Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

ALGEMENE  NABESTAANDENWET

Versie 21 december 1995

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1994-1995, 1995-1996, 24 169.
Handelingen II 1995-1996, blz. 389-400, 403-439, 500-544, 564-573, 595-598.
Kamerstukken I 1995-1996, 24 169 (45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1995-1996, zie vergadering d.d. 20 december 1995.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 21 december 1995, Stb. 1995, 690, tot regeling van een verzekering voor nabestaanden (Algemene nabestaandenwet). Inwerkingtreding: 1 juli 1996 (Stb. 1996, 305), zie artikel 96.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Algemene Weduwen- en Wezenwet te vervangen door een nabestaandenverzekering, waarin rekening wordt gehouden met maatschappelijke ontwikkelingen van de laatste decennia;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Begripsbepalingen

 

Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. premie voor de volksverzekeringen: de premie, bedoeld in de Wet financiering volksverzekeringen;
c. de Bank: de Sociale Verzekeringsbank, bedoeld in hoofdstuk III van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
d. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, bedoeld in hoofdstuk II van de Organisatiewet sociale verzekeringen;
e. nabestaande: de echtgenoot van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet;
f. wezenuitkering: uitkering voor een kind dat ouderloos is geworden door het overlijden van degene die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet;
g. lichaam: een rechtspersoon, een maat- en vennootschap, een samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die met een vereniging kan worden gelijkgesteld, een onderneming van publiekrechtelijke rechtspersonen en een doelvermogen.

 

Art. 2.
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. brutominimumloon: het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag;
b.¹ nettominimumloon: het in onderdeel a bedoelde bedrag na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting en premies ingevolge de socialeverzekeringswetten, behoudens de nominale premies ingevolge de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen worden berekend met toepassing van de groene tabellen voor een in tariefgroep 3 ingedeelde werknemer jonger dan 65 jaar, over het in onderdeel a bedoelde bedrag, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de procentuele premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. brutominimumvakantiebijslag: het bedrag waarop degene die aanspraak heeft op het brutominimumloon ingevolge artikel 15 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag aanspraak heeft;
d.¹ nettominimumvakantiebijslag: het in onderdeel c bedoelde bedrag na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting en premies ingevolge de socialeverzekeringswetten, behoudens de nominale premies ingevolge de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. De in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen worden berekend met toepassing van de groene tabel voor bijzondere beloningen voor een in tariefgroep 3 ingedeelde werknemer jonger dan 65 jaar, over het in onderdeel c bedoelde bedrag, vermeerderd met het werkgeversaandeel in de procentuele premie ingevolge de Ziekenfondswet en verminderd met het werknemersaandeel in de premie ingevolge de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Indien ingevolge één van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b en d, bij ministeriële regeling een gemiddeld percentage vastgesteld.

1. Zie artikel 102, red.

 

Art. 3.
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt mede als ongehuwd aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-2. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-3. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij eerder met elkaar gehuwd of ongehuwd samenlevend zijn geweest;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het derde lid, onderdeel d.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, als bedoeld in het tweede lid.

 

Art. 4.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt in afwijking van artikel 3 onder nabestaande mede verstaan de gewezen echtgenoot van een overleden verzekerde, indien:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x