Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  OP  DE  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING

 

 

ONTWERP VAN WET

rblz.|1 l.k.| 

Kamerstukken II 1962-1963, 7171

Arbeidongeschiktheidsverzekering

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Historisch overzicht
2.1 De ontwikkeling van de verzekeringen die alle arbeidsongeschiktheid tot onderwerp hebben
2.2 De naoorlogse reorganisatieplannen
2.3 De interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers en de adviesaanvrage aan de S.E.R. inzake het socialezekerheidsbeleid op langere termijn
3 Het systeem der wet
3.1 Kring der verzekerden
3.2 Verstrekkingen der verzekering
3.3 Uitvoeringsorganisatie
3.4 Middelen tot dekking van de kosten
3.5 Invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
3.6 Afwijking op belangrijke punten van de adviezen van de S.E.R. en de S.V.R.
4 Sociaal-geneeskundige aspecten
4.1 De sociaal-medische betekenis van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
4.2 De sociaal-medische aspecten van de schadeloosstellingen krachtens de arbeidsongeschiktheidsverzekering
4.3 Medisch-organisatorische aspecten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering
5 FinanciŽle en economische aspecten
5.1 Financieringsstelsel
5.2 Het stelsel van premieheffing
5.3 FinanciŽle aspecten
6 Samenvatting
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1 t/m 101
 

 

 

[Algemeen, red.]

 

1. Inleiding


    
1. Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft ten onzent een uitvoerige discussie plaatsgehad over de herziening van de sociale verzekering. Deze discussie had eveneens tot onderwerp de uitkeringen in geval van korte en langdurige arbeidsongeschiktheid. Verschillende commissies hebben zich met de daarmede samenhangende vraagstukken beziggehouden en ter zake adviezen uitgebracht. Eveneens hebben de Regering daarover adviezen bereikt van de Sociaal-Economische Raad (S.E.R.) en de Sociale Verzekeringsraad (S.V.R.). De laatste adviezen van deze beide lichamen hadden betrekking op het tot stand brengen van een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering welke in de plaats zou treden van de bestaande wetten op het terrein van de ongevallenverzekering en de invaliditeitsverzekering.
     Bij het optreden van de ondergetekende als Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid was een wetsontwerp voor een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering reeds in voorbereiding, waarbij op belangrijke punten reeds een uitvoerige arbeid was verricht. Alhoewel het de ondergetekende bekend was dat over de vraag of het aanbeveling verdiende reeds terstond naar een algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering te koersen hier te lande verschillend werd gedacht, heeft hij gemeend - hoewel hij met het oog op de financiŽle positie der invaliden voorrang heeft gegeven aan de totstandkoming van een interim-regeling voor invaliditeitsrentetrekkers -, mede in het licht van de uitgebrachte adviezen, tot continuering van de voorbereidende arbeid te moeten besluiten. Dit heeft ertoe geleid dat thans het onderhavige ontwerp van wet op een arbeidsongeschiktheidsverzekering kan worden ingediend.

     2. De ondergetekende heeft besloten de in gang zijnde arbeid te continueren, wijl hij van oordeel is dat de ter zake vůůr zijn optreden genomen beslissingen volkomen juist zijn en geheel liggen in de lijn van het naoorlogse sociale denken. Hij moge er nog eens aan herinneren hoe de vooroorlogse socialeverzekeringswetgeving - alhoewel geÔnspireerd vanuit een duidelijke sociale overtuiging van de grote pioniers der sociale verzekering, zoals de Ministers Lely, Kuyper, Talma en Aalberse - in belangrijke mate gevormd is onder invloed van een individualistische, aan het private verzekeringsrecht ontleende denkwijze en daardoor in menig opzicht door individualistische karaktertrekken gekenmerkt werd. Het wil de ondergetekende voorkomen dat daarvoor twee redenen aan te wijzen zijn. De eerste is de zojuist genoemde dat bij de totstandkoming van de sociale verzekering men in menig opzicht gewerkt heeft naar het model der private verzekering. De denkvorm der private verzekering, welke in hoofdzaak gekenmerkt wordt door de opvatting dat in individuele verzekeringscontracten een ruilevenwicht noodzakelijk is tussen premie en uitkering, tussen prestatie en contraprestatie, was evenwel ontoereikend voor de sociale verzekering, welke eerst geleidelijk aan een eigen denkvorm zou ontwikkelen, waarbij minder het individuele ruilevenwicht, doch meer de maatschappelijke solidariteit bepalend was. De ondergetekende moge zich ontslagen rblz.|1 r.k.| achten hierop uitvoerig in te gaan, waar dit verschijnsel, in het bijzonder in de naoorlogse literatuur en ook in de schriftelijke stukken van na de oorlog tot stand gekomen socialeverzekeringswetten, uitvoerig is belicht.
     Het is evenwel niet alleen de denkvorm van de private verzekering geweest welke debet is aan het feit dat tal van vooroorlogse socialeverzekeringswetten een allengs onbevredigend geachte structuur hebben gekregen. Daarop is evenzeer van invloed geweest de sociaal-politieke denkwijze vůůr de laatste wereldoorlog. Ook hierin zou de ondergetekende niet uitvoerig willen treden. Hij zou willen volstaan met eraan te herinneren hoe in de sociale wetgeving in het algemeen - en in de socialeverzekeringswetgeving in het bijzonder - in de aanvang heeft gegolden dat zij beperkt diende te blijven tot maatschappelijk zwakken. In de arbeidswetgeving werden als zodanig aanvankelijk uitsluitend de zogenaamde personae miserabiles beschouwd; in de socialeverzekeringswetgeving waren het de arbeiders in gevaarlijke bedrijven. Toen later in de socialeverzekeringswetgeving de beperking tot de gevaarlijke bedrijven werd verlaten, kwamen analoge beperkingen weer naar voren, enerzijds doordat in sommige socialeverzekeringswetten een loongrens werd gesteld boven welke men niet verzekerd was, terwijl anderzijds de verzekering tegen geldelijke gevolgen van ongevallen zich beperkte tot ongevallen in verband met de dienstbetrekking.
     In de maatschappelijke werkelijkheid leidde dit laatste ertoe dat degenen die ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid ten gevolge van ziekte of ongeval, uit twee categorieŽn bestaan: een eerste categorie, voor wie bij langdurige arbeidsongeschiktheid een tamelijk bevredigende regeling geldt, namelijk de categorie dergenen die getroffen zijn door een ongeval in verband met de dienstbetrekking en wat daarmede voor de toepassing der Ongevallenwetten wordt gelijkgesteld; vervolgens een tweede categorie van degenen die niet getroffen zijn door een ongeval in verband met de dienstbetrekking. Alhoewel ook de voorziening voor de eerste categorie niet in alle opzichten bevredigend te noemen is - zo ontbreekt bijvoorbeeld de waardevastheid der uitkeringen, hetgeen vooral bij zeer langdurige uitkeringen die zich over decennia uitstrekken als een ernstig bezwaar is gaan gelden -, is de sociale positie van de tweede categorie, zelfs ondanks de na de oorlog ingevoerde toeslagen, volstrekt ontoereikend te noemen. Deze laatste omstandigheid, gepaard aan de schrille tegenstelling welke aanwezig is tussen de voorzieningen voor de beide categorieŽn en de omstandigheid dat het voor de justitiabelen soms welhaast onbegrijpelijk moet zijn waarin de rechtvaardiging gelegen is of men tot de ene dan wel tot de andere categorie behoort (men denke in dit verband aan straatongevallen waarvan sommige wel en andere niet tot ongevalsuitkeringen leiden), hebben sterk de gedachte ingang doen vinden enerzijds dat voor al degenen die door arbeidsongeschiktheid een langdurige uitkering van node hebben een behoorlijke voorziening dient te bestaan, anderzijds dat het onjuist is onderscheid te blijven maken tussen twee categorieŽn.
     Kan reeds gezegd worden dat deze gedachte in het gewone menselijke denken van alledag steeds meer gemeengoed is geworden, ook in het algemene sociaal-politieke denken
rblz.|2 l.k.| zowel als in het denken met betrekking tot de sociale zekerheid zijn belangrijke aanknopingspunten te vinden om aan de tweedeling een einde te maken. De ondergetekende moge in deze herinneren aan de uitgebreide discussie welke ook ten onzent heeft plaatsgehad over de vraag of aan de ongevallenverzekering ten grondslag dient te liggen het beginsel van het "risque professionnel" dan wel

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | ontwerp van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x