Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

ALGEMENE  WET  BESTUURSRECHT

(Eerste tranche)

 

 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1988-1989, 21 221

Algemene regels van bestuursrecht (Algemene wet bestuursrecht)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
I Doelstellingen van de wet
II Algemene benadering van de rechtsbetrekking bestuur-burger
III Opzet en indeling; aanbouwwetgeving
IV De verhouding van de algemene regels van bestuursrecht tot andere wetgeving
V De taak van de rechter bij de handhaving van de wet
VI De verhouding van de algemene regels van bestuursrecht tot het burgerlijk recht
VII De Awb en de verhouding tussen de bestuursorganen
VIII Vergelijkbare buitenlandse wetgeving
IX De bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel gevolgde procedure
X Dereguleringsaspecten
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 1.1 t/m 7.2
 

 

rblz.|2| 

Algemeen

 

I. Doelstellingen van de wet


     Artikel 107, tweede lid, van de Grondwet geeft aan de wetgever de opdracht om algemene regels van bestuursrecht vast te stellen. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt, zoals ook in de considerans tot uitdrukking wordt gebracht, primair uitvoering te geven aan deze grondwettelijke opdracht. Daarmee is ook de eerste - in verschillende fasen te verwezenlijken - hoofddoelstelling van deze wet, het geven van algemene regels van bestuursrecht, bepaald. De tweede - voor het overgrote deel in een latere fase te verwezenlijken - hoofddoelstelling van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het geven van een algemene regeling van het bestuursprocesrecht.
     Anders dan bij het burgerlijk recht en het strafrecht zal bij het bestuursrecht (in ruime zin) dus sprake zijn van één, ongedeelde codificatie. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
     In het burgerlijk recht en het strafrecht is de grens tussen de beide deelcodificaties getrokken langs het onderscheid tussen materieel en formeel recht. In het algemeen wordt onder materieel recht verstaan dat gedeelte van de voor een bepaald rechtsgebied geldende regels dat betrekking heeft op (het tot stand komen en het tenietgaan van) rechten en verplichtingen van rechtssubjecten. Onder formeel recht wordt doorgaans verstaan het geheel van procedurele regels dat ertoe dient in geval van verschillen de uit het materiële recht voortvloeiende rechten en verplichtingen te effectueren. Anders dan in het burgerlijk recht en het strafrecht vallen in het bestuursrecht het begrip formeel recht en het begrip procesrecht (dat immers betrekking heeft op rechterlijke procedures) niet samen. Dat komt doordat in het bestuursrecht sprake is van een categorie van rechtsregels die tegelijkertijd materieel en formeelrechtelijk van aard zijn. Gedoeld wordt op de regels betreffende bezwaar en administratief beroep. Enerzijds hebben deze betrekking op het tot stand komen en het tenietgaan van rechten en verplichtingen van rechtssubjecten, anderzijds zijn het regels die ertoe dienen in geval van geschillen de uit het materiële recht voortvloeiende rechten en verplichtingen te effectueren. Dit hybridische karakter wordt veroorzaakt door het gegeven dat in het bestuursrecht - ondanks alle accentverschuivingen - de wijze waarop rechten en verplichtingen tot stand komen en tenietgaan nog steeds wordt gekenmerkt door een zekere eenzijdigheid. Aldus is het niet mogelijk twee deelcodificaties tot stand te brengen, gebaseerd op het onderscheid tussen materieel recht en formeel recht.
     Daar komt nog bij dat de regels aangaande bezwaar en administratief beroep op vele punten gelijkluidend kunnen zijn als en voor het overige ook nauw samenhangen met het bestuursprocesrecht. De opzet van afdeling 6.2 van dit wetsvoorstel illustreert het eerste, het in artikel 6.3.1a [7:1] vervatte systeem van in beginsel verplicht bezwaar voorafgaand aan beroep op een administratieve rechter, het tweede. Dat betekent dat het minder wenselijk is de regels aangaande bezwaar en administratief beroep te scheiden van het bestuursprocesrecht.
     Het heeft, gelet op het voorgaande, de voorkeur de algemene regels van bestuursrecht en de algemene regeling van het bestuursrecht uiteindelijk in één, ongedeelde codificatie onder te brengen.

     In het onderstaande wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de eerste hoofddoelstelling. Daarna volgen enkele korte opmerkingen over de tweede hoofddoelstelling.

     De uitbreiding in 1983 van het grondwettelijke codificatieartikel, dat van oudsher slechts over het burgerlijk recht en het strafrecht handelde, met een - minder verstrekkende, immers tot algemene regels beperkte,
rblz.|3| en ook niet op het bestuursprocesrecht betrekking hebbende - bepaling over het bestuursrecht moet worden gezien tegen de achtergrond van de snelle ontwikkeling van dit deel van het recht in de laatste halve eeuw. De wetgeving is in deze periode enorm gegroeid, waarbij soms geheel nieuwe terreinen werden betreden [lees: bestreken, red.]. Men denke slechts aan de ontwikkelingen in de sociale zekerheid, de ruimtelijke ordening, de milieuhygiëne en op sociaaleconomisch gebied. Veel regels zijn bij

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Awb | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x