Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA3953
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-03-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Moet betrokkene in staat worden geacht tot het verrichten van de voorgehouden functies, met welke functies hij een inkomen kan verwerven dat ongeveer 28% lager ligt dan zijn maatmaninkomen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/2834 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 9 november 1995 heeft appellant de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 november 1995 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij dat besluit is gedaagde met ingang van 1 november 1995 tevens een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 20 februari 1997, gegeven onder nr. AWB 95/8732 AAWAO, het besluit van 9 november 1995 onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep - vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.

Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.

Namens appellant zijn vervolgens nadere stukken aan de Raad gezonden, waarop namens gedaagde is gereageerd. Van de zijde van appellant is desgevraagd bij brief van 20 november 1998 een nadere toelichting verstrekt op zijn standpunt.

Gedaagde heeft de Raad nog een schrijven van 22 januari 1999 doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door S.J.M. Huisman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.C. Vijn, advocaat te Woerden.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 9 november 1995 is gedaagdes uitkering krachtens de WAO, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 november 1995 met toepassing van artikel 37 van die wet herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%; tevens is hem per die datum een uitkering krachtens de AAW toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat gedaagde met de door de verzekeringsgeneeskundige C. Kempkes ten aanzien van hem op 2 oktober 1995 vastgestelde, vanaf 2 november 1994 toegenomen, medische beperkingen per 1 november 1995 in staat moet worden geacht tot het verrichten van de hem op 6 oktober 1995 voorgehouden functies, met welke functies hij een inkomen kan verwerven dat ongeveer 28% lager ligt dan zijn zogenoemde maatmaninkomen.

In het kader van de behandeling van gedaagdes beroep tegen evengenoemd besluit heeft de rechtbank de orthopedisch chirurg T. de Jong geraadpleegd. Deze heeft in zijn op 29 oktober 1996 over gedaagde uitgebrachte rapport onder meer doen weten zich niet te kunnen verenigen met de door de verzekeringsgeneeskundige op 2 oktober 1995 vastgestelde medische beperkingen ten aanzien van staan, lopen en knielen, kruipen en hurken.

Appellant heeft de rechtbank daarop doen weten dat de verzekeringsgeneeskundige C. Kempkes zich in de conclusies van de deskundige De Jong kan vinden en dat hij voor gedaagde op 16 november 1996 een nieuw belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. Met inachtneming van de in dat belastbaarheidspatroon neergelegde medische beperkingen is gedaagde volgens appellant in staat de in de arbeidskundige rapportage van 19 november 1996 vermelde functies uit te oefenen. Vergelijking van het mediane inkomen van de drie hoogst beloonde functies met het maatmaninkomen van gedaagde resulteert - aldus appellant - eveneens in een verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 28%.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de voor gedaagde nader vastgestelde belastbaarheid niet strookt met de door de deskundige in zijn rapport weergegeven beperkingen omdat - anders dan in het belastbaarheidspatroon van 16 november 1996 is vermeld - de deskundige gedaagde per 1 november 1995 niet in staat achtte tot knielen, kruipen en hurken gedurende een half uur per werkdag en dan vijf minuten aaneengesloten. Van de voor gedaagde nader geselecteerde functies - die naar het oordeel van de rechtbank in beschouwing konden en mochten worden genomen omdat de zogenoemde aanzegjurisprudentie in casu toepassing mist - resteert volgens de rechtbank slechts ťťn functie, hetgeen onvoldoende is om de in geding zijnde schatting op te baseren.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Onder verwijzing naar de door hem overgelegde verklaring van de arbeidsdeskundige-analist van 4 april 1997 stelt appellant dat alle nader geduide functies aan de gestelde vereisten voldoen omdat knielen, kruipen en hurken geen fysiek onderdeel is om de betrokken taak te kunnen uitoefenen. In dat verband is te kennen gegeven dat bij knielen, kruipen en hurken standaard de score 1a (gedurende een half uur per werkdag vijf minuten aaneengesloten) wordt aangehouden omdat ervan wordt uitgegaan dat iemand op de werkvloer wel eens iets uit zijn handen laat vallen en aangenomen wordt dat hij dit zelf dient op te rapen.
In het aanvullend beroepschrift is voorts gesteld dat de verzekeringsgeneeskundige indien hij betrokkene maximaal beperkt acht ten aanzien van knielen, kruipen en hurken de score 0 (niet mogelijk) niet kan kiezen en in dat geval dient uit te wijken naar de score 1a (een half uur per werkdag, vijf minuten aaneengesloten). Blijkens de rapportage algemeen van 27 maart 1997 is ook de verzekeringsgeneeskundige ervan uitgegaan dat het toepasselijke systeem bij het onderdeel knielen, kruipen en hurken geen invulling met 0 toestaat.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat hij zich verenigt met het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel over het in aanmerking nemen van de door appellant bij brief van 18 december 1996 aangegeven nadere arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Derhalve dient te worden bezien of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat de nader geduide functies, op ťťn na, niet stroken met de voor gedaagde door de deskundige T. de Jong vastgestelde medische beperkingen.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

Hij heeft daarbij in de eerste plaats laten wegen dat moet worden geconstateerd dat bij de nadere vaststelling van gedaagdes belastbaarheid de selectie van de hier aan de orde zijnde nader geduide functies wat betreft het onderdeel knielen, kruipen en hurken opnieuw is uitgegaan van belastbaarheid die de door de deskundige voor gedaagde als niet toelaatbaar is geacht. Nu ter zitting namens appellant is verklaard dat - anders dan in het aanvullend beroepschrift en de rapportage algemeen van 27 maart 1997 is gesteld - het de verzekeringsgeneeskundige alleszins vrij staat het onderdeel knielen, kruipen en hurken te waarderen met de score 0 (niet mogelijk), moet worden vastgesteld dat de nadere functieduiding in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag berust. De Raad tekent in dit verband overigens nog aan een gedragslijn die erop neerkomt dat de verzekeringsgeneeskundige voor de belastbaarheid van betrokkene ten aanzien van knielen, kruipen en hurken steeds de score 1a hanteert, onaanvaardbaar te achten omdat dusdoende in een geval als het onderhavige waarin betrokkenes maximale belastbaarheid geringer is dan de aan die score verbonden maximale belastbaarheid, die beperktere belastbaarheid niet (meer) zichtbaar - en dus miskend - wordt.

Met betrekking tot appellants stelling dat alle nader geduide functies aan de gestelde vereisten voldoen aangezien knielen, kruipen en hurken geen fysiek onderdeel uitmaakt van de betrokken taak, overweegt de Raad dat zoals hij reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 maart 1998, gepubliceerd in USZ 1998/133 - indien het uitvoeringsorgaan de belasting die de werkzaamheden in een bepaalde functie met zich brengen heeft vastgesteld, en in een bepaalde score in het functie-informatiesysteem (FIS) heeft weergegeven, zowel de betrokkene als, in het voorkomende geval, ook toetsende instanties, ervan uit moeten kunnen gaan dat die weergave een juiste afspiegeling vormt van de in de betrokken functie werkelijk voorkomende belasting, tenzij wordt aangetoond dat deze onjuist is. Met dit uitgangspunt verdraagt zich aldus de Raad in evenbedoelde uitspraak - niet dat in een beroepsprocedure vanwege het uitkeringsorgaan de belastende aspecten van die werkzaamheden worden gerelativeerd naar aanleiding van een in die procedure door een onafhankelijk medisch deskundige gegeven oordeel over de mate waarin betrokkene met zijn beperkingen geacht moet worden de hem voorgehouden functies te vervullen. In het onderhavige geval kan de Raad - nog daargelaten de juistheid van appellants stelling dat knielen, kruipen en hurken voor gedaagde niet in het geheel onmogelijk is - de bij het aanvullend beroepschrift gevoegde verklaring van eerderbedoelde arbeidsdeskundige-analist over het al dan niet fysiek voorkomen van knielen, kruipen en hurken in de hier aan de orde zijnde functies en de door die arbeidsdeskundige-analist dienaangaande nader gegeven toelichting in haar rapport van 9 februari 1998, niet anders zien dan als een relativering als hiervoor bedoeld.

Nu van de nader aan gedaagde voorgehouden functies slechts ťťn functie resteert waarop de schatting is gebaseerd, moet worden vastgesteld dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet voldoet aan het vereiste dat de schatting dient te berusten op tenminste drie functies, welk vereiste is neergelegd in artikel 3 van het Schattingsbesluit. Appellants besluit van 9 november 1995 is derhalve in strijd is met artikel 4:16 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de rechtbank dat besluit terecht niet in stand heeft gelaten en het hoger beroep van appellant niet kan slagen.

Gedaagde heeft verzocht om appellant met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de door hem geleden materiŽle en immateriŽle schade.

De Raad stelt voorop dat een veroordeling op grond van artikel 8:73 van de Awb in casu slechts toepassing kan vinden voor zover het gaat om schade die in verband staat met het vernietigde besluit van 9 november 1995. Dit betekent dat de door gedaagde gevorderde materiŽle en immateriŽle schade verband houdend met een ander besluit van appellant waartegen gedaagde eveneens heeft geopponeerd, reeds buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat het vereiste verband van die schade met het vernietigde besluit van 9 november 1995 daar ontbreekt.

Met betrekking tot de aan het vernietigde besluit van 9 november 1995 gerelateerde materiŽle schade is namens gedaagde ter zitting medegedeeld dat gedaagdes vordering in zoverre ziet op vergoeding van wettelijke rente. Aan gezien het besluit van 9 november 1995 geen stand heeft kunnen houden vanwege gebreken in de totstandkoming daarvan en appellant over de aanspraak van gedaagde op uitkering krachtens de AAW en de WAO een nader besluit dient te nemen, ziet de Raad het niet op zijn weg liggen om zich thans over die gevorderde wettelijke rente uit te spreken. In het onderhavige geval staat immers nog niet vast hoe het nader besluit zal luiden, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat gedaagde (vertragings)schade lijdt als gevolg van niet tijdig betaalde uitkering.

Met betrekking tot gedaagdes vordering hem een vergoeding terzake van immateriŽle schade toe te kennen omdat hij zich door het door appellant ingestelde hoger beroep geconfronteerd zag met extra spanningen en psychische klachten, overweegt de Raad - aansluiting zoekend bij het civiele schadevergoedingsrecht waarvan met name het bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aan hef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek - dat hem niet is gebleken van als aantasting van gedaagdes persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van immateriŽle schade kan ontlenen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995/29c tekent de Raad in dit verband nog aan dat daarvoor onvoldoende is dat - zoals in het onderhavige geval - sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan. Gedaagdes verzoek om veroordeling van appellant tot vergoeding van immateriŽle schade komt dan ook niet voor inwilliging in aanmerking.

De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbij stand en f 19,75 terzake van reiskosten.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om appellant te veroordelen tot vergoeding van materiŽle en immateriŽle schade af;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.439,75;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.E. Pinckaers-Smink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.E. Pinckaers-Smink.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x