Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING  JONGGEHANDICAPTEN  (Wajong)

Versie 31 december 2009

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 

Inhoudsopgave Wajong

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen artt. 1 - 5
Hoofdstuk 2 De uitkeringen artt. 6 - 59
Afdeling 1x Het recht op en de hoogte van de uitkering artt. 6 - 26
§ 1x De arbeidsongeschiktheidsuitkering artt. 6 - 20a
§ 2x Vakantie-uitkering artt. 21 - 23
§ 3x Voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid, toelagen en vergoedingen (vervallen) artt. 24 - 26
Afdeling 2x Het geldend maken van het recht op uitkering artt. 27 - 46
§ 1x Melding art. 27
§ 2x Toekenning artt. 28 - 36
§ 3x Maatregelen en bestuurlijke boeten artt. 37 - 46a
Afdeling 3x De betaling van de uitkering artt. 47 - 59
Hoofdstuk 2a Reïntegratie-instrumenten artt. 59a - 59l
Hoofdstuk 3 De invloed van de verzekering op het burgerlijk recht artt. 60 - 61
Hoofdstuk 4 Het verstrekken van inlichtingen art. 62
Hoofdstuk 5 Financiering artt. 63 - 66
Hoofdstuk 6 Uitvoering (vervallen) artt. 66a - 67
Hoofdstuk 7 Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie artt. 68 - 72a
Hoofdstuk 8 Strafbepalingen artt. 73 - 75
Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingen artt. 76 - 79
xxxxxxxxxxx|r xxxxxxxxxxx|r

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.

Geschiedenis:
Staatsblad 1996, 478Staatsblad 1997, 177Staatsblad 1997, 465Staatsblad 1997, 660Staatsblad 1997, 773Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 290Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 25Staatsblad 1999, 185Staatsblad 1999, 564Staatsblad 1999, 595Staatsblad 2000, 286Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2000, 627Staatsblad 2001, 212Staatsblad 2001, 225Staatsblad 2001, 481Staatsblad 2001, 568Staatsblad 2001, 625Staatsblad 2001, 628Staatsblad 2002, 395Staatsblad 2003, 376Staatsblad 2003, 544Staatsblad 2004, 306Staatsblad 2004, 324Staatsblad 2004, 416Staatsblad 2005, 37Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2005, 65Staatsblad 2005, 382Staatsblad 2005, 525Staatsblad 2005, 530
Staatsblad 2005, 573Staatsblad 2005, 624Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708Staatsblad 2005, 713Staatsblad 2006, 223Staatsblad 2006, 703Staatsblad 2007, 305Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555Staatsblad 2007, 564Staatsblad 2007, 567Staatsblad 2008, 199Staatsblad 2008, 510Staatsblad 2008, 590Staatsblad 2008, 598Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 384Staatsblad 2009, 265Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318Staatsblad 2009, 542.

 

 

WET van 24 april 1997, Stb. 1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1999, 25. Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997, 391).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1 [1:1]. Algemene begrippen  [Geschiedenisversie 24 april 1997Stb. 1997, 660 + bisStb. 1997, 678Stb. 1997, 794 + bisStb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 1999, 595Stb. 2000, 496Stb. 2001, 625Stb. 2004, 306Stb. 2005, 573]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten: het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten, bedoeld in artikel 63 [5:1];
d. jonggehandicapte: de natuurlijke persoon, bedoeld in artikel 5 [3:2];
e. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;
f. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
g. rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
h. justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;
i. reïntegratiebedrijf: een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid bevordert;
j. resterende verdiencapaciteit: datgene dat de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen en dat bij of krachtens artikel 2
[3:1] is vastgesteld;
k. werknemer: een werknemer in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
l. werkgever: een werkgever in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

 

Art. 2 [3:1]. Begrip arbeidsongeschiktheid [Bbu04] [Bu08] [Bulca]  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1997, 794versie 1 januari 1999Stb. 2003, 544Stb. 2005, 710Stb. 2009, 318]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de dag dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in het tweede lid bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de dag waarop de betrokkene ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene op het moment dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zevende lid nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. [Sa]
-9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.
-10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. [Sa]
-11. Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. [Rvpa]

 

Art. 3 [1:2]. Ingezetene  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1997, 794versie 1 januari 1999]
-1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip "ingezetene". [BubkiW]
-3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.

 

Art. 4 [1:3]. Woonplaats  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997versie 1 januari 1999]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in de Nederlandse Antillen, Aruba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

 

Art. 5 [3:2/1:4]. Jonggehandicapte  [GeschiedenisMvTversie 24 april 1997Stb. 1998, 742versie 1 januari 1999Stb. 2000, 286Stb. 2001, 225]
-1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:

 

 

 


De volledige, bijgewerkte pagina is alleen voor abonnees van 123recht beschikbaar. Bekijk de vele extra's van 123recht en ontvang
80% korting op het eerste abonnementsjaar. Klik hier.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x