Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  FISCALE  MILIEUVERSTERKING

Versie 18 december 1997

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1997-1998, 25 689.
Handelingen II 1997-1998, blz. 2256-2271, 2392.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 689 (151).
Handelingen I 1997-1998, zie de vergadering van 16 december 1997.

 

 

WET van 18 december 1997, Stb. 1997, 732, houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale milieuversterking). Inwerkingtreding: 1 januari 1998.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het kader van het Belastingplan 1998 wenselijk is het milieu, verkeer en vervoer nader fiscaal accent te geven en dat het mede in het kader van de liberalisering van de energiemarkt wenselijk is de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor overheidsenergiebedrijven te laten vervallen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

[Voor de socialezekerheidswetgeving relevante artikelen, red.]

 

 

Art. VIII.
In de Coördinatiewet Sociale Verzekering worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A.1. Aan artikel 6, eerste lid, wordt na onderdeel y, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, toegevoegd:
z. verstrekking en terbeschikkingstelling van inrichting van de werkruimte in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, alsmede vergoedingen van de kosten daarvan, voor zover de waarde in het economische verkeer van die inrichting in het kalenderjaar en de vier voorafgaande kalenderjaren niet meer bedraagt dan ƒ4000,00 en niet aannemelijk is dat zij niet mede dient tot verwerving van het loon, mits:
1º. de werknemer krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de werkgever dan wel van de werkgever en één of meer andere werkgevers ten minste eenmaal per week, gedurende de gebruikelijke werktijd en zonder dat tevens wordt gereisd naar een buiten de woning gelegen arbeidsplaats, in die werkruimte ter vervulling van zijn dienstbetrekking pleegt te werken met behulp van telematica; en
2º. de inrichting voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, één en ander met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen nadere regels;
aa. uitkeringen nadat de werknemer in het kalenderjaar op ten minste 120 dagen voor woon-werkverkeer heeft gereisd met een personenauto als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 en daarbij krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de werkgever dan wel van de werkgever en één of meer andere werkgevers tevens één of meer andere werknemers zijn vervoerd, tot ten hoogste het bedrag aangegeven in de in het twaalfde lid opgenomen tabel en met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels.
A.2. Onder vernummering van het twaalfde lid tot dertiende lid wordt na het elfde lid ingevoegd:
-12. Uitkeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel aa, behoren niet tot het loon tot ten hoogste het bedrag aangegeven in de navolgende tabel:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x