|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2008-2009, 31 867
Aanvulling
van de Algemene wet bestuursrecht met regels over elektronisch verkeer
met de bestuursrechter (Wet elektronisch verkeer met de
bestuursrechter)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Noodzaak
van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Doelstellingen
van het wetsvoorstel |
| 1.3 |
Strekking
van het wetsvoorstel |
| 1.4 |
Digitaal
procederen in het burgerlijk procesrecht |
| 1.5 |
Experimenten
met digitaal procederen |
| 1.6 |
Voorbereiding
van dit wetsvoorstel |
| 2 |
Elektronisch
verkeer |
| 2.1 |
Reikwijdte
van afdeling 2.3 |
| 2.2 |
Correspondentie
in het algemeen |
| 2.3 |
Bereikbaarheid
van de burger |
| 2.4 |
Bereikbaarheid
van de bestuursrechter |
| 2.5 |
Weigering
een bericht te aanvaarden |
| 2.6 |
Beveiliging |
| 2.7 |
Tijdstip
van verzending en ontvangst elektronische berichten |
| 2.8 |
Horen
van partijen en getuigen per videoconferentie |
| 2.9 |
Nadere
regelgeving |
| 2.10 |
Ervaringen
met elektronische verzending onder de Webv |
| 3 |
Administratieve
lasten voor burgers en het bedrijfsleven |
| 4 |
Financiële
gevolgen |
| 5 |
Notificatie |
| xArtikelsgewijs |
| xxxx |
Artikelen
I t/m IV |
Algemeen
1.
Inleiding
1.1.
Noodzaak van het wetsvoorstel
Op 1
juli 2004 is de Wet elektronisch
bestuurlijk verkeer (Wet van 29 april
2004, Stb. 2004, 214; hierna: Webv) in
werking getreden. Deze wet
- een
aanvulling op en wijziging van de
Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
- bevat een regeling voor het verkeer
langs elektronische weg tussen burgers
en bestuursorganen in zowel de primaire
als de zogeheten "verlengde"
besluitvormingsfase. De Webv is dus ook
van toepassing op de behandeling van
bezwaren en administratieve beroepen.
De Awb kent
echter nog geen regeling voor het
elektronisch verkeer tussen burgers en
bestuursrechters. De wetgever heeft er
indertijd uitdrukkelijk voor gekozen om
de problematiek van het elektronisch
procederen tijdens de beroepsfase
vooralsnog buiten beschouwing te laten.
Bij de parlementaire behandeling van de
Webv heeft de toenmalige Minister van
Justitie echter wel toegezegd in een
later stadium te bezien of, en zo ja,
in hoeverre er tevens regels voor
het elektronische verkeer tussen burgers
en bestuursrechters moeten komen
(Kamerstukken II 2003-2004, 29 279, nr.
16, blz. 15).
Inmiddels voelt de praktijk een
toenemende behoefte aan het benutten van
diverse elektronische mogelijkheden
tijdens de bestuursrechtelijke
procedure. Dit blijkt onder meer uit de
hierna, in paragraaf 1.5, te
beschrijven pilots. Bovendien is moderne digitale
communicatie efficiënt(er) dan de tot
nu toe gebruikelijke vormen van
communicatie, hetgeen op termijn voor de
gerechten kan leiden tot aanzienlijke
kostenbesparingen. Voor een nadere
toelichting zij verwezen naar paragraaf
2.2.
Tegelijkertijd
is echter nog (steeds) onvoldoende
duidelijk of, en zo ja, onder welke
voorwaarden elektronische verzending
van processtukken kan worden aanvaard.
Zo staat ter discussie of de
bestuursrechter een per e-mail verzonden
beroepschrift ontvankelijk mag achten.
De Centrale Raad van Beroep (hierna:
CRvB) beantwoordt deze vraag
ogenschijnlijk positief (vgl.
bijvoorbeeld CRvB 23 maart 2005, AB
2005, 193, en CRvB rblz.|2|
19 mei 2006, LJN
AX6745). De Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State (hierna: ABRvS)
beschouwt verzending per e-mail echter
niet als "schriftelijk" in de
zin van de Awb (bijvoorbeeld
ABRvS 10
september 2003, AB 2004, 34; zie echter
ABRvS 17 december 2003, JB 2004/81, voor
een genuanceerdere benadering).
Ook de regels
voor het gebruik van de fax als middel
ter verzending van processtukken - toch een reeds lang een in beginsel
algemeen geaccepteerde wijze van
(elektronisch!) communiceren met de
bestuursrechter - zijn nog steeds niet
volledig uitgekristalliseerd. Zo bestaat
enige onduidelijkheid over de
bewijswaarde van het verzendjournaal (de
melding "verzending OK") van
een faxapparaat aan degene die een
bericht heeft verzonden.
In oudere
jurisprudentie werd gesuggereerd dat
reeds het enkele ontkennen van de
ontvangst van een faxbericht voldoende
was om de bewijslast van zowel de
verzending als de ontvangst van zo’n
bericht geheel op de schouders van de
afzender te leggen (vgl. bijvoorbeeld
CRvB 4 juli 2006, JWWB 2006, 271).
Momenteel geldt echter dat door het
overleggen van een verzendjournaal in
beginsel de verzending van een
faxbericht voldoende aannemelijk is
gemaakt en dat het vervolgens op de weg
van de geadresseerde ligt om de
ontvangst van het betreffende bericht op
niet-ongeloofwaardige wijze te ontkennen
(ABRvS 7 februari 2007, JB 2007/70, CRvB
21 februari 2007, RSV 2007, 121, en CRvB
4 juli 2008, RSV 2008, 284; vgl. ook CBb
21 september 2006, AB 2006, 372, en HR
22 september 2006, AB 2007, 1).
1.2.
Doelstellingen van het wetsvoorstel
Zowel de groeiende behoefte aan als de
bestaande onduidelijkheid over
elektronisch verkeer met de
bestuursrechter geven ons thans
voldoende aanleiding tot het scheppen
van een wettelijke grondslag voor deze
vorm van communiceren en procederen.
Verder zien wij reden voor het creëren
van een basis voor het stellen van
nadere regels ter zake. Dit sluit aan bij
de ontwikkeling in het burgerlijk
procesrecht zoals vervat in de Wet
afschaffing procuraat en invoering
elektronisch berichtenverkeer (Wet van
20 maart 2008, Stb. 2008, 100; hierna:
Wapieb).
Hierbij moet
echter wel worden bedacht dat in het
bestuursprocesrecht geen sprake is van
verplichte procesvertegenwoordiging; het
komt dus zeer regelmatig voor dat een
burger zonder enige proceservaring
rechtstreeks contact met de
bestuursrechter kan - en moet kunnen - krijgen. Deze omstandigheid
noodzaakt tot extra prudentie bij
modernisering van de
(hoger)beroepsprocedure, te meer omdat
nog steeds veel burgers niet de
beschikking hebben over apparatuur en/of
kennis om digitaal met anderen te
communiceren. De toegang tot
rechtsbescherming moet immers voor alle
burgers gewaarborgd blijven.
De wettelijke basis voor digitaal
procederen krijgt gestalte door de nu - ingevolge de Webv
- geldende
wettelijke voorschriften in de Awb
over
het elektronisch verkeer tussen burgers
en bestuursorganen van overeenkomstige
toepassing te verklaren op het instellen
van beroep bij de bestuursrechter. Zie
in dit verband ook het gestelde in
paragraaf 1.4.
De kern van de
Webv wordt gevormd door afdeling 2.3
Awb. Deze afdeling regelt in welke
gevallen en onder welke voorwaarden
verkeer langs elektronische weg tussen
burgers en bestuursorganen en tussen
bestuursorganen onderling mogelijk is.
In dit verband worden twee belangrijke
beginselen gecodificeerd. Ten eerste het
beginsel van nevenschikking: er bestaat
uitdrukkelijk geen verplichting tot
elektronisch verkeer met het
bestuursorgaan. Ten tweede het beginsel
van betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid: de ontvanger van een
bericht moet erop kunnen vertrouwen dat
het betreffende bericht daadwerkelijk
door de genoemde afzender is opgesteld.
rblz.|3|
Door
het van overeenkomstige toepassing
verklaren van afdeling 2.3
Awb zijn de
twee zojuist genoemde beginselen ook
leidend voor het elektronisch verkeer
met de bestuursrechter. Dit betekent
onder meer dat de burger een
beroepschrift op elektronische wijze aan
de bestuursrechter mag verzenden, maar
dit niet hoeft. Van een plicht tot
digitaal procederen is dus geen sprake.
Degene die om wat voor reden dan ook
geen gebruik van digitale middelen wil
maken, mag ook in de toekomst de "papieren
weg" blijven bewandelen. Een partij
kan zelfs tijdens een
(hoger)beroepsprocedure die met een
elektronisch verzonden beroepschrift is
aangevangen, verlangen dat het verkeer
met de bestuursrechter verder
schriftelijk verloopt.
Uit het
vorenstaande moet worden afgeleid dat
artikel 8:40a een aanvulling vormt op,
en uitdrukkelijk geen vervanging van, de
huidige wijze van procederen. Dus als
elektronisch verkeer - in welk stadium
en om wat voor reden dan ook - leidt
tot een problematische situatie, kan de
bestuursrechter te allen tijde
terugvallen op de (nu nog) gangbare
wijze van procederen. Hiermee wil gezegd
zijn dat voorwaarden aan (de wijze van)
digitaal procederen geen belemmering
opwerpen voor de toegang tot
bestuursrechtelijke rechtsbescherming,
aangezien "de papieren weg" te
allen tijde mogelijk blijft.
Het wetsvoorstel stimuleert de
bestuursrechters om bestaande
mogelijkheden voor het elektronisch
procederen te verruimen en te verbeteren en om nieuwe mogelijkheden
te ontwikkelen. Dit kan stapsgewijs,
door de procedure te digitaliseren voor
zover dit uit het oogpunt van
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
valt te rechtvaardigen en uit het
financieel oogpunt verantwoord is. Aldus
kunnen bestuursrechters en
procespartijen zonder gevaar van schade
aan hun processuele belangen - en
zonder de noodzaak tot het maken van
onevenredig hoge kosten ineens - ervaring gaan opdoen met elektronisch
verkeer, en wel binnen afzienbare
termijn, omdat zij niet hoeven te
wachten totdat álle onderdelen van de
beroepsprocedure op verantwoorde wijze
kunnen worden gedigitaliseerd. In
zoverre zij ook verwezen naar het
gestelde in paragraaf
1.3.
In dit kader
merken wij op dat het ongewenst is om
eindeloos te wachten met het mogelijk
maken van elektronisch berichtenverkeer,
aangezien deze vorm van procederen
belangrijke voordelen heeft. Allereerst
bevordert de mogelijkheid tot het
digitaal verzenden van een beroepschrift
de toegankelijkheid van de
bestuursrechtspraak, gezien de steeds
grotere populariteit van elektronische
communicatiemiddelen. Bovendien draagt
de beschikbaarheid van digitale
gedingstukken bij aan een efficiënter
verloop van de beroepsprocedure en
daarmee aan de verkorting van de
doorlooptijden. In dit verband wijzen
wij erop dat elektronisch verzonden
stukken eenvoudig kunnen worden bewaard
en nadien wederom geraadpleegd bij de
behandeling van nieuwe beroepszaken. Dit
in tegenstelling tot papieren
documenten, waarvan de opslag veel
ruimte en geld kost.
Zoals
gezegd, kunnen wij ons voorstellen - en maakt
het wetsvoorstel mogelijk
- dat de bestuursrechters starten met
creëren van de mogelijkheid tot het
elektronisch indienen van een
beroepschrift en na verloop van tijd
overgaan tot inrichting van een digitaal
procesdossier en/of het elektronisch
verzenden van uitnodigingen en
uitspraken. Op deze wijze kan worden
voorkomen dat bruikbare faciliteiten
nodeloos lang onbenut blijven. In
zoverre zij verwezen naar de, in
paragraaf 1.5 te bespreken, pilots.
1.3.
Strekking van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel behelst een algemene
regeling voor het elektronisch verkeer
met de rechtbanken als bestuursrechters,
de ABRvS, de
CRvB en het
College van
Beroep voor het bedrijfsleven (hierna:
CBb), alsmede voor de gerechtshoven als
in hoger beroep rechtsprekende
belastingrechters rblz.|4|
en de Hoge Raad
(hierna: HR) als belastingrechter
rechtsprekend in cassatie. De meeste
onderdelen van hoofdstuk 8 zijn immers
van (overeenkomstige) toepassing op de
beroepsprocedure ten overstaan van
voornoemde rechters, ook als deze in
hoger beroep rechtspreken, ingevolge de
diverse wetten die hun instelling,
organisatie en werkzaamheden regelen.
Daarnaast bevat
het wetsvoorstel een kader voor het
stellen van nadere regels, niet alleen
over de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid en technische
kwaliteitseisen waaraan de elektronisch
te verzenden documenten moeten voldoen,
maar ook over het horen van partijen op
afstand. Afdeling 8.2.5 vormt hiervoor
geen belemmering. Voor een nadere
toelichting zij verwezen naar paragraaf
2.8.
De mogelijkheid
tot het stellen van nadere wettelijke
voorschriften bij algemene maatregel van
bestuur (hierna: AMvB) is opengehouden.
Het gevolg hiervan is dat het
onderhavige wetsvoorstel een beperkte
strekking heeft: het beoogt slechts op
zo kort mogelijke termijn duidelijkheid
te verschaffen over de aanvaardbaarheid
van elektronische middelen als manier
voor communicatie tussen burgers en
bestuursrechters ter inleiding en
voortzetting van een beroepsprocedure.
In dit kader merken wij op dat
bijvoorbeeld de ABRvS haar experimenten
met het werken met digitale
stukken/dossiers momenteel beperkt tot
het interne gedeelte van de procedure
zolang voor de digitale communicatie met
de burger geen wettelijke basis bestaat,
dat de rechtbank Rotterdam de proef met
het digitaal procederen in
telecommunicatie- en mededingingszaken
een permanente status wil geven en dat
de rechtbank Breda de proef met het
digitaal procederen in zaken op het
gebied van de sociale zekerheid tot op
heden stilzwijgend continueert. Zie ook
het gestelde in paragraaf
1.5.
De keuze om op dit moment nog geen
specifieke voorschriften te formuleren
in de Awb
of een daarop gebaseerde AMvB
is bewust gemaakt. Daartoe wijzen wij op
het volgende.
Naar ons
oordeel bestaat momenteel nog te veel
onduidelijkheid over de wijze waarop het
elektronisch verkeer met de
bestuursrechter het best kan worden
ingericht om te komen tot specifieke
regels. Wij leiden dit af uit het
verloop en de evaluaties van, en de
interne discussies over, de in paragraaf
1.5 beschreven pilots. In dit kader
wordt nogmaals benadrukt dat de
bestuursrechter ook goed bereikbaar moet
blijven voor de burger die geen gebruik
van de computer wil of kan maken.
Een
gedetailleerdere regeling noodzaakt tot
(nog) langer wachten met de indiening
van een voorstel om de mogelijkheid van
elektronisch verkeer met de
bestuursrechter concreet gestalte te
geven, maar een wettelijke basis
hiervoor duldt geen langer uitstel,
zoals het vorenstaande laat zien. Wij
willen voorkomen dat het betere de
vijand van het goede wordt.
Daarnaast geldt dat tijdelijke
diversiteit niet alleen nadelige
effecten heeft. Het beproeven van
verschillende systemen biedt immers een
goede gelegenheid om te bezien welke
maatregelen een efficiënt en
betrouwbaar verloop van de
beroepsprocedure het meest bevorderen
en welke regelingen zich het best lenen
voor formuleren van nadere
voorschriften. Deze voorschriften kunnen
namelijk niet alleen worden neergelegd
in een AMvB en/of een daarop gebaseerde
ministeriële regeling, maar ook in - niet tot artikel
8:40, tweede lid, te
herleiden - procesregelingen van de
diverse gerechten zoals de Procesregeling
bestuursrecht 2008 (voor
de rechtbanken) en de Procesregeling
bestuursrechtelijke colleges 2006 (voor
de ABRvS, de
CRvB
en het CBb).
In dit kader
ontgaat het ons niet dat een AMvB
de
rechten en verplichtingen voor
belanghebbenden duidelijker vastlegt - en aldus meer waarborgen biedt
- dan
een procesregeling, die haar gelding
immers "slechts" ontleent aan
zelfbinding door de bestuursrechter die
de betreffende regeling heeft
vastgesteld (nader hierover L.M.
Koenraad en B.M.J. van der rblz.|5|
Meulen,
"Procesregeling bestuursrecht",
Trema 2001, blz. 369-374; vgl. ook
CRvB 9 april 2003, JB 2003/170, en CRvB
24 juli 2008, AB 2008, 316). Naar onze
overtuiging vormt deze omstandigheid op
zichzelf echter onvoldoende reden om
procesregelingen niet te benutten als
middelen om digitalisering van
beroepsprocedures juridisch in te
kaderen. Daartoe wijzen wij op het feit
dat specifieke technische (kwaliteits)eisen
snel kunnen worden aangepast aan nieuwe
technische ontwikkelingen, hetgeen
vastlegging ervan in wettelijke
voorschriften minder gewenst maakt. Dit
pleit voor vastlegging van specifieke
voorschriften in een regeling die meer
flexibiliteit biedt en sneller kan
worden aangepast dan een AMvB.
Het spreekt
vanzelf dat wij over het nader reguleren
van gedigitaliseerde beroepsprocedures -
in het bijzonder over de verhouding
tussen wettelijke voorschriften zoals
een AMvB en procesregelingen
- nauw
overleg voeren, en zullen blijven
voeren, met de diverse gerechten en de
organisaties waarin deze zich hebben
verenigd. In dit kader wordt met name
gedoeld op de Raad voor de Rechtspraak
(hierna: RvdR), die zich sterk maakt
voor digitalisering van
beroepsprocedures en mede om deze reden
nauw is betrokken bij de hierna in
paragraaf 1.5 te bespreken experimenten.
1.4.
Digitaal procederen in het burgerlijk
procesrecht
In paragraaf 1.2 is gewezen op de
mogelijkheid van elektronisch verkeer
met de burgerlijke rechter ingevolge de
Wapieb. Een onderdeel van deze wet
[lees: die wet,
red.] behelst de wijziging van artikel 33 Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna:
Rv).
De formulering
van
artikel 8:40a verschilt van -
preciezer gezegd: is algemener dan - die van artikel 33 Rv
zoals dit luidt
per 1 september 2008. Dit hangt samen
met het feit dat de Awb
reeds voorziet
in een regeling over elektronisch
verkeer (afdeling 2.3) en over
verzending en ontvangst van
processtukken (afdeling
6.2). Wij hebben
er - uit een oogpunt van
overzichtelijkheid en toegankelijkheid -
bewust voor gekozen om zoveel
mogelijk aansluiting te zoeken bij de
bestaande regelingen in de Awb.
Voor een
nadere verklaring van de zojuist
bedoelde verschillen zij verwezen naar
het artikelsgewijze deel van deze
toelichting.
1.5.
Experimenten met digitaal procederen
Op initiatief van het Landelijk Overleg
Voorzitters Bestuursrecht (hierna: LOVB)
is het project "digitale procedure
bestuursrecht" gestart. Dit project
wordt mede gefaciliteerd door de RvdR
en concreet begeleid door het Bureau
Internetsystemen in Toepassingen
Rechterlijke Organisatie (hierna:
BISTRO) en de ICT-organisatie voor de
rechterlijke organisatie (hierna: ICTRO).
Het project
"digitale procedure bestuursrecht"
heeft onder meer geleid tot pilots met
het elektronisch instellen van beroep en
met het digitaal beheer van
procesdossiers. Op deze wijze willen de
gerechten bezien hoe het elektronisch
verkeer tussen partijen en de
bestuursrechter zo efficiënt mogelijk
kan worden vormgegeven en welke invloed
dit mogelijkerwijs heeft op onder meer
de bedrijfsvoering en de relatie tussen
verschillende partijen.
De rechtbank Breda biedt per april 2007
burgers en hun gemachtigden de
mogelijkheid om elektronisch beroep in
te stellen tegen bepaalde besluiten van
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV) op
het gebied van het socialezekerheidsrecht, met behulp van een
standaardformulier dat via raadpleging
van een website kan worden ingevuld en
digitaal verzonden. Met het oog op een
ordelijk verloop van - uitsluitend! - de zojuist bedoelde procedures bij
de rechtbank Breda geldt rblz.|6|
de
Procesregeling digitaal beroep (Stcrt.
2006, 164), met aanvullingen ten
opzichte van de Procesregeling
bestuursrecht 2008.
Het verzoek tot
het plaatsen van een elektronische
handtekening blijft voorlopig
achterwege, evenals een verzoek om
inzending van een afschrift van het
bestreden besluit, teneinde het gebruik
van de digitale weg door burgers niet
nodeloos te ontmoedigen. Wel wordt
gevraagd om het kenmerk van het
bestreden besluit te vermelden. Deze
handelwijze geeft de rechtbank Breda
voldoende vertrouwen dat het
beroepschrift is opgesteld door degene
die als afzender staat vermeld. Van
problemen op dit punt is niet gebleken.
De rechtbank
Breda bevestigt de ontvangst van een
elektronisch verzonden beroep met een
automatisch gegenereerde e-mail waarop
niet kan worden gereageerd. Wel biedt de
website de mogelijkheid om contact te
zoeken met BISTRO indien de ontvangst
van het elektronisch verzonden beroep
niet wordt bevestigd. Vervolgens draagt
de rechtbank Breda zorg voor de
samenstelling van een papieren
procesdossier en de be- en afhandeling
van het beroep verloopt overeenkomstig
de nu geldende wettelijke voorschriften.
Door de rechtbank
Rotterdam, waar het
beroep slechts per (nu nog)
conventionele post kan worden ingesteld,
worden sinds juli 2007 de procesdossiers
van een aantal beroepszaken op het
gebied van het telecommunicatie- en
mededingingsrecht gedigitaliseerd en
geplaatst in een systeem dat slechts
toegang biedt aan procespartijen en de
rechtbank. Hieraan is een uitgebreide
voorbereiding voorafgegaan. Dit heeft
veel tijd gekost, met name vanwege
gezamenlijk overleg met de ketenpartners
over de inhoud en beveiliging van de
dossiers en vanwege een nauwgezette
aansprakelijkheids- en
kwetsbaarheidsanalyse.
Het
beroepschrift wordt gescand, maar voor
het overige is sprake van digitale
dossiervorming en communicatie met
partijen. De zitting vindt plaats aan de
hand van een - door zowel rechter en
griffier als partijen raadpleegbaar - digitaal dossier, in een speciaal
hiervoor ingerichte zaal. De uitspraak
wordt digitaal én per aangetekende post
verzonden.
De medewerkers
van de OPTA [Onafhankelijke post- en
telecommunicatieautoriteit, red.], de NMa
[Nederlandse mededingingsautoriteit, red.]
en de
advocatenkantoren hebben door middel van
een inlognaam, een wachtwoord en een
door een token gegenereerde code toegang
tot de externe portal van het dossier.
Deze partijen hebben daardoor de
mogelijkheid de in de openbare mappen
aanwezige gedingstukken te raadplegen.
Deze stukken staan niet op de site zelf,
maar op een beveiligde server. Ook
kunnen partijen stukken aan het dossier
toevoegen. Deze stukken komen dan in het
zogeheten "voorportaal" van
het dossier - dit is: een digitale
brievenbus - binnen. Het up- en
downloaden van gedingstukken geschiedt
via een beveiligde lijn. Degene die een
digitaal dossier raadpleegt, kan echter
geen wijzigingen in de beschikbare
gedingstukken aanbrengen.
De medewerkers
van de rechtbank kunnen het digitaal
dossier via de introsite benaderen. Zij
hebben toegang tot de openbare mappen,
het voorportaal en een algemene map. De
map met stukken die voorwerp zijn van
een verzoek om beperkte kennisneming als
bedoeld in artikel
8:29, is slechts
toegankelijk voor de
rechter-commissaris. Afhankelijk van de
beslissing van de rechter-commissaris
worden ook de overige
rechtbankmedewerkers tot deze map
geautoriseerd. Alle bij het digitaal
dossier betrokken personen worden door
middel van elektronische notificaties op
de hoogte gehouden van de wijzigingen in
het dossier.
Het digitale
dossier is in qua opbouw gelijk aan het
papieren dossier. In de
voorbereidingsperiode voor de pilot is
een digitale procesregeling opgesteld;
de deelnemers binden zich hieraan door
ondertekening van convenanten.
Met de pilot
loopt een arbo-onderzoek mee. Dit is er
vooral op gericht vast te stellen hoe de
mensen het werken met en aan een
digitaal dossier ervaren; qua belasting
en motoriek, maar ook in tijd. Het lezen
van een rblz.|7|
dossier op een scherm vergt
aanpassing van mensen die gewend zijn te
bladeren en te kopiëren. Er is in
Rotterdam ook geïnvesteerd in nieuwe
beeldschermen. De mensen die met het
digitaal dossier werken hebben twee
schermen op hun bureau. Eén scherm om
het dossier op te raadplegen en één om
aan bijvoorbeeld een uitspraak te
werken.
De behandeling
van de zaken waarin digitaal is
geprocedeerd - de "telezitting"
annex videoconferentie daaronder
begrepen -, is redelijk goed verlopen.
Duidelijk is geworden dat het werken met
een digitaal dossier veel extra inzet
van mensen vergt. Gaandeweg vroegen
diverse - veel kleine, maar soms ook
grote - problemen om een oplossing.
Sommige handelingen moeten nog dubbel
worden gedaan, bijvoorbeeld de
registratie van de stukken.
Per april 2008
loopt een soortgelijke proef bij het CBb, als "follow up" van het
Rotterdamse experiment. In januari 2009
zal de eerste "telezitting"
annex videoconferentie plaatsvinden.
Onlangs is ook een pilot gestart bij de
rechtbank Dordrecht, met de mogelijkheid
voor belanghebbenden en gemachtigden tot
het instellen van beroep tegen besluiten
van diverse colleges van burgemeester en
wethouders.
Verder zal de pilot in Breda een vervolg
krijgen bij de centrale intake van
beroepen in vreemdelingenzaken bij de
rechtbank Haarlem. Het gaat daar om
tienduizenden - veelal per fax
aangebrachte - zaken. Tot nu toe
worden de gegevens van al deze zaken
handmatig in het registratiesysteem van
de rechterlijke macht ingevoerd. De
opzet van de voorgenomen pilot is om
deze invoer geautomatiseerd te laten
plaatsvinden, vanuit de ingezonden
webformulieren.
Bovendien zijn alle gerechten - in
samenspraak met de RvdR - intensief
bezig met het ontwikkelen en verbeteren
van digitale infrastructuur voor de
bestuursrechtspraak. Zij worden hierin
ondersteund door BISTRO en ICTRO. Ook de ABRvS
onderneemt de nodige actie in
dezen.
1.6.
Voorbereiding van dit wetsvoorstel
De plannen tot digitalisering van
bestuursrechtspraak kennen een
betrekkelijk lange geschiedenis. In
zoverre wordt verwezen naar de hiervoor,
in paragraaf 1.4, beschreven pilots,
waaraan intensieve voorbereidingen
vooraf zijn gegaan.
Verder maken
wij hier melding van - door het
ministerie van Justitie en de RvdR
georganiseerde - bijeenkomsten die
zijn bezocht door diverse met
bestuursrechtspraak belaste organen.
Tijdens deze bijeenkomsten is onder meer
gesproken over de voorwaarden waaronder
elektronisch verkeer met de
bestuursrechter tot stand kan komen,
mede aan de hand van wettelijke
regelingen die in België (Wet
betreffende de elektronische
procesvoering en Wet houdende
vaststelling van bepaalde regels in
verband met het juridisch kader voor
elektronische handtekeningen en
certificatiediensten), Duitsland (Verordnung
über den elektronischen Rechtsverkehr
beim Bundesarbeitsgericht) en Oostenrijk
(Verordnung der Bundesministerin für
Justiz über den elektronischen
Rechtsverkehr) tot stand zijn gekomen.
De resultaten
van de pilots en voornoemde
bijeenkomsten zullen te zijner tijd
worden gebruikt bij het vaststellen van
specifieke voorschriften in algemene
maatregelen van bestuur en/of
procesregelingen. Voor een nadere
toelichting zij verwezen naar paragraaf
2.9.
Voorafgaand aan het onderhavige
wetsvoorstel hebben wij een voorontwerp
geproduceerd en ter advisering
voorgelegd aan diverse organisaties die
nauw bij de bestuursrechtspraak zijn
betrokken. In dit kader noemen rblz.|8|
wij met
name de RvdR, de Nederlandse Vereniging
voor Rechtspraak (hierna: NVvR), de
Nederlandse Orde van Advocaten, het UWV
en de belastingdienst. Daarnaast zijn
enige overkoepelende organisaties van
overheden geconsulteerd, namelijk de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
(hierna: VNG), het Interprovinciaal
Overleg (hierna: IPO) en de Unie van
Waterschappen.
De meeste
aangeschreven organisaties hebben
schriftelijk geadviseerd. De opmerkingen
die ons aanleiding tot een inhoudelijke
reactie geven, zijn verwerkt in
paragraaf 1.3 en 1.4, alsmede in de
onderstaande paragrafen. Hier is van
belang om vast te stellen dat alle
ontvangen adviezen pleiten voor het op
zo kort mogelijke termijn creëren van
een wettelijke basis voor elektronisch
verkeer met de bestuursrechter.
Sommige organisaties - met name de
IPO, die spreekt over een "laag
ambitieniveau" - hebben kritiek
op het feit dat het onderhavige
wetsvoorstel geen specifieke
voorschriften over het elektronisch
verkeer met de bestuursrechter bevat.
Deze kritiek, die in belangrijke mate
voortvloeit uit een - ook door ons
gevoelde - behoefte aan uniformiteit,
is op zichzelf begrijpelijk. Wij menen
echter enerzijds dat een wettelijke
basis voor elektronisch verkeer met de
bestuursrechter geen langer uitstel
duldt en anderzijds dat nog te veel
onduidelijkheid over de inrichting van
digitale procedures bestaat. In zoverre
zij verwezen naar het gestelde in
paragraaf 1.3.
Overigens
kunnen bestuursrechters bijdragen aan
beperking van de potentiële nadelen van
diversiteit c.q. risico’s die
onderlinge verschillen voor burgers met
zich brengen, door het - tijdelijk - soepel benaderen van partijen en hun
gemachtigden die niet (geheel)
overeenkomstig de gestelde eisen met de
bestuursrechter communiceren. Een
dergelijke soepelheid kan tot
uitdrukking komen in het bieden van
adequate herstelmogelijkheden aan
partijen (ingevolge artikel
6:6; vgl.
bijvoorbeeld Rb. Zwolle 17 januari 2007,
LJN AZ7162: het plaatsen van een
elektronische handtekening) dan wel door
het niet niet-ontvankelijk verklaren van
een beroepschrift met een gebrek in de
zojuist geschetste zin (vgl.
bijvoorbeeld
CRvB
8 april 2004, LJN
AO9413: geschrift was niet voorzien van
een correcte elektronische
handtekening). In zoverre zij ook
verwezen naar paragraaf
2.10.
De RvdR en de NVvR vragen zich af waarom
bij de formulering van
artikel 8:40a niet nadrukkelijker aansluiting is
gezocht bij artikel 33 Rv
zoals dit
luidt sinds de inwerkingtreding van de
Wapieb per 1 september 2008. In zoverre
verwijzen wij naar het gestelde in
paragraaf 1.4 en naar het
artikelsgewijze deel van deze
toelichting.
Het voorontwerp is ook van commentaar
voorzien door M.M. Groothuis (Het
voorontwerp "Elektronisch verkeer
met de bestuursrechter" en het
wetsvoorstel "Elektronische
bekendmaking 2008", NTB 2008, blz.
167-175). In dit kader valt verder te
wijzen op de publicaties van W.K.F.
Hangelbroek (Hoe kan ICT de rechtspraak
vooruit helpen?, Trema 2008, blz. 24-27),
en G. Overkleeft-Verburg (Elektronisch
verkeer in de Awb
(...), JBplus 2008,
blz. 20-38).
Inmiddels worden periodiek gesprekken
gevoerd met vertegenwoordigers van de
gerechten om te bezien welke onderwerpen
nadere regeling behoeven en waar - AMvB, ministeriële regeling of
procesregeling? - deze onderwerpen het
beste kunnen worden geregeld. Aldus
blijven wij betrokken bij digitalisering
van bestuursrechtelijke
beroepsprocedures in het algemeen en
bij het zoveel mogelijk uniformeren van
voorschriften ter zake in het bijzonder.
rblz.|9|
2. Elektronisch
verkeer
2.1.
Reikwijdte van afdeling 2.3
Elektronisch verkeer als bedoeld in afdeling 2.3
Awb heeft in twee
opzichten een ruime betekenis.
Ten eerste: afdeling 2.3
Awb ziet niet alleen op het
gebruiken van e-mail en websites, maar
ook op andere vormen van digitale
communicatie zoals het verzenden van
berichten per fax en sms (vgl. ook
Kamerstukken II 2006-2007, 30 815, nr. 3,
blz. 13). Hierbij maakt het niet uit op
welke wijze - een harde schijf, een
USB-stick of een andere gegevensdrager -
de gegevens zijn vastgelegd.
Ten tweede: de
wetgever verstaat onder elektronisch
verkeer niet alleen het elektronisch
verzenden van berichten (zoals
beroepschriften en procesbeslissingen),
maar ook het raadplegen van digitaal
beschikbare documenten (zoals op de zaak
betrekking hebbende stukken als bedoeld
in artikel
8:42, eerste lid,
beeldmateriaal daaronder begrepen).
Eén en ander
maakt duidelijk dat de toepasselijkheid
van afdeling 2.3
Awb op het verkeer
tussen burgers en bestuursrechters
aanzienlijke gevolgen kan hebben voor
het begin en het verloop van
(hoger)beroepsprocedures. Daarom wordt
een aantal bijzondere aspecten hieronder
nader toegelicht.
2.2.
Correspondentie in het algemeen
De meeste processtukken mogen worden
verzonden per gewone post. Ook
verzending per fax is geoorloofd, maar
dit brengt risico’s met zich. In
zoverre zij verwezen naar paragraaf
1.1.
Desondanks wordt in het
vreemdelingenrecht veelvuldig gebruik
gemaakt van de fax als
communicatiemiddel. In andersoortige
bestuursrechtelijke procedures gebeurt
dit echter veel minder, en dan doorgaans
in spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld
om te reageren op een laat ingekomen
verzoek om verdaging van de zitting (artikel
16, zesde en zevende lid, Procesregeling
bestuursrecht 2008).
Correspondentie
via e-mail is in dit soort gevallen op
zichzelf veel praktischer (want
sneller), maar momenteel feitelijk
onmogelijk. De bestuursrechter kan
immers weigeren een per e-mail verzonden
verzoek om verdaging te behandelen.
Bovendien kan het digitaal afwijzen van
zo’n verzoek leiden tot strijd met de
goede procesorde indien één van de
partijen de aan haar gerichte e-mail
niet leest en vervolgens verwacht dat de
zitting op een later tijdstip zal
plaatsvinden.
Een aantal specifieke stukken - uitnodigingen en oproepingen voor het
bijwonen van de zitting en afschriften
van schriftelijke uitspraken en
processen-verbaal van mondelinge
uitspraken - moeten in beginsel bij
aangetekende brief of brief met
ontvangstbevestiging worden verzonden,
zo bepaalt artikel
8:37, eerste lid. De
bestuursrechter mag de zojuist
aangeduide stukken slechts op een andere
wijze verzenden als de geadresseerde
aan de gekozen wijze van verzending
dezelfde waarborgen kan ontlenen
(Kamerstukken II 1991-1992, 22 495, nr. 3,
blz. 124).
Correspondentie
per e-mail is in dit soort gevallen veel
goedkoper (want de portokosten vallen
weg), maar juridisch niet zonder meer
toelaatbaar, zeker als de
bestuursrechter niet duidelijk en tijdig
kenbaar heeft gemaakt dat hij de in
artikel 8:37, eerste lid, bedoelde
stukken niet per aangetekende post
verzendt. Zie ABRvS
5 januari 2004, JV
2004/80 (per fax verzonden uitnodiging
voor het bijwonen van een zitting), ABRvS 29 september 2005, JB 2005/306
(per fax verzonden verzoek om aanvulling
van beroepsgronden) en HR
7 december
2007, AB 2008, 102 m.nt. B.W.N. de Waard
(per fax verzonden verzoek om aanvulling
van beroepsgronden). Hieruit moet
redelijkerwijs worden afgeleid dat het
gebruik van elektronische middelen tot
op heden dus niet wordt beschouwd als
een rblz.|10|
wijze van verzenden die dezelfde
waarborgen biedt als verzending per
aangetekende post.
Het wetsvoorstel biedt een grondslag
voor het scheppen van randvoorwaarden
voor het gebruik van snel, betrouwbaar
en vertrouwelijk elektronisch verkeer
tussen burgers en bestuursrechters. Deze
randvoorwaarden op hun beurt kunnen
bijdragen aan een efficiëntere
communicatie tijdens het procederen met
dezelfde waarborgen als verzending van
stukken per aangetekende post. Deze
waarborgen - die met name zijn vereist
bij cruciale processtukken als bedoeld
in artikel
8:37, eerste lid (vgl. ook
Overkleeft-Verburg, Trema 2008, blz. 32-33)
- kunnen worden gecreëerd in algemene
maatregelen van bestuur en/of
aanvullingen en wijzigingen van de
diverse procesregelingen. Voor een
nadere toelichting zij verwezen naar
paragraaf 2.9.
2.3.
Bereikbaarheid van de burger
Op grond van artikel
2:14, eerste lid,
kan de bestuursrechter een tot één of
meer geadresseerden gericht bericht - zoals een ontvangstbevestiging
- langs
elektronische weg verzenden voor zover
de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt
dat hij langs deze weg voldoende
bereikbaar is. Voor stukken als bedoeld
in artikel
8:37, eerste lid, geldt de
beperking die in paragraaf 2.2 is
omschreven.
Blijkens de
parlementaire geschiedenis van de Webv
betekent dit dat de partijen duidelijk
moeten aangeven op welke wijze en
op welk elektronisch adres zij
bereikbaar zijn (met name Kamerstukken
II 2001-2002, 28 483, nr. 3, blz. 11, en
Kamerstukken II 2002-2003, 28 483, nr. 5,
blz. 12). De betrokken partij zal de
bestuursrechter in kennis moeten stellen
van een wijziging van haar situatie,
bijvoorbeeld omdat zij niet langer
elektronisch bereikbaar wil zijn of
inmiddels beschikt over een ander
e-mailadres.
2.4.
Bereikbaarheid van de bestuursrechter
Een bericht kan op grond van artikel
2:15, eerste lid, langs elektronische
weg aan de bestuursrechter worden
verzonden voor zover de bestuursrechter
uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat
deze weg is geopend. Dit kan
plaatsvinden in de vorm van een algemene
regeling of - als de beroepsprocedure
reeds loopt - in een aan partijen
gericht bericht. Daarnaast is denkbaar
dat een gerecht met bestuursorganen - in het bijzonder de grote "beschikkingenfabrieken"
zoals het UWV
en de belastingdienst
- afspreekt dat deze in hun beslissingen
op bezwaar melding maken van de
mogelijkheid elektronisch beroep in te
stellen.
Voor de goede
orde merken wij op dat uit de enkele
vermelding van een e-mailadres op de
website van een gerecht niet mag worden
afgeleid dat digitale communicatie met
de bestuursrechter in het kader van een
(hoger)beroepsprocedure mogelijk is. Het
verdient overigens wel aanbeveling dat
de bestuursrechter die geen
beroepschriften per e-mail wenst te
ontvangen, dit uitdrukkelijk aangeeft,
met name op zijn "eigen"
website. Het vermelden van een
e-mailadres wekt immers bij grote
groepen burgers de, begrijpelijke en ook
wel gerechtvaardigde, indruk dat alle
correspondentie via dit kanaal kan
worden verzonden (Groothuis, NTB 2008,
blz. 170).
Blijkens de tweede volzin van artikel
2:15, eerste lid - op grond waarvan
aan het gebruik van de elektronische weg
nadere eisen kunnen worden gesteld -, beschikt de bestuursrechter in dezen
over een aanzienlijke vrijheid. Dit
biedt een gerecht adequate mogelijkheden
om te experimenteren met elektronisch
verkeer en om zelf te bepalen wanneer
het financieel en organisatorisch in
staat is om de elektronische weg te openen.
rblz.|11|
Wel
wordt hier gewezen op het belang van
zoveel mogelijk uniformiteit bij het
toepassen van regels en hanteren van
bevoegdheden. Uit het oogpunt van zowel
rechtsgelijkheid voor partijen als
efficiënte bedrijfsvoering door de
gerechten achten wij het immers
ongewenst dat de diverse
bestuursrechters langdurig verschillende
eisen aan (de wijze van) het procederen
stellen. Er valt echter niet te ontkomen
aan enige diversiteit ter zake zolang de
verschillende bestuursrechters
experimenteren met digitale
procesvoering. In zoverre zij verwezen
naar het hierover gestelde in de
paragrafen 1.3 en 1.5.
De nadere eisen
als bedoeld in de tweede volzin kunnen
betrekking hebben op de vorm waarin een
elektronisch bericht wordt aangeboden.
Voorbeelden: het elektronisch instellen
van beroep kan slechts geschieden door
het invullen van een speciaal
webformulier (vgl. artikel
4:4); de
bestuursrechter verzendt bepaalde
categorieën documenten (zoals stukken
in de zin van artikel
8:37, eerste lid)
niet elektronisch. De tweede volzin
biedt echter ook de mogelijkheid om te
bepalen dat elektronisch verkeer
achterwege blijft niet [lees: blijft
indien niet, red.] alle partijen
gebruik van de digitale snelweg kunnen
of willen maken (vgl. artikel
7:1a,
tweede lid).
2.5.
Weigering een bericht te aanvaarden
De bestuursrechter die kenbaar heeft
gemaakt dat elektronisch verkeer
mogelijk is, hoeft niet alle langs die
weg verzonden berichten te aanvaarden.
Artikel
2:15,
tweede lid: aanvaarding van de
elektronisch verschafte gegevens en
bescheiden leidt tot een onevenredige
belasting voor de bestuursrechter.
Hierbij valt te denken aan de situatie
waarin de meegezonden bijlagen
buitensporig omvangrijk zijn en de
verwerkings- en/of opslagcapaciteit van
de bij het gerecht aanwezige
computerapparatuur belemmeren. De
gerechten kunnen nadere regels stellen
over de omvang van bijlagen, zonder het
verdedigingsbeginsel te schenden. De
partij die een bijlage in het geding wil
brengen, kan er namelijk voor kiezen om
deze per post te verzenden.
Artikel
2:15,
derde lid: de betrouwbaarheid en/of de
vertrouwelijkheid van een elektronisch
verzonden bericht is onvoldoende
gewaarborgd, gelet op de aard en inhoud
van het bericht en het doel waarvoor het
wordt gebruikt. Een bericht is
onvoldoende betrouwbaar indien het een
virus bevat of te weinig garantie voor
een juiste authentificatie biedt. Een
bericht is onvoldoende vertrouwelijk
indien de daarin vervatte vertrouwelijke
gegevens onvoldoende zijn beveiligd. Op
de beveiliging van berichten wordt in
paragraaf 2.6 nader ingegaan.
Artikel
2:15,
vierde lid: de in dit lid bedoelde
mededeling behoort per post aan de
geadresseerde te worden gezonden, tenzij
de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt
dat hij langs elektronische weg
bereikbaar is (artikel
2:14, eerste
lid). In zoverre zij ook verwezen naar
het gestelde in paragraaf
2.10.
2.6.
Beveiliging
Alle bij een (hoger)beroepsprocedure
betrokken actoren - dus zowel partijen
(eiser(s), verweerder(s) en
derde-belanghebbenden) als de
bestuursrechter - moeten erop kunnen
vertrouwen dat een processtuk afkomstig
is van de persoon die als afzender staat
vermeld, dat het stuk onderweg niet
onbevoegd is gewijzigd, alsook dat het
stuk daadwerkelijk door de geadresseerde
wordt ontvangen. Niet ter zake doet op
welke wijze het stuk is verzonden. Dit
stelt eisen aan de beveiliging van
elektronisch verkeer tussen burgers en
bestuursrechters.
Hierbij past
wel een belangrijke kanttekening. Een
"natte handtekening" als
bedoeld in artikel
6:5, vormt (ook) geen
waterdichte garantie dat het stuk in
kwestie afkomstig is van degene die als
afzender staat vermeld. De rblz.|12|
waarde van zo’n
handtekening is dus minder groot dan
velen wellicht veronderstellen. De
ondertekening geeft normaliter echter
wel voldoende vertrouwen dat
daadwerkelijk wordt geprocedeerd door de
(rechts)persoon die als afzender in het
stuk staat vermeld. Voorkomen moet
worden dat voor de toegang tot de
digitale procedure strengere eisen gaan
gelden dan voor het bewandelen van de
"papieren weg". Voldoende is
het stellen van eisen die de
bestuursrechter een objectiveerbare vorm
van gerechtvaardigd vertrouwen bieden.
Niet minder, maar ook niet meer.
En mocht de
bestuursrechter twijfelen aan de
authenticiteit van een elektronisch
verzonden bericht, dan kan hij een
papieren kopie van het betreffende
bericht zenden aan de daarin genoemde
afzender, met het verzoek aan de
betrokkene om de papieren kopie van een
"natte handtekening" te
voorzien. Na ontvangst van het aldus
ondertekende stuk kan het elektronisch
verkeer met de bestuursrechter worden
aangevangen of voortgezet. Een
dergelijke "papieren tussenstap"
biedt een uitweg indien en zolang nog
geen voldoende vertrouwen bestaat in de
betrouwbaarheid van digitale
authentificatie. In dit kader
benadrukken wij nogmaals - zie ook
paragraaf 1.3 - dat elektronisch
verkeer met de bestuursrechter geen
vervanging van maar slechts een
aanvulling op de (nu nog) reguliere
procedure is.
Artikel 2:16 zoekt aansluiting bij de de
artikelen 3:15a en 3:15b Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW), zoals deze - ingevolge de Wet elektronische
handtekeningen (Wet van 22 april 2004,
Stb. 2004, 189) - gelden per 19 mei
2004. De in deze artikelen neergelegde
regeling, die beoogt het gebruik van
elektronische handtekeningen te
vergemakkelijken en te bevorderen, is
nader uitgewerkt in het Besluit
elektronische handtekeningen (KB van 8
mei 2003, Stb. 2003, 200) en de Regeling
elektronische handtekeningen (Besluit
van de Staatssecretaris van
Economische
Zaken van 6 mei 2003, Stcrt. 2003, 88;
gewijzigd bij Besluit van 12 december
2006, Stcrt. 2006, 248).
De Wet
elektronische handtekeningen vormt een
uitvloeisel van Richtlijn nr. 99/93/EG
van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 13 december
1999 (hierna: richtlijn). De richtlijn
onderscheidt twee soorten elektronische
handtekeningen, namelijk de gewone
elektronische handtekening en de
geavanceerde elektronische handtekening
(zie ook Kamerstukken II 2000-2001, 27
743, nr. 3, blz. 2).
Een gewone
elektronische handtekening is
bijvoorbeeld een e-mailbericht waarin
persoonsgegevens staan of een ingescande
schriftelijke handtekening. Een
dergelijke handtekening heeft hetzelfde
rechtsgevolg als een traditionele
handtekening indien en voor zover de geadresseerde dit voor het specifieke
doel voldoende betrouwbaar acht.
De geavanceerde
elektronische handtekening, die aan
extra eisen moet voldoen, bestaat uit
een door een erkende
certificaatdienstverlener afgegeven
certificaat en bevat naast de
handtekening ook aanvullende informatie
over de ondertekenaar (artikel 2, eerste
lid, richtlijn). Een dergelijke
handtekening genereert het
rechtsvermoeden van voldoende
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
(artikel 3:15a, eerste lid, BW; vgl. ook
artikel 5 richtlijn).
De
bestuursrechter die geen nadere
voorwaarden stelt aan het gebruik van de
digitale snelweg ten behoeve van de
beroepsprocedure, moet genoegen nemen
met een (geavanceerde) elektronische
handtekening die voldoet aan de eisen
zoals verwoord in artikel 3:15a, tweede
lid, BW. Hij kan echter ook genoegen
nemen met een gewone elektronische
handtekening, zeker indien geen
duidelijke reden bestaat om te twijfelen
aan de echtheid van de handtekening c.q.
de identiteit van degene die de
handtekening heeft geplaatst.
Nadere regels over het gebruik en de
eisen waaraan een elektronische
handtekening in het bestuursprocesrecht
moet voldoen, kunnen worden rblz.|13|
opgenomen in
lagere regelgeving. Hierover vindt
momenteel overleg plaats met
vertegenwoordigers van de diverse
bestuursrechtelijke gerechten, gezien
het spanningsveld tussen enerzijds de
behoefte aan een zo groot mogelijke
betrouwbaarheid van authentificatie en
anderzijds de noodzaak om het systeem
van authentificatie voor alle burgers zo
laagdrempelig - dit is: eenvoudig
hanteerbaar en goedkoop - mogelijk te
houden. Wij sluiten niet uit dat zo’n
systeem afwijkt van de thans gangbare
identificatie- en
authentificatiemethoden. Daartoe zij
gewezen op het volgende.
Onder
omstandigheden kan het systeem Digitale
Identiteit (hierna: DigiD) - een door
de rijksoverheid ontwikkeld systeem dat
toegang geeft tot elektronische diensten
van overheidsinstellingen - worden
aangemerkt als een elektronische
handtekening. DigiD bestaat uit een
gebruikersnaam met een wachtwoord en
biedt de mogelijkheid tot het
verifiëren van de identiteit van de
personen die gebruik maken van deze
diensten. Het betreft een betrekkelijk
eenvoudig authenticatiemiddel met het
karakter van een "gewone"
handtekening. Voordelen van DigiD in
zijn huidige vorm zijn dat dit systeem
de bestuursrechter meestal voldoende
zekerheid geeft over de identiteit van
de burger en dat de burger slechts een
wachtwoord hoeft te onthouden om gebruik
te kunnen maken van aangeboden digitale
faciliteiten. Een nadeel is echter dat
bedrijven en rechtspersonen (nog) geen
DigiD kunnen aanvragen en dat van een
procesgemachtigde bezwaarlijk kan worden
verlangd om zijn persoonlijke DigiD te
gebruiken voor professionele doeleinden.
Deze omstandigheden maken dat het
zojuist beschreven systeem minder
geschikt [lees: geschikt is, red.]
voor zaken waarbij stukken
(moeten) worden ondertekend door
natuurlijke personen die namens een
partij optreden.
Adequate beveiliging is evenzeer
relevant bij verzending van stukken die
in het (nu nog) conventionele verkeer - op grond van artikel
8:37, eerste
lid - per aangetekende post moeten
worden verzonden. Deze stukken hebben
namelijk betrekking op cruciale
onderdelen van de
(hoger)beroepsprocedure en daarom moet
redelijkerwijs buiten twijfel staan dat
deze door de geadresseerde worden
ontvangen. Ook hier geldt dat nadere
regels kunnen worden opgenomen in lagere
regelgeving en dat "de papieren
weg" mogelijk is indien, voor zover
en zolang digitalisering nog
beveiligingsproblemen met zich brengt.
2.7.
Tijdstip van verzending en ontvangst
elektronische berichten
Een per fax verzonden beroepschrift is
tijdig ingediend als dit vóór 24:00
uur van de laatste dag van de
beroepstermijn door de griffie van de
bestuursrechter - geheel of
gedeeltelijk - is ontvangen (ABRvS 17
april 1998, JM 1999, 43, en ABRvS 16 mei
2000, AB 2000, 325; vgl. ook HR
16
februari 1996, NJ 1997, 55, en HR 20
maart 1998, NJ 1998, 548). Een later
ontvangen beroepschrift is
niet-ontvankelijk, ook indien de
afzender dit document vóór het einde
van de beroepstermijn heeft verzonden.
De in artikel
6:9, tweede lid,
neergelegde nuancering van de
ontvangsttheorie geldt immers slechts
voor processtukken die per (nu nog)
conventionele post zijn verzonden (ABRvS
17 december 2004, JB 2004/312, en CBb
10
januari 2007, AB 2007, 82; vgl. ook ABRvS 14 november 2007, JB 2008/13).
Ingevolge
artikel 2:17, tweede lid, geldt de
zojuist omschreven regel over het
tijdstip van verzending en ontvangst van
beroepschriften tevens voor al het
andere verkeer dat op elektronische
wijze tot stand komt (CRvB 23 maart
2005, AB 2005, 193). Niet bepalend is
het tijdstip waarop het bericht
daadwerkelijk wordt geopend, omdat dit -
net als bij "gewone" post - tot de verantwoordelijkheid van de
ontvanger behoort.
rblz.|14|
Artikel
2:17, eerste lid, heeft betrekking op
verzending van stukken door het
bestuursorgaan en de bestuursrechter.
Volgens de huidige formulering van deze
bepaling geldt in zo’n geval als
tijdstip voor verzending het tijdstip
waarop het bericht een systeem voor
gegevensverwerking heeft bereikt
waarover het gerecht geen controle
heeft. Bij nader inzien gaat het echter
niet om de technische controle - die
kan aan een beheersorganisatie zijn
uitbesteed - maar om de juridische
verantwoordelijkheid voor het systeem
van gegevensverwerking. Daarom wordt
voorgesteld artikel 2:17 in deze zin te
wijzigen. Dit voorstel sluit aan bij de
formulering die is gekozen in artikel
33, vierde lid, Rv
zoals dit luidt
sinds de inwerkingtreding van de
Wapieb
per 1 september 2008.
Onder een
systeem van gegevensverwerking wordt
verstaan: een systeem voor het
genereren, verzenden, ontvangen, opslaan
en/of op andere wijze verwerken van
gegevens. Daarbij is niet van belang wie
de eigendom van het systeem heeft. Het
systeem kan ook in eigendom zijn van de
dienstverlener waarmee het gerecht een
overeenkomst heeft gesloten.
Wij menen dat
het gerecht juridisch verantwoordelijk
is voor het naar behoren functioneren
van de netwerkcomputer - de eindserver
daaronder begrepen - waarvan het
gebruik maakt (vgl. Kamerstukken II 2006-2007, 30 815, nr. 3, blz. 16-17, en
Kamerstukken II 2006-2007, 30 815, nr. 7,
blz. 5). Daarom komt het ophouden van
berichten of stukken bij de
netwerkcomputer van het gerecht niet
voor risico van partijen. Dus indien het
systeem gebreken vertoont, kan het
gerecht zich niet beroepen op de
omstandigheid dat de dienstverlener geen
zorg heeft gedragen voor de correcte
verzending en ontvangst van berichten.
Dit geldt ook indien de bestuursrechter
een tijdig verzonden beroepschrift eerst
na afloop van de beroepstermijn ontvangt
omdat het betreffende stuk door een
storing bij de eindserver is opgehouden
(Kamerstukken II 2006-2007, 30 815, nr. 7,
blz. 5).
2.8.
Horen van partijen en getuigen per
videoconferentie
Het wetsvoorstel introduceert de
mogelijkheid tot het houden van een
videoconferentie in het gehele bestuurs(proces)recht.
Dit kan zeer zinvol - want
tijdbesparend - zijn voor partijen en
hun gemachtigden die op grotere afstand
van Den Haag (zetel van de ABRvS, het
CBb en de
HR) of Utrecht (zetel van de
CRvB) wonen.
Onder een
videoconferentie - deze term wordt
gebezigd in andere regelgeving en is
ook internationaal gangbaar - wordt
hier verstaan: de totstandbrenging van
een directe beeld- en geluidsverbinding.
Dit kan (onder meer) via een videocamera
of een webcam. Mocht de toekomst nieuwe
technieken brengen, dan zullen ook deze
onder het begrip videoconferentie
vallen, zolang maar een directe beeld-
en geluidsverbinding tot stand wordt
gebracht.
Het zogeheten "telehoren" kan
veel invloed hebben op (het verloop van)
het vooronderzoek van de
bestuursrechter. Door de ruime
interpretatie van het begrip
elektronisch verkeer is een
videoconferentie ook mogelijk bij het
houden van een comparitie (artikel
8:44), alsmede bij het horen van
getuigen en deskundigen (artikelen 8:46
en 8:60). Het gebruik van de
videoconferentie kan ertoe leiden dat de
bestuursrechter reeds tijdens het
vooronderzoek - vaker dan thans
gebeurt - persoonlijk contact met
partijen onderhoudt, bijvoorbeeld om hun
wensen ten aanzien van een te entameren
deskundigenonderzoek (artikel
8:47)
kenbaar te maken.
Overigens
geldt ook hier uitdrukkelijk het
principe van vrijwilligheid. Natuurlijk
kan de bestuursrechter - bijvoorbeeld
in de uitnodiging voor het bijwonen van
de zitting - partijen aanbieden om
voor de zitting gebruik te maken van een
videoconferentie. Een partij die prijs
stelt op persoonlijk contact met de
bestuursrechter, kan echter niet worden
gedwongen tot het horen op afstand.
Omgekeerd kan de bestuursrechter rblz.|15|
het
nodig achten een partij of een
getuige/deskundige "onder vier ogen"
te horen, bijvoorbeeld uit een oogpunt
van waarheidsvinding. Dit betekent dat
een partij wel om het houden van een
videoconferentie kan verzoeken, maar dat
de bestuursrechter zo’n verzoek
gemotiveerd kan afwijzen (vgl. met
artikel 8:63, tweede lid).
Ingevolge het wetsvoorstel kunnen nadere
regels ter zake worden gesteld. Wij zijn
voornemens in zoverre aansluiting te
zoeken bij het Besluit
videoconferentie (KB van 8 mei 2006,
Stb. 2006, 275,
zoals gewijzigd bij KB van 27 november
2006, Stb. 2006, 610), dat reeds
(technische) eisen voor het systeem
bevat. Ter aanvulling hierop kunnen in
de procesregelingen van de gerechten nog
nadere eisen worden gesteld.
2.9.
Nadere regelgeving
Wij onderkennen de behoefte aan nadere
regels over elektronisch verkeer met de
bestuursrechter teneinde op zo kort
mogelijke termijn zoveel mogelijk
uniformiteit te bewerkstelligen, maar
stipuleren dat nog te veel
onduidelijkheden bestaan om reeds nu met
concrete voorstellen ter zake te komen.
Dit blijkt uit de in paragraaf 1.5
beschreven pilots, de in paragraaf 1.6
bedoelde gesprekken met
vertegenwoordigers van de gerechten en
de - in paragraaf 2.10 aangehaalde
- praktijkervaringen met de Webv.
Eén
en ander laat echter onverlet dat door
ons de nodige inspanningen worden
verricht om te komen tot nadere regels
als bedoeld in
artikel 8:40a, tweede
lid. Duidelijk moge zijn dat wij de
diverse gerechten nadrukkelijk bij dit
proces betrekken en terdege rekening
houden met hun financiële en technische
mogelijkheden.
2.10.
Ervaringen met elektronische verzending
onder de Webv
In maart 2007 is - op verzoek van het
ministerie van Justitie - door de VNG
aan gemeenten gevraagd naar de
mogelijkheden tot het op elektronische
wijze indienen van aanvragen en
bezwaarschriften. Uit de ingekomen
reacties kan worden afgeleid dat toen
nog niet veel gebruik werd gemaakt van
de mogelijkheden die internet en e-mail
bieden. De meest voorkomende
elektronische aanvragen hebben
betrekking op vergunningen en (GBA-)uittreksels.
Vaak eindigt een digitaal begonnen
procedure met een papieren beslissing op
de aanvraag of het bezwaar. Daarnaast
blijkt het gebruik van de Webv
per
gemeente sterk te verschillen.
Een aantal gemeenten heeft de digitale
weg nog geheel niet (officieel) geopend.
Deze gemeenten moeten - ingevolge
artikel 2:15, vierde lid - de
aanvrager of bezwaarmaker zo spoedig
mogelijk op de hoogte stellen van het
feit dat elektronisch verkeer nog niet
tot de mogelijkheden behoort.
Hoe moet het
bestuursorgaan in zo’n geval omgaan
met het elektronische bericht van een
aanvrager of bezwaarmaker? Uit recente
recente jurisprudentie (ABRvS 10
september 2003, AB 2004, 34, en CBb
4
juni 2008, JB 2008/215) valt af te
leiden dat een ten onrechte digitaal
verzonden bericht moet worden aangemerkt
als aanvraag onderscheidenlijk
bezwaarschrift dat niet voldoet aan alle
formele vereisten. Een gevolg hiervan is
dat het bestuursorgaan uit het oogpunt
van zorgvuldigheid zo snel mogelijk
toepassing moet geven aan artikel
4:5,
eerste lid, onderscheidenlijk artikel
6:6, bij voorkeur tegelijkertijd met het
verzenden van de mededeling als bedoeld
in artikel
2:15, vierde lid.
Bij gemeenten die hun burgers wel de
mogelijkheid tot elektronisch verkeer
bieden, worden aanvragen op
verschillende wijzen behandeld. Diverse
gemeenten beschikken over een digitaal
loket met elektronische diensten, met
standaardformulieren op internet. In
sommige van deze gemeenten kunnen de
ingevulde formulieren per e-mail worden rblz.|16|
verzonden, maar in andere gemeenten moet
de burger het formulier uitprinten en
daarna ondertekend per post opsturen. Nu
eens kunnen bij het digitale formulier
elektronische bijlagen worden
meegestuurd, dan weer moet de aanvrager
of de bezwaarmaker de bijlagen per post
nazenden.
Ook de
ondertekening van digitale formulieren
laat een wisselend beeld zien. Vaak
wordt DigiD als authentificatie
gehanteerd. Sommige gemeenten maken
echter gebruik van een wachtwoord, al
dan niet in combinatie met een - bijvoorbeeld per sms te ontvangen
- code. Nu eens bestaat de code uit het
sofinummer en/of het nummer van een
identiteitsbewijs, dan weer uit de
geboortedatum of een ander cijfer (of
woord). Ook komt het voor dat een
gemeente die DigiD gebruikt een brief
aan de aanvrager zendt met het verzoek
de betreffende brief voorzien van een
handtekening terug te zenden.
De VNG wijst erop dat de verschillen
tussen de diverse gemeenten voor een
deel voortvloeien uit het ontbreken van
een eenduidige technische infrastructuur en overigens dat
gemeenten beschikken over een ruime
discretionaire bevoegdheid wat betreft
zowel het tempo van digitalisering van
aanvraag- en besluitvormingsprocessen
als het stellen van nadere eisen aan
elektronisch verkeer.
Deze zienswijze
is juist en benadrukt het belang en de
wenselijkheid van coördinatie bij het
digitaliseren van
(hoger)beroepsprocedures. Slechts door
onderlinge afstemming van initiatieven
van de diverse bestuursrechters kan een
aanvaardbare mate van uniformiteit
worden bereikt. In zoverre zij overigens
verwezen naar paragraaf
2.9.
Voor de goede
orde voegen wij hieraan toe dat het de
constatering van de nu bestaande
verschillen wat betreft elektronische
bereikbaarheid geenszins is bedoeld als
kritiek op de inspanningen van gemeenten
om hun communicatiemiddelen te
moderniseren en te verbeteren, en
overigens dat de diversiteit in dezen
zich niet beperkt tot gemeenten (zie
onder meer Overkleeft-Verburg, Trema
2008, blz. 27-29).
3. Administratieve
lasten voor burgers en het bedrijfsleven
In opdracht van het ministerie van
Justitie heeft Sira Consulting BV (Sira)
onderzoek verricht naar het mogelijke
effect van de Webv
op de administratieve
lasten van de burger. Naar aanleiding
hiervan is in juni 2005 is de notitie
"Reductie AL Burger Wet
elektronisch bestuurlijk verkeer" (Sira-notitie)
uitgebracht. Dit rapport berust onder
meer op de navolgende uitgangspunten (Sira-notitie,
blz. 3-4):
- op basis van de werkmap AL Burger
wordt aangenomen dat de tijdsbesteding
voor verzending per post (inclusief het
lopen naar en van een brievenbus)
vijftien minuten bedraagt en die voor
digitale verzending vijf minuten;
- de tijdsbesteding voor het
archiveren van een papieren document
bedraagt vijf minuten en die voor het
archiveren van een digitaal document
nihil;
- voor het per post verzenden van een
papieren document moet de burger
portokosten maken (tenzij hij gebruik
kan maken van een portvrije envelop of
een antwoordnummer), terwijl de kosten
voor het elektronisch verzenden van een
digitaal document hoogstens een beperkt
aantal ’internettikken’ bedragen
(met de kanttekening dat veel burgers
met een internetaansluiting voor hun
abonnement een vast bedrag per maand
betalen);
- op basis van CBS-gegevens [CBS: Centraal
bureau voor de statistiek, red.]
wordt
aangenomen dat 59% van de burgers thuis
gebruik maakt van internet.
Aan de hand van voornoemde
uitgangspunten concludeert Sira onder
meer het volgende (Sira-notitie, blz.
6): "Het aantal bezwaarschriften
dat rblz.|17|
digitaal wordt ingediend, is, op
basis van het uitgangspunt dat 59% van
de burgers gebruik zal maken van de
digitale mogelijkheid, vastgesteld op
608 040 (van in totaal 1 030 576
bezwaarschriften). Wanneer 59% van
de bezwaarschriften elektronisch worden
ingediend, levert dit een vermindering
van de AL Burger tijdsbesteding op van
152 010 uren en een vermindering van de
AL Burger out-of-pocketkosten van €
237 136,-. De out-of-pocketkosten zijn
daarmee gereduceerd tot 0".
Voor zover wij kunnen overzien, gelden
de hiervoor weergegeven uitgangspunten
niet alleen voor het maken van bezwaar,
maar ook voor het instellen van beroep.
Daarom biedt de Sira-notitie, naar ons
oordeel, voldoende houvast voor de
conclusie dat invoering van
artikel 8:40a de administratieve lasten voor
zowel burgers als het bedrijfsleven
daadwerkelijk zal verminderen. Hierbij
nemen wij nog het volgende in aanmerking.
Op
dit moment valt - bij gebrek
aan specifiek(e) en relevant(e)
onderzoek(sgegevens) - niet met
voldoende zekerheid te zeggen hoeveel
mensen hun beroepschrift momenteel
digitaal willen verzenden, en dus
evenmin welke besparingen naar
verwachting per direct zullen worden
gerealiseerd indien
artikel 8:40a
nu in
werking treedt. Met name is niet zeker
welk percentage van de burgers met een
computer en internetaansluiting een
beroepschrift digitaal willen verzenden.
Het ligt in de
lijn der verwachtingen dat de wettelijke
basis voor elektronisch procederen bij
de bestuursrechter en een actieve
voorlichting op dit punt zullen leiden
tot een toenemende bereidheid tot
digitaal procederen bij partijen.
Bovendien is het niet gewaagd om te
veronderstellen dat de eenvoudig te
constateren voordelen van elektronisch
verkeer met de bestuursrechter voor
burgers en bedrijven - tijdwinst en
kostenbesparing - zullen bijdragen aan
de populariteit van het digitaal
instellen van beroep, en daarmee
overigens tevens aan de toegankelijkheid
van bestuursrechtspraak. Hierbij nemen
wij in aanmerking dat de beschikbaarheid
van computers in huishoudens jaarlijks
stijgt en dat digitale communicatie in
alle lagen van de bevolking steeds
gangbaarder wordt (vgl. Sira-notitie,
blz. 9).
Hoe het ook zij, buiten twijfel staat
dat het wetsvoorstel in ieder geval niet
zal leiden tot verhoging van de
administratieve lasten voor burgers en
het bedrijfsleven. Beide groepen kunnen
hun procespraktijken immers ongewijzigd
voortzetten, aangezien digitaal
procederen een extra mogelijkheid en
géén verplichting wordt. Deze
omstandigheid doet afbreuk aan het nut
van en de noodzaak tot aanvullend
onderzoek naar de waarschijnlijke of
mogelijke financiële effecten die het
wetsvoorstel voor burgers en bedrijven
zal hebben.
Daarom zien wij
- anders dan Actal [Adviescollege
toetsing administratieve lasten, red.]
- geen reden om
eerst aanvullend onderzoek naar de
financiële gevolgen van het
wetsvoorstel voor burgers en bedrijven
te (laten) verrichten alvorens het
wetsvoorstel in te dienen. Naar onze
overtuiging heeft zo’n nader onderzoek
te weinig toegevoegde waarde in
verhouding tot de breed gevoelde
behoefte aan spoedige duidelijkheid over
de aanvaardbaarheid van elektronisch
verkeer met de bestuursrechter.
Nader onderzoek
in de door Actal voorgestane zin komt
mogelijkerwijs wel aan de orde als zicht
ontstaat op een AMvB
en/of een
(aanvulling op) procesregelingen met
nadere voorschriften ter regulering en
uniformering van het digitaal procederen
bij de bestuursrechter, als onderdeel
van een kosten-batenanalyse.
4. Financiële
gevolgen
Het ontwikkelen, aanpassen en
onderhouden van apparatuur en software
die betrouwbare en vertrouwelijke
elektronische communicatie tussen
burgers en de bestuursrechter mogelijk
maken, vergt - zoals de RvdR en rblz.|18|
de NVvR
stellen en wij erkennen - de nodige
(financiële) inspanningen. Hetzelfde
geldt voor de opleiding van medewerkers
die met de nieuwe apparatuur moeten gaan
werken, mede omdat digitalisering van
beroepsprocedures noodzaakt tot
wijziging van de bestaande werkprocessen
en in veel gevallen een cultuuromslag.
De gerechten
zijn echter reeds thans - onafhankelijk van
het wetsvoorstel
- doende met modernisering van hun
digitale infrastructuur (zie nader
Hangelbroek, Trema 2008, blz. 26-27).
Bovendien biedt het wetsvoorstel slechts
een mogelijkheid, en uitdrukkelijk geen
verplichting, tot het openstellen van
"de digitale snelweg". Het
wetsvoorstel is dan ook niet te
beschouwen als een geheel nieuwe
ontwikkeling die de gerechten opzadelt
met een verplichting waarmee deze nog
niet eerder zijn geconfronteerd, maar
slechts als een ondersteuning van de - ook door de gerechten gekoesterde
- wens om digitalisering zoveel mogelijk
te bevorderen. Bezien vanuit deze
invalshoek, zal het wetsvoorstel als
zodanig geen grote financiële nadelige
gevolgen voor de gerechten hebben.
Uiteraard ontgaat het ons niet dat met
name concrete - in een AMvB, een
ministeriële regeling of een
procesregeling te vervatten - eisen
aan de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van elektronisch
verkeer kunnen leiden tot extra kosten.
Hierbij past
dan weer de kanttekening dat digitaal
procederen, zeker op termijn, ook zal
leiden tot aanzienlijke en structurele
besparingen voor de gerechten. Hierbij
kan met name worden gedacht aan kosten
voor het bewaren van procesdossiers
(zoals beschreven in paragraaf
1.2) en
kosten voor het verzenden van stukken
per gewone en aangetekende post (zoals
beschreven in paragraaf
2.2). Verder
wijzen wij erop dat digitaal
communiceren met partijen kan geschieden
door de griffier zelf, zonder
tussenkomst van een bode (die momenteel
dossiers komt halen en brengen in
verband met ingekomen post) of een
administratief medewerker (die momenteel
berichten op officieel papier print en
zorg draagt voor terpostbezorging).
Op basis van het vorenstaande situeren
wij elektronisch verkeer met de
bestuursrechter binnen het algemene
kader van digitalisering van
werkprocessen bij de gerechten en menen
in het verlengde hiervan dat de
financiële gevolgen van aanschaf,
onderhoud en beheer van extra ICT-voorzieningen moeten worden
besproken in het kader van de reguliere
discussie over de bedrijfsvoering als
geheel, en niet in het kader van het
onderhavige wetsvoorstel.
5. Notificatie
Op basis van artikel 8 van Richtlijn nr.
98/34/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 22 juni
1998 betreffende een informatieprocedure
op het gebied van normen en technische
voorschriften en regels betreffende de
diensten van de informatiemaatschappij
zal dit wetsvoorstel worden voorgelegd
aan de Commissie van de Europese
Gemeenschappen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
I
Onderdeel
A
Blijkens paragraaf 2.7 van het
algemeen
gedeelte van deze toelichting is rblz.|19|
uitgebreid gemotiveerd dat, in welke zin
en waarom wijziging van artikel 2:17
wenselijk is. Wij volstaan hier met een
verwijzing naar deze paragraaf.
Onderdeel
B
Artikel
8:40a, eerste lid
Afdeling 8.1.7
Awb bevat regels voor de
wijze waarop bestuursrechters stukken
aan partijen moeten verzenden. Er
bestaan geen wettelijke voorschriften
die aangeven op welke wijze partijen de
bestuursrechter moeten benaderen. Daarom
is ervoor gekozen om regels met
betrekking tot het verkeer tussen
burgers en bestuursrechters op te nemen
in afdeling 8.1.7
Awb. Een andere keuze
- bijvoorbeeld het creëren van een
geheel nieuwe afdeling - zou de opbouw
en systematiek van hoofdstuk 8
Awb te
zeer verstoren.
Artikel
8:40a, eerste lid, strekt ertoe
de bepalingen van afdeling 2.3
van
overeenkomstige toepassing te verklaren
op het verkeer tussen burgers en
bestuursrechters. In het algemeen deel
van deze toelichting is hierover reeds
het nodige geschreven. Daarom wordt hier
volstaan met een beknopte toelichting.
In dit verband zij nog verwezen naar de
uitgebreide toelichting op afdeling 2.3
en haar afzonderlijke bepalingen in de
memorie van toelichting bij de Webv
(Kamerstukken II 2001-2002, 28 483, nr.
3), met dien verstande dat waar
bestuursorgaan staat hiervoor in dit
wetsvoorstel bestuursrechter moet worden
gelezen.
Artikel
2:13, eerste lid (verzending langs
elektronische weg)
Elektronisch verkeer is slechts
geoorloofd indien aan de eisen uit afdeling 2.3
Awb is voldaan. Hierbij
gaat het om verzending in de ruimste zin
van het woord, omdat onder verzenden
langs elektronische weg iedere vorm van
elektronische gegevensuitwisseling met
een ander wordt verstaan; dus niet
alleen het versturen van een fax, een
e-mailbericht of een sms-bericht, maar
ook bijvoorbeeld het plaatsen van een
stuk op een website dan wel een andere
gegevensdrager. Aldus heeft het begrip
"verzenden" hier een ruimere
betekenis dan in het alledaagse
spraakgebruik gangbaar is.
Artikel
2:13, tweede lid (verbod van
elektronisch verkeer)
Ingevolge deze bepaling is elektronisch
verkeer in twee gevallen niet
toegestaan. Ten eerste: elektronische
verzending is bij of krachtens een
wettelijk voorschrift uitgesloten. Ten
tweede: een vormvoorschrift verzet zich
tegen elektronische verzending van een
bericht aan de bestuursrechter. In dit
kader noemen wij - onder verwijzing
naar paragraaf 2.2 van het algemeen deel
van deze toelichting - met name
artikel 8:37, eerste lid, welke bepaling
specifieke eisen stelt aan de verzending
van de daar genoemde stukken.
Artikel
2:14, eerste lid (verzending door
bestuursrechter)
Deze bepaling brengt de nevenschikking
bij de verzending aan één of meer
geadresseerden tot uitdrukking. De
bestuursrechter mag slechts een bericht
langs elektronische weg verzenden aan
een partij indien de geadresseerde
partij kenbaar heeft gemaakt dat hij
langs deze weg voldoende bereikbaar is.
Door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
deze bepaling vervalt de noodzaak om in
artikel 8:40a uitdrukkelijk te bepalen
onder welke omstandigheden de
bestuursrechter elektronisch berichten
aan een partij kan verzenden (zoals wel
is geschied in artikel 33, eerste lid
(nieuw), Rv).
rblz.|20|
Artikel
2:14, derde lid (betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid)
Ingevolge deze bepaling dient de
communicatie inzake beroepsprocedures
langs elektronische weg van de
bestuursrechter op een betrouwbare en
vertrouwelijke manier te verlopen.
Hiervan is sprake indien het
elektronisch verkeer dezelfde althans
vergelijkbare waarborgen voor
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid
bevat als verzending van stukken per (nu
nog) conventionele post.
Door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
deze bepaling vervalt de noodzaak om
uitdrukkelijk te bepalen dat een AMvB regels aangaande de betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van elektronisch
berichten worden gegeven (zoals wel is
geschied in artikel 33, tweede lid
(nieuw), Rv). In zoverre zij ook
verwezen naar de toelichting op
artikel 8:40a, tweede lid.
Artikel
2:15, eerste lid (verzending aan
bestuursrechter)
Deze bepaling regelt in welke gevallen
een bericht langs elektronische weg aan
de bestuursrechter kan worden gezonden.
Aldus wordt beoogd te voorkomen dat
communicatieproblemen ontstaan doordat
een bestuursrechter nog niet in
voldoende mate beschikt over digitale
infrastructuur om langs elektronische
weg verzonden berichten op adequate
wijze in behandeling te kunnen nemen. De
door de bestuursrechter te stellen
nadere eisen kunnen worden neergelegd in
een of meer algemene maatregelen van
bestuur dan wel in een of meer
procesregelingen.
Door het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
deze bepaling, vervalt de noodzaak om in
artikel 8:40a uitdrukkelijk te bepalen
onder welke omstandigheden een partij
elektronisch berichten aan de
bestuursrechter kan verzenden (zoals wel
is geschied in artikel 33, eerste lid
(nieuw), Rv).
Artikel
2:15, tweede lid (gegevens en
bescheiden)
Deze bepaling strekt ertoe overbelasting
van het door de bestuursrechter
gebruikte elektronische netwerk tegen te
gaan. Een elektronisch bericht kan
immers eenvoudig en zonder extra kosten
worden voorzien van bijlagen met een
aanzienlijke omvang. Indien de
bestuursrechter op deze grond weigert de
langs elektronische weg verzonden
gegevens of bescheiden te aanvaarden,
kunnen de betrokken bijlagen nog steeds
op conventionele wijze worden verstuurd.
Het gebruik van de in deze bepaling
omschreven bevoegdheid kan dus niet
leiden tot strijd met het
verdedigingsbeginsel.
Artikel
2:15, derde lid (betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid)
Ingevolge deze bepaling dient de
toezending van een bericht langs
elektronische weg aan de bestuursrechter
op een betrouwbare en vertrouwelijke
manier te geschieden. In zoverre wordt
verwezen naar de toelichting op het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 2:14, derde lid.
Artikel
2:15, vierde lid (bericht van technische
weigering)
Op grond van deze bepaling dient de
bestuursrechter zo spoedig mogelijk
mededeling te doen aan de afzender
indien hij een langs elektronische weg
ontvangen bericht niet aanvaardt, zodat
de afzender voldoende gelegenheid krijgt
om het betreffende bericht alsnog tijdig
per post aan de bestuursrechter te
zenden. In zoverre zij verwezen naar het
gestelde in paragraaf 2.10 van het
algemeen deel van deze toelichting en
overigens naar de eisen van een goede
procesorde zoals verwoord in artikel
8:58, eerste lid.
Artikel 2:16
(elektronische ondertekening)
Deze bepaling beoogt de elektronische
handtekening gelijk te stellen met de
handgeschreven handtekening. Het artikel
geeft een nadere uitwerking rblz.|21|
aan de
betrouwbaarheid als genoemd in artikel
2:14, derde lid, en 2:15, derde lid. Met
de inhoud van dit artikel wordt
aangesloten bij de regeling van de
elektronische handtekening in het BW. In
zoverre zij verwezen naar paragraaf 2.6
van het algemeen deel van deze
toelichting.
Artikel
2:17, eerste lid (tijdstip van
verzending)
Ingevolge deze bepaling kan het tijdstip
van verzending van een door de
bestuursrechter langs elektronische weg
verzonden bericht worden vastgesteld.
Het bericht is langs elektronische weg
verzonden op het tijdstip dat het
bericht een systeem heeft bereikt
waarvoor de bestuursrechter geen
juridische verantwoordelijkheid draagt.
Het risico van het gebruik van de
elektronische weg ligt in beginsel bij
de afzender.
Artikel
2:17, tweede lid (tijdstip van
ontvangst)
Volgens deze bepaling kan het tijdstip
van ontvangst door de bestuursrechter
van een langs elektronische weg
verzonden bericht worden vastgesteld. De
ontvangst van het bericht hangt niet af
van het tijdstip van opening hiervan.
Dit behoort tot de verantwoordelijkheid
van de ontvanger.
Artikel
8:40a, eerste lid, geeft geen regeling
voor het tijdstip waarop een
elektronisch verzonden bericht tijdig is
ontvangen (zoals wel is geschied in
artikel 33, derde lid (nieuw), Rv). De
regel dat verzendingen die vóór 24.00
uur van de laatste dag van een lopende
termijn zijn ontvangen, gelden als
binnen de termijn ingediend, vloeit
rechtstreeks voort uit het bepaalde in
artikel 6:9, eerste lid (vgl. ABRvS
24
december 1998, AB 1999, 308).
Artikel
8:40a, tweede lid
Op grond van deze bepaling kunnen nadere
regels worden gesteld aan het
elektronisch verkeer tussen burgers en
bestuursrechters. Wij achten dit
noodzakelijk gezien de specifieke
stukken - niet alleen
(hoger)beroepschriften, maar ook de
stukken als bedoeld in artikel
8:37,
eerste lid - die in een
(hoger)beroepsprocedure worden
gewisseld. De nadere regels kunnen
betrekking hebben op de gevallen waarin
burgers en bestuursrechters elektronisch
met elkaar mogen communiceren, maar ook
op de (technische) voorwaarden waaraan
dit elektronisch verkeer moet voldoen.
Een verwijzing naar procesregelingen is
achterwege gebleven. Het vaststellen van
deze regels is immers voorbehouden aan
(de besturen van de gerechten waartoe)
de bestuursrechters (behoren), welke
regels zich moeten bewegen binnen de
ruimte die door wettelijke voorschriften
aan de bestuursrechter worden gelaten.
Dit betekent dat de procesregelingen
concreet invulling kunnen geven aan de
eisen die in een op deze bepaling
gebaseerde AMvB zijn neergelegd.
Evenzeer is nagelaten om te bepalen dat
bij AMvB algemene regels over
betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid van
elektronisch verzonden berichten worden
gegeven (zoals wel is geschied in
artikel 33, tweede lid (nieuw), Rv).
Dit hangt samen met het van
overeenkomstige toepassing verklaren van
artikel 2:14, derde lid.
De algemene
formulering van
artikel 8:40a, tweede
lid, stelt bovendien buiten twijfel dat
regels over betrouwbaarheid en
vertrouwelijkheid van elektronisch
verzonden berichten niet alleen kunnen
worden vastgelegd in een op deze
bepaling gebaseerde AMvB, maar ook in
procesregelingen. Wij kunnen ons
namelijk voorstellen dat algemene en
elementaire regels hun neerslag in een
AMvB vinden en dat specifieke en
technische uitwerking van deze regels
plaatsvindt in procesregelingen.
Of, en zo ja,
op welke wijze procesregelingen kunnen
bijdragen aan regulering van betrouwbare
en vertrouwelijke digitalisering van rblz.|22|
(hoger)beroepsprocedures, valt nu nog
niet te zeggen. Dit is een kwestie die
te gelegener tijd aan de orde kan komen
tijdens het - in paragraaf 1.3 van het
algemeen deel van deze toelichting
bedoelde - overleg met de diverse
gerechten en de organisaties waarin deze
zich hebben verenigd.
Artikel
8:40a, derde lid
Deze bepaling biedt de mogelijkheid
nadere regels over het gebruik van
videoconferentie te stellen. Hiervoor
geldt hetzelfde als voor de nadere
regels als bedoeld in
artikel 8:40a,
tweede lid. Voor een toelichting zij dan
ook verwezen naar de toelichting op dit
artikel.
De RvdR suggereert om de mogelijkheid
tot het stellen van nadere regels over
het gebruik van videoconferentie neer te
leggen in een nieuw artikel
8:40b, met
het argument dat het houden van een
videoconferentie niet is beschouwen als
elektronisch berichtenverkeer in de zin
van afdeling 2.3.
Wij
delen deze opvatting van de RvdR niet en wijzen daartoe op de ruime
strekking van het begrip "elektronisch
verkeer" als bedoeld in afdeling 2.3
Awb. In zoverre zij verwezen naar
het gestelde in paragraaf 2.1 van het
algemeen deel van deze toelichting. In
dit kader wijzen wij er - nogmaals;
zie ook paragraaf 1.3 van het algemeen
deel van deze toelichting - op dat
afdeling 8.2.5 zich niet verzet tegen
het horen van partijen op afstand. Het
organiseren van een videoconferentie
vergt, naar ons oordeel, dan ook geen
afzonderlijke wettelijke grondslag naast
die van
artikel 8:40a, eerste lid.
Artikel
II
Wij achten het wenselijk dat ook
elektronisch verkeer met de HR
als
belastingrechter mogelijk wordt. Dit
noodzaakt tot wijziging van artikel 29
van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, die
artikel 8:40a immers nog niet noemt.
Artikel
IV
Naar verwachting zal veelvuldig naar
deze wet worden verwezen. Daarom is een
citeertitel opgenomen.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties,
G. ter Horst
|