St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  VOLTOOIING  EERSTE  FASE  HERZIENING  RECHTERLIJKE  ORGANISATIE

(Tevens Tweede tranche Awb en herziene Beroepswet)

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1991-1992, 22 495

Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1993, 650, en is in werking getreden met ingang van 1 januari 1994 (Stb. 1993, 693).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet houdende wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie)
     De toelichtende memorie (en bijlagen) die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

 

's-Gravenhage, 23 januari 1992

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie bij de arrondissementsrechtbanken enkelvoudige en meervoudige kamers voor het behandelen en beslissen van bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg in te stellen, bestuursrechtspraak in twee instanties in te voeren voor een groot aantal bestuursrechtelijke zaken die thans nog in één instantie worden behandeld en beslist, definitieve voorzieningen in kroongeschillen te treffen, een algemene regeling van het bestuursprocesrecht in de Algemene wet bestuursrecht op te nemen, en dat het wenselijk is met het oog op de invoering van de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht een aantal wetten daaraan aan te passen, en dat het derhalve nodig is een groot aantal wetten te wijzigen en de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen in te trekken;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

1

Rechterlijke organisatie

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

2

Algemene wet bestuursrecht

 

Art. I.  [MvT]
Indien het bij koninklijke boodschap van 17 juli 1989 ingediende voorstel voor een Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken 21 221) tot wet wordt verheven, wordt die wet als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 1.1 [1:1], derde lid, komt te luiden:
-3. Een ingevolge het tweede lid uitgezonderd orgaan, persoon of college wordt wel als bestuursorgaan aangemerkt voor zover het orgaan, de persoon of het college besluiten neemt of handelingen verricht ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden.
B.
[MvT]
Artikel 1.4 [1:4], tweede lid, komt te luiden:
-2. Een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als administratieve rechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8, de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Stb. 1956, 323) of de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Stb. 1990, 435) van toepassing is.
C.
[MvT]
In artikel 2.1.2 [2:2], derde lid, vervalt "en procureurs".
D.
[MvT]
Artikel 3.5.5 [3:45] komt te luiden:
Art. 3.5.5.
-1. Indien tegen een besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld, wordt daarvan bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding gemaakt.
-2. Hierbij wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.
E.
[MvT]
Artikel 6.2.2 [6:8] wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding
"-1." geplaatst.
2. Een tweede en derde lid worden toegevoegd, luidende:
-2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen door één of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon worden ingesteld, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.
-3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit, inhoudende de goedkeuring van dat besluit, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
F.
[MvT]
In artikel 6.2.5 [6:11] wordt
"indien de indiener redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest" vervangen door: indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
G.
[MvT]
Na artikel 6.2.6 [6:12] wordt een artikel 6.2.6a [6:13] ingevoegd, luidende:
Art. 6.2.6a
[6:13].
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit.
H.
[MvT]
In artikel 6.2.16 [6:24], eerste lid, wordt na
"de mogelijkheid van" ingevoegd: het doen van verzet of.
I.
[MvT]
Artikel 6.3.9 [7:4] wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot vierde tot en met achtste lid.
2. Het eerste tot en met derde lid komen te luiden:
-1. Tot tien dagen vóór het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
-2. Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage.
-3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
J.
[MvT]
In artikel 6.3.18 [7:13], vierde lid, wordt
"artikel 6.3.9 [7:4], vijfde lid," vervangen door: artikel 6.3.9 [7:4], zesde lid,.
K.
[MvT]
Artikel 6.4.9 [7:18] wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot vierde tot en met achtste lid.
2. Het eerste tot en met derde lid komen te luiden:
-1. Tot tien dagen vóór het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
-2. Het beroepsorgaan legt het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage.
-3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
L.
[MvT]
In artikel 6.4.15 [7:24], tweede lid, wordt
"hetzelfde rechtspersoonlijkheid bezittende lichaam" vervangen door: dezelfde rechtspersoon.
M.
[MvT]
Artikel 6.4.20 [7:29] vervalt.
N.
[MvT]
Na hoofdstuk 7 wordt een hoofdstuk 8 ingevoegd, luidende:
HOOFDSTUK 8. Beroep bij de rechtbank 
[MvT]
TITEL 8.1. Algemene bepalingen 
[MvT]
AFDELING 8.1.1. Bevoegdheid 
[MvT]
Art. 8.1.1.1 [8:1].
[MvT + bis]
-1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
[MvT + bis]
-2. Met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet of een dienstplichtige als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (Stb. 1971, 231), hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden.
[MvT + bis]
-3. Met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van een besluit van algemene strekking.
[MvT + bis]
Art. 8.1.1.2
[8:2]. [MvT + bis]
Geen beroep kan worden ingesteld tegen:
a. een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel;
b. een besluit, inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel; en
c. een besluit, inhoudende de goedkeuring van een besluit als bedoeld in de onderdelen a of b.
Art. 8.1.1.3
[8:3]. [MvT + bis]
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, met uitzondering van een besluit, inhoudende de weigering van de goedkeuring van een dergelijk besluit.
Art. 8.1.1.4
[-]. [MvT + bis]
-1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen beroep bij een andere administratieve rechter kan of kon worden ingesteld.
-2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld.
Art. 8.1.1.5
[8:4]. [MvT + bis]
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit:
a. inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan;
b. op grond van een in enig wettelijk voorschrift voor het geval van buitengewone omstandigheden toegekende bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze omstandigheden genomen;
c. genomen op grond van een wettelijk voorschrift ter beveiliging van de militaire belangen van het Koninkrijk of zijn bondgenoten;
d. tot benoeming of aanstelling, voor zover niet gericht tot een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet of een dienstplichtige als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden;
e. inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst;
f. inhoudende een technische beoordeling van een voertuig of een luchtvaartuig, dan wel een meetmiddel, een onderdeel daarvan of een hulpinrichting daarvoor;
g. genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake belastingen of, voor zover het de volksverzekeringen betreft, de heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting;
h. inzake de nummering van kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het verloop van de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen; of
i. genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover het inlijving, werkelijke dienst, groot verlof of ontslag betreft, tenzij het besluit betrekking heeft op vrijwillige opkomst, verlenging van werkelijke dienst of kostwinnersvergoeding, of het besluit is genomen op grond van de Wet voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985 (Stb. 1985, 619).
Art. 8.1.1.6
[8:5]. [MvT + bis]
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.
Art. 8.1.1.7
[8:7]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank binnen welker rechtsgebied de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd.
-2. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen welker rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
-3. Indien tegen hetzelfde besluit beroep is ingesteld door meer dan één belanghebbende en meer dan één rechtbank bevoegd zou zijn, is bevoegd de rechtbank binnen welker rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
Art. 8.1.1.8
[8:9]. [MvT + bis]
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderscheidenlijk de Centrale Raad van Beroep oordelen in hoogste ressort over geschillen tussen de rechtbanken over de toepassing van artikel 8.1.1.7 [8:7] in zaken tot de kennisneming waarvan zij in hoger beroep bevoegd zijn.
AFDELING 8.1.2. Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige kamer 
[MvT]
Art. 8.1.2.1
[8:10]. [MvT]
-1. De zaken die bij de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een enkelvoudige kamer.
-2. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. De enkelvoudige kamer kan ook in andere gevallen een zaak naar een meervoudige kamer verwijzen.
-3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-4. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Art. 8.1.2.2
[8:11]. [MvT]
-1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn op de behandeling zowel door een enkelvoudige als door een meervoudige kamer van toepassing.
-2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft.
Art. 8.1.2.3
[8:12]. [MvT]
De rechtbank kan aan een rechter-commissaris opdragen het vooronderzoek of een gedeelte daarvan te verrichten.
AFDELING 8.1.3. Verwijzing, voeging en splitsing 
[MvT]
Art. 8.1.3.1
[8:13]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan een bij haar aanhangig gemaakte zaak ter verdere behandeling verwijzen naar de rechtbank waar een andere zaak aanhangig is gemaakt indien naar haar oordeel behandeling van die zaken door één rechtbank gewenst is.
-2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van het onderzoek ter zitting.
-3. Indien de rechtbank waarnaar een zaak is verwezen, instemt met de verwijzing, worden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toegezonden.
Art. 8.1.3.2
[8:14]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.
-2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting.
AFDELING 8.1.4. Wraking en verschoning van rechters 
[MvT]
Art. 8.1.4.1
[8:15]. [MvT + bis]
Op verzoek van een partij kan elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Art. 8.1.4.2
[8:16]. [MvT + bis]
-1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
-2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden.
-3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.
-4. Een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
-5. Geschiedt het verzoek ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8.1.4.3
[8:17]. [MvT + bis]
Een rechter wiens wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.
Art. 8.1.4.4
[8:18]. [MvT + bis]
-1. Het verzoek om wraking wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.
-2. De verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De rechtbank kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.
-3. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter wiens wraking was verzocht, medegedeeld.
-4. In geval van misbruik kan de rechtbank bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.
-5. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Art. 8.1.4.5
[8:19]. [MvT + bis]
-1. Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8.1.4.1 [8:15] kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.
-2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van het onderzoek ter zitting onderscheidenlijk na de aanvang van het horen van partijen of getuigen in het vooronderzoek kan het ook mondeling geschieden.
-3. Geschiedt het verzoek ter zitting, dan wordt het onderzoek ter zitting geschorst.
Art. 8.1.4.6
[8:20]. [MvT + bis]
-1. Het verzoek om verschoning wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter die om verschoning heeft verzocht, geen zitting heeft.
-2. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan partijen en de rechter die om verschoning had verzocht, medegedeeld.
-3. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
AFDELING 8.1.5. Partijen 
[MvT]
Art. 8.1.5.1
[8:21]. [MvT + bis]
-1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
-2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
-3. Indien geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak spoedeisend is, kan de rechtbank een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegenwoordiger weer beschikbaar is.
Art. 8.1.5.2
[8:22]. [MvT + bis]
-1. In geval van faillissement of surséance van betaling zijn de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.
-2. De artikelen 25, tweede lid, en 27 vinden geen toepassing indien partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen.
Art. 8.1.5.3
[8:23]. [MvT + bis]
-1. Een bestuursorgaan dat een college is, wordt in het geding vertegenwoordigd door één of meer door het bestuursorgaan aangewezen leden.
-2. De Kroon wordt in het geding vertegenwoordigd door Onze Minister wie het aangaat onderscheidenlijk door één of meer van Onze Ministers wie het aangaat.
Art. 8.1.5.4
[8:24]. [MvT + bis]
-1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
-2. De rechtbank kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten.
Art. 8.1.5.5
[8:25]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.
-2. De betrokken partij en de in het eerste lid bedoelde persoon worden onverwijld in kennis gesteld van de weigering en de reden daarvoor.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten.
Art. 8.1.5.6
[8:26]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.
-2. Indien de rechtbank vermoedt dat er onbekende belanghebbenden zijn, kan zij in de Staatscourant doen aankondigen dat een zaak bij haar aanhangig is. Naast de aankondiging in de Staatscourant kan ook een ander middel voor de aankondiging worden gebruikt.
Art. 8.1.5.7
[8:27]. [MvT + bis]
-1. Partijen die door de rechtbank zijn opgeroepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen, zijn verplicht te verschijnen en de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8.1.5.11 [8:31].
-2. Indien het een rechtspersoon betreft of een bestuursorgaan dat een college is, kan de rechtbank één of meer bepaalde bestuurders onderscheidenlijk één of meer bepaalde leden oproepen.
Art. 8.1.5.8
[8:28]. [MvT + bis]
Partijen aan wie door de rechtbank is verzocht schriftelijk inlichtingen te geven, zijn verplicht de verlangde inlichtingen te geven. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8.1.5.11 [8:31].
Art. 8.1.5.9
[8:29]. [MvT + bis]
-1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
-2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
-3. De rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
-4. Indien de rechtbank heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
-5. Indien de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan zij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen.
Art. 8.1.5.10
[8:30]. [MvT + bis]
Partijen zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8.2.2.6 [8:47], eerste lid. Partijen worden hierop gewezen, alsmede op artikel 8.1.5.11 [8:31].
Art. 8.1.5.11
[8:31]. [MvT + bis]
Indien een partij niet voldoet aan de verplichting te verschijnen, inlichtingen te geven, stukken over te leggen of mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8.2.2.6 [8:47], eerste lid, kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
Art. 8.1.5.12
[8:32]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan, indien de vrees bestaat dat kennisneming van stukken door een partij haar lichamelijke of geestelijke gezondheid zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.
-2. De rechtbank kan, indien kennisneming van stukken door een partij de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden, bepalen dat deze kennisneming is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.
AFDELING 8.1.6. Getuigen, deskundigen en tolken 
[MvT]
Art. 8.1.6.1
[8:33]. [MvT + bis]
-1. leder die door de rechtbank als getuige wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
-2. In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de getuige zal worden gehoord, de feiten waarop het horen betrekking zal hebben en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
-3. De artikelen 191, tweede en vierde lid, 198, 199, eerste lid, 200, eerste lid, 201, 202, eerste en derde lid, 203, eerste lid, en 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-4. De rechtbank kan bepalen dat getuigen niet zullen worden gehoord dan na het afleggen van de eed of de belofte. Zij leggen in dat geval de eed of de belofte af dat zij zullen zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid.
Art. 8.1.6.2
[8:34]. [MvT + bis]
-1. De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen.
-2. Artikel 191, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.1.6.3
[8:35]. [MvT + bis]
-1. De tolk die zijn benoeming heeft aanvaard en die door de rechtbank wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven en zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te vervullen. De artikelen 198 en 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. In de oproeping worden vermeld de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
Art. 8.1.6.4
[8:36]. [MvT + bis]
-1. Aan de door de rechtbank opgeroepen getuigen, deskundigen en tolken en de deskundigen die een onderzoek als bedoeld in artikel 8.2.2.6 [8:47], eerste lid, hebben ingesteld, wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend. De Wet tarieven in burgerlijke zaken (Stb. 1960, 541) is van overeenkomstige toepassing.
-2. De partij die een getuige of deskundige heeft meegebracht of opgeroepen, dan wel aan wie een verslag van een deskundige is uitgebracht, is aan deze een vergoeding verschuldigd. De Wet tarieven in burgerlijke zaken is van overeenkomstige toepassing.
AfFDELING 8.1.7. Verzending van stukken 
[MvT]
Art. 8.1.7.1
[8:37]. [MvT]
-1. Oproepingen, de uitnodiging om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, alsmede de verzending van de uitspraak geschieden door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechtbank anders bepaalt.
-2. Voor het overige geschiedt de verzending van stukken door de griffier bij gewone brief, tenzij de rechtbank anders bepaalt.
-3. In een brief wordt de datum van verzending vermeld.
Art. 8.1.7.2
[8:38]. [MvT]
-1. Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terugontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk één week daarna in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief.
-2. In de overige gevallen waarin de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terugontvangt, verbetert hij, indien mogelijk, het op het stuk vermelde adres en verzendt hij het stuk opnieuw bij aangetekende brief.
Art. 8.1.7.3
[8:39]. [MvT]
-1. De griffier zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan partijen, voor zover de rechtbank niet op grond van de artikelen 8.1.5.9 [8:29] of 8.1.5.12 [8:32] anders heeft beslist.
-2. De griffier kan de toezending van zeer omvangrijke stukken of van stukken die bezwaarlijk kunnen worden vermenigvuldigd, achterwege laten. Hij stelt partijen daarvan in kennis en vermeldt daarbij dat deze stukken gedurende een door hem te bepalen termijn van ten minste één week ter griffie ter inzage worden gelegd
-3. Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit de in het tweede lid bedoelde stukken verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.
TITEL 8.2. Behandeling van het beroep 
[MvT]
AFDELING 8.2.1. Griffierecht 
[MvT]
Art. 8.2.1.1
[8:41]. [MvT + bis]
-1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven van ƒ50,00. Indien twee of meer personen gezamenlijk één beroepschrift ter zake van hetzelfde besluit indienen, is eenmaal griffierecht verschuldigd.
-2. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
-3. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-4. Het in het eerste lid genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
AFDELING 8.2.2. Vooronderzoek 
[MvT]
Art. 8.2.2.1
[8:42]. [MvT + bis]
-1. Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in.
-2. De rechtbank kan de in het eerste lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8.2.2.2
[8:43]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen schriftelijk te repliceren. In dat geval wordt het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld schriftelijk te dupliceren. De rechtbank stelt de termijnen voor repliek en dupliek vast.
-2. De rechtbank stelt andere partijen dan de in het eerste lid bedoelde in de gelegenheid om ten minste eenmaal een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Zij stelt hiervoor een termijn vast.
Art. 8.2.2.3
[8:44]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan partijen oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen.
-2. Van het geven van inlichtingen wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-3. Het wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
Art. 8.2.2.4
[8:45]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden.
-2. Bestuursorganen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8.1.5.9 [8:29] is van overeenkomstige toepassing.
-3. Werkgevers van partijen zijn, ook als zij geen partij zijn, verplicht aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, te voldoen. Artikel 8.1.5.9 [8:29] is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.2.2.5
[8:46]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan getuigen oproepen.
-2. De rechtbank deelt de namen en woonplaatsen van de getuigen, de plaats en het tijdstip waarop dezen zullen worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben, ten minste één week tevoren aan partijen mee.
-3. De artikelen 205, eerste, tweede en derde lid, eerste volzin, en 206, eerste tot en met derde en vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.2.2.6
[8:47]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.
-2. Bij de benoeming worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld en de termijn, bedoeld in het vierde lid.
-3. Van het voornemen tot het doen instellen van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt aan partijen mededeling gedaan. Partijen kunnen hun wensen omtrent het onderzoek binnen een door de rechtbank te bepalen termijn schriftelijk aan haar kenbaar maken.
-4. De rechtbank stelt een termijn binnen welke de deskundige aan haar een schriftelijk verslag van het onderzoek uitbrengt.
-5. Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending van het verslag aan hen schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren brengen.
-6. De rechtbank kan de in het vijfde lid bedoelde termijn verlengen.
Art. 8.2.2.7
[8:48]. [MvT + bis]
-1. De arts die voor het instellen van een onderzoek als bedoeld in artikel 8.2.2.6 [8:47], eerste lid, een persoon moet onderzoeken, kan de voor het onderzoek van belang zijnde inlichtingen over deze persoon inwinnen bij de behandelend arts of de behandelende artsen, de verzekeringsarts en de adviserend arts van het bestuursorgaan.
-2. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de betrokken persoon niet onevenredig wordt geschaad.
Art. 8.2.2.8
[8:49]. [MvT]
De rechtbank kan tolken benoemen.
Art. 8.2.2.9
[8:50]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan bepalen dat een bezichtiging zal plaatsvinden. Zij heeft daarbij toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is.
-2. Plaatselijke en andere autoriteiten verlenen bij de bezichtiging desgevraagd de medewerking die in het belang van het onderzoek is vereist.
-3. Van plaats en tijdstip van de bezichtiging wordt aan partijen mededeling gedaan. Zij kunnen bij de bezichtiging aanwezig zijn.
-4. Van de bezichtiging wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-5. Het wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld
AFDELING 8.2.3. Versnelde behandeling 
[MvT]
Art. 8.2.3.1
[8:52]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan, indien de zaak spoedeisend is, bepalen dat deze versneld wordt behandeld.
-2. In dat geval kan de rechtbank:
a. de in artikel 8.2.1.1 [8:41], tweede lid, bedoelde termijn verkorten;
b. de in artikel 8.2.2.1 [8:42], eerste lid, bedoelde termijn verkorten;
c. artikel 8.2.2.2 [8:43], tweede lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten;
d. artikel 8.2.2.6 [8:47], derde lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten; en
e. de in artikel 8.2.2.6 [8:47], vijfde lid, bedoelde termijn verkorten.
-3. Indien de rechtbank bepaalt dat de zaak versneld wordt behandeld, bepaalt zij tevens zo spoedig mogelijk het tijdstip waarop de zitting zal plaatsvinden en doet zij daarvan onverwijld mededeling aan partijen. Artikel 8.2.5.1 [8:56] is niet van toepassing.
Art. 8.2.3.2
[8:53]. [MvT + bis]
Blijkt aan de rechtbank bij de behandeling dat de zaak niet voldoende spoedeisend is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen of dat de zaak een gewone behandeling vordert, dan bepaalt zij dat de zaak verder op de gewone wijze wordt behandeld.
AFDELING 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling 
[MvT]
Art. 8.2.4.1
[8:54]. [MvT + bis]
-1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, kan de rechtbank het onderzoek sluiten indien zij voortzetting van het onderzoek niet nodig acht, omdat:
a. zij kennelijk onbevoegd is;
b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is;
c. het beroep kennelijk ongegrond is; of
d. het beroep kennelijk gegrond is.
-2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8.2.4.2 [8:55], eerste lid.
Art. 8.2.4.2
[8:55]. [MvT + bis]
-1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8.2.4.1 [8:54], tweede lid, kan een belanghebbende verzet doen bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
-2. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de rechtbank de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij zij van oordeel is dat het verzet gegrond is.
-3. Een meervoudige kamer doet uitspraak op het verzet. Van de meervoudige kamer maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.
-4. De uitspraak strekt tot:
a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet;
b. ongegrondverklaring van het verzet; of
c. gegrondverklaring van het verzet.
-5. Indien de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.
-6. Indien de rechtbank het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
AFDELING 8.2.5. Onderzoek ter zitting 
[MvT]
Art. 8.2.5.1
[8:56]. [MvT]
Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.
Art. 8.2.5.2
[8:57]. [MvT]
Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek.
Art. 8.2.5.3
[8:58]. [MvT]
-1. Tot tien dagen vóór de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.
-2. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.2.5.1 [8:56], gewezen.
Art. 8.2.5.4
[8:59]. [MvT]
De rechtbank kan een partij oproepen om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen, al dan niet voor het geven van inlichtingen.
Art. 8.2.5.5
[8:60]. [MvT]
-1. De rechtbank kan getuigen oproepen en deskundigen en tolken benoemen.
-2. De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard en die door de rechtbank wordt opgeroepen, is verplicht aan de oproeping gevolg te geven. De artikelen 198 en 204 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. In de oproeping worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld, de plaats en het tijdstip waarop de opdracht moet worden vervuld en de gevolgen die zijn verbonden aan het niet verschijnen.
-3. Namen en woonplaatsen van de opgeroepen getuigen en deskundigen en de feiten waarop het horen betrekking zal hebben onderscheidenlijk de opdracht die moet worden vervuld, worden bij de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.2.5.1 [8:56], aan partijen zoveel mogelijk medegedeeld.
-4. Partijen kunnen getuigen en deskundigen meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploit oproepen, mits daarvan uiterlijk één week vóór de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de andere partijen mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8.2.5.1 [8:56], gewezen.
Art. 8.2.5.6
[8:61]. [MvT]
-1. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft de leiding van de zitting.
-2. De griffier houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.
-3. De griffier maakt een proces-verbaal op van de zitting indien de rechtbank dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt en indien hoger beroep wordt ingesteld.
-4. Het bevat de namen van de rechter of de rechters die de zaak behandelt onderscheidenlijk behandelen, die van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden die op de zitting zijn verschenen en van degenen die hen hebben bijgestaan, en die van de getuigen, deskundigen en tolken die op de zitting zijn verschenen.
-5. Het houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen.
-6. Het wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
-7. Aan het proces-verbaal kunnen overgelegde pleitnotities worden gehecht.
-8. De rechtbank kan bepalen dat de verklaring van een partij, getuige of deskundige geheel in het proces-verbaal zal worden opgenomen. In dat geval wordt de verklaring onverwijld op schrift gesteld en aan de partij, getuige of deskundige voorgelezen. Deze mag daarin wijzigingen aanbrengen, die op schrift worden gesteld en aan de partij, getuige of deskundige worden voorgelezen. De verklaring wordt door de partij, getuige of deskundige ondertekend. Heeft ondertekening niet plaats, dan wordt de reden daarvan in het proces-verbaal vermeld.
Art. 8.2.5.7
[8:62]. [MvT]
-1. De zitting is openbaar.
-2. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting geheel of gedeeltelijk zal plaatshebben met gesloten deuren:
a. in het belang van de openbare orde of de goede zeden;
b. in het belang van de veiligheid van de Staat;
c. indien de belangen van minderjarigen of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eisen; of
d. indien openbaarheid naar het oordeel van de rechtbank het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.
Art. 8.2.5.8
[8:63]. [MvT]
-1. Op het horen van getuigen en deskundigen is artikel 205, tweede en derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. Op het horen van getuigen is artikel 205, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
-2. De rechtbank kan afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen indien zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
-3. Indien een door een partij opgeroepen getuige of deskundige niet is verschenen, kan de rechtbank deze oproepen. In dat geval schorst de rechtbank het onderzoek ter zitting.
Art. 8.2.5.9
[8:64]. [MvT]
-1. De rechtbank kan het onderzoek ter zitting schorsen. Zij kan daarbij bepalen dat het vooronderzoek wordt hervat.
-2. Indien bij de schorsing geen tijdstip van de nadere zitting is bepaald, bepaalt de rechtbank dit zo spoedig mogelijk. De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling aan partijen van het tijdstip van de nadere zitting.
-3. In de gevallen waarin schorsing van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden, wordt de zaak op de nadere zitting hervat in de stand waarin zij zich bevond.
-4. De rechtbank kan bepalen dat het onderzoek ter zitting opnieuw wordt aangevangen.
-5. Indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, kan de rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege blijft. In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek.
Art. 8.2.5.10
[8:65]. [MvT]
-1. De rechtbank sluit het onderzoek ter zitting wanneer zij van oordeel is dat het is voltooid.
-2. Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, hebben partijen het recht voor het laatst het woord te voeren.
-3. Zodra het onderzoek ter zitting is gesloten, deelt de voorzitter mee wanneer uitspraak zal worden gedaan.
AFDELING 8.2.6. Uitspraak 
[MvT]
Art. 8.2.6.1
[8:66]. [MvT + bis]
-1. Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de rechtbank binnen zes weken na de sluiting van het onderzoek schriftelijk uitspraak.
-2. In bijzondere omstandigheden kan de rechtbank deze termijn met ten hoogste zes weken verlengen.
-3. Van deze verlenging wordt aan partijen mededeling gedaan.
Art. 8.2.6.2
[8:67]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank kan na de sluiting van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak doen. De uitspraak kan voor ten hoogste één week worden verdaagd onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de uitspraak.
-2. De mondelinge uitspraak bestaat uit de beslissing en de gronden van de beslissing.
-3. Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
-4. Het wordt door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.
-5. De rechtbank spreekt de beslissing, bedoeld in het tweede lid, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Art. 8.2.6.3
[8:68]. [MvT + bis]
Indien de rechtbank van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan zij het heropenen. De rechtbank bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet. De griffier doet zo spoedig mogelijk mededeling daarvan aan partijen.
Art. 8.2.6.4
[8:69]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
-2. De rechtbank vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
-3. De rechtbank kan ambtshalve de feiten aanvullen.
Art. 8.2.6.5
[8:70]. [MvT + bis]
De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdverklaring van de rechtbank;
b. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
c. ongegrondverklaring van het beroep; of
d. gegrondverklaring van het beroep.
Art. 8.2.6.6
[8:72]. [MvT + bis]
-1. Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, vernietigt zij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk
-2. Vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
-3. De rechtbank kan bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven.
-4. Tenzij de rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, draagt zij het bestuursorgaan op een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van haar uitspraak, bepaalt zij dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, dan wel volstaat zij met de gehele of gedeeltelijke vernietiging.
-5. De rechtbank kan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van een nieuw besluit of het verrichten van een andere handeling.
-6. De rechtbank kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, de door haar aangewezen rechtspersoon aan een door haar aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.2.6.7
[8:73]. [MvT + bis]
-1. Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij heeft geleden.
-2. Indien de rechtbank de omvang van de schadevergoeding bij haar uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt zij in haar uitspraak dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek wordt heropend. Artikel 8.2.6.3 [8:68] is van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.2.6.8
[8:74]. [MvT]
-1. Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon.
-2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 8.2.6.9
[8:75]. [MvT + bis]
-1. De rechtbank is bij uitsluiting bevoegd op verzoek van een partij een in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld.
-2. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden (Stb. 1957, 233), wordt het bedrag van de kosten betaald aan de griffier. Artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
-3. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan bij de intrekking van het beroep.
-4. Indien een bestuursorgaan in de kosten wordt veroordeeld, wijst de rechtbank de rechtspersoon aan die de kosten moet vergoeden.
Art. 8.2.6.10
[8:76]. [MvT + bis]
Voor zover een uitspraak strekt tot betaling van een bepaald geldbedrag kan zij ten uitvoer worden gelegd overeenkomstig de bepalingen van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Art. 8.2.6.11 [-].
[MvT + bis]
De rechtbank kan bij de uitspraak een voorziening treffen voor de periode dat de uitspraak nog niet onherroepelijk is.
Art. 8.2.6.12
[8:77]. [MvT + bis]
-1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden;
b. de gronden van de beslissing;
c. de beslissing;
d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld;
e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken; en
f. door wie, binnen welke termijn en bij welke administratieve rechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.
-2. Indien de uitspraak strekt tot gegrondverklaring van het beroep, wordt in de uitspraak vermeld welk algemeen verbindend voorschrift of algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.
-3. De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.
Art. 8.2.6.13
[8:78]. [MvT + bis]
De rechtbank spreekt de beslissing, bedoeld in artikel 8.2.6.12 [8:77], eerste lid, onderdeel c, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier.
Art. 8.2.6.14
[8:79]. [MvT + bis]
-1. Binnen veertien dagen na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan partijen.
-2. Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.2.6.15
[8:80]. [MvT + bis]
Indien de rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de uitspraak bovendien overeenkomstig de voor dat besluit voorgeschreven wijze bekendgemaakt door het bevoegde bestuursorgaan.
TITEL 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak 
[MvT]
Art. 8.3.1
[8:81]. [MvT + bis]
-1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
-2. Een verzoek om voorlopige voorziening kan worden gedaan door een partij, onderscheidenlijk de indiener van het bezwaarschrift, onderscheidenlijk de indiener van het beroepschrift of de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep.
Art. 8.3.2
[8:82]. [MvT + bis]
-1. Van de verzoeker wordt door de griffier een griffierecht geheven van ƒ50,00. Artikel 8.2.1.1 [8:41], eerste en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Artikel 8.2.1.1 [8:41], tweede lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De president kan een kortere termijn stellen.
-3. Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de president schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-4. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de president aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 8.3.3
[8:83]. [MvT + bis]
-1. Belanghebbenden worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Artikel 8.2.5.3 [8:58] is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag vóór de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8.2.5.4 tot en met 8.2.5.11 [8:59 t/m -] zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. Indien de uitspraak strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek omdat het griffierecht niet binnen de termijn is bijgeschreven of gestort, vindt het eerste lid geen toepassing.
-3. Indien onverwijlde spoed dat vereist en belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de president uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.
Art. 8.3.4
[8:84]. [MvT + bis]
-1. De president doet zo spoedig mogelijk uitspraak.
-2. De uitspraak strekt tot:
a. onbevoegdverklaring van de president;
b. niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek;
c. afwijzing van het verzoek; of
d. gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.
-3. De griffier zendt onverwijld een afschrift van de uitspraak kosteloos aan belanghebbenden.
-4. De artikelen 8.2.6.2 [8:67], tweede en derde lid, 8.2.6.4 [8:69], 8.2.6.6 [8:72], vijfde lid, 8.2.6.9 [8:75], 8.2.6.10 [8:76], 8.2.6.12 [8:77], eerste en derde lid, 8.2.6.13 [8:78], 8.2.6.14 [8:79], tweede lid, en 8.2.6.15 [8:80] zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.3.5
[-]. [MvT + bis]
De president kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan aan de uitspraak niet of niet volledig gevolg geeft, de door hem aangewezen rechtspersoon aan een door hem aangewezen belanghebbende een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.3.6
[-]. [MvT + bis]
De president kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. De artikelen 8.3.2 [8:82], 8.3.3 [8:83] en 8.3.4 [8:84] zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 8.3.7
[8:85]. [MvT + bis]
-1. De president kan in zijn uitspraak bepalen wanneer de voorlopige voorziening vervalt.
-2. De voorlopige voorziening vervalt in ieder geval zodra:
a. de termijn voor het instellen van beroep bij de rechtbank tegen het besluit dat op bezwaar of in administratief beroep is genomen, ongebruikt is verstreken; of
b. de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
Art. 8.3.8
[8:86]. [MvT + bis]
Indien het verzoek, bedoeld in artikel 8.3.1 [8:81], tweede lid, wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8.3.3 [8:83], eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
TITEL 8.4. Herziening 
[MvT]
Art. 8.4.1
[8:88]. [MvT]
-1. De rechtbank kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
-2. De hoofdstukken 6 en 8 zijn voor zoveel nodig van overeenkomstige toepassing.
O.
[MvT]
Het opschrift van hoofdstuk 9 komt te luiden: Slotbepalingen.
P.
[MvT]
De artikelen 7.1 [-] en 7.2 [-] vervallen.
Q.
[MvT]
De artikelen 7.2a tot en met 7.5 [- t/m 7.5] worden vernummerd tot artikelen 7.1 tot en met 7.4 [11:1 t/m 11:4].
R.
[MvT]
Het nieuwe artikel 7.1 [11:1] komt te luiden:
Art. 7.1  [11:1].
-1. Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zenden binnen drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens om de vijf jaren aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast
-2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de voorschriften betreffende beroep bij een administratieve rechter.
S.
[MvT]
De bijlage, bedoeld in artikel 8.1.1.6 [8:5] van de Algemene wet bestuursrecht, wordt als volgt vastgesteld:
BIJLAGE bij de Algemene wet bestuursrecht 
[MvT]
A. Ministerie van Justitie
  [MvT + bis]
1. Uitleveringswet (Stb. 1967, 139).
2. Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Stb. 1989, 300).
B. Ministerie van Binnenlandse Zaken
  [MvT + bis]
1. De artikelen 12, eerste lid, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, en 13 van de Financiële-Verhoudingswet 1984 (Stb. 1983, 650).
2. Hoofdstuk L, met uitzondering van artikel L9, hoofdstuk M en artikel R2, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540).
3. Artikel 233, onderdeel a tot en met f, van de Provinciewet.
C. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen
  [MvT + bis]
De artikelen 13, eerste lid, tweede volzin, 14, eerste lid, en 17, tweede lid, van de Wet op het Wetenschappelijke Onderwijs (Stb. 1986, 414).
D. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
  [MvT + bis]
1. Onteigeningswet (Stb. 1851, 125).
2. De artikelen 2a tot en met 2c, 4a, 7, 11, eerste lid, 21, eerste lid, 25, 29, eerste en achtste lid, en 40, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626), alsmede de artikelen 37 en 38 van die wet, voor zover inhoudende de weigering een besluit als bedoeld in die artikelen te nemen.
3. De artikelen 4.3 tot en met 4.6, 4.9 tot en met 4.12, 4.16 tot en met 4.19, 8.27, 8.34 en 8.37 van de Wet milieubeheer.
E. Ministerie van Verkeer en Waterstaat
  [MvT + bis]
1. Artikel 7c van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1981, 573).
2. De artikelen 10 en 30 van de Grondwaterwet (Stb. 1981, 392), voor zover inhoudende een aanwijzing overeenkomstig artikel 8.27 van de Wet milieubeheer.
3. Artikel 28 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (Stb. 1988, 520), voor zover inhoudende een aanwijzing.
F. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
  [MvT + bis]
1. De artikelen 36, eerste lid, 37, 44, eerste lid, 45 en 70 van de Reconstructiewet Midden-Delfland (Stb. 1977, 233).
2. De artikelen 20 tot en met 22, 72, eerste lid, 75 en 101, derde lid, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën (Stb. 1977, 694).
3. De artikelen 18, 46, 51, 52, 81, 82, 84, eerste en zevende lid, 85, 88 juncto 81, 90, 92, 108, 109, 111, 112, 114, 115, 131, derde lid, 137, 161, 167, 189, eerste lid, 196, eerste lid, en 211 van de Landinrichtingswet (Stb. 1985, 299).
G. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
  [MvT + bis]
1. Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1989, 119).
2. Artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (Stb. 1945, F 214).
H. Ministerie van Defensie
  [MvT]
Artikel V2, tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet (Stb. 1979,305).

 

Art. II.
[Wijzigt de Aanpassingswet Awb, red.]

 

 

3

Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en processuele wetten

 

Art. I.
[Wijzigt de Wet op de Raad van State, red.]

 

Art. II.
[Wijzigt de Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer, red.]

 

Art. III.  [MvT]
De Beroepswet (Stb. 1955, 47) komt te luiden:
TITEL I. De Centrale Raad van Beroep 
[MvT + bis]
Art. 1.
[MvT + bis]
-1. Er is een Centrale Raad van Beroep, gevestigd te Utrecht.
-2. De Centrale Raad van Beroep bestaat uit een voorzitter, ondervoorzitters, leden en plaatsvervangende leden.
-3. Zij worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd. Bij het bereiken van de volle leeftijd van 70 jaar worden zij bij koninklijk besluit ontslagen met ingang van de eerstvolgende kalendermaand.
-4. Indien een plaats van lid of plaatsvervangend lid moet worden vervuld, maakt de Centrale Raad van Beroep een aanbeveling van één of meer kandidaten op.
Art. 2.
[MvT + bis]
1. De voorzitter, de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden moeten Nederlander zijn.
2. Zij moeten voldoen aan de opleidingseisen, geldend voor benoeming tot president van, vice-president van, raadsheer in en raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof.
Art. 3.
[MvT + bis]
-1. Op de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden zijn de artikelen 7a, tweede en vijfde lid, en 7b van de Wet op de rechterlijke organisatie (Stb. 1972, 463) van overeenkomstige toepassing.
-2. Op de plaatsvervangende leden is artikel 7c van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de overeenkomstige toepassing van de artikelen 7b en 7c van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt over verzoeken van de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden het advies ingewonnen van de voorzitter.
Art. 4.
[MvT + bis]
De Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464) is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. wat hun bezoldiging betreft de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden zijn gelijkgesteld met de president van, de vice-presidenten van, de raadsheren in en de raadsheren-plaatsvervangers in het gerechtshof te 's-Gravenhage;
b. voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, een plaatsvervangend lid wordt gelijkgesteld met een lid; en
c. voor de toepassing van artikel 6, tweede lid, in plaats van
"de gezamenlijke presidenten van de rechtbanken in de arrondissementen 's-Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam" wordt gelezen: de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 5.
[MvT + bis]
Op de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden die zijn aangesteld voor het vervullen van een volledige of gedeeltelijke werktijd is artikel 15 van de Wet op de rechterlijke organisatie van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel a, de ontheffing kan worden verleend door de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 6.
[MvT + bis]
-1. De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden kunnen niet tevens advocaat, procureur of notaris zijn.
-2. Het is hun verboden enige betrekking te vervullen die niet het karakter van nevenbetrekking draagt.
Art. 7.
[MvT + bis]
-1. Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de voorzitter in handen van de Koning of van Onze Minister van Justitie de eed of verklaring en beloften af die voor rechterlijke ambtenaren zijn voorgeschreven.
-2. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden dezelfde eed of verklaring en beloften af ter zitting van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 8.
[MvT + bis]
-1. Aan de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden en voor zover van toepassing de plaatsvervangende leden kan bij koninklijk besluit op hun verzoek buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging worden verleend. De verlening geschiedt voor een daarbij te bepalen periode. Aan de verlening kunnen voorwaarden worden verbonden.
-2. Op een verzoek van een ondervoorzitter, een lid en een plaatsvervangend lid wordt niet beslist dan nadat daarover het advies is ingewonnen van de voorzitter.
-3. Het buitengewoon verlof gaat niet in dan na aanvaarding van het buitengewoon verlof en de daaraan verbonden voorwaarden.
-4. Artikel 6 is niet van toepassing indien buitengewoon verlof is verleend.
Art. 9.
[MvT + bis]
-1. De artikelen 11 tot en met 14, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. De artikelen 14a tot en met 14e van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Hoge Raad de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep in de gelegenheid stelt schriftelijk of mondeling inlichtingen te verstrekken en van zijn gevoelen omtrent een aanhangige klacht te doen blijken indien de klacht is gericht tegen een ondervoorzitter, een lid of een plaatsvervangend lid van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 10.
[MvT + bis]
-1. De Centrale Raad van Beroep vormt en bezet op voorstel van de voorzitter enkelvoudige en meervoudige kamers.
-2. De meervoudige kamers bestaan uit drie leden, van wie één als voorzitter optreedt.
Art. 11.
[MvT + bis]
-1. De voorzitter kan worden vervangen door een ondervoorzitter of een lid. Een lid kan worden vervangen door een plaatsvervangend lid.
-2. De voorzitter regelt de werkzaamheden van de Centrale Raad van Beroep.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de werkwijze van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 12.
[MvT + bis]
-1. De voorzitter van een meervoudige kamer doet in raadkamer hoofdelijk omvraag.
-2. leder lid is verplicht aan de besluitvorming deel te nemen.
-3. Een afwezig lid kan zijn oordeel niet door één van de aanwezige leden doen voordragen of het schriftelijk uitbrengen.
Art. 13.
[MvT + bis]
De artikelen 24, 28 en 28a van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn op de voorzitter, de ondervoorzitters, de leden en de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing.
Art. 14.
[MvT + bis]
-1. De Centrale Raad van Beroep en de voorzitter zijn verplicht tot het geven van inlichtingen en adviezen wanneer die door
Onze Minister van Justitie aan hen worden gevraagd.
-2. De rechtbanken en de presidenten zijn verplicht tot het geven van inlichtingen wanneer die door de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep aan hen worden gevraagd.
Art. 15.
[MvT + bis]
-1. De artikelen 29b en 108 tot en met 110 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn van overeenkomstige toepassing.
-2. De gerechtsauditeurs moeten Nederlander zijn.
-3. Wat hun bezoldiging betreft, zijn de gerechtsauditeurs gelijkgesteld met de gerechtsauditeurs, bedoeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren.
-4. Artikel 7b van de Wet op de rechterlijke organisatie is ten aanzien van de gerechtsauditeurs van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het advies wordt ingewonnen van de voorzitter van de
Centrale Raad van Beroep.
-5. Artikel 15 van de Wet op de rechterlijke organisatie is ten aanzien van de gerechtsauditeurs van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel a, de ontheffing kan worden verleend door de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep.
-6. De artikelen 24, 28, 28a en 29 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn ten aanzien van de gerechtsauditeurs van overeenkomstige toepassing. Zij leggen de eed of verklaring en beloften af ter zitting van de Centrale Raad van Beroep.
Art. 16.
[MvT + bis]
-1. Bij de
Centrale Raad van Beroep wordt bij koninklijk besluit een griffier benoemd.
-2. De griffier moet voldoen aan de opleidingseisen, geldend voor benoeming tot griffier van een gerechtshof.
-3. De Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren is op de griffier van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wat zijn bezoldiging betreft de griffier is gelijkgesteld met de griffier van het gerechtshof te 's-Gravenhage.
-4. De artikelen 2, 3, eerste en derde lid, en 5 zijn op de griffier van overeenkomstige toepassing.
-5. Bij de Centrale Raad van Beroep worden door Onze Minister van Justitie één of meer plaatsvervangende griffiers benoemd.
-6. De plaatsvervangende griffiers ontvangen een vergoeding per zitting overeenkomstig de regels voor de waarnemende griffiers bij de arrondissementsrechtbanken.
-7. De artikelen 28, 28a en 29 van de Wet op de rechterlijke organisatie zijn op de griffier en de plaatsvervangende griffiers van overeenkomstige toepassing. Zij leggen de eed of verklaring en beloften af ter zitting van de Centrale Raad van Beroep.

TITEL II. Beroep en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep 
[MvT + bis]
Hoofdstuk I. Beroep
Art. 17.
[MvT + bis]
-1. Indien bij de Centrale Raad van Beroep beroep kan worden ingesteld, is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 8.1.1.1 [8:1], eerste en tweede lid, 8.1.1.4 [-], eerste lid, 8.1.1.5 tot en met 8.1.1.8 [8:4 t/m 8:9], 8.1.2.1 [8:10] en 8.1.3.1 [8:13], van overeenkomstige toepassing.
-2. De zaken die bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.
-3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
-5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Hoofdstuk II. Hoger beroep
Art. 18.
[MvT + bis]
-1. Een belanghebbende kan bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de president van de rechtbank als bedoeld in artikel 8.3.8 [8:86] van die wet, inzake:
a. een besluit, genomen jegens een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet of een dienstplichtige als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen (Stb. 1971, 231), hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden; en
b. een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.
-2. Tegen andere beslissingen van de rechtbank onderscheidenlijk de president kan slechts tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak hoger beroep worden ingesteld.
-3. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8.2.4.1 [8:54], eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8.2.4.2 [8:55], vierde lid, van die wet.
Art. 19.
[MvT + bis]
De werking van een uitspraak met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot en met 13, van de bijlage die bij deze wet behoort, wordt opgeschort totdat de termijn voor het doen van verzet onderscheidenlijk het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien verzet is gedaan onderscheidenlijk hoger beroep is ingesteld, op het verzet onderscheidenlijk het hoger beroep is beslist.
Art. 20.
[MvT + bis]
-1. De griffier doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de
rechtbank die de uitspraak heeft gedaan.
-2. De griffier van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, zendt de gedingstukken met vier afschriften van het proces-verbaal van de zitting, voor zover dit op de zaak betrekking heeft, en vier afschriften van de uitspraak binnen één week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.
Art. 21.
[MvT + bis]
-1. Op de behandeling van het hoger beroep is hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en de artikelen 8.1.2.1 [8:10], 8.1.3.1 [8:13], 8.2.1.1 [8:41], 8.2.6.8 [8:74] en 8.3.2 [8:82], van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.
-2. De zaken die bij de
Centrale Raad van Beroep aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer.
-3. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer.
-4. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer.
-5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt.
Art. 22.
[MvT + bis]
-1. Van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die hoger beroep heeft ingesteld, wordt, tenzij het tweede lid van toepassing is of bij wet anders is bepaald, door de griffier een griffierecht geheven van ƒ300,00.
-2. Van een natuurlijk persoon die hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak:
a. inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in
onderdeel C, onder 1 tot en met 13, van de bijlage die bij deze wet behoort;
b. als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte; of
c. met betrekking tot een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsverhouding vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, wordt door de griffier een griffierecht geheven van ƒ100,00.
-3. Indien twee of meer personen gezamenlijk hoger beroep tegen dezelfde uitspraak instellen, is eenmaal griffierecht verschuldigd.
-4. Van het bestuursorgaan dat hoger beroep heeft ingesteld, wordt een griffierecht geheven van ƒ300,00 indien de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
-5. De griffier wijst de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de
Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
-6. Indien het hoger beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door de desbetreffende rechtspersoon. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon, indien het hoger beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-7. De in het eerste, het tweede en het vierde lid genoemde bedragen kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd voor zover het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie daartoe aanleiding geeft.
Art. 23.
[MvT + bis]
-1. Van de verzoeker om een voorlopige voorziening wordt, tenzij bij wet anders is bepaald, door de griffier een griffierecht geheven van ƒ100,00. Artikel 22, derde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Artikel 22, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt. De voorzitter kan een kortere termijn stellen.
-3. Indien het verzoek wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzitter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit hangende de procedure met betrekking tot de hoofdzaak op te schorten dan wel de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen, wordt het betaalde griffierecht door de griffier terugbetaald. In de overige gevallen kan de desbetreffende rechtspersoon het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden.
-4. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de voorzitter aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 24.
[MvT + bis]
De
Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
Art. 25.
[MvT + bis]
-1. Indien de
Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van Beroep aangewezen rechtspersoon wordt vergoed.
-2. In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de Centrale Raad van Beroep aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.
Art. 26.
[MvT + bis]
-1. De
Centrale Raad van Beroep wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien:
a. de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep; of
b. de Centrale Raad van Beroep om andere redenen dan bedoeld in onderdeel a van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld.
-2. De griffier zendt de gedingstukken, onder medezending van een afschrift van de uitspraak, zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank.
Art. 27.
[MvT + bis]
In de gevallen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, kan de
Centrale Raad van Beroep de zaak zonder terugwijzing afdoen indien zij naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Art. 28.
[MvT + bis]
Indien de
Centrale Raad van Beroep van oordeel is dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan hij de onbevoegdheid voor gedekt verklaren en de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken.
TITEL III. Slotbepaling
Art. 29.
[MvT]
Deze wet kan worden aangehaald als: Beroepswet.
BIJLAGE bij de Beroepswet 
[MvT + bis]
A.
[MvT + bis]
1. Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 450).
2. Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1984, 273).
3. Noodwet Geneeskundigen (Stb. 1971, 396).
4. Wet op de noodwachten (Stb. 1982, 405).
5. Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders.
6. De algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in:
- de artikelen 20, tweede lid, en 32 van de Wet op het basisonderwijs (Stb. 1986, 256);
- de artikelen 28, tweede lid, en 42 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (Stb. 1987, 614);
- de artikelen 38, 39, tweede lid, 43 en 43a van de Wet op het voortgezet onderwijs (Stb. 1986, 552);
- artikel 23, tweede en derde lid, van de Wet op het leerlingwezen (Stb. 1966,215);
- de artikelen 55, tweede lid, en 76 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (Stb. 1986, 289);
- artikel 9 van de Kaderwet volwasseneneducatie (Stb. 1986, 532);
- artikel 58, tweede en derde lid, van de Wet op de onderwijsverzorging (Stb. 1986, 635);
- de artikelen 108, 109, 126, derde lid, 127, tweede lid, 146, derde lid, 159, tweede en vijfde lid, en 163, tweede lid, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (Stb. 1986, 414);
telkens voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen betreft.
B.
[MvT + bis]
1. Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië (Stb. 1950, K 178).
2. Wet van 21 december 1951 (Stb. 1951, 592), houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië.
3. Garantiewet Militairen KNIL (Stb. 1951, 239).
4. Wet van 23 april 1952 (Stb. 1952, 219), houdende een minimumwachtgeldregeling ingevolge artikel 3 van de Garantiewet Militairen KNIL.
5. Wet pensioenvoorzieningen KNIL (Stb. 1952, 318).
6. Toeslagwet-1954 Indonesische uitkeringen (Stb. 1955, 401).
7. Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 (Stb. 1957, 319).
8. Beperkingswet Nederlandse toeslagen op Indonesische pensioenen (Stb. 1957,318).
9. Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 (Stb. 1963, 212).
10. Wet van 18 januari 1956 (Stb. 1956, 40), houdende goedkeuring van de op 11 augustus 1954 te 's-Gravenhage gesloten overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Indonesië inzake overdracht door Indonesië aan Nederland van vorderingen op Nederlanders.
11. Uitvoering van artikel 16 van het Vredesverdrag met Japan (Trb. 1951, 134), voor wat betreft de uitkeringen aan ex-krijgsgevangenen.
12. Uitvoering van het Protocol tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan inzake de regeling van het vraagstuk betreffende zekere soorten particuliere vorderingen van Nederlandse onderdanen, met notawisseling (Trb. 1956, 28).
13. De verdeling tussen belanghebbenden van het Nederlandse aandeel in de opbrengst van de Birma-spoorweg.
14. Ordonnantie houdende voorzieningen met betrekking tot een voorlopige uitkering ter rehabilitatie van bepaalde groepen oorlogsslachtoffers (Stb. van Nederlands Indië 1947, 164) en ordonnantie tot vaststelling van de regelingen met betrekking tot definitieve uitkeringen ter rehabilitatie van bepaalde groepen van oorlogsslachtoffers (Stb. van Indonesië 1949, 55), alsmede artikel 17 van Regeling C behorende bij laatstgenoemde ordonnantie.
15. Uitvoering van de regels neergelegd in de regeringsnota inzake het Rapport van de Commissie achterstallige Betalingen (Tweede Kamer, zitting 1952-1953, 3107, nr. 1) en de daarop gevolgde stukken en handelingen, alsmede uitvoering van de regels neergelegd in de door de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën, op advies van de Commissie van Bijstand voor de rehabilitatie van Indische oorlogsslachtoffers, vastgestelde of alsnog vast te stellen richtlijnen.
16. Wet van 2 juli 1980 (Stb. 1980, 385), houdende regelen omtrent een eenmalige uitkering aan bepaalde Molukse gewezen KNIL-militairen en hun weduwen ter zake van over de periode 1 mei 1956 tot 1 januari 1964 gederfd pensioen.
17. Uitkeringswet Indische geïnterneerden (Stb. 1981, 477).
18. Algemene Oorlogsongevallenregeling (Stb. van Nederlands Indië 1946, 48).
C.
[MvT + bis]
1. Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89).
2. Ziektewet (Stb. 1987,88).
3. Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 27).
4. Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93).
5. Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 128).
6. Algemene Ouderdomswet (Stb. 1990, 129).
7. Algemene Weduwen– en Wezenwet (
Stb. 1990, 130).
8. Toeslagenwet (
Stb. 1987, 91).
9. Wet Sociale Werkvoorziening (
Stb. 1967, 687).
10. Wet arbeid gehandicapte werknemers (
Stb. 1986, 300).
11. Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (
Stb. 1990, 176).
12. Ziekenfondswet (
Stb. 1986,347).
13. Wet Werkloosheidsvoorziening (
Stb. 1964, 485).
14. Pensioen- en spaarfondsenwet (
Stb. 1981, 18).
15. Wet op de Pensioenkamer (
Stb. 1983, 259).
16. Wet op de Sociale Verzekeringsbank (
Stb. 1968, 158).
17. Wet financiering volksverzekeringen (
Stb. 1989, 129).
18. Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (
Stb. 1989, 127).
19. Coördinatiewet Sociale Verzekering (
Stb. 1987, 552).
20. Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijifspensioenfonds (
Stb. 1949, J 121).
21. Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling (
Stb. 1972, 400).
22. Artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Deltaschadewet (
Stb. 1971, 86).
23. Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (
Stb. 1987, 94).

 

Art. IV.
[Wijzigt de Ambtenarenwet 1929 (zie Ambtenarenwet), red.]

 

Art. V.
[Wijzigt de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (zie Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie), red.]

 

Art. VI.
[Wijzigt de Wet op de studiefinanciering, red.]

 

Art. VII.
De Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Stb. 1975, 284) wordt ingetrokken.

 

 

4

Wijziging van bijzondere wetten in verband met de te treffen definitieve voorzieningen in kroongeschillen

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

5.1

Wijziging van wetten waarin beroep is opengesteld bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State en in verband met de intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

5.2

Wijziging van socialezekerheidswetten en (andere) wetten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede ter aanpassing aan de eerste tranche van de Algemene wet bestuursrecht

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

5.3

Wijziging van wetten waarin beroep is opengesteld bij de (militaire) ambtenarenrechter

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

5.4

Wijziging van wetten waarin beroep is opengesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

5.5

Overige wijzigingen

 

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving, red.]

 

 

6

Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. I.  [MvT]
-1.
Ten aanzien van het nemen van besluiten die zijn aangevraagd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet en ambtshalve te nemen besluiten die binnen dertien weken na de datum van inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.
-2. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, blijft het recht zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.
-3. Ten aanzien van een bezwaar-, verzet- of beroepschrift dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingediend, blijft het recht zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing, met dien verstande dat zaken die op dat tijdstip bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur of de Afdeling rechtspraak van de Raad van State in behandeling zijn, verder door de Afdeling bestuursrechtspraak worden behandeld.
-4. Ten aanzien van een bezwaar-, verzet- of beroepschrift dat op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingediend en dat is gericht tegen een besluit waartegen vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet eveneens bezwaar is gemaakt, verzet is gedaan of beroep is ingesteld, blijft het recht zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing.

  

Art. II.
De bezoldiging van de staatsraden die op de datum vóór de inwerkingtreding van deze wet het ambt van voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur onderscheidenlijk voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State vervulden, wordt bepaald op hetzelfde bedrag als de bezoldiging van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak.

 

Art. III.  [MvT]
Indien in een wettelijk voorschrift beroep op de Kroon is opengesteld, is de rechtbank bevoegd.

 

Art. IV.  [MvT]
-1. Afdeling 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht vindt gedurende drie jaren na de datum van inwerkingtreding van deze wet geen toepassing ten aanzien van geschillen op grond van:
a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89);
b. de Ziektewet (Stb. 1987, 88);
c. de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 27), met uitzondering van artikel 57, eerste lid;
d. artikel 74 van de Ziekenfondswet (Stb. 1986, 347); en
e. artikel 58 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1990, 176).
-2. Indien binnen de in het eerste lid genoemde termijn een voorstel van wet is ingediend inzake de toepasselijkheid van afdeling 7.1 ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde besluiten, blijft afdeling 7.1 in ieder geval buiten toepassing totdat die wet in werking treedt, dan wel tot en met de dag waarop vaststaat dat het voorstel van wet niet tot wet zal worden verheven.

 

Art. V.
Vóór de bekendmaking van deze wet stelt Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen, afdelingen en titels van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen, afdelingen, titels en hoofdstukken van de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming met de opnieuw vastgestelde nummering daarvan.

 

Art. VI.
Onze Minister van Justitie plaatst de teksten van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet en de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet, in het Staatsblad.

 

Art. VII.  [MvT]
-1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.¹
-2. Bij koninklijk besluit kan een ander tijdstip worden vastgesteld voor de inwerkingtreding van artikel 20.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

1. Bij Besluit van 23 december 1993, Stb. 1993, 693, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1994, red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven,

 

De Minister van Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Awb | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x