Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA4557
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-12-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, rekening houdend met de inkomsten sedert de datum in geding. Aan de orde is de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO van in BelgiŽ (doch dicht bij de Nederlandse grens) wonende personen die - onbetwist - onderworpen zijn of zijn geweest, doorgaans als grensarbeider, aan de Nederlandse wetgeving inzake sociale zekerheid en die een (eventuele) aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die wetgeving ontlenen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/7771 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, ook te noemen: het Lisv,

en

A, wonende te B (BelgiŽ), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe IndustriŽle Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 20 juni 1995 heeft het Lisv de aan gedaagde toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juli 1995 herzien en nader vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% (besluit 1).
Bij besluit van 19 juli 1995 heeft het Lisv aan gedaagde medegedeeld dat hij, rekening houdend met zijn verdiensten sedert 1 juli 1995, ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en dat zijn uitkeringen voorlopig met ingang van 1 augustus 1995 naar deze lagere klasse zullen worden uitbetaald (besluit 2).

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 5 juli 1996 het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.


Bij verzoek van 10 juli 1997 heeft de Raad op grond van artikel 177 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een vraag ter prejudiciŽle beslissing voorgelegd.

Het Hof heeft op 10 december 1998 arrest gewezen.

Desgevraagd heeft het Lisv een reactie op het arrest aan de Raad toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 3 november 1999, waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.I. van der Kris, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Algemeen gedeelte

In deze zaak is, evenals in een aantal eveneens ter zitting van 3 november 1999 behandelde gedingen, aan de orde de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO van in BelgiŽ (doch dicht bij de Nederlandse grens) wonende personen die - onbetwist - onderworpen zijn of zijn geweest, doorgaans als grensarbeider, aan de Nederlandse wetgeving inzake sociale zekerheid en die een (eventuele) aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die wetgeving ontlenen.
In opdracht van het Nederlandse uitvoeringsorgaan zijn de betrokkenen bij de voorbereiding van de thans bestreden besluiten medisch beoordeeld door de (toenmalige) Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).
Bij de behandeling van de beroepen in eerste aanleg is in negen van de behandelde zaken door de rechtbank, ambtshalve, aan de orde gesteld de vraag of de bevoegdheid tot het verrichten van dat medisch onderzoek, c.q. het verstrekken van de opdracht daartoe, wel toekwam aan het Nederlandse orgaan, gelet op het bepaalde in, met name, artikel 51 van de EG-verordening nr 574/72 (nader: Vo. 574/72); in twee zaken is dit punt door de gemachtigde van de betrokkene in hoger beroep aan de orde gesteld.
Achtergrond van deze vraagstelling vormden het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1991 (Martinez Vidal, Jur. 1991 I-3245 en RSV 1991/258) en de uitspraak van deze Raad van 4 mei 1992, gepubliceerd in RSV 1993/130, uit welke rechtspraak - kort samengevat - volgt dat, in het geval de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering in een andere EG-lidstaat woont dan die waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd is zich bevindt, artikel 51 voormeld een bindend voorschrift bevat met betrekking tot het doen plaatsvinden van de medische controle door het orgaan van de woonplaats van de betrokkene en dat de controle door het bevoegde orgaan alleen een aanvullende kan zijn. In de negen eerderbedoelde zaken heeft de rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek in Nederland in strijd met het bepaalde in Vo. 574/72 had plaatsgevonden en als zodanig buiten beschouwing moest blijven, als gevolg waarvan het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerde en op die grond vernietigd diende te worden.

Het Lisv is van deze uitspraken in hoger beroep gekomen. Inhoudelijk was het Lisv van oordeel dat artikel 51 voormeld toepas-selijkheid mist in het geval dat het reizen naar de door het bevoegde orgaan aangewezen plaats voor medische controle vanuit gezondheidsoogpunt niet als bezwaarlijk kan worden aangemerkt gezien de reisafstand, welk aspect immers de ratio achter artikel 51 en de daaraan gegeven uitleg in het arrest Martinez Vidal vormde. Voorts achtte het Lisv zich bevoegd tot het verrichten van de medische controle gelet op artikel 23 (juncto artikel 21) van de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus 1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb. 1982, 181, en 1984, 34).
In processueel opzicht - zij het dat dit punt in een aantal zaken pas in een later stadium in hoger beroep is aangevoerd - stelde het Lisv dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door het bestreden besluit op genoemde grond te vernietigen.

De Raad, van oordeel dat niet alleen artikel 51, maar in de gevallen waarin het om de eerste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW/WAO gaat, ook artikel 40 van Vo. 574/72 in de aanhangige zaken van betekenis kon zijn, heeft in twee van de ter zitting van 3 november 1999 behandelde zaken het Hof van Justitie bij verzoek van 10 juli 1997 de navolgende prejudiciŽle vragen voorgelegd:

"1. Staat artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg, dat het bevoegde orgaan de gerechtigde op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in het land van het bevoegde orgaan medisch onderzoekt in het kader van de controle van de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer, zonder voorafgaand medisch onderzoek door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, ingeval de werknemer een grensarbeider is, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de afstand tussen zijn woonplaats en het bevoegde orgaan niet noodzakelijkerwijs groter is dan die tussen zijn woonplaats en het orgaan van die woonplaats?

2. Staat artikel 40 van de verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg dat het bevoegde orgaan, wanneer het erom gaat het recht op uitkering voor de eerste maal vast te stellen, de arbeidsongeschiktheid beoordeelt op basis van eigen medisch onderzoek, zonder voorafgaand medisch onderzoek door het orgaan van de woonplaats?

3. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, geldt dan hetzelfde indien het bevoegde orgaan niet heeft gevraagd en dus evenmin rekening heeft gehouden met medische documenten en rapporten alsmede inlichtingen afkomstig van het orgaan van de woonplaats, doch slechts heeft kennisgenomen van medische informatie van de behandelende artsen van het land waar de werknemer onder medische behandeling is?"

Het Hof heeft bij arrest van 10 december 1998 (zaak C-279/97), inmiddels gepubliceerd in RSV 1999/160, de vragen als volgt beantwoord:

"1)  Artikel 51, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, staat eraan in de weg, dat in het geval van een voormalig grensarbeider die rechthebbende op een invaliditeitsuitkering is, die woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, en wiens woonplaats dichter bij het orgaan van de bevoegde staat dan bij het orgaan van de woonstaat ligt, het bevoegde orgaan de administratieve en medische controle van de betrokkene verricht, zonder een voorafgaande controle door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Dezelfde bepaling verzet zich er echter niet tegen, dat de betrokkene afziet van de voorafgaande controle door het orgaan van de woonplaats, op voorwaarde dat het daarbij om een vrije en ondubbelzinnige beslissing gaat.

2)  Artikel 40 van dezelfde verordening verzet zich er niet tegen, dat het bevoegde orgaan, wanneer het gaat om de eerste vaststelling van een invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan, de mate van invaliditeit op basis van zijn eigen medisch onderzoek bepaalt, zonder eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Het bevoegde orgaan dient echter rekening te houden met medische documenten en rapporten en met inlichtingen van administratieve aard, afkomstig van het orgaan van de woonstaat van de betrokkene.".

De thans in hoger beroep te behandelen punten betreffen allereerst de vraag of de rechtbanken in de voorkomende gevallen terecht aan hun uitspraak mede ten grondslag hebben gelegd een beoordeling van de bevoegdheid tot het doen verrichten van een medische controle door het Lisv, en vervolgens de toepasselijkheid van de artikelen 40, respectievelijk 51, van Vo. 574/72 en de daaraan te verbinden gevolgen voor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.

Wat het eerste punt betreft, overweegt de Raad dat met betrekking tot alle behandelde gedingen kan worden vastgesteld dat de betrokkenen de waarde en de uitkomsten van het medisch onderzoek in Nederland hebben aangevochten. Gelet op het voorschrift van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon de rechtbank zich gehouden achten bij de behandeling van die geschilpunten de vraag te betrekken of er een bevoegdheid tot het instellen van een medisch onderzoek bestond.
De regels van een goede procesorde vergen wel dat de rechtbank het voornemen om dit punt in haar beoordeling te betrekken tijdig aan partijen kenbaar maakt en hen in de gelegenheid stelt zich daarover uit te laten. Waar dit (in een drietal zaken) niet of onvoldoende is gebeurd, ziet de Raad geen grond om daar thans consequenties aan te verbinden aangezien aan genoemde voorwaarden in de hogerberoepsfase alsnog is voldaan.

De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 40 dan wel artikel 51 van Vo. 574/72 rijst met name in die gevallen waarin het besluit betreft de intrekking of verlaging van de uitkering, en er in die zin dus sprake is van een "rechthebbende op invaliditeitsuitkering" als genoemd in artikel 51, doch waarin dat gegeven geen uitsluitsel biedt terzake van de vraag of ook de litigieuze medische controle ten aanzien van een zodanige rechthebbende heeft plaatsgevonden. Voor het antwoord op die vraag wijst de Raad op rechtsoverweging 33 van het arrest, waarin het Hof van Justitie opmerkt dat "de toepassing van artikel 51 afhangt van de (...) voorwaarde dat de betrokkene krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde staat reeds een invaliditeitsuitkering geniet wanneer de medische controle wordt aangevraagd". De Raad leidt hieruit af, dat artikel 40 van Vo. 574/-72 in een geval als zojuist omschreven zonder meer van toepassing is, wanneer het medisch onderzoek waarop het bestreden besluit steunt is afgerond voordat de wachttijd ingevolge de AAW en de WAO -gedurende welke de betrokkene geen "rechthebbende" in de zin van artikel 51 is- is verstreken.

Wat de overige in het arrest besproken punten betreft, overweegt de Raad dat aan de hierboven genoemde Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus 1982 voor de onderhavige gedingen geen afzonderlijke betekenis toekomt, gelet op rechtsoverweging 36.
Voorts kan de Raad zich niet vinden in de door het Lisv opgeworpen stelling dat de betrokkenen door gehoor te geven aan de oproep voor medisch onderzoek in Nederland hebben afgezien van een controle door het orgaan van hun woonplaats op een wijze als voorgeschreven in de slotzin van de beantwoording van de eerste vraag door het Hof van Justitie. Van een vrije en ondubbelzinnige beslissing kan, gelet ook op hetgeen het Hof dienaangaande onder 37 t/m 40 in het arrest heeft overwogen, in geen van de zaken worden gesproken, mede in aanmerking genomen dat een oproep voor een medisch onderzoek als hier aan de orde vergezeld pleegt te gaan van de mededeling dat men verplicht is aan die oproep gehoor te geven.
Tenslotte zal, in de gevallen waarin artikel 40 van Vo. 574/72 van toepassing is, hierna nog worden ingegaan op de vraag naar de aanwezigheid van gegevens, afkomstig van het orgaan van de woonstaat, waarmee blijkens de slotzin van de beantwoording van de tweede en derde vraag in het arrest rekening moet worden gehouden.



Bijzonder gedeelte

Gedaagde, die in BelgiŽ woont, heeft op 21 november 1989 zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur in dienst van X B.V. te Y gestaakt wegens spiervermoeidheidsklachten en gewrichtklachten. In verband hiermee zijn hem bij besluit van 1 maart 1991 met ingang van 22 november 1990 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een TBA-herbeoordeling is gedaagde door de GMD opgeroepen voor medisch onderzoek in Nederland, welk onderzoek heeft plaatsgevonden op 13 februari 1995.

Op basis van dit onderzoek heeft de verzekeringsgeneeskundige een belastbaarheidspatroon opgesteld en heeft de arbeidsdeskundige vervolgens aan gedaagde een aantal passende functies kunnen voorhouden met een loonwaarde leidend tot een verlies aan verdienvermogen van 36%. Bij het besluit van 20 juni 1995 heeft het Lisv de aan gedaagde toegekende AAW/WAO-uitkeringen met ingang van 1 juli 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Vervolgens heeft het Lisv het in rubriek I genoemde besluit van 19 juli 1995 genomen. Tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het beroep tegen dit besluit is geen hoger beroep ingesteld, zodat thans alleen het besluit van 20 juni 1995 nog in geschil is.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek in strijd met artikel 51 van Vo. 574/72 heeft plaatsgevonden en als zodanig buiten beschouwing dient te worden gelaten, als gevolg waarvan het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert en niet in stand kan blijven.

De Raad constateert, gelet op hetgeen in het algemeen gedeelte is overwogen, dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 51 van Vo. 574/72 aangezien gedaagde ten tijde van het medisch onderzoek zoals ten grondslag liggend aan het bestreden besluit in het genot was van uitkeringen krachten de AAW en de WAO. Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad is niet gebleken van kosten, aan de zijde van gedaagde gevallen, welke voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen.

Ten slotte stelt de Raad vast dat van het Lisv een griffierecht van f 675,- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Lisv een griffierecht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 1999.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) M.F. van Moorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x