de gemeente
die de
opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met bevalling aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden
inwilligen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in
verband met bevalling dat niet aan de Ziekenfondsraad wordt
betaald.
-4. Op de herziening van
een beschikking op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging
van de verschuldigde bijdrage zijn de artikelen 3:41 en
3:45 van de
Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
1. Tot het moment van
inwerkingtreding van artikel 65a van de
Overgangswet verzorgingshuizen is de volgende tekst van
toepassing: Indien de verzekerde aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, op grond van artikel 6,
derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten een bijdrage verschuldigd is
in de kosten van een verstrekking als bedoeld
in de artikelen 6 en 11 van
die wet of een
vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
12
van die wet, dan wel een bijdrage verschuldigd
is op grond van artikel 15 van de
Overgangswet verzorgingshuizen, kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de
uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats
van aan de verzekerde zonder diens machtiging
betalen aan de Ziekenfondsraad.
Art. 58.
Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering
-1. Indien de verzekerde
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald indien
de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid als
bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a
niet van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die
arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn.
-2. Toepassing van het
eerste lid kan ten hoogste plaatsvinden over een aaneengesloten tijdvak
van drie jaar, vanaf de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid
wordt genoten. Dit tijdvak wordt niet onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan vier weken geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na
afloop van het in de eerste zin genoemde tijdvak wordt de in het
eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
2,
vierde lid.
-3. Indien de verzekerde
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid
geniet ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de
hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale
werkvoorziening, vindt het tweede lid geen
toepassing.
-4. Na afloop van een
kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald
wegens het genieten van dat loon, alsmede van de dientengevolge niet-uitbetaalde vakantie-uitkeringen, vermeerderd met het bedrag aan premies
dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen
bij uitbetaling daarover
op grond van enige wet verschuldigd zou zijn en dat niet op de
uitkeringen in mindering kan worden gebracht, aan ’s Rijks kas afgedragen.
-5. Bij ministeriële
regeling worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels
hebben in elk geval betrekking op de gelijkstelling van inkomsten in verband
met arbeid met inkomsten als bedoeld in het eerste lid.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van andere vormen van arbeid die de verzekerde gaat
verrichten.
Art. 59.
Samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering in verband met bevalling met andere uitkeringen
-1. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de artikelen 12 tot en met
17 als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering uit hoofde van een na
ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevangen
dienstbetrekking, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover
deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft, doch in ieder
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande
aan de herziening.
-2. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de artikelen 36 tot en met 40 van
die wet
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van na ingang
van eerstbedoelde arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevangen werkzaamheden
als verzekerde, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
overtreft.
-3. Indien zowel recht
bestaat op een uitkering in verband met bevalling als bedoeld in artikel 22
als op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt:
a. indien de grondslag
van de uitkering in verband met bevalling lager is dan de grondslag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of daaraan gelijk is, de uitkering
in verband met bevalling uitbetaald voor zover deze samen met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meer bedraagt dan de grondslag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. indien de grondslag
van de uitkering in verband met bevalling hoger is dan de grondslag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering in verband met bevalling
uitbetaald voor zover deze samen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet meer bedraagt dan de grondslag van de uitkering in verband
met bevalling;
c. indien het recht op
uitkering in verband met bevalling ontstaat in het tijdvak van 52 weken
bedoeld in artikel 7, tweede lid, in afwijking van de
onderdelen a en
b, de
uitkering in verband met bevalling uitbetaald voor zover deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.
-4. Indien zowel recht
bestaat op een uitkering in verband met bevalling als bedoeld in artikel 22
als op ziekengeld in verband met bevalling als bedoeld in artikel
29a van de Ziektewet, wordt de uitkering in verband met bevalling uitbetaald
voor zover deze ziekengeld in verband met bevalling overtreft.
-5. Voor de toepassing van
het eerste tot en met het vierde lid wordt onder
arbeidsongeschiktheidsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en uitkering in verband met
bevalling tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en die uitkering recht bestaat,
voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.
-6. Het eerste en tweede
lid zijn niet van toepassing op de persoon die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering, bedoeld in
hoofdstuk VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het vierde lid is niet
van toepassing op de vrouw die ziekengeld in verband met
haar bevalling ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering,
bedoeld in hoofdstuk IV van de Ziektewet.
-7. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere en zo nodig afwijkende
regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het
eerste tot en met vijfde lid;
b. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling met de in het eerste tot en met vijfde lid
bedoelde uitkeringen in situaties waarin deze leden niet of onvoldoende
voorzien;
c. ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling op grond van deze wet met uitkering op
grond van andere wetten.
-8. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond
van de sociale wetgeving van de Nederlandse Antillen,
Aruba of van een andere mogendheid.
Art. 60.
Betaling van
vakantie-uitkering
-1. De betaling van de
vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan
die maand voorafgaande twaalf maanden of, indien het recht op
uitkering eerder dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het
Landelijk instituut sociale verzekeringen kan de vakantie-uitkering op
een ander tijdstip betalen, mits die betaling plaatsvindt over één of
meer voorliggende maanden waarover reeds recht op vakantie-uitkering
bestaat.
-2. De artikelen 55, 57 en
61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 61.
Overlijdensuitkering
-1. Na het overlijden van
de verzekerde aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering in
verband met bevalling is toegekend, wordt met
ingang van de dag na het overlijden de uitkering in de vorm van een
overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, degenen ten aanzien van
wie de overledene grotendeels in de kosten van bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde.
-2. Met de verzekerde aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt voor de
toepassing van dit artikel gelijkgesteld de persoon wiens overlijden
heeft plaatsgevonden in de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar zou
hebben bereikt, doch vóór het bereiken van deze leeftijd is overleden, en
die uitsluitend op grond van artikel 19, eerste lid, onderdeel a, over de dag
van zijn overlijden geen recht op uitkering had.
-3. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet
over de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die
uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de
verzekerde.
-4. In verband met het
overlijden van de verzekerde aan wie een uitkering is toegekend,
zijn de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, en
22, vierde lid, niet van
toepassing.
-5. De
overlijdensuitkering wordt op aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld
in het eerste lid, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
betaald.
-6. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens betaald.
-7. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband met bevalling dat over na het
overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
-8. Indien de verzekerde
een uitkering in verband met bevalling is toegekend in de vorm van
een uitkering ter zake van vervanging, wordt na het overlijden van deze
verzekerde overlijdensuitkering betaald op de voet van het eerste lid,
als ware de verzekerde een uitkering in verband met bevalling toegekend.
Het zevende lid blijft daarbij buiten toepassing.
Art. 62.
Verjaringstermijn
Uitkeringen op grond van
deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd
binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 63.
Terugvordering
-1. De uitkering die als
gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 18 onverschuldigd is
verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
van de belanghebbende
teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen besluiten
van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de
belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid,
onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet
het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 70.
-4. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het Landelijk instituut sociale
verzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-5. Het besluit tot
terugvordering vermeldt hetgeen wordt teruggevorderd, de termijn of termijnen
waarbinnen moet worden betaald, alsmede dat het besluit
bij gebreke van tijdige betaling zal worden ten uitvoer gelegd op de
wijze als omschreven in artikel 64.
-6. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat in afwijking van het eerste lid, onder bij die
regeling te bepalen omstandigheden, een uitkering in verband met
bevalling in de vorm van een uitkering ter zake van vervanging niet wordt
teruggevorderd.
-7. De persoon van wie of
de instelling waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
het Landelijk instituut sociale verzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-8. In afwijking van het
eerste lid kan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, onder
voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze
Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.
Art. 64.
Besluit als
executoriale titel
-1. Het besluit tot
terugvordering levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede
Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
-2. Artikel 54 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art. 65.
Nadere regels
-1. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot artikel 63, tweede en derde lid, nadere
regels worden gesteld.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt regels met betrekking tot de
artikelen 63, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, en 64.
Art. 66.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
-1. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in artikel 10, de uitkering in verband met bevalling en
de vakantie-uitkering zijn:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art. 67.
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen
Niet vatbaar voor beslag
zijn:
a. de verhoging, bedoeld
in artikel 10; en
b. de
overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 61.
HOOFDSTUK
4
De invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art. 68.
Samenloop
aanspraken
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht
aanspraak kan maken ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening
met de aanspraken die hij op grond van deze wet heeft.
Art. 69.
Regresrecht
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
heeft voor de op grond van deze wet gemaakte
kosten verhaal op de persoon die in verband met het veroorzaken van
arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot
schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze
bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat
van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon
jegens de verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze
Minister te stellen regels kan het Landelijk instituut
sociale verzekeringen in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen
de contante waarde daarvan vorderen.
HOOFDSTUK
5
Het
verstrekken van inlichtingen
Art. 70.
Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen
-1. De verzekerde, diens
wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 57, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn
verplicht aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen, op zijn verzoek of
onverwijld uit eigen beweging, alle feiten en omstandigheden mee te
delen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het
geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de
uitkering
dat wordt betaald.
-2. Op de verzekerde die
aanspraak maakt op of recht heeft op vakantie-uitkering of op een uitkering in
verband met bevalling als bedoeld in artikel 22, alsmede op
diens wettelijke vertegenwoordiger, rusten overeenkomstige
verplichtingen als omschreven in het eerste lid.
-3. Op de instelling,
bedoeld in artikel 23, tweede lid, rusten overeenkomstige verplichtingen als
bedoeld in het eerste lid.
HOOFDSTUK
6
Financiering
Art. 71.
Premieplicht
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 3, eerste lid, onderdeel a en b, en derde lid, is premie
verschuldigd over zijn premie-inkomen.
-2. De premieplicht
eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de premieplichtige
de leeftijd van 65 jaar bereikt.
Art. 72.
Maatstaf voor
premieheffing
-1. Het premie-inkomen is
het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten
winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere
inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid.
Voor de toepassing van dit artikel worden onder zuivere inkomsten uit
buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid verstaan andere
dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid
nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking
hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.
-2. Het premie-inkomen
wordt voor de premieheffing tot geen hoger bedrag in aanmerking
genomen dan het door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aan te wijzen bedrag.
-3. Ten aanzien van de
verzekerde die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij
een aanmerkelijk belang heeft, worden de in een kalenderjaar genoten
zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige
arbeid uit die arbeidsverhouding voor de toepassing van dit
artikel ten minste gesteld op het in het tweede lid bedoelde premie-inkomen
dat ten hoogste in aanmerking wordt genomen, dan wel, indien
hij aannemelijk maakt dat ter zake van soortgelijke
arbeidsverhoudingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het
economische verkeer een lagere beloning gebruikelijk is, gesteld op die lagere
beloning verminderd met de in het eerste lid bedoelde aftrekbare
kosten.
Art. 72a.
Middeling
van premie-inkomen over drie jaar
-1. Op aanvraag wordt aan
de verzekerde die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten
gehele kalenderjaren, hierna te noemen het middelingstijdvak,
premieplichtig is geweest op grond van deze wet een teruggaaf van premie,
hierna te noemen een middelingsteruggaaf, verleend. Het
kalenderjaar waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt niet in een
middelingstijdvak betrokken. Een kalenderjaar behorende tot een tijdvak
waarover een middelingsteruggaaf is verleend, wordt niet in een ander
middelingstijdvak betrokken.
-2. De teruggaaf van
betaalde premie bedraagt het verschil van de premie die over het
middelingstijdvak is geheven en de premie die verschuldigd zou zijn
indien het premie-inkomen in elk van die jaren een derde gedeelte zou
bedragen van het totaal van de premie-inkomens in die jaren, voor zover dit
verschil groter is dan ƒ1200,00. Voor de toepassing van de eerste zin wordt
een premie-inkomen in een kalenderjaar ten minste op nihil gesteld.
-3. De aanvraag wordt
gedaan bij de inspecteur van de rijksbelastingdienst binnen twaalf maanden
nadat de op de jaren van het middelingstijdvak betrekking hebbende
aanslagen inzake premie onherroepelijk zijn geworden. Ingeval over één jaar van het middelingstijdvak wordt nagevorderd of bij
beschikking een aanslag wordt verminderd, terwijl op het tijdstip van het
onherroepelijk worden van de navorderingsaanslag of de beschikking de in de
eerste zin bedoelde termijn van twaalf maanden voor meer dan tien
maanden is verstreken, kan een aanvraag van teruggaaf tevens worden
gedaan binnen twee maanden na dat tijdstip.
-4. De inspecteur van de
rijksbelastingdienst beslist op de aanvraag bij voor bezwaar vatbare
beschikking.
Art. 73.
Franchise en
tarief
-1. De premie voor de
verzekering wordt vastgesteld op een percentage van het in aanmerking te
nemen premie-inkomen verminderd met een door Onze
Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën
bij ministeriële regeling
aan te wijzen bedrag dan wel met het bedrag van de inkomsten uit
dienstbetrekking indien dit hoger is.
-2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, het
premiepercentage vast, alsmede het tijdvak waarvoor dat percentage
geldt, voor de verzekering op grond van deze wet.
-3. Indien Onze Minister
zijn goedkeuring onthoudt aan het door het Landelijk instituut
sociale verzekeringen vastgestelde percentage of aan het tijdvak waarvoor dat
premiepercentage is vastgesteld, stelt hij het percentage of het tijdvak
vast.
Art. 74.
Gemiddeld
premiepercentage
Indien een wijziging van
een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan met ingang
van 1 januari, wordt bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën, een gemiddeld premiepercentage
vastgesteld voor door Onze Minister aan te wijzen tijdvakken.
Art. 75.
Heffing en
invordering van premie
-1. De op grond van dit
hoofdstuk verschuldigde premie wordt geheven en ingevorderd
overeenkomstig de voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting
geldende regels, met dien verstande dat de artikelen 64, 65 en 66a
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 buiten toepassing blijven.
-2. De premie wordt
geheven en ingevorderd door de rijksbelastingdienst.
-3. De aanslag premie en
de aanslag inkomstenbelasting kunnen op één aanslagbiljet worden
verenigd. In dat geval worden de bedragen van de aanslagen afzonderlijk
vermeld.
-4. Indien geen aanslag
inkomstenbelasting wordt vastgesteld, wordt evenmin een aanslag
premie vastgesteld. De eerste zin is niet van toepassing ingeval aan
loonbelasting onderworpen inkomsten uit tegenwoordige arbeid
worden genoten, andere dan uit dienstbetrekking.
Art. 76.
Rijksbijdragen
Indien de premie die op
grond van dit hoofdstuk is verschuldigd door de verzekerden, bedoeld
in artikel 5, met uitzondering van de verzekerden die op grond van artikel
6 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als
directeur-grootaandeelhouder worden beschouwd, onvoldoende is om de uitgaven,
bedoeld in artikel 80, met betrekking tot deze verzekerden in een
kalenderjaar te bekostigen, komt het verschil ten laste van het Rijk.
Art. 77.
Nadere regels
Bij ministeriële
regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën
nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de
artikelen 71 tot en met 76.
Art. 78.
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
-1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
beheert en administreert afzonderlijk de in
artikel 79 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven,
bedoeld in artikel 80, alsmede de middelen benodigd voor het vormen
en in stand houden van een reserve, in de vorm van een
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dat deel uitmaakt van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. De middelen voor het
vormen en in stand houden van een reserve worden gevonden uit de
ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komende
premies.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen bezigt de op grond van het eerste lid
gereserveerde gelden niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen dan met toestemming van Onze
Minister.
Art. 79.
Bedragen ten
gunste van Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen
Ten gunste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de premie, bedoeld in
artikel 73, en de premievervangende belasting, bedoeld in artikel
91;
b. het bedrag, bedoeld in
artikel 56;
c. de boeten, bedoeld in
artikel 48;
d. de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen
ontvangt met toepassing
van verhaal als bedoeld in artikel 69;
e. de rijksbijdrage,
bedoeld in artikel 76.
Art. 80.
Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen
Ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen komen:
a. de op grond van deze
wet te betalen uitkeringen;
b. de op grond van enige
wet over de uitkeringen op grond van deze wet door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
verschuldigde premies die niet op deze
uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht;
c. het op grond van
artikel 58, vierde lid, aan ’s Rijks kas af te dragen bedrag;
d. het op grond van
artikel 42 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan het
Reïntegratiefonds af te dragen bedrag;
e. de aan de uitvoering
van deze wet verbonden kosten.
HOOFDSTUK
7
Uitvoering
Art. 81.
Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 3, is verzekerd bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-2. In de uitvoering van
de in deze wet geregelde verzekering wordt, behoudens de uitvoering
die op grond van enig artikel van deze wet aan een ander is opgedragen,
voorzien door het Landelijk instituut sociale verzekeringen en door de uitvoeringsinstelling
die de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 van
de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, verricht.
Art. 82.
De
uitvoeringsinstelling
-1. Ten aanzien van de
verzekerde, bedoeld in artikel 4, worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997,
verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht
voor de sector waarbij hij bij of krachtens de artikelen 52 en
53 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 is aangesloten of zou zijn aangesloten indien hij personeel in zijn dienst had.
-2. Ten aanzien van de
verzekerde, bedoeld in artikel 5, worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997,
verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht
voor de sector waarbij hij bij of krachtens de artikelen 52 en
53 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 is aangesloten of zou zijn aangesloten indien hij zijn werkzaamheden in dienstbetrekking zou
hebben verricht.
-3. Ten aanzien van de
verzekerde, bedoeld in artikel 6, worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997,
verricht door de uitvoeringsinstelling die de werkzaamheden ten aanzien
van zijn echtgenoot op grond van het tweede lid verricht. Indien de
echtgenoot niet verzekerd is, worden de werkzaamheden ten aanzien van de
verzekerde, bedoeld in artikel 6, verricht door de uitvoeringsinstelling die
deze werkzaamheden verricht voor de sector waarbij de echtgenoot zou
zijn aangesloten indien hij wel verzekerd zou zijn geweest.
-4. Ten aanzien van de
verzekerde op wie het eerste tot en met derde lid niet van toepassing is,
worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, verricht door een door het Landelijk instituut sociale verzekeringen
aan te wijzen uitvoeringsinstelling.
-5. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen kan, onder goedkeuring van Onze
Minister, regels
stellen waarbij voor één of meer categorieën van verzekerden van het
eerste tot en met vierde lid kan worden afgeweken.
Art. 83.
Werkzaamheden
verricht door de uitvoeringsinstelling bij samenloop
-1. Indien ten aanzien van
de in artikel 4 bedoelde verzekerden de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, op
grond van laatstgenoemde wet door meer dan één uitvoeringsinstelling
zouden worden uitgevoerd, worden deze werkzaamheden ten aanzien van deze
verzekerde verricht door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
verricht voor de sector of het sectoronderdeel waartoe de werkzaamheden
behoren waarvoor door hem in de periode waarover de
grondslag voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend het
grootste bedrag aan winst of inkomsten wordt genoten.
-2. Indien de verzekerde
in geval van arbeidsongeschiktheid of in verband met bevalling
recht heeft op een uitkering en met ingang van dezelfde dag aanspraak
heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, worden de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, ten
aanzien van deze verzekerde verricht door de uitvoeringsinstelling die
deze werkzaamheden verricht met betrekking tot de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-3. Indien de verzekerde
in verband met bevalling recht heeft op een uitkering op grond van
deze wet en met ingang van dezelfde dag aanspraak heeft op een
uitkering in verband met bevalling op grond van de Ziektewet, worden de
werkzaamheden, bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, ten aanzien van deze verzekerde verricht door
de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht met betrekking
tot de uitkering in verband met bevalling op grond van de Ziektewet.
-4. Indien de verzekerde
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten die is
toegekend met ingang van een dag gelegen vóór de dag waarop hij
recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, worden de werkzaamheden,
bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, ten aanzien van deze verzekerde verricht door
de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden verricht met betrekking
tot de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
-5. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
kan regels stellen waarbij een
uitvoeringsinstelling de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, ten aanzien van de verzekerde verricht in
geval van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering of uitkering in verband
met bevalling met uitkeringen op grond van andere wettelijke
regelingen in gevallen anders dan bedoeld in het tweede tot en met vierde
lid.
Art. 84.
Werkzaamheden
verricht door de uitvoeringsinstelling bij herziening
Ongeacht artikel 82 en 83
worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel 41
van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot de herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering verricht door de uitvoeringsinstelling
die
deze werkzaamheden verrichtte ten tijde van de toekenning van die
uitkering.
Art. 85.
Werkzaamheden
verricht door de uitvoeringsinstelling bij toekenning binnen
vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
Onverminderd artikel 83,
tweede en derde lid, worden de werkzaamheden, bedoeld in artikel
41 van
de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot
de toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel
20 verricht door de uitvoeringsinstelling
die deze werkzaamheden met
betrekking tot de in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, bedoelde ingetrokken
uitkering heeft verricht dan wel door de uitvoeringsinstelling die deze werkzaamheden
met betrekking tot de in artikel 20, eerste lid, onderdeel b,
bedoelde niet-toegekende uitkering heeft verricht.
Art. 86.
Werkzaamheden
verricht door de uitvoeringsinstelling bij heropening
-1. De werkzaamheden,
bedoeld in artikel 41 van de Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, met betrekking tot de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering
worden verricht door de uitvoeringsinstelling
die de werkzaamheden met
betrekking tot de ingetrokken uitkering heeft verricht.
-2. De heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de
ingetrokken uitkering. Voor de toepassing van de artikelen
14, tweede lid, 15, eerste lid, onderdeel c, en
16 wordt daarbij met herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 87.
Vervallen.
Art. 88.
Vervallen.
HOOFDSTUK
8
Gemoedsbezwaren
Art. 89.
Ontheffing
wegens gemoedsbezwaren
-1. Van verplichtingen die
bij of krachtens hoofdstuk 6 zijn opgelegd, wordt op zijn aanvraag
ontheven de persoon die gemoedsbezwaren heeft tegen de in deze wet
geregelde verzekering.
-2. Een ontheffing wordt
verleend door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.
-3. Het Landelijk
instituut sociale verzekeringen doet van het verlenen van een ontheffing,
alsmede van het intrekken van een ontheffing, mededeling aan de
inspecteur van de rijksbelastingdienst binnen wiens ambtsgebied de
persoon
ten aanzien van wie ontheffing is verleend dan wel is ingetrokken, woont
of is gevestigd.
Art. 90.
Heffing van
premievervangende inkomstenbelasting
Indien op grond van
artikel 89 ontheffing is verleend, wordt geen premie geheven, doch
vindt voor de verzekering op grond van deze wet heffing en invordering
van een premievervangende inkomstenbelasting plaats op zodanige wijze
dat van de persoon van wie anders premie zou worden geheven,
inkomstenbelasting wordt geheven tot een bedrag van die premie.
Art. 91.
Belasting
beschouwd als premie voor bepaalde wetten
De op de voet van artikel
90 verschuldigde premievervangende inkomstenbelasting wordt
geheven en ingevorderd op de voet van hoofdstuk 6, als ware de
premievervangende inkomstenbelasting premie.
Art. 92.
Premie ten
laste van het Rijk
Premie voor de
verzekering op grond van deze wet die als gevolg van een ontheffing als
bedoeld in artikel 89 niet wordt geheven, komt ten laste van het Rijk.
Art. 93.
Nadere regels
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
hoofdstuk. Deze regels betreffen:
a. de voorschriften
waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de verdere gevolgen
die voor de toepassing van deze wet aan een ontheffing zijn
verbonden;
c. de gevallen waarin
een ontheffing wordt ingetrokken; en
d. de gevolgen die voor
de toepassing van deze wet zijn verbonden aan een ontheffing en aan een
intrekking van een ontheffing.
HOOFDSTUK
9
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art. 94.
Begrip
belanghebbende
Bij een besluit op grond
van deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of
voortbestaan dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid is belanghebbende de
persoon op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Art. 95.
Beslistermijnen
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn
waarbinnen een beschikking op aanvraag en op grond van deze wet door
het Landelijk instituut sociale verzekeringen
dient te worden gegeven.
Deze algemene maatregel van bestuur vervalt met ingang van 1 januari
2000.
Art. 96.
Beslistermijn
Landelijk instituut sociale verzekeringen bij bezwaarschrift
-1. In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Landelijk instituut sociale verzekeringen binnen dertien weken na
ontvangst van het bezwaarschrift.
-2. Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een besluit waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het Landelijk instituut
sociale verzekeringen binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt
aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen
21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Art. 97.
Medische
bezwaarschriftprocedure
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de
behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan een medische of
arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 98.
Beroep in
cassatie
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de
artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 3 tot en met 6 en de op die artikelen
berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven
inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een
gerechtshof.
HOOFDSTUK
10
Strafbepalingen
Art. 99.
Strafbepaling
Overtreding van
bepalingen van een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van
bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel
aangeduid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één maand of
geldboete van de tweede categorie.
Art. 99a.
Strafbepaling inzake artikel 70
Hij die niet voldoet aan
de verplichting, bedoeld in artikel 70, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.
Art. 99b.
Strafbepaling inzake valse opgave/opzettelijke verzwijging
Hij die op grond van bij
of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen gehouden is inlichtingen
of gegevens te verstrekken, een aangifte of mededeling te doen of een
verklaring af te leggen en daarbij opzettelijk een valse opgave doet,
dan wel opzettelijk in strijd met bedoelde gehoudenheid iets
verzwijgt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Art. 99c.
Strafbepaling inzake opzettelijke opgave in strijd met waarheid
Hij die op andere wijze
dan door het valselijk opmaken of vervalsen van een geschrift dat
bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, opzettelijk een opgave
in strijd met de waarheid doet, zulks met het oogmerk om aldus een
uitkering of een hogere uitkering op grond van deze wet te verkrijgen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of
geldboete van de vierde categorie.
Art. 100.
Verval van
recht tot strafvordering
Het recht tot
strafvordering vervalt indien het Landelijk instituut sociale verzekeringen
aan de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger ter zake van hetzelfde feit
reeds een boete heeft opgelegd.
Art. 101.
Misdrijven
en overtredingen
De in de artikelen 99b en 99c
bedoelde strafbare feiten worden als misdrijven, de in de
artikelen 99 en 99a bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen
beschouwd.
HOOFDSTUK
11
Slotbepalingen
Art. 102.
Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 7, derde en vijfde lid, 13, vierde lid, 14,
15, eerste lid, 16,
20 en 21.
Art. 103.
Inwerkingtreding
Deze wet treedt in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de
verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, met uitzondering van de artikelen
89 en 93, die in werking treden met ingang van 1
oktober 1997, red.
Art. 104.
Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
[Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te ‘s-Gravenhage, 24 april
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager, red.]
|
|