Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

ORGANISATIEWET  SOCIALE  VERZEKERINGEN  1997

Versie 26 februari 1997

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 877.
Handelingen II 1996-1997, blz. 2500-2516, 2558-2584, 2642-2643, 2676-2680.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 877 (145, 145a, 145b, 145c, 145d, 145e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergadering d.d. 25 februari 1997.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 26 februari 1997, Stb. 1997, 95, tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen 1997). Inwerkingtreding: 1 maart 1997 (Stb. 1997, 97). Vervallen met ingang van 1 januari 2002 (artikel 2, eerste lid, ISUWI).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen te wijzigen;
     Zo is het dat wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  1

Begripsbepalingen en aanwijzingsbevoegdheid
van de minister

 

Art. 1.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2;
c. Sociale Verzekeringsbank: de Sociale Verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 3;
d. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4;
e. sectorraad: een sectorraad als bedoeld in artikel 56;
f. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid;
g. sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 47b, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
h. fonds:
1º. het Algemeen Werkloosheidsfonds, genoemd in artikel 103 van de Werkloosheidswet;
2º. het Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 72 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
3º. het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 34 van de Wet financiering volksverzekeringen;
4º. het Toeslagenfonds, genoemd in artikel 31 van de Toeslagenwet;
5º. het Ouderdomsfonds, genoemd in artikel 28, eerste lid, van de Wet financiering volksverzekeringen;
6º. het Nabestaandenfonds, genoemd in artikel 28, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen;
7º. het Algemeen Kinderbijslagfonds, genoemd in artikel 29a van de Algemene Kinderbijslagwet;
8º. het Invaliditeits- en Ouderdomsfonds, genoemd in de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet 1919;
9º. een wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet;
i. uitvoeringskosten: de personele en materiële kosten van de uitvoering van
wetten door het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, alsmede de kosten van uitvoering van overeenkomsten als bedoeld in artikel 43;
j. verzekerde: de werknemer in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, voor zover hij geen uitkering of voorziening op grond van deze wetten ontvangt;
k. werkgever: de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet, de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
l. uitkeringsgerechtigde: degene die een uitkering of voorziening ontvangt op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet of de Algemene Kinderbijslagwet;
m. het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel: het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel, bedoeld in artikel 21 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP.

 

Art. 2.
Onze Minister kan aan het College van toezicht sociale verzekeringen aanwijzingen van algemene aard geven betreffende de uitoefening van zijn taken.

 

 

HOOFDSTUK  2

Het College van toezicht sociale verzekeringen

 

§ 1.  Samenstelling van het bestuur en werkwijze

 

Art. 3.
-1. Er is een College van toezicht sociale verzekeringen.
-2. Het College van toezicht sociale verzekeringen bezit rechtspersoonlijkheid en heeft zijn zetel op een door Onze Minister te bepalen plaats.

 

Art. 4.
Het College van toezicht sociale verzekeringen heeft een bestuur, bestaande uit drie leden onder wie de voorzitter.

 

Art. 5.
-1. De in artikel 4 bedoelde leden worden bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar en kunnen, door één herbenoeming voor een periode van vier jaar of door meer herbenoemingen voor perioden van minder dan vier jaar, ten hoogste voor een periode van acht jaar bij koninklijk besluit worden benoemd.
-2. Bij koninklijk besluit wordt een lid aangewezen dat tevens voorzitter is en wordt een lid aangewezen dat tevens plaatsvervangend voorzitter is.
-3. De leden kunnen door Onze Minister worden geschorst en bij koninklijk besluit worden ontslagen.
-4. De persoon die tussentijds als lid wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, had moeten aftreden.

 

Art. 6.
Onze Minister kan regels stellen waarin lidmaatschappen en werkzaamheden worden beschreven die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het College van toezicht sociale verzekeringen.

 

Art. 7.
-1. Onze Minister regelt de rechtspositie van de leden van het bestuur van het College van toezicht sociale verzekeringen.
-2. Het personeel van het College van toezicht sociale verzekeringen wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek zijn op deze overeenkomst van toepassing.

 

Art. 8.
-1. Het bestuur van het College van toezicht sociale verzekeringen stelt een bestuursreglement vast.
-2. In het bestuursreglement wordt in elk geval geregeld:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x