Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

  
vorige

Geschiedenis socialezekerheidswetten

 

WET  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING  ZELFSTANDIGEN

Versie 1 januari 1999 (tekstplaatsing)

(Geconsolideerde versie)

 

 

 

 
Parlementaire behandeling:

Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 758.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2184-2185, 2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 758 (95a, 95b, 95c, 95d, 95e, 96).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.

 

 

BESCHIKKING van de Minister van Justitie van 21 januari 1999, Stb. 1999, 24, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999

 

     De Minister van Justitie;
     Gelet op artikel XXXVI van de Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;

     Besluit:

 

 

     De tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals deze luidt met ingang van 1 januari 1999, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

 

’s-Gravenhage, 21 januari 1999

 

De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

Uitgegeven de achtentwintigste januari 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

Tekst van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, zoals deze wet luidt op 1 januari 1999 ¹

 

 

1. De voetnoten bij de artikelen zijn geplaatst door de wetgever, red.

 

[WET van 24 april 1997, Stb. 1997, 176, houdende verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringsregeling in verband met bevalling voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren en meewerkende echtgenoten (Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen). Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb. 1997, 391).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om in verband met de intrekking van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede om een regeling te treffen ter zake van een uitkering in verband met bevalling voor personen die als zelfstandige werkzaam zijn, voor beroepsbeoefenaren en voor meewerkende echtgenoten;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:, red.]

 

 

HOOFDSTUK  1

Algemene bepalingen

 

Art. 1. Algemene begrippen
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. College van toezicht sociale verzekeringen: het College van toezicht sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
c. Landelijk instituut sociale verzekeringen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
d. uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;
e. Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen: het Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen, bedoeld in artikel 78;
f. verzekerde: de persoon, bedoeld in artikel 3;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet;
h. dienstbetrekking: een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
i. winst uit onderneming: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
j. winst uit binnenlandse onderneming: winst uit binnenlandse onderneming als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a, juncto artikel 48, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
k. aanmerkelijk belang: aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
l. inkomsten uit tegenwoordige arbeid: inkomsten uit tegenwoordige arbeid in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;
m. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet.
-2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

 

Art. 2. Begrip arbeidsongeschiktheid
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De verzekerde die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de bij de aanvang van de verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-5. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-6. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
-8. Van een ontwerp van een besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van:
a. een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het zevende lid;
b. een krachtens de in onderdeel a bedoelde algemene maatregel van bestuur getroffen ministeriële regeling;
wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in onderdeel a wordt niet gedaan en de vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling als bedoeld in onderdeel b geschiedt niet eerder dan nadat tien weken na die mededeling zijn verstreken.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent een afwijkende wijze van vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in gevallen waarin recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een andere wettelijke regeling ter verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid.

 

 

HOOFDSTUK  2

Kring van verzekerden

 

Art. 3. De verzekerde
-1. Verzekerd op grond van deze wet is:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x