Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  TECHNISCHE  VERBETERINGEN  WIK,  ABW,  WOR  EN  IWS

Versie 2 april 1998

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1997-1998, 25 913.
Handelingen II 1997-1998, blz. 4570.
Kamerstukken I 1997-1998, 25 913 (296, 296a).
Handelingen I 1997-1998, zie vergadering d.d. 31 maart 1998.

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

WET van 2 april 1998, Stb. 1998, 205, houdende technische verbeteringen in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, in de Algemene bijstandswet, in de Wet op de ondernemingsraden en in de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. Inwerkingtreding: 10 april 1998 (Stb. 1998, 206).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om technische verbeteringen aan te brengen in de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, in de Algemene bijstandswet, in de Wet op de ondernemingsraden en in de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Art. I.  [MvT]
De Wet inkomensvoorziening kunstenaars wordt als volgt gewijzigd:
A.
[MvT]
Artikel 1, onderdeel e, vervalt.
B.
[MvT]
Artikel 4 wordt vervangen door:
Art. 4.
Recht op uitkering heeft de kunstenaar die:
a. niet over voldoende middelen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan; en
b. hetzij gedurende een zekere periode als kunstenaar werkzaam is geweest en met deze werkzaamheden ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen of bruto-omzet heeft verworven;
c. hetzij de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen twaalf maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voor zover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
C.
[MvT]
In artikel 6, eerste lid, onderdeel b, wordt "niet ten minste" vervangen door "ten minste" en wordt "heeft" vervangen door: te hebben.
D.
[MvT]
Artikel 9, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x