Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA3662
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-01-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW/WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Diende de rechtbank de beslissing van het Lisv omtrent de eerstejaarsherbeoordeling in haar beoordeling te betrekken? Daarnaast dient ingevolge artikel 6 van het EVRM een rechter een beslissing te geven inzake een bij hem aanhangig beroep tegen een besluit als hier aan de orde. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/7427 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Havenen aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellant is mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 8 juli 1997 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desverzocht heeft gedaagde nog stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 december 1998, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.E.J.M. Gielen, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Voor de Raad vormen de volgende feiten en omstandigheden het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Bij besluit van 20 juni 1995 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 23 juni 1995 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellant is tegen dit besluit beroep ingesteld.

Hangende dit beroep heeft gedaagde gelet op het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid, van de WAO, waarin de zogenoemde eerstejaarsherbeoordeling is voorgeschreven binnen een jaar na ingang van voornoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bezien of er gronden aanwezig waren voor herziening of intrekking van die uitkeringen. Bij besluit van 9 april 1996 heeft gedaagde aan appellant bericht dat gelet op de resultaten van het door gedaagde in dat kader ingestelde onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 35 tot 45% (besluit I).

Ook tegen dit besluit is namens appellant beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 5 juni 1996 heeft de rechtbank het besluit van 20 juni 1995 vernietigd.

Hangende het beroep tegen besluit I heeft gedaagde bij brief van 25 juli 1996 aan de rechtbank mededeling gedaan van een ten aanzien van appellant genomen besluit van 23 juli 1996 (besluit II). Bij dit besluit heeft gedaagde aan appellant met ingang van 23 juni 1995 uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tevens werd aan appellant medegedeeld dat gelet op de resultaten van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%. Blijkens het door gedaagde in de hierboven genoemde brief van 25 juli 1996 gestelde komt besluit II in de plaats van het door de rechtbank bij uitspraak van 5 juni 1996 vernietigde besluit van 20 juni 1995 alsmede in de plaats van besluit I.

Bij schrijven van 19 september 1996 is namens appellant aan de rechtbank verzocht het beroep tegen het besluit I mede gericht te achten tegen besluit II, alsook dat besluit te vernietigen en te bepalen dat appellant op en na 23 juni 1995 aanspraak kan maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij uitspraak van 16 december 1996, gegeven met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank het beroep tegen besluit I kennelijk gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht vergoedt en gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Tegen die uitspraak is namens appellant verzet gedaan.

De rechtbank heeft, na appellant te hebben gehoord, dat verzet bij de in rubriek I genoemde uitspraak van 8 juli 1997 ongegrond verklaard.

In zijn hoger beroepschrift betoogt appellant dat zijn hoger beroep tegen die uitspraak niettegenstaande het bepaalde in artikel 18, tweede lid, onder b, van de Beroepswet, ontvankelijk is.

Appellant stelt zich daarbij in hoofdzaak op het standpunt dat de rechtbank het beroep tegen besluit I mede gericht had moeten achten tegen besluit II, voorzover in laatstgenoemd besluit is bepaald dat in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling appellants arbeidsongeschiktheidsuitkeringen alsnog zullen worden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant is van opvatting dat daarmee besluit I is gewijzigd, terwijl dat besluit niet geheel tegemoet komt aan zijn beroep. In de visie van appellant kan de beslissing met betrekking tot de eerstejaarsherbeoordeling in besluit II derhalve niet anders worden beschouwd dan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Awb en is door de rechtbank ten onrechte geen toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb.

Blijkens het ingediende verweerschrift onderschrijft gedaagde in grote lijnen hetgeen namens appellant in zijn hoger beroepschrift daaromtrent is aangevoerd.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 18, tweede lid, onder b, van de Beroepswet geen hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb openstaat en dat derhalve een tegen een dergelijke uitspraak ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, wil de Raad echter niet uitsluiten dat er zeer bijzondere omstandigheden kunnen zijn die een tegen een dergelijke uitspraak ingesteld hoger beroep niettemin ontvankelijk doen zijn.

Gelet op het navolgende ziet de Raad in het onderhavige geval gronden om het hoger beroep ontvankelijk te achten.

In de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het verzet tegen haar uitspraak van 16 december 1996 ongegrond heeft verklaard, is het volgende overwogen: "Naar het oordeel van de rechtbank heeft het nieuwe besluit niet die strekking dat gesteld kan worden dat er sprake is van een wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Immers het nieuwe besluit behandelt meer namelijk het recht op uitkering en de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO na de wachttijd van 52 weken, namelijk met ingang van 23 juni 1995. Nu de gemachtigde in zijn schrijven van 19 september 1996 ook uitdrukkelijk heeft aangegeven het niet eens te zijn met het nieuwe besluit van 9 (lees: 23) juli 1996 en uitkering krachtens de AAW en de WAO vordert naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 23 juni 1995 is de rechtbank van oordeel dat het beroep terecht bij uitspraak van 16 december 1996 kennelijk gegrond is verklaard en dat tevens impliciet niet is overgegaan tot toepassing van artikel 6:18 en 6:19 Awb."

De Raad is van oordeel dat de rechtbank de beslissing van gedaagde omtrent de eerstejaarsherbeoordeling in besluit II ten onrechte niet in haar beoordeling heeft betrokken, voorzover dit besluit de beslissing bevat dat gelet op de resultaten van het herbeoordelingsonderzoek ingevolge artikel 26, tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid, van de WAO de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%. Deze beslissing is het naar oordeel van de Raad een besluit als bedoeld in het eerste lid van artikel 6:18 van de Awb, omdat het strekt tot wijziging van de eerder door gedaagde in besluit I gegeven beslissing omtrent de eerstejaarsherbeoordeling, waarbij de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd op 35 tot 45% vastgesteld werd.

Daar bij besluit II te dien aanzien niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet werd gekomen, had de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit I ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht dienen te achten tegen het hier aan de orde zijnde gedeelte van besluit II. Ten gevolge van het niet in acht nemen van laatstgenoemd voorschrift heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het mede in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden besloten liggend fundamenteel rechtsbeginsel inhoudend dat de rechter een beslissing dient te geven inzake een bij hem aanhangig beroep tegen een besluit als hier aan de orde.

Gelet op het vorenoverwogene dient het in artikel 18, tweede lid, onder b, van de Beroepswet neergelegde appèlverbod buiten toepassing te worden gelaten en is het hoger beroep ontvankelijk.

De aangevallen uitspraak dient wegens strijd met de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb te worden vernietigd en de zaak zal met toepassing van artikel 26, eerste lid, onder b, van de Beroepswet voor nader onderzoek worden teruggewezen naar de rechtbank.

Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door appellant gemaakte proceskosten overweegt de Raad dat de rechtbank afhankelijk van de uitkomst van het bij haar voort te zetten geding die kosten in een eventuele proceskostenveroordeling dient te betrekken. Deze kosten worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht van f 160,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.W.E. Pinckaers-Smink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.E. Pinckaers-Smink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x