Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  INKOMENSVOORZIENING  OUDERE  WERKLOZEN

Versie 19 juni 2008

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 2006-2007, 2007-2008, 30 819.
Handelingen II 2007-2008, blz. 5080-5089, 5114-5114.
Kamerstukken I 2007-2008, 30 819 (A, B, C, D).
Handelingen I 2007-2008, blz. 1413-1415.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 19 juni 2008, Stb. 2008, 340, houdende regels voor een inkomensvoorziening voor oudere werklozen (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen). Inwerkingtreding: 1 december 2009 (Stb. 2008, 341). Vervalt met ingang van 1 juli 2016.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een inkomensvoorziening voor oudere werkloze werknemers tot stand te brengen in verband met de wijziging van het WW-stelsel en de bijzondere arbeidsmarktpositie van ouderen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene begrippen en algemene bepalingen

 

Art. 1. Algemene begrippen  [MvT]
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- aanvrager: de persoon die een aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet heeft ingediend dan wel schriftelijke toestemming heeft gegeven om een aanvraag in te dienen;
- CWI: Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- eerste dag van werkloosheid: de eerste dag van werkloosheid, bedoeld in artikel 16a van de Werkloosheidswet;
- kind: het kind jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, op grond van de Algemene kinderbijslagwet, kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen;
- minimumloon: het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, vermeerderd met de daarover berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- re-integratiebedrijf: een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
- uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet;
- UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet;
- werknemer: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet.

 

Art. 2. Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden  [MvT]
-1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd;
c. gehuwde: als partner geregistreerde.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij n van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
[MvT + bis]
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
[MvT + bis]
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering op grond van deze wet voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de n door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding op grond van een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid.
[MvT + bis]
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d.
[MvT + bis]

 

 

HOOFDSTUK  2

De uitkering

 

1.  De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 3. Recht op uitkering  [MvT]
-1. Recht op een uitkering op grond van deze wet heeft de persoon:
[MvT]
a. wiens eerste dag van werkloosheid tussen 30 september 2006 en 1 juli 2011 ligt;
b. op die dag 60 jaar of ouder is;
c. die na die dag meer dan drie maanden recht had op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; en
d. op wie geen uitsluitingsgrond van toepassing is.
-2. Het recht op uitkering ontstaat op de dag nadat de geldende uitkeringsduur op grond van de Werkloosheidswet is verstreken.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing indien artikel 42b van de Werkloosheidswet toepassing heeft gevonden ten aanzien van een recht op uitkering op grond van die wet waarbij de eerste dag van werkloosheid lag vr 1 oktober 2006 waarna dat recht geheel of gedeeltelijk is geindigd en vervolgens na die datum een nieuw recht op uitkering is ontstaan.
[MvT]

 

Art. 4. Vaststelling recht op uitkering  [MvT]
-1. Het UWV stelt op aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat.
-2. Een aanvraag wordt ingediend bij het UWV.
-3. Het recht op uitkering kan niet worden vastgesteld over perioden gelegen vr 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend.

 

Art. 5. Later ontstaan van het recht op uitkering  [MvT]
Indien geen recht op uitkering is ontstaan omdat op de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, n of meer uitsluitingsgronden van toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.

 

Art. 6. Uitsluitingsgronden  [MvT]
-1. Voor het recht op uitkering gelden de volgende uitsluitingsgronden:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees van 123recht beschikbaar. Bekijk de vele extra's van 123recht en ontvang
80% korting op het eerste abonnementsjaar. Klik hier.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x