Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

[Raad voor de rechtspraak, red.]

     Deze procesregeling heeft betrekking op (de voortgang van de procedure in) algemeen-bestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en fiscaalrechtelijke zaken bij de rechtbanken. Ieder gerechtsbestuur heeft voor het eigen gerecht een met deze modelregeling overeenkomende procesregeling vastgesteld. De data waarop dat is gebeurd, staan vermeld in de Staatscourant.

     Een met deze regeling overeenkomende regeling is vastgesteld door het gerechtsbestuur van de rechtbank Amsterdam op 6 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Holland op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Midden-Nederland op 25 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland op 24 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Gelderland op 6 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Overijssel op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Den Haag op 4 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Rotterdam op 25 februari 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Limburg op 7 maart 2014, door het gerechtsbestuur van de rechtbank Oost-Brabant op 6 maart 2014 en door het gerechtsbestuur van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 maart 2014.

     Modelregeling, vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Bestuursrecht (LOVB) van 23 januari 2014, houdende richtlijnen voor het behandelen van algemeenbestuursrechtelijke, vreemdelingrechtelijke en fiscaalrechtelijke zaken bij de rechtbanken.

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemeen

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. een voorlopigevoorzieningszaak: een zaak als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
b. een belastingzaak: een zaak waarop het procesrecht van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is;
c. een vreemdelingenzaak: een zaak waarin de rechtbank Den Haag ingevolge artikel 6 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bevoegd is;
d. een vrijheidsontnemende maatregel: een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59 van de Vw 2000;
e. een eerste beroep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 94 van de Vw 2000 van toepassing is;
f. een vervolgberoep (inzake een vrijheidsontnemende maatregel): een beroep waarop artikel 96 van de Vw 2000 van toepassing is;
g. een AA-zaak: een voorlopigevoorzieningszaak over een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 die met toepassing van artikel 3.114 en/of 3.115 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is afgedaan;
h. een Dublinzaak: een voorlopigevoorzieningszaak over een afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, krachtens artikel 30, aanhef en onder a, van de Vw 2000, die niet met toepassing van artikel 3.114 en/of 3.115 van het Vb 2000 is afgedaan;
i. Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV): het onderdeel van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem) dat is aangewezen voor het indienen van beroepschriften en verzoekschriften in een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
-2. Voor de toepassing van deze regeling wordt met een beroepschrift gelijkgesteld een verzoekschrift als bedoeld in titel 8.4 van de Awb.

 

Art. 2. De verzending van stukken door de rechtbank (de artikelen 8:37 en 8:38 van de Awb)
-1. De griffier verzendt de uitnodiging voor de zitting aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.
-2. De griffier verzendt stukken waarin (de griffier van) de rechtbank een laatste termijn stelt voorafgaande aan mogelijke vereenvoudigde afdoening, eveneens aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax.
-3. De griffier verzendt stukken waarop artikel 8:37, tweede lid, van de Awb betrekking heeft bij gewone brief of per fax, tenzij de rechtbank anders bepaalt.

 

Art. 2a. Elektronisch indienen van beroepschriften, verzoeken om een voorlopige voorziening en nader ingediende elektronische stukken (artikel 8:40a van de Awb)
De rechtbank neemt een elektronisch ingediend beroep- of verzoekschrift uitsluitend in behandeling indien het is ingediend via één van de webapplicaties van de rechtbank (http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht). Hetzelfde geldt voor nader ingediende elektronische stukken. Deze bepaling heeft geen betrekking op faxverkeer.

 

Art. 3. De gemachtigde (de artikelen 6:17 en 8:24 van de Awb)
Indien een partij zich door een gemachtigde laat bijstaan of vertegenwoordigen, richt de rechtbank correspondentie en zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken uitsluitend aan die gemachtigde. Een oproeping van een partij zendt de rechtbank, voor zover het desbetreffende adres bekend is, aan die partij zelf. Zij stelt de gemachtigde daarvan in kennis.

 

Art. 4. Uitstel van een door de rechtbank gestelde termijn
-1. De rechtbank verlengt een door haar gestelde termijn slechts in uitzonderlijke omstandigheden en indien daarom binnen die termijn schriftelijk en gemotiveerd is verzocht.
-2. De rechtbank deelt haar beslissing op het verzoek om uitstel aan verzoeker mee binnen één week na ontvangst van dit verzoek.
-3. Indien de rechtbank een verzoek om uitstel inwilligt, geeft zij aan de verzoeker een nadere termijn van ten hoogste vier weken na de verzending van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
-4. De rechtbank wijst een volgend verzoek om verlenging van een gestelde termijn dat betrekking heeft op dezelfde aangelegenheid in beginsel af.

 

Art. 5. Openbare stukken
-1. Indien een partij een beroep doet op stukken van algemene aard (inclusief rechterlijke uitspraken), behoeft zij daarvan geen kopie over te leggen indien zij de vindplaats vermeldt en die vindplaats openbaar is.
-2. In een vreemdelingenzaak, een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 3a van de Wet COA en een zaak over een besluit als bedoeld in artikel 21 van de Wav merkt de rechtbank in ieder geval de bronnen vermeld in de lijst die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl als openbare vindplaats aan.

 

Art. 6. Versnelde behandeling (artikel 8:52 van de Awb)
-1. Binnen twee weken na ontvangst van een gemotiveerd verzoek om versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb deelt de rechtbank partijen mee of het verzoek wordt ingewilligd.
-2. In geval van versnelde behandeling kunnen de in deze procesregeling gestelde termijnen worden verkort, voor zover de wet dit toelaat.

 

 

HOOFDSTUK  2

Het begin van de procedure

 

Art. 7. De ontvangstbevestiging, de kennisgeving, de berichtgeving, de stukken en het verweerschrift (de artikelen 6:14 en 8:42 van de Awb)
-1. De rechtbank verzendt de bevestiging

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.