Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  KINDERBIJSLAGWET

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|10 l.k.| 

Kamerstukken II 1957-1958, 4953

Algemene kinderbijslagverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Historisch overzicht
2 De rechtsgrond
3 De organisatie van de voorziening
3.1 Een algemene kinderbijslagregeling
3.2 De Kinderbijslagwet voor loontrekkenden
4 De uitvoeringsorganen
4.1 Uitvoering van de algemene kinderbijslagverzekering door de Sociale Verzekeringsbank
4.2 Premieheffing en -inning door de RijksBelastingdienst
4.3 Uitvoering van de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank
4.4 Premie-inning ingevolge de Kinderbijslagwet voor loontrekkenden door de Sociale Verzekeringsbank
4.5 Bijzondere regelingen
5 Kring der verzekerden
6 Het recht op kinderbijslag
6.1 Kinderbijslag voor derde en volgende kinderen
6.2 Bedrag van de kinderbijslag
6.3 Omschrijving van het recht op kinderbijslag
7 De middelen tot dekking der kosten
8 Kosten en economische repercussies
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 50
 

 

 

Algemeen

 

     Op 1 juli 1951 trad in werking de Noodwet Kinderbijslag Kleine Zelfstandigen (Wet van 14 juni 1951, Stb. 1951, 212, houdende een noodregeling kinderbijslag voor kleine zelfstandigen). Zoals de Regering bij de indiening van het wetsontwerp hetwelk tot deze wet [lees: die wet, red.] heeft geleid destijds heeft opgemerkt, heeft de in deze Noodwet neergelegde regeling een beperkte strekking en het karakter van een overgangsregeling. De Regering achtte het in verband met de nood onder de kleine zelfstandigen gewenst voor deze groep een tijdelijke regeling in het leven te roepen in afwachting van de totstandkoming van een definitieve kinderbijslagregeling.
     Het stemt de ondergetekenden tot voldoening dat thans een ontwerp van wet kan worden aangeboden waarin mede ten aanzien van het vraagstuk van de kinderbijslag voor zelfstandigen een definitieve regeling wordt voorgesteld.
     Alvorens nader op de inhoud en de grondslagen van het onderhavige wetsontwerp in te gaan, mogen de ondergetekenden een overzicht geven van de ontwikkeling van de kinderbijslaggedachte hier te lande, vooral voor zover dit betreft de kinderbijslag ten behoeve van niet-loontrekkenden.

 

1. Historisch overzicht


     Het vraagstuk van de wenselijkheid ener wettelijk geregelde kinderbijslagvoorziening, met name voor de loonarbeiders, begon zich voor het eerst omstreeks het begin van de Eerste Wereldoorlog af te tekenen. Weliswaar bestond er reeds sinds 1912 een door de Overheid getroffen kindertoelageregeling voor de postambtenaren, welke spoedig daarna werd uitgebreid tot het onderwijzend personeel, doch pas enige jaren later kwam het vraagstuk van de kinderbijslag in zijn algemeenheid aan de orde.
     In het Katholiek Sociaal Weekblad van 2 oktober 1915 publiceerde mr. P.J.M. Aalherse een artikel waarin hij pleitte voor de instelling van een Rijkskinderfonds. Hij drong erop aan dat het stelsel van kindertoeslagen bij de bezoldiging van ambtenaren van Rijk, provincies en gemeenten steeds verder zou worden doorgevoerd. Het door het Rijk gegeven voorbeeld ten aanzien van de postambtenaren en de onderwijzers verdiende naar zijn mening algemene navolging. Echter zou, voor wat de particuliere werkgevers betreft, dit stelsel niet zonder meer kunnen worden doorgevoerd. De werkgever zou er belang bij krijgen ongehuwden en kinderlozen aan te stellen en vaders van grote gezinnen te ontslaan. De schrijver deed dan ook de aanbeveling de vrije individuele loonbepaling intact te laten, doch van het uitbetaalde loon een percentage af te houden voor een Rijkskinderfonds. Uit dit fonds zouden dan de kindertoelagen voor de arbeiders moeten worden betaald.
     Deze door mr. P.J.M. Aalberse naar voren gebrachte opvatting won nadien nog aan praktische betekenis doordat er ook in het particuliere bedrijfsleven langzamerhand meer sympathie voor de gedachte van een kindertoelage viel waar te nemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de wenselijkheid
rblz.|10 r.k.| van een verplichte kinderbijslagregeling ten behoeve van de loonarbeiders in de Staten-Generaal aan de orde werd gesteld. Bij de openbare behandeling van hoofdstuk Xa van de Rijksbegroting in de Tweede Kamer voor het jaar 1921 werd door de Kamerleden Haazevoet en Kuiper op 25 november 1920 een motie ingediend, luidende:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x