Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  INKOMENSVOORZIENING  KUNSTENAARS

Versie 22 januari 1998

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1996-1997, 1997-1998, 25 053.
Handelingen II 1997-1998, blz. 531-550, 555-576, 652-653, 913-914.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 053 (69, 69a, 69b, 69c).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 20 januari 1998.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 22 januari 1998, Stb. 1998, 59, houdende een afzonderlijke inkomensvoorziening voor kunstenaars (Wet inkomensvoorziening kunstenaars). Inwerkingtreding: 1 januari 1999 (Stb. 1998, 578).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen betreffende een afzonderlijke inkomensvoorziening voor kunstenaars, die niet over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1.
ln deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de gemeente, bedoeld in artikel 19;
c. adviserende instelling: de instelling, bedoeld in artikel 26;
d. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
e. beginnend kunstenaar: degene die de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden nadat hij of zij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.

 

Art. 2.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Algemene bijstandswet, waarover de belanghebbende en zijn gezin beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken;
b. inkomen: het inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 1 en 2, van de Algemene bijstandswet;
c. beroepskosten: de kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
d. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 3.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. woonplaats: de woonplaats, bedoeld in titel 3 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;
b. echtgenoot of gehuwde:
1º. degene die naar burgerlijk recht als zodanig wordt aangemerkt;
2º. de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
c. ongehuwde: mede degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is;
d. gezamenlijke huishouding: een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3 van de Algemene bijstandswet;
e. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
f. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
g. gezin:
1º. de kunstenaar en zijn echtgenoot tezamen;
2º. de kunstenaar, zijn echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
3º. de alleenstaande kunstenaar en de tot zijn last komende kinderen tezamen;
h. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
i. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

 

 

HOOFDSTUK  II

Het recht op uitkering

 

§ 1.  De voorwaarden voor het recht op uitkering

 

Art. 4.
-1. Recht op uitkering heeft de beginnend kunstenaar die niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan.
-2. Recht op uitkering heeft eveneens de kunstenaar die op het moment van inwerkingtreding van deze wet geen algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet ontving en die:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x