|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 32 430
Wijziging
van de Algemene Ouderdomswet teneinde een
korting te kunnen toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die jonger
is dan 65 jaar ¹
1. Zie ook de Wet van 30 juni
2011 tot wijziging van de Wet houdende wijziging van de Algemene Ouderdomswet teneinde een korting
te kunnen toepassen op de toeslag voor de echtgenoot die jonger is dan
65 jaar (Stb.
2011, 360) en de daarbij behorende memorie van
toelichting, red.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Achtergrond |
| 3 |
Voorgeschiedenis |
| 4 |
Vormgeving en keuzes met betrekking tot
het wetsvoorstel |
| 5 |
Financiële gevolgen |
| 6 |
Ontvangen commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikel
I |
Algemeen
1.
Inleiding
Met
onderhavig wetsvoorstel wordt de
partnertoeslag op grond van de Algemene
Ouderdomswet (AOW) vanaf 2011 met 8%
gekort, zowel voor nieuwe alsook voor
lopende rechten. De maatregel heeft
zodoende onmiddellijke werking. De
regering is van mening dat deze
maatregel aansluit bij de huidige
economische en maatschappelijke
omstandigheden. Huishoudens met een
beperkt inkomen zullen van de korting
worden uitgezonderd.
2.
Achtergrond
De
hoogte van de AOW-uitkering is
gerelateerd aan de huishoudsituatie van
de gepensioneerde. Een gehuwde
AOW-gerechtigde ontvangt 50% van het
nettominimumloon per maand als netto-ouderdomspensioen. Als beide
partners 65 jaar of ouder zijn, ontvangen
zij dus samen 100%. Zolang één van de
partners nog geen 65 jaar is, bestaat er
recht op een partnertoeslag van maximaal
50% van het nettominimumloon. De
uiteindelijke hoogte van de
partnertoeslag is afhankelijk van de
inkomsten van de jongere partner;
inkomsten uit arbeid worden voor een
deel op de toeslag in mindering
gebracht, inkomsten in verband met
arbeid worden volledig gekort.
Vanwege
demografische ontwikkelingen is het
aantal AOW-gerechtigden met een partner
jonger dan 65 jaar de afgelopen jaren
toegenomen. De verwachting is dat dit
aantal de komende jaren nog verder zal
stijgen. Omdat ook de
arbeidsparticipatie toeneemt, blijkt het
aandeel AOW-ers met jongere partner
die een (inkomensafhankelijke)
partnertoeslag ontvangen juist af te
nemen.
rblz.|2|
Ontwikkeling
in het aandeel AOW-ers met jongere
partner die toeslag ontvangen:

De achtergrond
van de voorgestelde maatregel is
voornamelijk budgettair van aard. De
maatregel dient te worden bezien in het
licht van de brede
houdbaarheidsproblematiek die voor een
belangrijk deel samenhangt met
kostenstijgingen vanwege de vergrijzing.
In
de beleidsagenda van de SZW-begroting
2010 (Kamerstukken 32 123 XV) is aangegeven dat er reeds voor de
korte termijn een herschikking op de
begroting nodig is, enerzijds vanwege
een aanvullend beleidspakket ter
stimulering van de economie en
anderzijds als gevolg van enkele
uitvoeringstegenvallers. Bij de
stimuleringsmaatregelen moet
bijvoorbeeld gedacht worden aan de
deeltijd-WW, bij de overige tegenvallers
onder meer aan de hogere AOW-uitgaven
vanwege de gestegen levensverwachting.
Bewindslieden dienen tegenvallers op de
eigen begroting op te lossen.
Het
is daarom niet de vraag of, maar veel
meer hoe de tekorten op de begroting
opgelost zullen worden. Wel zal bij
iedere maatregel zorgvuldig moeten
worden gekeken naar de maatvoering en
zullen ongewenste maatschappelijke
effecten zoveel mogelijk moeten worden
vermeden.
3.
Voorgeschiedenis
Met
ingang van 1 januari 2015 wordt de AOW-partnertoeslag voor nieuwe
AOW-gerechtigden afgeschaft. Deze
maatregel is reeds met ingang van 1
januari 1996 in de AOW opgenomen. De
achterliggende gedachten bij deze
maatregel waren de voortschrijdende
individualisering in de samenleving die
ook in de sociale zekerheid zijn
weerslag vindt, de ontwikkelingen ten
aanzien van de emancipatie van vrouwen
en de toename van de betekenis van het
aanvullende pensioen voor de aankomende
generaties AOW-gerechtigden.
In
de beleidsagenda van de SZW-begroting
2010 worden per 2011 maatregelen ten
aanzien van de partnertoeslag
aangekondigd, vooruitlopend op de
algemene afschaffing vanaf 2015. Het
voornemen in de begroting was om de
partnertoeslag voor alle AOW-ers met
een gezamenlijke brutojaarinkomen boven
€|20 000,- met 6% te korten en om de
gehele toeslag vervroegd af te schaffen
voor nieuwe AOW-ers met partners die
minimaal tien jaar jonger zijn. Naar
aanleiding van discussie met de Tweede
Kamer tijdens de begrotingsbehandeling,
waarin de Kamer aangaf de periode tussen
aankondiging en inwerkingtreding erg
kort te vinden en vanwege het beperkte
draagvlak in de samenleving voor de rblz.|3|
vervroegde afschaffing, heeft de
toenmalige Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer
per brief op 16 februari 2010 (Kamerstukken
II 2009-2010, 29 389, nr. 25) laten
weten deze maatregel niet ten uitvoer te
brengen. In dezelfde brief wordt tevens
aangekondigd dat de generieke korting
vanaf 2011 geen 6% maar 8% zal bedragen.
Met deze verhoging van de generieke
korting wordt het budgettaire tekort dat
ontstaat vanwege het niet ten uitvoer
brengen van de vervroegde afschaffing
voor AOW-ers met minimaal tien jaar
jongere partners beperkt. Een generieke
korting is vanuit het oogpunt van
subsidiariteit ook beter te verdedigen
dan het volledig afschaffen van de
toeslag voor een kleine deelpopulatie.
4.
Vormgeving en keuzes met betrekking tot
het wetsvoorstel
De
regering acht deze maatregel passend en
proportioneel. Omdat de regering tevens
van mening is dat de maatregel niet
onevenwichtig dient neer te slaan bij de
huishoudens die het sterkst afhankelijk
zijn van de partnertoeslag, introduceert
zij de toets op het gezamenlijke
inkomen, zodat de lagere inkomens
(deels) ontzien worden.
Alle AOW-ers die vanaf 1 januari 2011 recht
hebben dan wel recht krijgen op een
partnertoeslag voor de jongere partner
zullen vanaf deze datum te maken krijgen
met een korting van maximaal 8% op de
toeslag. Dit geldt dus ook voor de
populatie die nog onder het regime van
vóór 1 februari 1994 valt, toen het
AOW-pensioen en de partnertoeslag nog in
de verhouding van 70%-30% stonden. AOW-ers
met een jongere partner die gezamenlijk
een laag inkomen hebben, worden ontzien
zodat deze maatregel niet zal leiden tot
een beroep op de (aanvullende) bijstand.
De
hoofdregel is een generieke korting van
8%. Maar dit geldt niet voor lagere
inkomens, de exacte korting wordt
namelijk afhankelijk gesteld van het
gezamenlijke inkomen. Indien het
gezamenlijke inkomen onder de 110% van
het wettelijk minimumloon
ligt,
dan wordt de partnertoeslag niet gekort.
Verder is de maatregel zodanig
vormgegeven dat de hoogte van de
korting nooit zal leiden tot een
inkomensdaling tot onder het niveau van
110% van het wettelijk minimumloon. Dit betekent dat huishoudens
met een gezamenlijk inkomen dat net
boven deze inkomensgrens ligt, gekort
worden tot deze grens. In dergelijke
gevallen zal de korting zodoende lager
dan 8% uitvallen.
Door
de introductie van een toets op het
gezamenlijk inkomen zal, in
tegenstelling tot de huidige situatie,
ook de hoogte van het inkomen van de AOW-er
zelf van invloed kunnen zijn op de
uiteindelijk te ontvangen
AOW-partnertoeslag. Dit is een nieuw
element binnen de systematiek van de
AOW(-partnertoeslag). De regering is
zich ervan bewust dat dit wellicht niet
ten goede komt aan de eenvoud van de
AOW. Maar aangezien de regering er sterk
aan hecht dat de maatregel niet
onevenwichtig neerslaat bij de
huishoudens die het sterkst afhankelijk
zijn van de partnertoeslag, acht zij
deze beperkte uitbreiding verantwoord.
De
grens van 110% van
het wettelijk minimumloon
sluit aan bij de in
de beleidsagenda van de SZW-begroting
2010 en in de brief van de toenmalige staatssecretaris aangekondigde
inkomensgrens van
€|20 000,-.
Dankzij deze grens worden de lagere
inkomens in het algemeen ontzien en
ontstaat er geen extra beroep op de
(aanvullende) bijstand, terwijl door het
vastleggen van een grens die 10 procentpunt
boven
het wettelijk minimumloon ligt tevens voorkomen wordt
dat een klein aanvullend pensioen door
de korting volledig wordt tenietgedaan.
Door deze grens in de wet vast te leggen
als percentage van het
wettelijk minimumloon "beweegt"
de grens automatisch mee met de
ontwikkeling in het minimumloon, zoals
de jaarlijkse indexering.
rblz.|4|
5.
Financiële gevolgen
Gemiddeld
ontvangt een AOW-er met partnertoeslag
ongeveer
€|6400,- bruto per jaar bovenop
zijn AOW-pensioen. Een korting van 8% op
deze toeslag houdt in dat een huishouden
ongeveer
€|500,- per jaar minder zal
ontvangen. Voor huishoudens met beperkte
extra inkomsten bovenop de AOW die net
boven de inkomensgrens van 110% van
het wettelijk minimumloon
zitten, betekent dit een inkomensdaling
van maximaal 3%. Bij toenemende
aanvullende inkomsten neemt het
procentuele inkomenseffect van de
korting af. Aangezien de meeste mensen
beschikken over aanvullende inkomsten
(driekwart van de huidige 65-plusser
heeft aanvullend pensioen) zal het
inkomenseffect over het algemeen een
stuk geringer zijn.
In
2011 verstrekt de Sociale
verzekeringsbank (SVB) ongeveer 200 000
toeslagen aan AOW-ers met een partner
jonger dan 65; tot en met 2014 loopt dit
aantal op tot ongeveer 225.000. Daarna
zal het aantal huishoudens met een
partnertoeslag slinken, omdat deze per
2015 voor nieuwe gevallen is afgeschaft.
Dit betekent dat de opbrengst van de
maatregel na 2015 zal dalen.
De
maatregel levert
€|105 mln op in
2011. Dit loopt op tot
€|118 mln
in 2014 en neemt daarna af [onderstaande
bedragen zijn in mln euro, red.].
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2010 |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
| Uitkeringslasten |
0xx |
–105x |
–110x |
–114x |
–118x |
–92x |
| Uitvoeringskosten |
3xx |
1x |
1x |
1x |
1x |
1x |
De
uitvoeringskosten van dit voorstel
bestaan uit initiële en structurele
kosten. Het gaat hierbij voornamelijk om
het opleiden van personeel, het
verwerken van inkomensopgaven en de
extra kosten als gevolg van bezwaar en
beroep. De omvang van de eenmalige extra
uitvoeringskosten in 2010 bedragen
€|3
mln, terwijl de uitvoeringskosten in de
periode 2011-2014 met
€|1 mln
toenemen. Vanaf 2014 nemen de
uitvoeringskosten af. Dit omdat de extra
uitvoeringkosten vanwege de aanvragen na
2014 vervallen, als gevolg van de
afschaffing van de partnertoeslag per 1
januari 2015.
De
administratie lasten [lees: De
administratieve lasten, red.] voor burgers nemen
met dit voorstel marginaal toe; in 2010
bestaat een eenmalige last van 50 000
uur en
€|40 000,-, vanaf 2011 gaat het
om 8000 uur en
€|4000,-.
Voor het
grootste deel gaat het daarbij om de
extra lasten voor het melden van
inkomensgegevens aan de SVB. Deze
gegevens zijn noodzakelijk bij de
beoordeling of men al dan niet boven de
inkomensgrens van 110% van
het wettelijk minimumloon
uitkomt.
Er
zijn geen additionele administratieve
lasten voor het bedrijfsleven.
6.
Ontvangen commentaren
Uitvoeringstoets
IWI
De
Inspectie Werk en Inkomen (IWI) heeft
een toets uitgebracht ten aanzien van de
toezichtbaarheid van dit
wetsvoorstel.
De IWI heeft in deze toets aangegeven
dat in het aan haar voorgelegde
wetsvoorstel onduidelijkheid bestond
over de volgorde bij de bepaling van de
uiteindelijke hoogte van de
partnertoeslag. Deze onduidelijkheid zag
met name op de volgorde van enerzijds de
generieke korting van 8% en anderzijds
de korting in verband met
niet-verzekerde jaren. Naar aanleiding
van deze opmerking is de wettekst
zodanig aangepast dat nu duidelijk is
dat eerst rblz.|5|
een correctie vanwege
eventueel niet-verzekerde jaren
plaatsvindt en daarna de generieke
korting dient te worden toegepast, met
inachtneming van de inkomensgrens.
Uitvoeringstoets
SVB
De SVB heeft een toets uitgebracht ten
aanzien van de uitvoerbaarheid van het
wetsvoorstel. De SVB geeft daarin aan
dat het voorstel uitvoerbaar is.
De SVB geeft verder aan dat de geplande
invoeringsdatum van 1 januari 2011 zeer
krap is, maar dat men onder bepaalde
voorwaarden wellicht toch kans ziet om
invoering vanaf deze datum te kunnen
realiseren.
Toets
op administratieve lasten Actal
Het
Adviescollege toetsing administratieve
lasten (Actal) heeft geadviseerd om in
de toelichting bij het wetsvoorstel aan
te geven welke alternatieven met minder
administratieve lasten voor burgers zijn
overwogen. De extra lasten hangen
grotendeels samen met het melden van
inkomensgegevens door burgers aan de SVB, noodzakelijk bij de beoordeling of
men al dan niet boven de inkomensgrens
van 110% van
het wettelijk minimumloon
uitkomt. Bezien is of deze
gegevens op een alternatieve wijze
verkregen kunnen worden om zo te
voorkomen dat de administratieve lasten
voor burgers toenemen. Aangezien dit
niet het geval is en de regering er
sterk aan hecht dat de maatregel niet
onevenwichtig neerslaat bij de
huishoudens die het sterkst afhankelijk
zijn van de partnertoeslag, zijn deze
extra administratieve lasten voor
burgers onvermijdelijk. Overigens gaat
het slechts om een tijdelijk effect op
de administratieve lasten, aangezien de
partnertoeslag vanaf 2015 voor nieuwe
gevallen wordt afgeschaft.
Artikelsgewijs
Artikel
I, onderdeel A
In dit onderdeel wordt geregeld dat ook
voor het vaststellen van het
gezamenlijke inkomen van de gehuwde
pensioengerechtigde en diens echtgenoot
uit of in verband met arbeid nadere
regels kunnen worden gesteld bij
ministeriële regeling alsmede de
periode waarop de vaststelling
betrekking heeft.
Artikel
I, onderdeel B
In het voorgestelde nieuwe artikel 12
wordt geregeld dat op de partnertoeslag,
zoals op grond van artikel 10 en
eventueel op grond van artikel
13,
tweede lid, is vastgesteld, 8% in
mindering wordt gebracht voor zover het
gezamenlijke inkomen van beide partners
vermeerderd met het ouderdomspensioen
van de gehuwde pensioengerechtigde door
deze korting niet minder dan 110% van
het wettelijk
minimumloon bedraagt.
Indien het gezamenlijke inkomen samen
met het voornoemde ouderdomspensioen
door toepassing van de korting wel onder
de grens van 110% van het wettelijk
minimumloon uit zou komen, dan wordt er
slechts gekort tot deze grens.
Verder
wordt in het tweede lid geregeld dat de
uiteindelijke hoogte van de toeslag
wordt uitgedrukt in een percentage van
de volledige brutotoeslag ten behoeve
van het berekenen van de vakantie-uitkering.
rblz.|6|
Met
de eerste zin van het derde lid wordt
geregeld dat deze kortingssystematiek
eveneens van toepassing is op
pensioengerechtigden die op grond van
artikel II van de Wet van 23 oktober
1993 tot wijziging van de Algemene
Ouderdomswet (wijziging in de verhouding
van ouderdomspensioen en toeslag) (Stb.
1993, 592) onder het regime vallen van vóór
1 februari 1994. Het gaat hier om
pensioengerechtigden met een AOW-pensioen en toeslag in de verhouding
70%-30%. Met de tweede zin wordt
geregeld dat op deze
pensioengerechtigden artikel I, onderdeel
A, onder 2, en C, van
dit
wetsvoorstel van overeenkomstige
toepassing is.
Artikel
I, onderdeel C
Het
tweede lid van artikel
29, onderdeel b,
wordt in overeenstemming gebracht met de
wijziging van artikel 10 en het nieuwe
artikel 12.
Aangezien
de korting op de toeslag vanwege niet-verzekerde
jaren reeds is verdisconteerd
in het percentage dat op grond van het
nieuwe artikel
12, tweede lid, wordt
vastgesteld, dient artikel
29, vierde
lid, alleen nog betrekking te hebben op
de korting vanwege niet-verzekerde jaren
van de pensioengerechtigde zelf.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H.
Donner
|