Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AA4156
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning AAW-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, waarbij is overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding geeft met de toekenning verder terug te gaan dan de in artikel 25, tweede lid, van de AAW genoemde termijn van n jaar vr de datum van de aanvraag. Heeft het inkomen n of meer jaren onder het sociaal minimum gelegen?
 
 
 

 

 
Uitspraak 95/2419 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (Detam).

Bij de bestreden beslissing van 25 mei 1992 heeft de Detam aan gedaagde met ingang van 1 januari 1985 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 november 1994 het beroep tegen die beslissing gegrond verklaard, de beslissing vernietigd voorzover het betreft de ingangsdatum van de uitkering, de Detam opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen en die bedrijfsvereniging veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

De Detam is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Bij besluit van 6 april 1998 heeft appellant als rechtsopvolger van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) gedaagde met ingang van 1 januari 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 1999, waar voor appellant zijn verschenen mr. A.E.M. Kuppens en mr. H.J. van Werven, beiden werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad heeft met enige verbazing kennis genomen van de verklaring van de gemachtigden Kuppens en Van Werven dat zij niet bevoegd zijn om het Lisv ter zitting van de Raad te vertegenwoordigen anders dan met betrekking tot besluiten die op basis van door het Lisv verleend mandaat zijn genomen door de Uitvoeringsinstelling Cadans B.V. Naar de Raad voorkomt is het geboden dat in gevallen als het onderhavige, waarin hangende een geding in hoger beroep namens het Lisv door een andere uitvoeringsinstelling een nieuw besluit wordt afgegeven, met betrekking tot welk besluit de vraag rijst of dit in de beoordeling moet worden betrokken en zo ja, of het in rechte stand kan houden, zorg wordt gedragen voor een zodanige procesvertegenwoordiging dat deze vragen ter zitting kunnen worden besproken.

Gedaagde heeft op 17 november 1986 bij de Detam een aanvraag voor een taxikostenvergoeding ingediend. Op het formulier melding AAW gaf zij aan sedert november 1955 geheel arbeidsongeschikt te zijn.

Op 20 april 1989 heeft gedaagde zich tot de Detam gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor van uitkering ingevolge de AAW. Zij gaf daarbij opnieuw aan sedert november 1955 geheel arbeidsongeschikt te zijn.

De verzekeringsgeneeskundige W.C. Otto, die gedaagde op 19 december 1989 onderzocht, kwam tot het oordeel dat gedaagde sedert 25 oktober 1955 gedeeltelijk en vanaf 1 januari 1963 volledig beperkt was voor het verrichten van werkzaamheden.

Bij beslissing van 29 juni 1990 heeft de Detam aan gedaagde met ingang van 17 november 1985 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is uitgegaan van de aanvraag van 17 november 1986 en is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding geeft verder terug te gaan dan de in artikel 25, tweede lid van de AAW genoemde termijn van een jaar voor de datum van de aanvraag.

Die beslissing is door de Raad van Beroep te Amsterdam bij uitspraak van 13 mei 1991 vernietigd onder overweging dat ten aanzien van de groep van gehuwde vrouwen waartoe gedaagde behoort, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in evengenoemde bepaling.

De Detam heeft voor de beoordeling van de aanspraken van genoemde groep vrouwen een beleid geformuleerd waarbij wordt bezien in hoeverre sprake is van bijzondere hardheid. Daarbij wordt doorslaggevend geacht of het gezinsinkomen van de betrokken vrouw in de periode van 1 januari 1980 tot de datum van de toekenning van de uitkering in n of meer jaren onder het sociaal minimum (bijstandsniveau) heeft gelegen.

De door gedaagde omtrent haar inkomen en dat van haar echtgenoot verstrekte gegevens hebben de Detam tot het oordeel geleid dat het gezinsinkomen van gedaagde in het jaar 1985 onder het sociaal minimum lag. Dit heeft op grond van het door die bedrijfsvereniging vastgestelde beleid geleid tot de in de thans bestreden beslissing neergelegde toekenning van een AAW-uitkering per 1 januari 1985.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of die beslissing in rechte stand kan houden.

De Raad heeft zich voor de vraag gesteld gezien of op grond van het bepaalde in artikel 6:19 juncto artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij die beoordeling tevens het in rubriek I genoemde besluit van appellant van 6 april 1998 moet worden betrokken. De Raad heeft die vraag ontkennend beantwoord. Hij heeft daarbij laten wegen dat geen sprake is van een samenhangend stelsel van besluiten, nu aan het besluit van 6 april 1998 een andere aanvraag ten grondslag ligt dan aan de bestreden beslissing en dat besluit betrekking heeft op gedaagdes aanspraken voortvloeiend uit een andere wet, waarbij andere beoordelingsmaatstaven een rol hebben gespeeld dan bij de bestreden beslissing. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden dat het besluit van 6 april 1998 valt binnen de grondslag en de reikwijdte van de bestreden beslissing. Er kan derhalve niet worden gesproken van een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

Met betrekking tot de bestreden beslissing overweegt de Raad het volgende.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld dat de bestreden beslissing niet kan worden gehandhaafd, nu op de daarin genoemde datum, 1 januari 1985, achteraf bezien niet de Detam maar de NAB bevoegd was over gedaagdes aanspraken ingevolge de AAW te oordelen, nu appellant als rechtsopvolger van laatstgenoemde bedrijfsvereniging aan gedaagde op die datum een uitkering ingevolge de WAO heeft toegekend. De Raad kan de gemachtigde van appellant daarin volgen.

Hieruit volgt dat de bestreden beslissing als onbevoegd genomen geen stand kan houden en in haar geheel dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden beslissing slechts ten dele is vernietigd en waarin ten onrechte aan de Detam is opgedragen een nieuw besluit te nemen, kan derhalve evenmin in stand blijven, behoudens voorzover daarin is beslist over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht.

Appellant zal, als rechtsopvolger van de NAB, ter zake van gedaagdes aanspraken ingevolge de AAW alsnog een nieuw besluit moeten nemen.

Met betrekking tot de inhoudelijke kant van het onderhavige geschil merkt de Raad het volgende op.

De Detam is er op grond van de door gedaagde verstrekte opgave van de inkomsten van haar en haar echtgenoot en van de kosten die in verband met haar handicap zijn gemaakt, van uitgegaan dat gedaagdes gezinsinkomen uitsluitend in 1985 onder het sociaal minimum lag. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen.
"Verweerder behoefde de kosten die in beginsel op grond van de AAW vergoed kunnen worden niet als aftrekpost te aanvaarden. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in jurisprudentie van de CRvB en met name in de hiervoor vermelde uitspraak. Gelet op de door eiseres vermelde bedragen aan inkomen en kosten over de jaren 1980 tot en met 1985 en hetgeen door zijn gemachtigde ter zitting is verklaard is bij de rechtbank echter twijfel ontstaan of in dit geval gezegd kan worden dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. In de jaren 1980 tot en met 1984 bleef het gezinsinkomen na aftrek van f 1.500,- respectievelijk f 190,60, f 242,40, f 1.031,46, f 2.289,30 en f 3.473,64 boven de bijstandsnorm voor een gehuwde. In de jaren 1980 en 1981 is er sprake van een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm. Op grond van de aanwezige medische gegevens lijkt het niet onaannemelijk dat begeleiding buitenshuis in deze jaren zo niet noodzakelijk dan toch wenselijk was. Voorts lijkt het gezien de zeer geringe overschrijding - ook zonder nader onderzoek, dat na verloop van zoveel jaren geen erg nauwkeurige gegevens meer zal opleveren - niet onaannemelijk dat na aftrek van de daarmee gepaard gaande kosten het gezinsinkomen in die jaren beneden de bijstandsnorm voor een gehuwde bleef."

Appellant heeft in hoger beroep hiertegen het volgende aangevoerd.

"Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank dat een gedeelte van de door gedaagde opgegeven vervoerskosten moet worden beschouwd als vervoerskosten die gemaakt zijn door de echtgenoot van gedaagde in het kader van de begeleiding van gedaagde buitenshuis en dat deze kosten om die reden als aftrekpost kunnen worden geaccepteerd. Met name heeft eiser bezwaar tegen de stelling van de rechtbank dat een aanvullend onderzoek in dit verband niet noodzakelijk is. Eiser is van mening dat, indien er onduidelijkheid of twijfel bestaat omtrent een bepaalde aftrekpost, een nader onderzoek dient plaats te vinden. Het gaat naar mening van eiser niet aan om zonder nader onderzoek te concluderen dat "het niet onaannemelijk" is dat er sprake is van een bepaalde aftrekpost. Op deze wijze wordt eiser de mogelijkheid ontnomen om aan de hand van een nader onderzoek de juistheid van een bepaalde aftrekpost te verifiren. Dit klemt temeer daar in casu niet door gedaagde is gesteld noch gebleken is dat er kosten door haar echtgenoot in verband met begeleiding buitenshuis zijn gemaakt.
Tot slot wenst eiser nog op te merken dat inherent aan het hanteren van een inkomensgrens is dat er gevallen zijn waarbij het inkomen maar net boven de grens ligt. Echter, ook een 'zeer geringe' overschrijding is een overschrijding."

De Raad kan zich in dit betoog van appellant vinden. Naar zijn oordeel heeft de rechtbank gedaagde het voordeel van de twijfel gegund in een situatie waarin geen twijfel bestond, nu gedaagde niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat van kosten als door de rechtbank bedoeld, sprake is geweest.

Naar het oordeel van de Raad behoeft appellant bij het nemen van een nieuw besluit er dan ook slechts van uit te gaan dat het gezinsinkomen uitsluitend in 1985 onder het sociaal minimum is gebleven.

De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in eerste aanleg is beslist;
Vernietigt de bestreden beslissing;
Verstaat dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Serno als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B. Serno.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x