Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  WERK  EN  INKOMEN  KUNSTENAARS

Versie 23 december 2004

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 2003-2004, 2004-2005, 29 574.
Handelingen II 2004-2005, blz. 910-927, 1349-1351, 1658-1658.
Kamerstukken I 2004-2005, 29 574 (A, B).
Handelingen I 2004-2005, blz. 507-508.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 23 december 2004, Stb. 2004, 717, tot vaststelling van een nieuwe regeling inzake inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet werk en inkomen kunstenaars). Inwerkingtreding: 1 januari 2005 (Stb. 2004, 718), zie artikel 80.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter vereenvoudiging en verduidelijking van de regelgeving alsmede ter bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van de kunstenaar gewenst is te komen tot een nieuwe Wet werk en inkomen kunstenaars;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

§ 1.1.  Begripsbepalingen

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. college: het college van burgemeester en wethouders van een gemeente als bedoeld in artikel 23;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in artikel 35;
d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk beroep of bedrijf;
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 2. Gelijkstellingen
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. huwelijk: geregistreerd partnerschap;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde;
e. echtscheiding: beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders dan door de dood of vermissing van één van de partners.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de kunstenaar en zijn echtgenoot hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van een uitkering krachtens deze wet of de Wet werk en bijstand voor de verlening van uitkering als gehuwden zijn aangemerkt;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.

 

Art. 3. Alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde kunstenaar die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde kunstenaar die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
c. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

 

 

§ 1.2.  Middelen

 

Art. 4. Middelen
-1. Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de kunstenaar of zijn gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de kunstenaar of zijn gezin door een niet in de uitkering begrepen persoon worden ontvangen.
-2. Niet tot de middelen van de kunstenaar of zijn gezin worden gerekend:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees van 123recht beschikbaar. Bekijk de vele extra's van 123recht en ontvang
80% korting op het eerste abonnementsjaar. Klik hier.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x