|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2010-2011, 32 878
Voorstel
van wet tot wijziging ¹ van enkele socialezekerheidswetten
in verband met aanpassing van de hoogte van de uitkering aan het
woonland (Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid)
1. Volgens
de redactie dient "Voorstel van wet tot wijziging" te
worden vervangen door: Wijziging.
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Het
woonlandbeginsel |
| 3 |
Internationaalrechtelijke
aspecten |
| 4 |
Kinderbijslag
en kindgebonden budget |
| 5 |
Algemene
nabestaandenwet |
| 6 |
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen |
| 7 |
Overige
aspecten |
| 8 |
Financiële
gevolgen |
| 9 |
Ontvangen
commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen
I t/m V |
Algemeen
1.
Inleiding
Dit
wetsvoorstel, dat in overeenstemming met
de Staatssecretaris van Financiën tot
stand is gekomen, ziet op invoering van
het woonlandbeginsel in de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW), de Algemene
nabestaandenwet (Anw), de Wet
op het kindgebonden budget (Wkb) en een onderdeel van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), voor landen buiten de
Europese Unie (hierna: EU).¹ Het
woonlandbeginsel houdt in dat de hoogte
van een uitkering wordt afgestemd op het
kostenniveau van het land waar de
belanghebbende of het kind woont.
1.
In dit verband wordt onder Europese Unie
telkens ook verstaan: de Europese
Economische Ruimte en Zwitserland.
De regering streeft naar beperking van
de export van uitkeringen naar landen
buiten de EU. Zolang export naar die
landen plaatsvindt, is het van belang de
geëxporteerde uitkeringen zoveel
mogelijk te laten aansluiten bij het
doel dat met de uitkering wordt
nagestreefd. Voorkomen moet worden dat
Nederlandse uitkeringen die buiten
Nederland worden verstrekt, naar lokale
maatstaven bezien, uit de pas lopen. Met
name als het gaat om uitkeringen die
voorzien in een bijdrage in specifieke
kosten of gerelateerd zijn aan het
sociaal minimum in Nederland, is de kans
aanwezig dat de uitkering zijn doel
voorbijschiet, in die zin dat een
verdergaande financiële ondersteuning
wordt geboden dan - de plaatselijke rblz.|2|
omstandigheden in aanmerking genomen -
noodzakelijk en gerechtvaardigd is. Zo
zal een te hoge uitkering in relatie tot
het kostenniveau van het woonland
bijvoorbeeld de prikkel ondermijnen om
weer aan het werk te gaan.
Het
woonlandbeginsel wordt ook ingevoerd
voor Caribisch Nederland (Bonaire, Saba
en Sint Eustatius). Deze benadering past
bij keuzes die, tegen de achtergrond van
de eigen positie van deze eilanden, ook
op andere deelterreinen van de sociale
wetgeving met betrekking tot Caribisch
Nederland zijn gemaakt. De bijzondere
lokale context is steeds het
vertrekpunt.
Zoals
aangekondigd in het regeerakkoord en in
de brief van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 22 december
2010 ¹ aan de Tweede Kamer, zal het
woonlandbeginsel voor landen buiten de
EU worden ingevoerd bij de AKW,
de Anw, Wkb
en bij en de WGA-vervolguitkering [WGA:
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk
7 van de Wet WIA, red.].
De Algemene
ouderdomswet (AOW) is hiervan
uitgezonderd, omdat de AOW een
ouderdomspensioen is dat wordt opgebouwd
en tevens geen arbeidsplicht kent.
Invoering van
het woonlandbeginsel in de AKW en Wkb is
een eerste stap in de richting van
volledige stopzetting van export van
deze regelingen buiten de EU zoals
aangekondigd in het regeerakkoord.
Inwerkingtreding van onderhavig
wetsvoorstel is voorzien met ingang van
1 juli 2012 voor de AKW, Anw en
WGA-vervolguitkering en om
uitvoeringstechnische redenen voor de Wkb
met ingang van 1 januari 2013.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 500-XV,
nr. 57.
In het vervolg van deze memorie van
toelichting wordt het woonlandbeginsel
in paragraaf 2
geschetst. Paragraaf 3
beschrijft de internationale aspecten. Paragraaf
4 gaat in op de AKW
en de Wkb
in relatie tot het woonlandbeginsel. Paragraaf
5 beschrijft de gevolgen van de
toepassing van het woonlandbeginsel op
de Anw. Paragraaf
6 gaat in op de Wet WIA.
Paragraaf 7 schetst een
aantal overige aspecten. De financiële
gevolgen van het wetsvoorstel volgen in paragraaf
8. In paragraaf 9
komen tot slot de commentaren met
betrekking tot dit wetsvoorstel aan de
orde.
2.
Het woonlandbeginsel
Invoering van het woonlandbeginsel vindt
plaats via een wijziging van de
nationale wetgeving. In de verschillende
wetten wordt geregeld dat de hoogte van
de uitkeringen afhankelijk is van het
kostenniveau van het land waar de
uitkeringsgerechtigde woont dan wel
degene met betrekking tot wie de
uitkering wordt ontvangen. De
vaststelling van de hoogte geschiedt met
behulp van economische kerncijfers zoals
de koopkrachtpariteit (purchasing power
parity, afgekort: PPP). De PPP tussen
twee landen geeft aan wat de wisselkoers
tussen twee valuta’s is zodanig dat
het mogelijk is om met een bepaald
bedrag dezelfde producten en diensten te
kopen in beide landen. Als een product
in Nederland 1 euro kost en in Japan
ditzelfde product 50 yen kost, dan is de
PPP (euro/yen) gelijk aan 1/50 = 0,02.
Als de PPP vergeleken wordt met de
"echte" of nominale wisselkoers, dan
kan het kostenniveau tussen twee landen
worden bepaald. Als de wisselkoers
(euro/yen) bijvoorbeeld 0,01 is, dan
krijgt men voor elke euro 100 yen en
daarvoor krijgt men in Japan twee
producten in plaats van één in
Nederland. Het kostenniveau in Nederland
is dan twee keer zo hoog.
Het gaat om een
internationaal algemeen geaccepteerde
indicator, die periodiek door onder
andere de Wereldbank en de Organisatie
voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling (OESO) gepubliceerd wordt.
De gegevens van de Wereldbank omvatten
een groot aantal landen inclusief de
OESO-landen.
rblz.|3|
Aan de hand van de PPP kan zo een
percentage worden vastgesteld wat het
kostenniveau aangeeft van een bepaald
land ten opzichte van het kostenniveau
in Nederland. Naar de mening van de
regering is het kostenniveau, zoals
weergegeven door de koopkrachtpariteit,
de beste en meest objectieve parameter
voor een vergelijking van de kosten van
levensonderhoud in diverse landen.
De bij ministeriële regeling vast te
stellen percentages [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.] zullen in principe
jaarlijks worden herzien. Aangezien de
regering voor de vaststelling van de
percentages echter afhankelijk is van
cijfers van derden, is dit principe niet
wettelijk vastgelegd.
De hoogte van de uitkeringen blijft
gebaseerd op het Nederlandse
kostenniveau. Daarom kan de te
exporteren uitkering nooit dit niveau
overstijgen. Het percentage kan dus
maximaal 100 zijn. Hierdoor blijft de
hoogte van de uitkering voor betrokkenen
in landen waar het kostenniveau boven
dat van Nederland ligt volledig gelijk
aan het huidige niveau.
Sinds 2000 exporteert Nederland alleen
nog bepaalde uitkeringen als met het
desbetreffende land in een verdrag
handhavingsafspraken zijn gemaakt. De
export van uitkeringen ziet daarom in
beginsel op een beperkt aantal landen.
Voor de meeste landen waar Nederland een
verdrag mee heeft afgesloten, is de PPP
beschikbaar en is het derhalve eenvoudig
om het kostenniveau van dat land vast te
stellen.
Voor een aantal
bijzondere categorieën werkenden, die
werkzaamheden verrichten in het algemeen
belang ¹ in het buitenland, is het
toegestaan ook naar niet-verdragslanden
uitkeringen te exporteren. Hierbij gaat
het bijvoorbeeld om Nederlandse
diplomaten werkzaam op een ambassade in
het buitenland, ontwikkelingswerkers en
personen die werkzaamheden verrichten
voor een volkenrechtelijke organisatie
in het buitenland. Ook vindt export van Anw-uitkeringen
op grond van artikel
68 Anw
plaats naar niet-verdragslanden op grond
van de Pardonregeling Wet beperking
export.² Het gaat hier om mensen die
vóór 1 januari 2000 een Anw-uitkering
hadden en op 31 december 2005 nog steeds
met uitkering in dat niet-verdragsland
woonden. Deze groep is beperkt en neemt
in de tijd af.
Hoewel het dus
om geringe aantallen betrokkenen gaat,
kan export ook plaatsvinden naar landen
waarvan de PPP niet bekend is. Voor deze
landen zal het kostenniveau worden
afgeleid van andere economische
kerncijfers dan het PPP. Te denken valt
aan het bruto binnenlands product (BBP)
per hoofd van de bevolking.
1.
Zie Besluit
afwijkende regels beperking export
uitkeringen.
2. Wet van de
Minister van Sociale zaken en
werkgelegenheid van 7 december 2006,
houdende wijziging van enkele
socialeverzekeringswetten betreffende de
definitieve vaststelling van de
uitkeringspositie van
uitkeringsgerechtigden woonachtig in het
buitenland (Stb. 2006, 697).
3.
Internationaalrechtelijke aspecten
Nederland exporteert sinds 2000 alleen
nog bepaalde uitkeringen als met het
desbetreffende land in een verdrag
handhavingafspraken zijn gemaakt.
Daarbij moet er onderscheid worden
gemaakt tussen de landen die tot de EU
behoren en landen buiten de EU waarmee
Nederland bilaterale verdragen heeft
afgesloten.
Binnen de EU is het vrije verkeer van
werknemers één van de pijlers waarop
de interne Europese markt rust. Op het
terrein van de sociale zekerheid brengt
dit met zich mee dat iemand die gebruik
maakt van zijn recht op vrij verkeer
geen nadelen in zijn socialezekerheidspositie mag ondervinden.
Hiertoe zijn verordeningen opgesteld die
de socialezekerheidsstelsels van landen
binnen de EU coördineren. Wat betreft
kinderbijslag schrijft artikel 67 van
Verordening (EG) nr. 883/2004 (PbEU L
166) zelfs uitdrukkelijk voor dat een
persoon die volgens de Nederlandse
wetgeving recht heeft op een
gezinsbijslag, dat recht ook heeft voor
gezinsleden die in een andere lidstaat
wonen, alsof deze in eerstbedoelde rblz.|4|
lidstaat woonden. Dat betekent dat deze
persoon als zijn kinderen in een andere
EU-lidstaat wonen, recht heeft op
kinderbijslag en kindgebonden budget
berekend naar de Nederlandse maatstaven.
Gelet hierop, heeft de regering ervoor
gekozen om het woonlandbeginsel niet
binnen de EU toe te passen.
Het voorgaande
geldt ook voor de Europese Economische
Ruimtelanden (IJsland, Noorwegen en
Liechtenstein) en voor Zwitserland.
Buiten dit Europese kader is er sprake
van bilaterale verdragen met tal van
landen, waarin afspraken zijn gemaakt
over sociale zekerheid. Deze verdragen
berusten niet op het vrije verkeer van
werknemers en kennen bovendien geen
bepalingen als artikel 67 van
Verordening (EG) nr. 883/2004. Deze
verdragen verzetten zich dus ook niet
tegen de effectuering van het
woonlandbeginsel. Hierop zijn drie
uitzonderingen. De verdragen met Nieuw
Zeeland, Australië en Macedonië
bevatten bepalingen die toepassing van
het woonlandbeginsel in de weg staan wat
betreft alle of een deel van de in het
wetsvoorstel genoemde uitkeringen. Deze
verdragen gaan voor op de nationale
wetgeving. Bij gelegenheid van de
onderhandelingen over aanpassing van de
bilaterale verdragen in verband met
stopzetting van de export van AKW
en Wkb
zal ook aandacht worden besteed aan deze
bepalingen.
In de bilaterale verdragen is een
bepaling opgenomen op grond waarvan de
uitkeringen verschuldigd op grond van de
wetgeving van de verdragspartners niet
mag worden verminderd, gewijzigd,
geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de
rechthebbende of de leden van zijn gezin
op het grondgebied van de andere
verdragspartner wonen. Deze bepaling
verbiedt dat een uitkering zoals die uit
de wetgeving van de verdragspartners
voortvloeit, wordt aangepast of niet
meer wordt verstrekt om de enkele reden
dat iemand in het buitenland woont. Dit
betekent echter niet dat de nationale
wetgeving geen gedifferentieerde rechten
zou mogen bevatten. Dit vanzelfsprekend
alleen indien dat niet leidt tot
discriminatie. Aangezien vanwege het
doel van de uitkeringen (garanderen
sociaal minimum dan wel een bijdrage
leveren aan de kosten verbonden met de
opvoeding van kinderen) het verschil in
uitkeringshoogte objectief
gerechtvaardigd is, verzet deze bepaling
in de verschillende verdragen zich niet
tegen de invoering van het
woonlandbeginsel.
Hetzelfde geldt
voor het multilaterale Europees verdrag
betreffende sociale zekerheid, dat
alleen nog van belang is voor de relatie
met Turkije, aangezien de overige
aangesloten landen inmiddels zijn
toegetreden tot de Europese Unie.
De EU heeft met verschillende landen
buiten de EU Associatie-overeenkomsten
gesloten. Deze overeenkomsten dienen als
grondslag voor de geleidelijke
liberalisering van het handelsverkeer
met de geassocieerde landen. In de
Associatie-overeenkomsten worden in
algemene termen de voorwaarden voor de
samenwerking op economisch, sociaal en
cultureel gebied tussen de EU en elk
partnerland vastgesteld. Sommige van
deze Associatie-overeenkomsten voorzien
in de totstandkoming van besluiten van
de Associatieraad op het gebied van de
sociale zekerheid, waarin specifieke
exportverplichtingen worden opgenomen.
Alleen in de relatie met Turkije is op
dit moment een dergelijk besluit van de
Associatieraad in werking. Met Algerije,
Kroatië, Israël, Macedonië, Marokko
en Tunesië zullen in de toekomst
besluiten van de Associatieraad in
werking treden. Voor al deze
Associatieraadbesluiten geldt hetzelfde
als voor de bilaterale verdragen. De
bepalingen van deze besluiten - de non-discriminatiebepalingen incluis
- vormen geen beletsel voor de invoering
van het woonlandbeginsel.
rblz.|5|
Op 26 mei 2011 heeft het Europese Hof
van Justitie [lees: Hof
van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, red.] (Hof) het
arrest-Akdas (C
485/07) gewezen. In dit arrest geeft het
Hof antwoord op de prejudiciële vragen
die de Centrale Raad van Beroep heeft
gesteld met betrekking tot de uitleg van
artikel 6 van Besluit 3/80 van de
Associatieraad EU-Turkije. De Centrale
Raad van Beroep achtte deze uitleg
noodzakelijk om het geschil te kunnen
beslechten in de nationale procedures
van de heer Akdas en anderen over het
beëindigen van de export van toeslag op
grond van de Toeslagenwet.
De heer Akdas en anderen zijn WAO-gerechtigden die reeds
vóór het jaar
2000 naar Turkije zijn teruggekeerd.
Omdat hun
arbeidsongeschiktheidsuitkering lager
was dan het in Nederland relevante sociaal
minimum, ontvingen velen een
toeslag op grond van de Toeslagenwet
bovenop deze uitkering. Met ingang van 1
januari 2000 is in de Toeslagenwet een
exportverbod opgenomen. Dit betekent
dat uitkeringsgerechtigden uitsluitend
nog in Nederland de toeslag kunnen
ontvangen. Als gevolg hiervan is de aan
de heer Akdas en anderen toegekende
toeslag volgens een afbouwschema
uiteindelijk in zijn geheel ingetrokken.
Zij zijn tegen de intrekking van de
toeslag in bezwaar en beroep gekomen.
Het Hof bepaalt in het arrest-Akdas dat
artikel 6 van Besluit 3/80 van de
Associatieraad in de weg staat aan de
intrekking van toeslagen op grond van de
Toeslagenwet
voor Turkse werknemers die na in
Nederland arbeidsongeschikt te zijn
geworden naar Turkije zijn teruggekeerd.
Artikel 6 van Besluit 3/80 van de
Associatieraad behelst dus een verbod om
een uitkering waarop iemand op grond van
de nationale wetgeving recht heeft aan
te passen of in te trekken omdat hij in
Turkije woont. Invoering van het
woonlandbeginsel ziet echter niet op
beperking van de export van uitkeringen.
Bij toepassing van het woonlandbeginsel
wordt (in de nationale wetgeving) de
hoogte van een uitkering vastgesteld,
afhankelijk van het kostenniveau van het
woonland van de belanghebbende. De
uitkering waarop aldus recht bestaat,
wordt vervolgens (ongewijzigd)
geëxporteerd als daartoe een
verplichting bestaat. Het arrest-Akdas
heeft daarom voor de invoering van het
woonlandbeginsel geen consequenties.
Gelijke
behandeling
De verplichting tot gelijke behandeling,
waaraan Nederland is gebonden op grond
van bilaterale en multilaterale
verdragen, zoals het Internationaal verdrag inzake
burgerlijke en politieke
rechten (BUPO) en het Europees verdrag
inzake de rechten van de mens (EVRM)
[lees: Europees verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM), red.],
houdt niet alleen in dat gelijke
gevallen gelijk moeten worden behandeld,
maar ook dat ongelijke gevallen ongelijk
mogen dan wel moeten worden behandeld,
rekening houdend met en recht doend aan
de relevante verschillen.
Het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens ¹ heeft geoordeeld dat personen
die niet in een bepaalde staat wonen
zich niet in een gelijke positie
bevinden als personen die daar wel
wonen, met name niet als het gaat om de
toepassing van socialezekerheidsregelingen die voorzien in een
uitkering op het sociaal minimum. Omdat
de woonplaats van een persoon een
kwestie is van eigen keuze, is het Hof
bovendien van oordeel dat iemand niet
dezelfde mate van bescherming tegen
ongelijke behandeling op grond van
woonplaats behoeft als tegen ongelijke
behandeling op gronden als geslacht of
ras.
Naar de mening
van de regering is er geen sprake van
(ongerechtvaardigde) ongelijke
behandeling als de hoogte van een
uitkering, die is gebaseerd op het
niveau van het sociaal minimum en de
kosten van levensonderhoud, voor
betrokkenen buiten Nederland wordt
gebaseerd op het kostenniveau in het
land waarin de betrokkene woont.
1.
Arresten-Carson tegen het Verenigd
Koninkrijk d.d. 4 november 2008 en 16
maart 2010, nr. 42184/05.
rblz.|6|
Normverdragen
In een aantal verdragen, zoals de
Europese code inzake sociale zekerheid
en de ILO-verdragen nrs. 102, 121 en 128
¹ [ILO: International Labour
Organization, red.], zijn minimumnormen voor de hoogte
van de uitkering opgenomen. Deze
normverdragen bevatten geen
exportverplichting. Het wordt aan de
verdragsstaten overgelaten om te
beslissen of een uitkering wordt
geëxporteerd naar het buitenland. Als
een staat ervoor kiest om uitkeringen te
exporteren, mogen uitkeringen waarop
recht bestaat op grond van de nationale
wetgeving geheel of gedeeltelijk worden
geschorst, zolang de belanghebbende zich
niet op het grondgebied van de
desbetreffende staat bevindt. Dit
betekent dat deze verdragen er niet toe
verplichten aan belanghebbenden in het
buitenland dezelfde uitkeringen te
verstrekken als aan belanghebbenden op
het eigen grondgebied.
De regering is
derhalve van mening dat deze
normverdragen invoering van het
woonlandbeginsel zoals in dit
wetsvoorstel voorzien evenmin in de weg
staan.
1.
ILO-verdrag nr. 102 Minimumnormen van
sociale zekerheid (Trb. 1953,
69), ILO-verdrag nr. 121 De prestaties
bij arbeidsongevallen en beroepsziekten
(Trb. 1966, 137, en Trb.
1982, 48) en ILO-verdrag nr. 128
Uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom
en aan nagelaten betrekkingen (Trb.
1968, 131).
Ongestoord
genot van eigendomsrechten
Artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het
EVRM schrijft voor dat iedere
natuurlijke of rechtspersoon recht heeft
op het ongestoorde genot van zijn
eigendom. Het eigendomsrecht is echter
niet absoluut. De overheid heeft het
recht om wetten toe te passen en wetten
te wijzigen indien dit noodzakelijk is
in het algemeen belang.
Het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens heeft
bepaald dat ook uit de wet
voortvloeiende uitkeringsrechten onder
het begrip eigendom in de zin van dit
artikel vallen. Uit de jurisprudentie
die ziet op uitkeringen die lopen op het
moment dat een wet wordt aangepast,
blijkt dat de overheid een ruime
beoordelingsvrijheid heeft bij het
bepalen of een maatregel in het algemeen
belang is. Wel moet het algemeen belang
goed worden afgewogen tegen de benodigde
bescherming van individuele rechten. Er
moet sprake zijn van evenredigheid
tussen de getroffen maatregel en het
nagestreefde doel. Dit houdt ook in dat
een maatregel niet een kleine groep
belanghebbenden onevenredig zwaarder mag
treffen dan anderen. Een depriverende
maatregel in het algemeen belang zonder
enige vorm van compensatie voor de
betrokkenen zal alleen in bijzondere
gevallen als een gerechtvaardigde
inbreuk op het eigendomsrecht worden
geacht.¹
1.
Arresten-Stec e.a. d.d. 12 april 2006,
nrs. 65731/01 en 65900/01, en -Asmundsson
d.d. 20 december 2004, nr. 60669/00, en
de beschikking-Goudswaard, d.d. 22
september 2005, nr. 75255/01.
De regering is van mening dat met het
onderhavige wetsvoorstel een
gerechtvaardigde ingreep wordt gedaan op
de uitkeringsrechten. Door invoering van
het woonlandbeginsel wordt bereikt dat
de hoogte van een uitkering wordt
afgestemd op het kostenniveau van het
land waar de belanghebbende woont. Op
die manier wordt het doel van een
uitkering ten aanzien van belanghebbende
in het buitenland op dezelfde manier
nagestreefd als ten aanzien van
belanghebbenden in Nederland.
Waar het
woonlandbeginsel leidt tot een verlaging
van de uitkering, staat die verlaging
ook in verhouding tot het lokale
kostenniveau en geeft de uitkering de
belanghebbende dus net zoveel
bestedingsmogelijkheden. De maatregel
geldt in gelijke mate voor iedereen die
met een Nederlandse uitkering buiten
Nederland woont en de maatregelen worden
ruimschoots vóór inwerkingtreding
aangekondigd zodat een ieder de kans
krijgt maatregelen te treffen om een
eventuele verlaging van de uitkering op
te vangen.
4.
Kinderbijslag en kindgebonden budget
Wat betreft de hoogte van de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
geldt dat het gaat om een tegemoetkoming
in de kosten voor kinderen. Dit
impliceert dat deze bijdragen een deel
van de kosten voor kinderen rblz.|7|
dekken en dat de ouders in alle gevallen
een eigen financiële
verantwoordelijkheid voor hun kinderen
houden. Kinderen die buiten Nederland
woonachtig zijn en waarvoor
kinderbijslag wordt betaald, wonen soms
in landen waar het kostenniveau lager
ligt dan in Nederland.
Ongedifferentieerde uitkeringen op grond
van de AKW
en de Wkb
doen in dat geval geen recht aan de
eigen verantwoordelijkheid van de
ouders. In het kader van de noodzaak om
alle publieke middelen zo efficiënt
mogelijk in te zetten, is het niet
wenselijk en niet rechtvaardig om mensen
met kinderen in landen waar het
kostenniveau lager ligt een relatief
hogere tegemoetkoming in de kosten voor
kinderen te blijven verstrekken. Vandaar
dat de regering invoering van het
woonlandbeginsel voor deze wetten
gerechtvaardigd acht.
In het
regeerakkoord is afgesproken dat de
export van kinderbijslag en het
kindgebonden budget naar landen buiten
de EU wordt gestopt met ingang van 2014.
De regering is van mening dat deze
uitkeringen eigenlijk in het geheel niet
voor export in aanmerking dienen te
komen. Vooruitlopend op deze stopzetting
wil de regering het woonlandbeginsel
invoeren.
In het kader van de AKW
krijgen ouders en verzorgers van
jaarlijks circa 3,5 miljoen kinderen een
bijdrage in de kosten die het verzorgen
en opvoeden van kinderen met zich
meebrengt. Op dit moment wonen 50 000
kinderen waarvoor recht op
kinderbijslag bestaat in het buitenland, waarvan circa
14 000 buiten de EU. Het grootste
gedeelte van deze 14 000 kinderen woont
in Marokko, Turkije, Egypte of de
Verenigde Staten.
In de AKW
wordt het recht op
kinderbijslag bepaald
door onder andere de toets of de
verzekerde het kind onderhoudt wanneer
het kind niet tot zijn huishouden
behoort. De regering is van mening dat
de voorwaarden voor het verkrijgen van
een recht op kinderbijslag ongewijzigd
dienen te blijven. De verzekerde moet
daarom voor de vaststelling van het
recht op kinderbijslag aantonen dat hij
voldoet aan de onderhoudsvoorwaarden van
het Besluit
onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag
en de Regeling
inkomen kinderbijslag 1997. Nadat
vaststaat dat de verzekerde ten aanzien
van een kind recht op kinderbijslag
heeft en op welk bedrag hij recht heeft,
wordt vervolgens dat bedrag aangepast
aan het kostenniveau van het land waar
het kind woont door vermenigvuldiging
met de woonlandfactor. Uiteraard geldt
dit evenzeer voor de vaststelling van
het recht op eventuele tweevoudige
kinderbijslag.
Kinderen uit
één gezin in verschillende landen
De situatie kan zich voordoen dat er uit
één gezin zowel kinderen wonen in een
land waarvoor de hoogte van de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
wordt aangepast, als in een land
waarvoor dat niet zo is. Een andere
mogelijkheid is dat er uit één gezin
kinderen in verschillende landen wonen
waarvoor aanpassing van de hoogte van de
kinderbijslag en kindgebonden budget
plaatsvindt. In deze gevallen moet
geregeld worden op welke wijze de
woonlandfactor wordt toegepast bij het
bepalen van de hoogte van het
kindgebonden budget. In de kinderbijslag
wordt de hoogte van het uit te keren
bedrag per kind vastgesteld en wordt
daarop per kind de woonlandfactor
toegepast. Het kindgebonden budget is
een gezinsbudget, waarbij de bedragen
niet voor ieder kind even hoog zijn. In
2011 wordt voor het eerste oudste kind
bijvoorbeeld €|1011,- toegekend, voor
het tweede kind €|455,-. Voorgesteld
wordt het hoogste bedrag aan
kindgebonden budget (€|1011,-) toe te
kennen aan het kind met de hoogste
woonlandfactor en het daarop volgende
bedrag (€|455,-) aan het kind met de
daarna hoogste woonlandfactor.
Dat komt er in
de praktijk op neer dat als er één
kind in Nederland woont en één kind in
een land buiten de EU, er op het hoogste
bedrag (kind rblz.|8|
woont immers in Nederland) geen
woonlandfactor wordt toegepast. Op het
daaropvolgende bedrag wordt de
woonlandfactor toegepast van het kind
dat buiten de EU woont. Daarbij maakt
het dus niet uit of het kind in het
buitenland ouder is dan het kind in
Nederland. Daarnaast is er nog de
situatie mogelijk dat van één gezin
alle twee de kinderen in twee
verschillende landen buiten de EU wonen.
In deze situatie wordt op het hoogste
bedrag de hoogste woonlandfactor
toegepast en op het tweede bedrag de
lagere woonlandfactor.
Aanvullende
kinderbijslag of aanvullend kindgebonden
budget
Als er voor hetzelfde kind ook recht
bestaat op een naar aard en strekking
overeenkomende tegemoetkoming in een
land buiten de EU, of op grond van een
regeling van een volkenrechtelijke
organisatie,¹ zal de
kinderbijslag respectievelijk het kindgebonden budget
slechts worden uitbetaald voor zover
deze uitkeringen, na toepassing van het
woonlandbeginsel, deze tegemoetkomingen
overtreffen. Daartoe zal aanpassing van
de lagere regelgeving plaatsvinden.
1.
Zie Besluit
uitbreiding en beperking kring
verzekerden volksverzekeringen 1999.
5.
Algemene nabestaandenwet
De Anw
voorziet onder andere in uitkeringen
voor nabestaanden van personen die in
Nederland verzekerd zijn. Deze
uitkeringen hebben het karakter van een
inkomstenvoorziening op minimumniveau en
zijn gekoppeld aan het wettelijk
minimumloon. In landen waar het
kostenniveau lager is dan in Nederland
kan de uitkering uit de pas gaan lopen.
De regering acht dit niet wenselijk. Om
dit te voorkomen, wordt de hoogte van de
Anw-uitkeringen (nabestaanden-, halfwezen-
en wezenuitkering, inclusief
vakantie-uitkering) aangepast aan het
lokale kostenniveau door toepassing van
het woonlandbeginsel.
Recht op een Anw-nabestaandenuitkering
hebben achterblijvende partners die een
kind verzorgen dat jonger is dan 18
jaar, arbeidsongeschikt zijn of geboren
zijn vóór 1950. De hoogte van de
nabestaandenuitkering is gelijk aan 70%
van het wettelijk
minimumloon. De
nabestaandenuitkering kent een
inkomenstoets. Om de arbeidsparticipatie
niet te ontmoedigen, is hierbij sprake
van een vrijlating van inkomen uit
arbeid van 50% van het wettelijk
minimumloon plus een derde van het
meerdere. Het woonlandbeginsel zal ook
op deze vrijlating van toepassing zijn.
De vrijlating is immers gekoppeld aan
het sociaal minimum. Zo wordt voorkomen
dat de vrijlating onevenredig hoog zou
worden ten opzichte van de hoogte van de
uitkering.
De ouders of verzorgers van een halfwees
of halfwezen hebben recht op een Anw-halfwezenuitkering
van 20% van het wettelijk
minimumloon.
Deze uitkering heeft het karakter van
een minimumuitkering en is bedoeld voor
het levensonderhoud van het kind of
kinderen van de overledene. De regering
acht het wenselijk de hoogte van de
halfwezenuitkering aan te passen aan het
kostenniveau van het land waar het kind
woont. Bij toepassing van het
woonlandbeginsel op de
halfwezenuitkering is daarom de
woonplaats van de halfwees bepalend.
Indien recht op
halfwezenuitkering bestaat ten behoeve
van meerdere kinderen en deze kinderen
in verschillende landen wonen, is het
woonland met het hoogste kostenniveau
bepalend voor toepassing van het
woonlandbeginsel.
Wezen komen in aanmerking voor een
wezenuitkering, waarvan de hoogte,
afhankelijk van de leeftijd, varieert
van 32% tot 64% van het wettelijk
minimumloon. De hoogte van de uitkering
zal worden aangepast aan het
kostenniveau van het land waar de wees
woont.
rblz.|9|
Personen met een Anw-uitkering
hebben in aanvulling op de uitkering
recht op een maandelijkse financiële
tegemoetkoming. Het woonlandbeginsel zal
ook op deze tegemoetkoming van
toepassing zijn. De Anw-tegemoetkoming
is ingevoerd om koopkrachtverlies dat
sommige nabestaanden als gevolg van
invoering van de Zorgverzekeringswet
ondervonden te compenseren. Ook
nabestaanden in het buitenland konden
hiermee te maken krijgen. In de
Zorgverzekeringswet heeft inmiddels
premiedifferentiatie plaatsgevonden naar
de hoogte van de zorgkosten in het
woonland. Het is daarom niet meer nodig
het koopkrachtverlies op het Nederlandse
niveau te compenseren.
6.
Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
De regering wil het woonlandbeginsel
introduceren in de Wet WIA
bij het bepalen van de hoogte van de
WGA-vervolguitkering buiten de EU. De
reden hiervoor is dat de
WGA-vervolguitkering een uitkering is
die georiënteerd is op het sociaal
minimum. Hiermee wordt onder meer
beoogd een stimulans te bieden tot
arbeidsparticipatie.
De WGA-vervolguitkering wordt toegekend
als de verzekerde die een
arbeidsongeschiktheidspercentage heeft
tussen de 35 en 80 de maximumduur van
de WGA-loongerelateerde uitkering heeft
bereikt. De WGA-vervolguitkering is een
percentage van het wettelijk
minimumloon of van het maandloon als dat lager was
dan het minimumloon. De oriëntatie op
het sociaal
minimum blijkt uit de wijze
waarop de hoogte van de uitkering wordt
bepaald. Daartoe wordt het percentage
dat het midden van de
arbeidsongeschiktheidsklasse waarin de
verzekerde is ingedeeld, vormt,
vermenigvuldigd met 70% van het
wettelijk minimumloon. De regering acht
het gerechtvaardigd een koppeling aan te
brengen met het kostenniveau en daarmee
met de kosten van het bestaan in het
woonland.
Met deze oriëntatie op het sociaal
minimum wordt tevens beoogd een
stimulans te bieden tot
arbeidsparticipatie. Deze stimulans komt
tot uiting in de vergelijking tussen de
relatief lage WGA-vervolguitkering en de
relatief hogere
WGA-loonaanvullingsuitkering. Als men
voldoet aan de zogenaamde inkomenseis,
inhoudende dat betrokkene met arbeid ten
minste 50% van zijn resterende
verdiencapaciteit benut, komt men in
aanmerking voor de aanzienlijk hogere
(loongerelateerde)
loonaanvullingsuitkering. Verdient
betrokkene minder dan deze 50%, dan
bestaat er recht op de
WGA-vervolguitkering. Het verschil in
uitkeringshoogte stimuleert betrokkene
om zoveel als mogelijk de resterende
verdiencapaciteit te benutten. Echter
als de WGA-vervolguitkering wordt
geëxporteerd naar een land met een
lagere koopkrachtpariteit, zou deze
uitkering op zichzelf al relatief hoog
zijn in verhouding tot de plaatselijke
kosten van het levensonderhoud. De
stimulans om te gaan werken, wordt dan
weer verzwakt.
Op de hierboven vermelde inkomenseis
(ten minste 50% van de resterende
verdiencapaciteit wordt benut) wordt
het woonlandbeginsel niet toegepast. De
inkomenseis, aan de hand waarvan wordt
vastgesteld of een verzekerde recht
heeft op de loongerelateerde
WGA-loonaanvullingsuitkering, is
uitgedrukt in een percentage van de
resterende verdiencapaciteit. De
resterende verdiencapaciteit wordt
gevonden door het loon dat de werknemer
verdiende voordat hij ziek werd te
vergelijken met wat hij, rekening
houdend met de ziekte of het gebrek,
naar Nederlandse maatstaven nog kan
verdienen. De resterende
verdiencapaciteit is daarom verbonden
met het loon dat verdiend werd voordat
de arbeidsongeschiktheid intrad en niet
aan het
sociaal
minimum. Gevolg hiervan
is dat het voor de in het buitenland
verblijvende uitkeringsgerechtigde rblz.|10|
moeilijker wordt om aan de inkomenseis
te voldoen. Dit is echter een
consequentie van de keuze die de
verzekerde heeft gemaakt om in het
buitenland te gaan wonen.
De regering past het woonlandbeginsel
niet toe op de
arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid, de
WGA-loongerelateerde uitkering en de
WGA-loonaanvulling. Dit zijn
loongerelateerde uitkeringen die een
ander karakter hebben dan uitkeringen op
minimumniveau. Een loongerelateerde
uitkering heeft als doel een bepaald
deel van het laatstverdiende loon te
vervangen. Het koopkrachtpeil in het
land waar naartoe de uitkering wordt
geëxporteerd, is daarbij niet het
oriëntatiepunt.
De Wet WIA
is per 29 december 2005 ingevoerd.
WGA-gerechtigden hebben daarom momenteel
nog vaak aanspraak op een
WGA-loongerelateerde uitkering. Op
termijn zal de doorstroom naar de
WGA-loonaanvulling of de
WGA-vervolguitkering toenemen. In
augustus 2010 was sprake van ruim 3000
lopende WGA-vervolguitkeringen. Op dat
moment werd een zeer beperkt aantal
WGA-vervolguitkeringen geëxporteerd
buiten de EU (minder dan 10). Het is de
verwachting dat dit aantal de komende
jaren groeit omdat de WIA pas sinds eind
2005 bestaat en iemand pas een uitkering
op grond van de Wet WIA kan krijgen twee
jaar na aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid.
Uitkeringsgerechtigden met een
loongerelateerde WGA-uitkering komen
vervolgens pas na enige tijd in
aanmerking voor de WGA-vervolguitkering.
Verzekerden die een WGA-vervolguitkering
ontvangen, kunnen in aanmerking komen
voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet
(TW). De toeslag is volgens de nationale
wetgeving in beginsel een niet-exporteerbare uitkering. Export
geschiedt echter nog wel op grond van de
met verschillende landen gesloten
bilaterale verdragen. De regering wil
voorkomen dat de toepassing van het
woonlandbeginsel ten aanzien van de
WGA-vervolguitkering teniet wordt gedaan
door een navenante verhoging van de
toeslag. Daartoe wordt in dit
wetsvoorstel geregeld dat het
woonlandbeginsel eveneens wordt
toegepast op het
sociaal
minimum
zoals
opgenomen in de TW. De toeslag vult de
WGA-vervolguitkering immers aan tot dat
minimum indien deze WGA-vervolguitkering
minder bedraagt.
7.
Overige aspecten
Invoering van het woonlandbeginsel heeft
ook gevolgen voor de uitvoering en de
handhaving. Verder zal het
woonlandbeginsel gedifferentieerd in
werking treden.
Uitvoering
kinderbijslag en kindgebonden budget
Invoering van het woonlandbeginsel zal ertoe leiden dat het, nog meer dan nu,
voor de vaststelling van de hoogte van
de uitkering belangrijk zal zijn dat
duidelijkheid bestaat over waar de
belanghebbende en/of het kind woont.
Een uniforme
beoordeling van het toepasselijke
woonland door de SVB [Sociale
verzekeringsbank, red.] en de
Belastingdienst/Toeslagen is van groot
belang. Dat wordt verzekerd door de
voorgestelde leden 10 en 11 van artikel
2 Wkb
waarin immers wordt bepaald dat de
beoordeling van het woonland van een
kind in het kader van de AKW
door de Belastingdienst/Toeslagen zal
worden overgenomen ten aanzien van het
kindgebonden budget. Deze systematiek
sluit aan bij de bepaling van een kind
waarvoor recht bestaat op kindgebonden
budget. Daarvoor wordt immers ook
aangesloten bij het kindbegrip zoals
gehanteerd binnen de sociale zekerheid.
De bepaling van rblz.|11|
het land waar het kind of de kinderen
wonen, kan hierdoor plaatsvinden op
dezelfde uniforme wijze als de bepaling
van het woonland ten behoeve van het
recht op kindgebonden budget. De
Belastingdienst/Toeslagen volgt ten
aanzien van het bepalen van het woonland
het oordeel van de SVB, waarna de
Belastingdienst/Toeslagen de hoogte van
het toe te kennen kindgebonden budget
bepaalt.
Handhaving
In het kader van de handhaving is de gemeentelijke
basisadministratie (GBA) het beginpunt
voor de vaststelling waar een
belanghebbende of kind woont. De SVB en
het UWV [Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]
kunnen van deze in het GBA
opgenomen gegevens gebruik maken voor de
uitvoering van haar wettelijke taken.
Bezien zal
worden of een landelijke registratie van
verleende vrijstellingen op grond van de
Leerplichtwet
1969 kan worden gebruikt door de
uitvoering om in het kader van de
kinderbijslag te controleren of een
leerplichtig kind onderwijs buiten
Nederland volgt. Een wetsvoorstel voor
de registratie van vrijstellingen op
grond van de Leerplichtwet 1969 is in
voorbereiding.
Daarnaast
krijgt de uitvoering bij aanvaarding van
het wetsvoorstel huisbezoeken
(Kamerstukken 31 929) een instrument in
handen om door middel van een aanbod tot
huisbezoek de woonsituatie van de
belanghebbende of het kind makkelijker
te controleren.
Uitkeringsgerechtigden dienen op grond
van de informatieplicht die in de
verschillende wetten is opgenomen ¹
zelf alle feiten en omstandigheden te
melden aan de uitvoerende instantie die
van belang zijn voor de vaststelling van
de hoogte van de uitkering. Als het
woonlandbeginsel wordt ingevoerd, vallen
derhalve gegevens met betrekking tot het
woonland van de uitkeringsgerechtigde
en/of zijn kind(eren) derhalve ook onder
deze informatieverplichting.
1.
Deze plicht is opgenomen in artikel
35 Anw, artikel
15 AKW, artikel
27 Wet WIA
en voor wat de Wkb
betreft, is deze plicht opgenomen in
artikel 17 van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen
(Awir).
Inwerkingtreding
De regering streeft ernaar de gewijzigde
wetgeving rond 1 januari 2012 te
publiceren en voor alle in het
wetsvoorstel genoemde wetten op 1 juli
2012 in werking te laten treden, met
uitzondering van de Wkb. De
wijzigingen in de Wkb zullen om
uitvoeringstechnische redenen (met name
de door de
Belastingdienst/Toeslagen gehanteerde jaarsystematiek) met ingang
van 1 januari 2013 in werking treden. Op
het moment dat het wijzigingsvoorstel
door het parlement is aangenomen, zal
hier publicitair aandacht aan worden
besteed. De uitvoeringsorganen zullen
direct na publicatie van de wet hun
klanten hierover informeren via de
geëigende communicatiekanalen. Op deze
manier wordt alle betrokkenen een
periode van minimaal een halfjaar
gegeven waarin maatregelen kunnen
worden getroffen om de eventuele
toekomstige verlaging van de uitkering
of de tegemoetkoming op te vangen.
8.
Financiële gevolgen
Het woonlandbeginsel wordt toegepast op
de AKW, Wkb,
WGA-vervolguitkering en de Anw.
Het woonlandbeginsel wordt vastgesteld
op basis van de koopkrachtpariteiten
zoals deze periodiek worden vastgesteld
door de Wereldbank (zie hiervoor paragraaf
2). Binnen de EU zal het
woonlandbeginsel niet worden toegepast.
Budgettaire
gevolgen
rblz.|12|
Budgettaire gevolgen (in mln euro):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| Uitkeringslasten
AKW |
0xxx |
–3xxx |
–6xx |
–5xx |
–6xx |
–5xx |
| Uitkeringslasten
Wkb |
0xxx |
0xxx |
–1xx |
–1xx |
–1xx |
–1xx |
| Uitkeringslasten
Anw |
0xxx |
–6xxx |
–10xx |
–8xx |
–7xx |
–7xx |
| Uitkeringslasten
Anw-tegemoetkoming |
0xxx |
0xxx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| Uitkeringslasten
WGA |
0xxx |
0xxx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| Uitvoeringskosten |
1xxx |
1xxx |
0xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| Totaal |
0
¹xv |
–8xxx |
–16
¹v |
–14xx |
–13
¹v |
–12
¹v |
1.
Volgens de redactie dient
"0" te worden vervangen door
"1", "–16" door
"–17", "–13"
door "–14" en "–12"
door: "–13".
Toelichting: de uitvoeringskosten zijn
afgerond op hele miljoenen; de exacte
omvang daarvan wordt nader toegelicht in
deze paragraaf.
De besparing op de uitkeringslasten AKW
blijft stabiel, maar schommelt door
afrondingsverschillen in de tabel. De
uitkeringslasten Anw
nemen af, omdat de instroom afneemt.
Personen die vóór 1950 zijn geboren,
kunnen onder voorwaarden instromen in de
Anw; vanaf 2015 zijn zij 65 jaar oud en
ontvangt deze groep AOW.
Achtergrond
Om een beeld te geven van de omvang van
de export is onderstaande tabel
opgenomen.
|
Uitkeringxxxxxxxxxxx |
Aantallen
export |
w.v.
buitenrEU |
Export
uitkeringslasten |
w.v.
buitenrEU |
xxxrJaarxxr |
|
AKW |
49
700xx |
14
200xx |
€
49 mlnxxx |
€
14 mlnx |
ultimo
2009 |
|
Anw |
7
700xx |
2
600xx |
€
68 mlnxxx |
€
36 mlnx |
ultimo
2009 |
|
Anw-tegemoetkoming |
7
700xx |
2
600xx |
€
2 mlnxxx |
€
1 mlnx |
ultimo
2009 |
|
Wkb |
12
300xx |
1
700xx |
€
13 mlnxxx |
€
1 mlnx |
2010 |
|
WGA |
verwaarloosbaar |
De
woonlandfactor wordt uitgedrukt in
categorieën afgerond op tientallen
procenten, waarbij de afronding zal
geschieden in het voordeel van de in het
buitenland woonachtige.
Niet alle
personen buiten de EU worden getroffen
door de maatregel. Voor landen buiten de
EU met een met Nederland vergelijkbaar
kostenniveau zal de factor 100% zijn en
daar merkt men feitelijk niets van de
invoering van het woonlandbeginsel,
omdat de uitkeringen dan op gelijke
hoogte blijven. Australië en
Nieuw-Zeeland zijn landen met een
vergelijkbare koopkrachtpariteit.
Aangezien de meeste uitkeringen worden
geëxporteerd naar Turkije en Marokko,
heeft een substantieel deel van de
besparing betrekking op uitkeringen in
die landen.
Administratieve
lasten
De administratieve lasten worden
berekend aan de hand van bovenstaande
tabel met uitkeringslasten. Aan het
wetsvoorstel zijn administratieve lasten
verbonden. De administratieve lasten
voor burgers nemen toe met ongeveer 15
000 uren en €|8000,-. De voornaamste
administratieve lastentoename kan
worden toegeschreven aan het lezen van
brieven en het maken van bezwaar door
burgers. Dit is in beginsel een eenmalig
effect.
Uitvoeringskosten
De Sociale verzekeringsbank (SVB) zal
voor de invoering van het wetsvoorstel
eenmalig kosten maken ten bedrage van €|1,2 mln (verdeeld over tweede helft
2011, eerste helft 2012). De structurele
uitvoeringskosten zullen €|0,4 mln per
jaar bedragen. Als gevolg van de
invoering rblz.|13|
halverwege het jaar zullen de
structurele kosten in 2012 lager
uitvallen. De uitvoeringskosten voor het
UWV zijn verwaarloosbaar.
Inkomenseffecten
Het inkomensverlies van de invoering van
het woonlandbeginsel hangt af van het
kostenniveau in het woonland van de
belanghebbenden. In de tabel hieronder
staan een aantal voorbeelden met de
korting die wordt toegepast op het te
ontvangen bedrag als het kostenniveau in
een land lager ligt. De bedragen zijn op
jaarbasis en gebaseerd op 2011.
|
Kostenniveau
in land t.o.v. Nederland |
Korting
van de kinderbijslag
bij twee kinderen tussen 5 en 11
jaar |
Korting
van het kindgebonden budget bij
twee kinderen tussen 5 en 11 jaar |
Korting
van de WGA- vervolguitkering voor
een alleenstaande 80%
arbeidsongeschikt |
Korting
van de Anw-
uitkering
voor een huishouden met kinderen |
Korting
van de Anw-
uitkering voor een
huishouden zonder kinderen |
|
100% |
€|0,-x |
€|0,-xx |
€|0,-xxx |
€|0,-x |
€|0,-x |
|
90% |
€|189,-x |
€|147,-xx |
€|802,-xxx |
€|1
730,-x |
€|1
408,-x |
|
80% |
€|379,-x |
€|293,-xx |
€|1
604,-xxx |
€|3
460,-x |
€|2
816,-x |
|
70% |
€|568,-x |
€|440,-xx |
€|2
406,-xxx |
€|5
190,-x |
€|4
224,-x |
|
60% |
€|758,-x |
€|586,-xx |
€|3
208,-xxx |
€|6
920,-x |
€|5
632,-x |
|
50% |
€|947,-x |
€|733,-xx |
€|4
010,-xxx |
€|8
650,-x |
€|7
040,-x |
|
40% |
€|1
136,-x |
€|880,-xx |
€|4
812,-xxx |
€|10
380,-x |
€|8
449,-x |
|
30% |
€|1
326,-x |
€|1
026,-xx |
€|5
614,-xxx |
€|12
110,-x |
€|9
857,-x |
|
20% |
€|1
515,-x |
€|1
173,-xx |
€|6
416,-xxx |
€|13
839,-x |
€|11
265,-x |
|
10% |
€|1
705,-x |
€|1
319,-xx |
€|7
218,-xxx |
€|15
569,-x |
€|12
673,-x |
9.
Ontvangen commentaren
Het wetsvoorstel is voor advies
voorgelegd aan de Inspectie Werk en
Inkomen (IWI), de Sociale
verzekeringhsbank (SVB) en het
Uitvoeringsorgaan
werknemersverzekeringen (UWV) [lees: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.]. Ook de
samenwerkingsverbanden van het Landelijk
Overleg Minderheden (LOM) hebben
commentaar geleverd.¹
De IWI heeft
geen opmerkingen over de
toezichtbaarheid. De redactionele
opmerkingen van het IWI zijn verwerkt in
het wetsvoorstel.² De SVB acht het
wetsvoorstel technisch uitvoerbaar, maar
vindt invoering per 1 januari 2012 niet
reëel. De SVB stelt voor alle gevallen
(bestaande en nieuwe gevallen) tot 1
juli 2012 te informeren over het
woonlandbeginsel en het woonland per 1
juli 2012 voor alle gevallen toe te
passen.³ Dit advies is overgenomen.
Het UWV acht
het wetsvoorstel uitvoerbaar en
handhaafbaar. Wel zien het UWV en de SVB
een risico in relatie tot het
verdragsrecht. Verder merkt het UWV op
dat toepassing van de woonlandfactor in
bepaalde niet-EU-landen gecompenseerd
wordt door de toeslag die op
verdragsrechtelijke gronden het inkomen
alsnog aanvult als het gezinsinkomen
onder het toetsbedrag ligt.4
Het UWV en de SVB gaan uit van de
vooronderstelling dat met de introductie
van het woonlandbeginsel een verboden
wooneis in het kader van het
verdragenrecht wordt gesteld. Het
woonland is echter niet bepalend voor
het recht op een uitkering of een
tegemoetkoming, maar is een factor in de
berekening van de hoogte van de
uitkering of een tegemoetkoming. Na
invoering van het woonlandbeginsel
vloeit uit de Nederlandse wetgeving
voort hoe hoog een uitkering is en die
uitkering wordt geëxporteerd.
Naar aanleiding
van de hiervoor genoemde suggestie van
het UWV is besloten het woonlandbeginsel
ook toe te passen op de toeslag op grond
van de TW die
de WGA-vervolguitkering aanvult.
rblz.|14|
De LOM-samenwerkingsverbanden hebben
fundamentele bezwaren tegen invoering
van het woonlandbeginsel in de sociale
zekerheid. Zij achten het voorstel
juridisch onhoudbaar en vinden dat het
tot indirecte discriminatie zou leiden.
De regering stelt zich op het standpunt
dat hiervan geen sprake is. Het
woonlandbeginsel maakt geen onderscheid
naar nationaliteit en toepassing ervan
leidt er niet toe dat een bepaalde groep
ongunstiger wordt behandeld dan een
andere; hooguit wordt een onbedoelde
bevoordeling ongedaan gemaakt.
1.
Brief van 5 april 2011 met kenmerk
LOMTB20110028.
2. Brief van 24 maart 2011 met kenmerk
2011/1478.
3. Brief van 8 april 2011 met kenmerk
RvB.56/11/ES/ptb.
4. Brief van 31 maart 2011 met kenmerk
SBK/82644/AB/EvH.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Algemene Kinderbijslagwet
Onderdeel
A
In de AKW
wordt in artikel
12 in een nieuw tweede lid geregeld
dat de hoogte van de
kinderbijslag met
betrekking tot een kind dat niet in
Nederland, één van de andere lidstaten
van de Europese Unie, een andere staat
die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische
Ruimte of Zwitserland woont (hierna: in
het buitenland woont), wordt bepaald door
het kostenniveau van dat land (in een
percentage dat een weergave is van de
verhouding tussen het kostenniveau in
het desbetreffende land en het
kostenniveau in Nederland). Het
percentage kan niet boven de 100 komen. De percentages worden bij
ministeriële regeling vastgesteld voor
de verschillende landen [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.].
Onderdeel
B [gewijzigd, red.]
Dit betreft een technische aanpassing.
Artikel
II. Algemene nabestaandenwet
Onderdelen
A en D
In de Anw
wordt in de artikelen
17, 29
en 29a
geregeld dat de hoogte van de
nabestaanden- en wezenuitkering evenals
de Anw-tegemoetkoming
met betrekking tot een nabestaande of
wees die in het buitenland woont, wordt
bepaald door het kostenniveau van dat
land (in een percentage van het
kostenniveau in Nederland). Het
percentage kan niet boven de 100 komen. De percentages worden bij
ministeriële regeling vastgesteld voor
de verschillende landen [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.].
Onderdeel
B
Op de nabestaandenuitkering wordt
inkomen in mindering gebracht. Een deel
van het inkomen uit arbeid wordt echter
vrijgelaten. Met dit onderdeel wordt
geregeld dat de hoogte van dat vrij te
laten bedrag wordt aangepast indien de
nabestaande in een land woont waarin op
grond van het nieuwe artikel
17, derde lid, een lager bedrag voor
de nabestaandenuitkering geldt. Het vrij
te laten bedrag wordt met eenzelfde
percentage verlaagd als de
brutonabestaandenuitkering.
Onderdeel
C en E
In de Anw
wordt in de artikelen
25 en 29a
geregeld dat de hoogte van de
halfwezenuitkering evenals de Anw-tegemoetkoming
ten behoeve van de halfwees die in het
buitenland woont, wordt bepaald door het
kostenniveau van dat land (in een
percentage van het kostenniveau in
Nederland). Het percentage kan niet
boven de 100 komen. De percentages
worden bij ministeriële regeling
vastgesteld voor de rblz.|15|
verschillende landen [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.]. Indien er sprake
is van meer halfwezen ten behoeve
waarvan één recht op
halfwezenuitkering bestaat, dan wordt er
geen percentage toegepast indien één van
deze halfwezen níet in het buitenland
woont. Indien alle halfwezen in
verschillende landen wonen waarvoor
percentages zijn vastgesteld bij
ministeriële regeling, dan wordt de
hoogte van de halfwezenuitkering altijd
door het hoogste percentage bepaald.
Onderdeel
F
Met dit onderdeel wordt geregeld dat de
vakantie-uitkering ook evenredig wordt
verlaagd indien op grond van het
woonlandbeginsel recht bestaat op een
lagere nabestaandenuitkering.
Onderdeel
G
Met dit onderdeel wordt geregeld dat het
woonlandbeginsel ook van toepassing is
op nabestaanden- en halfwezenuitkeringen
op grond van het overgangsrecht van artikel
67 van de Anw
in verband met de intrekking van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet.
Artikel
III. Wet op het kindgebonden
budget
Onderdeel
A
Bij het Besluit houdende departementale
herindeling met betrekking tot
kindregelingen (Stcrt. 2010, 16542) wordt de
Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid onder meer
belast met het behartigen van
aangelegenheden op het terrein van het
kindgebonden budget. Dit onderdeel is
een technische aanpassing van de Wkb
aan de
overdracht van de verantwoordelijkheid
voor deze wet van de
Minister voor Jeugd
en Gezin aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
Onderdeel
B
In het nieuwe tiende lid van artikel 2
van de Wkb
wordt met betrekking tot de situatie dat
de ouder recht heeft op kindgebonden
budget voor één kind geregeld dat de
hoogte van het kindgebonden budget,
zoals dat is berekend op grond van
artikel 2, tweede lid, onderdeel a,
en - indien van toepassing - het vierde,
vijfde of zesde lid, wordt
vermenigvuldigd met een bij
ministeriële regeling vastgesteld
percentage dat is bepaald door het
kostenniveau van het land waar het kind
woont [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.]. Evenals voor de
kinderbijslag wordt dit berekend aan de hand van een
percentage dat de verhouding tot het
Nederlandse kostenniveau weergeeft.
In het elfde
lid wordt de situatie geregeld dat de
ouder recht heeft op kindgebonden budget
voor meer dan één kind en één of meer
van die kinderen in het buitenland
woont. Het kindgebonden budget bedraagt
in dat geval een volgens bij
ministeriële regeling te stellen regels
vastgesteld bedrag. Dat bedrag is
gebaseerd op de verhouding tussen het
kostenniveau van het land waar het
desbetreffende kind woont of de
desbetreffende kinderen wonen en dat van
Nederland.
Artikel
IV. Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen
Onderdelen
A, B
en C
In het nieuwe tweede lid van artikel
62 van de Wet WIA
wordt geregeld dat de hoogte van de
WGA-vervolguitkering van de
uitkeringsgerechtigde die in het
buitenland woont, wordt bepaald door het
kostenniveau van dat rblz.|16|
land. Het percentage dat de verhouding
tot het Nederlandse kostenniveau
weergeeft, kan niet boven de 100 komen. De percentages worden bij
ministeriële regeling vastgesteld voor
de verschillende landen [zie Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid,
red.]. In het nieuwe
derde lid van artikel
62 van de Wet WIA
wordt geregeld dat de op grond van het
nieuwe tweede lid aangepaste uitkering
niet alsnog tot het in Nederland
geldende sociaal minimum wordt aangevuld
op grond van de TW.
De bedragen die in de TW worden genoemd,
worden vastgesteld op het percentage dat
voor het desbetreffende land bij
ministeriële regeling is vastgesteld en
ook het minimumloon
wordt, voor zover
het de toepassing van de TW betreft, aan
het kostenniveau van dat land aangepast.
De artikelen
13, derde lid, en 83,
tweede lid, van de Wet WIA
worden technisch aangepast in verband
met de vernummering van artikel
62, derde lid, tot artikel
62, vierde lid.
Artikel
V. Inwerkingtreding
De regering beoogt het wetsvoorstel voor
de AKW, Anw
en de WGA-vervolguitkering op 1 juli
2012 in werking te laten treden. De
wijzigingen in de Wkb
zullen om uitvoeringstechnische redenen
met ingang van 1 januari 2013 in werking
kunnen treden.
De
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|