Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ZIEKENFONDSWET

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|1 l.k.| 

Kamerstukken II 1961-1962, 6808

Regeling van de ziekenfondsverzekering (Ziekenfondswet)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Historische ontwikkeling
3 Enkele volksgezondheidsaspecten
4 Sociaal-economische aspecten
5 Het systeem van de wettelijke regeling
a De beginselen der verplichte verzekering
b Kring der (verplicht) verzekerden
c De verstrekkingen
d De financiering der verplichte verzekering
e De vrijwillige verzekering, de bejaardenverzekering en de aanvullende verzekering
f De ziekenfondsen
g De verhouding tussen ziekenfondsen en medewerkers
h De Ziekenfondsraad
i Het beroep en de schorsing en vernietiging van besluiten van de Ziekenfondsraad
j Strafbepalingen
k Overgangs- en slotbepalingen
6 Samenvatting
xArtikelsgewijs
xr Artikelen 1 t/m 107
 

 

rblz.|1 r.k.| 

Algemeen

 

1. Inleiding


    
Zoals de ondergetekende in de memorie van antwoord naar aanleiding van het voorlopig verslag van de Tweede Kamer op de begroting van zijn departement voor het dienstjaar 1962 heeft uiteengezet, strekt het onderhavige wetsontwerp er in de eerste plaats toe het nog steeds van kracht zijnde bezettingsrecht te vervangen door een op normale wijze tot stand te komen wettelijke regeling der verplichte ziekenfondsverzekering. Het vervangen van het bezettingsrecht kan intussen zoals ook bij tal van andere maatregelen welke strekken tot vervanging van bezettingsrecht, slechts plaatshebben door de indiening van een volwaardige wettelijke regeling. Daarbij geeft de urgentie thans eindelijk met dat bezettingsrecht te breken enerzijds het voordeel dat niet diepgaand op tal van vraagstukken van de ziekenfondsverzekering dient te worden ingegaan, anderzijds het nadeel dat een aantal vraagstukken waarover de discussie in ons land nog niet is afgesloten, niet of niet geheel tot oplossing kan worden gebracht. Voorts is van de gelegenheid gebruikgemaakt het ziekenfondsrecht, hetwelk thans verspreid is over verschillende wettelijke regelingen, in één regeling onder te brengen.
     De ondergetekende moge beginnen met te constateren dat het ziekenfondswezen in ons land, gelet op het feit enerzijds van een langdurig bestaan en anderzijds op het feit dat thans reeds meer dan 20 jaar een wettelijk geregelde verplichte ziekenfondsverzekering bestaat, sterk leeft in het rechtsbewustzijn van ons volk. Een poging om de regeling van de geneeskundige verzorging op een andere wijze te doen plaatshebben dan die welke aansluit bij hetgeen historisch gegroeid is, lijkt hem dan ook ongewenst. Met name zou hij er reeds thans op willen wijzen dat in het voorliggende wetsontwerp de structuur en de uitvoeringsorganisatie van de verplichte ziekenfondsverzekering in beginsel onaangetast blijven.
     De ondergetekende is in de tweede plaats van oordeel dat met name de omstandigheid dat in Nederland gedurende meer dan 20 jaar een wettelijk verplichte verzekering voor loontrekkenden en een aantal daarmede gelijkgestelde groepen bestaat, gecombineerd met de omstandigheid dat deze verzekering in het algemeen tot tevredenheid heeft gefunctioneerd, het vermoeden wettigt dat het wenselijk is de thans tot stand te brengen wettelijke regeling te doen aansluiten bij de bestaande. Beide overwegingen hebben ertoe geleid dat de ondergetekende geen uitvoerige beschouwing zou willen geven over de rechtsgrond der tot stand te brengen wettelijke regeling. Niet omdat de ondergetekende het niet belangrijk zou vinden dat de wetgever zich steeds rekenschap geeft van de rechtsgrond voor het overheidsoptreden op welk gebied dan ook, doch wel omdat de nieuwe wettelijke regeling in het bestaande overheidsoptreden geen ingrijpende wijzigingen aanbrengt. Er bestaat in Nederland een wettelijk geregelde verplichte ziekenfondsverzekering; deze verzekering is een uitnemend middel gebleken om in de behoefte aan geneeskundige verzorging voor brede lagen van het volk te voldoen; de volksgezondheid is erdoor in belangrijke mate gediend en de regeling leeft in het rechtsbewustzijn.

     rblz.|2 l.k.| Enkele beschouwingen van algemene aard acht de ondergetekende nochtans hier van belang. De bestaande verplichte verzekering beperkt zich in hoofdzaak tot de werknemers beneden de loongrens van de Ziektewet en enkele groepen van personen die geheel of grotendeels uit de kring der loontrekkenden zijn voortgekomen. Meer dan eens is de vraag aan de orde geweest of het aanbeveling verdient de verplichte verzekering uit te breiden tot al degenen, ook niet-werknemers, wier inkomen beneden een zodanige grens ligt. Het tot stand brengen van een zodanige voorziening zou de invoering betekenen van een volksverzekering voor geneeskundige verzorging, zij het dat die volksverzekering beperkt zou zijn tot personen beneden een bepaalde inkomensgrens.
     De ondergetekende heeft gemeend om een tweetal redenen deze weg nog niet te moeten begaan. In de eerste plaats zou het gieten van deze regeling in de vorm van een volksverzekering hem voor een zodanig aantal technische vraagstukken geplaatst hebben dat het hem niet mogelijk geweest zou zijn op zeer korte termijn aan het bestaande bezettingsrecht een einde te maken, terwijl hij meent dat anders dan met betrekking tot het bezettingsrecht hierover ook nader advies gevraagd had moeten worden aan verschillende adviserende instanties.
     In de tweede plaats heeft de ondergetekende gemeend ook daarom nog niet met de gedachte van zulk een beperkte volksverzekering te moeten komen, omdat hij het vraagstuk van een volksverzekering voor geneeskundige verzorging ten principale aan de orde zou willen stellen in verband met de dekking van de zogenaamde zware risico's welke nagenoeg voor niemand in de samenleving zijn te dragen en waarvan de dekking in het kader van de bestaande verzekering niet voldoende is te achten. De ondergetekende stelt zich voor binnenkort aan de Sociaal-Economische Raad advies te vragen over de wenselijkheid van het tot stand brengen van een volksverzekering voor zogenaamde zware risico's in het vlak der geneeskundige verzorging, over de wijze van financiering en uitvoering van een zodanige verzekering en over de consequenties die de totstandbrenging ener volksverzekering voor zware risico's heeft voor de bestaande verzekering.
     De ondergetekende zou er de voorkeur aan gegeven hebben het vraagstuk der voorzieningen van ziektekosten in zijn geheel, in één wetsontwerp, aan de orde te stellen, doch de omstandigheid dat zeventien jaren na de bevrijding op dit stuk nog steeds bezettingsrecht bestaat en het feit dat voor het vraagstuk van de zware risico's diepgaand beraad wenselijk is, maken het naar zijn oordeel onmogelijk deze weg te begaan.
     Het thans voorliggende wetsontwerp is echter zodanig geconstrueerd dat het, bij eventuele nadere voorzieningen als in de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad bedoeld, een bruikbare grondslag biedt om daarop later voort te bouwen.
     Zoals gezegd, meent de ondergetekende ook om die reden thans de vraag van de verplichte verzekering voor anderen dan loontrekkenden beneden de inkomensgrens buiten beschouwing te kunnen laten, hoewel hij ten volle erkent dat

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Zfw | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x