Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

ZIEKTEWET

Versie 1 januari 1999 (tekstplaatsing)

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
BESCHIKKING van de Minister van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1999, 22, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Ziektewet, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999

 

     De Minister van Justitie;
     Gelet op artikel XXXVI van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;

     Besluit:

 

 

     De tekst van de Ziektewet, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

 

’s-Gravenhage, 21 januari 1999

 

De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

Uitgegeven de achtentwintigste januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

Tekst van de Ziektewet, zoals deze wet luidt op 1 januari 1999 ¹

 

 

1. De voetnoten bij de artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.

 

[WET van 5 juni 1913, Stb. 1913, 204, tot regeling der arbeiders-ziekteverzekering (Ziektewet). Inwerkingtreding: 1 augustus 1929 (Stb. 1929, 375).

 

     WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
     Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is aan arbeiders een geldelijke uitkeering bij ziekte te verzekeren, en bepalingen te maken omtrent de voorziening tegen ziekte van arbeiders;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]

 

 

EERSTE  AFDELING

Algemene bepalingen

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 1.
-1. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
e. sector: een sector als bedoeld in artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
f. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
g. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet;
h. onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer overeengekomen periode van verlof waarbij op grond van artikel 6, tweede lid, geen dienstbetrekking aanwezig is.
-2. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

 

[Art. 1a. Vervallen, red.]

 

[Art. 1b. Vervallen, red.]

 

Art. 2.
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen en luchtvaartuigen die binnen Nederland hun thuishaven hebben, beschouwd als deel van Nederland.

 

Art. 2a.
Bij een besluit ingevolge deze wet dat betrekking heeft op het al dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken is belanghebbende degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.

 

Art. 2b.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag en ingevolge een ziekmelding van een verzekerde aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen als bedoeld in de artikelen 29a, vierde lid en 38a, eerste lid, wordt gegeven. Deze algemene maatregel van bestuur vervalt op 1 januari 2000.

 

 

[§ 2.  De werknemer, red.]

 

Art. 3.
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is. Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is aangewezen;
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat:
a. personen die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland woont of gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken ten aanzien van:
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid van de Nederlandse Antillen, van Aruba, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als bedoeld in het vijfde lid kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

 

Art. 3a.
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x