Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  WIJZIGING  WWB  EN  SAMENVOEGING  MET  WIJ  TER  BEVORDERING  VAN  DEELNAME  AAN  ARBEIDSMARKT  EN  VERGROTING  EIGEN  VERANTWOORDELIJKHEID  VAN  UITKERINGSGERECHTIGDEN

Versie 22 december 2011

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 2010-2011, 2011-2012, 32 815.
Handelingen II 2011-2012, nr. 7, item 26, nr. 10, item 16.
Kamerstukken I 2011-2012, 32 815 (A, B, C, D, E, F, G, H).
Handelingen I 2011-2012, nr. 13, item 4, nr. 14, item 11 en 17.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 22 december 2011, Stb. 2011, 650, tot wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden. Inwerkingtreding: 1 januari 2012 (Stb. 2011, 651).

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de eigen verantwoordelijkheid ten behoeve van deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten aan te scherpen, om het belang van scholing als essentieel element voor een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te benadrukken en bij te dragen aan een versterking van de balans tussen rechten en plichten;
     Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Art. I. Wijziging van de Wet werk en bijstand  [MvT]
De Wet werk en bijstand wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na "tenzij het betreft" ingevoegd: een aanverwant in de eerste graad,.
2. In het zevende lid vervalt "een meerderjarig stiefkind of".
B.
[MvT]
Artikel 4 komt te luiden:
Art. 4. Alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. alleenstaande: de ongehuwde die:
1º. geen tot zijn last komende kinderen heeft;
2º. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; en
3º. die niet één of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning
als de ongehuwde hebben;
b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die:
1º. de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen;
2º. geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; en
3º. niet één of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben;
c. gezin:
1º. de gehuwden tezamen;
2º. de gehuwden met de tot hun laste komende kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben;
3º. de alleenstaande of alleenstaande ouder met één of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de alleenstaande of de alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben;
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 25, eerste lid, 26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind of, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of stiefkind;
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder meerderjarig kind niet verstaan het kind wiens in aanmerking te nemen inkomen niet meer bedraagt dan €|1023,42 per maand en dat:
a. uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;
b. aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000; of
c. voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in aanmerking komt.
-3. Indien de ten laste komende kinderen of de meerderjarige kinderen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, van de gehuwde, van de alleenstaande of van de alleenstaande ouder één of meer ten laste komende kinderen of meerderjarige kinderen hebben die in dezelfde woning, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, hun hoofdverblijf hebben, behoren alle in dit lid bedoelde personen tot hetzelfde gezin.
-4. Onder een ander als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2º, en onderdeel b, onder 2º, wordt niet verstaan een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
-5. Op verzoek van de belanghebbende kan het college gelet op de duur van de te verlenen zorg besluiten dat een gehuwde, alleenstaande, alleenstaande ouder of meerderjarig kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, niet tot een gezin behoort, indien die persoon:
a. jonger is dan 65 jaar: ¹
1º. aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover het betreft persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf, waarbij voor begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf een dagdeel geldt als vier uren en een etmaal als 24 uren;
2º. aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1º, is aangewezen geen persoonsgebonden budget ontvangt en dat in ieder geval tien van die uren zorg per week niet worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; en
3º. aannemelijk maakt dat één of meer van diens meerderjarige kinderen die tot dat gezin behoren respectievelijk één of meer van diens ouders die tot dat gezin behoren in ieder geval tien van de uren zorg per week waarop hij op grond van het indicatiebesluit, bedoeld onder 1º, is aangewezen aan die persoon verlenen;
b. 65 jaar of ouder is en:
1º. voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel a, onder 1º, 2º en 3º; en
2º. op de dag voordat hij recht heeft op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in onderdeel a, onder 1º.
-6. Indien een persoon op grond van het tweede of vijfde lid niet tot het gezin behoort, wordt hij als alleenstaande aangemerkt. De overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, worden als gezin aangemerkt. Indien de overgebleven leden van het gezin, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, onder 2º of 3º, bestaan uit één meerderjarige persoon dan wel één meerderjarige persoon met één of meer minderjarige personen, wordt deze meerderjarige persoon voor de toepassing van paragraaf 3.2 evenwel als alleenstaande respectievelijk alleenstaande ouder aangemerkt.
C.
[MvT]
In artikel 5, onderdeel e, wordt "de belanghebbende of het gezin" vervangen door: de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin.
D.
[MvT]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel a, vervalt "de
Wet investeren in jongeren,".
E.
[MvT]
Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid komt te luiden:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x