Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA5094
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-10-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW-uitkering. Herziening WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat en dat zij niet in staat is de haar voorgehouden voltijdfuncties te vervullen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3, eerste lid, van het Schattingsbesluit, waarin is bepaald dat een schatting op ten minste drie verschillende, voor de betrokkene geschikte, functies moet berusten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/1677 AAW/WAO, 97/1678 AAW/WAO, 97/1877 AAW/WAO en 97/1878 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

A, wonende te B, hierna: betrokkene,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: het Lisv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel,- Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 3 juli 1995 heeft het Lisv de uitkeringen van betrokkene ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 2 augustus 1996 heeft het Lisv het besluit van 3 juli 1995 ingetrokken en vervolgens de AAW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken en haar WAO-uitkering met ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

De rechtbank te Rotterdam heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996 en bij uitspraak van 28 januari 1997 het beroep tegen beide besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het Lisv veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en bepaald dat het Lisv aan betrokkene het gestorte griffierecht van f 50,- vergoedt.

Partijen zijn beide op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het Lisv heeft naar aanleiding van het verweerschrift van betrokkene van repliek gediend.

Het Lisv heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 14 september 1999, waar partijen - het Lisv met bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat het Lisv te kennen had gegeven dat besluit niet te handhaven.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2 augustus 1996 eveneens gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en het Lisv als verweerder:

"Ten aanzien van het eerste aspect constateert de rechtbank dat eiseres is onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige die verweerder in zaken als de onderhavige adviseert. Naar aanleiding hiervan is een zogenaamd belastbaarheidspatroon opgesteld, waarin de medische beperkingen zijn omschreven. Dit belastbaarheidspatroon bevindt zich onder de gedingstukken en is gedateerd 8 mei 1995.

De rechtbank ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsgeneeskundige voor onjuist te houden, nu geen informatie van medische aard - bijvoorbeeld afkomstig uit de behandelend sector - is overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van eiseres per 1 augustus 1995 en de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid. In dit kader acht de rechtbank het mede van belang dat de verzekeringsgeneeskundige bij het vormen van zijn oordeel informatie heeft ingewonnen bij de behandelend longarts van eiseres. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien het advies van een medisch deskundige in te winnen en is niet tot de conclusie gekomen dat verweerder de beperkingen van eiseres niet correct heeft vastgesteld.

Ten aanzien van het tweede aspect is verweerder, mede gelet op het oordeel van de arbeidsdeskundige, van mening dat eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, met ingang van 1 augustus 1995 in staat is gangbare arbeid te verrichten. Bij wijze van voorbeeld van dergelijke gangbare arbeid heeft de arbeidsdeskundige blijkens diens rapport van 17 mei 1995 aan eiseres een aantal voltijdfuncties geduid. De rechtbank volgt verweerder in diens oordeel dat de aan deze functies verbonden arbeid gangbaar is en voor de bekwaamheden van eiseres is berekend.

Tussen partijen is niet in geding dat eiseres in de maatmanarbeid parttime werkzaam was met een minimum van 11 uur per week.

Desgevraagd heeft verweerder in zijn brief van 24 oktober 1996 aangegeven dat de geduide functies parttime vervulbaar zijn. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de arbeidsdeskundige van verweerder twee arbeidsmogelijkhedenlijsten van onderscheidenlijk 12 augustus 1996 en 18 december 1996 overgelegd.

De rechtbank constateert dat de beide arbeidsmogelijkhedenlijsten per geduide functie tussen de 1 en de 4 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Het totaal van de arbeidsmogelijkhedenlijsten vertegenwoordigt 16 arbeidsplaatsen. Het Schattingsbesluit, zoals dit voor de datum in geding van toepassing is, bepaalt in artikel 3 dat de geduide functies tenminste 30 arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, hetgeen ook door de gemachtigde van verweerder ter zitting is erkend.

Besluit II is dan ook in strijd met dit artikel genomen, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt."

Zowel betrokkene als het Lisv is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.

Namens betrokkene is aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de bestreden besluiten en de overwegingen in de aangevallen uitspraak betrekking hebbend op haar medische beperkingen.

Namens het Lisv is aangevoerd dat het besluit van 2 augustus 1996 niet in strijd is met artikel 3 van het Schattingsbesluit. In de nota van repliek van 28 november 1997 heeft het Lisv zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 november 1997, nummer 95/7952 AAW/WAO, op het standpunt gesteld dat het heeft aangetoond dat de voltijdfuncties die aan het besluit van 2 augustus 1996 ten grondslag zijn gelegd, ook in deeltijd uitgeoefend kunnen worden.

De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 terecht met toepassing van artikel 6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996, omdat met laatstgenoemd besluit niet geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet is gekomen.

Voorts overweegt de Raad naar aanleiding van het door partijen ingestelde hoger beroep het volgende.



1. Ten aanzien van het beroep van betrokkene

Betrokkene heeft aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de besluiten van 3 juli 1995 en 2 augustus 1996 en met de overwegingen van de rechtbank betrekking hebbend op haar medische beperkingen.

De Raad stelt vast dat de medische overwegingen van de rechtbank slechts betrekking hebben op het besluit van 2 augustus 1996. Het besluit van 3 juli 1995 heeft de rechtbank vernietigd, reeds omdat het door het Lisv niet langer werd gehandhaafd. Met betrekking tot de door betrokkene gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank als volgt overwogen waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en het Lisv als verweerder: "De rechtbank wijst het namens eiseres gedane verzoek om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiseres, door niet (tijdige) uitbetaling van de uitkeringen door verweerder lijdt, thans af, omdat (vooralsnog) niet vaststaat of er renteschade is en zo al moet worden aangenomen dat die er is, niet vaststaat hoe groot de omvang van die schade zal zijn. Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juli 1994, gepubliceerd in RSV 1995, nr 133, in dit verband nog op van oordeel te zijn dat met deze afwijzing de weg naar de administratieve rechter niet definitief is afgesloten. Het staat eiseres vrij om te zijner tijd ter zake van de door haar verlangde vergoeding van renteschade alsnog een besluit van het bestuursorgaan uit te lokken. Een dergelijk besluit hangt zozeer samen met het onderhavige besluit, dat het, ertoe strekkend om de gestelde renteschade als gevolg van het onderhavige besluit geheel, gedeeltelijk of niet te vergoeden, als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is aan te merken."

Anders dan in beroep bij de rechtbank, waar betrokkene belang bij een beoordeling van het door het Lisv ingetrokken besluit had behouden in verband met haar vordering tot schadevergoeding, heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad thans geen belang meer bij een beoordeling van het besluit van 3 juli 1995 in hoger beroep. Betrokkene heeft de juistheid van de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet bestreden. Voorts heeft betrokkene in hoger beroep geen vordering tot schadevergoeding ingediend. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de toepassing van artikel 8:73 van de Awb - gelet op de bewoordingen van dat artikel - niet ambtshalve in het geding kan worden betrokken. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank, in zoverre betrekking hebbend op het besluit van 3 juli 1995, wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Ten aanzien van de bezwaren van betrokkene tegen het medische aspect overweegt de Raad het volgende.

Betrokkene heeft in hoger beroep herhaald dat haar medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is (het grootste deel van) de geduide functies te vervullen. Zij heeft echter, evenals in beroep bij de rechtbank, nagelaten ter ondersteuning van haar standpunt medische gegevens in het geding te brengen die twijfel zouden kunnen doen ontstaan aan de juistheid van de door de verzekeringsgeneeskundige ten aanzien van haar vastgestelde beperkingen. De Raad heeft in de gedingstukken, en met name het rapport van de verzekeringsarts M. Landheer van 3 mei 1995 geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat en dat zij niet in staat is de haar voorgehouden voltijdfuncties te vervullen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze verzekeringsarts een onderzoek naar de door betrokkene gemelde klachten heeft ingesteld en kennis heeft genomen van informatie van haar longarts.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene voor zover betrekking hebbend op het besluit van 2 augustus 1996 niet slaagt.



2. Ten aanzien van het beroep van het Lisv

Zoals de rechtbank heeft vastgesteld is tussen partijen niet in geschil dat betrokkene, voordat zij arbeidsongeschikt werd, een deeltijdfunctie vervulde.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 april 1999, nummer 97/586 AAW/WAO, heeft overwogen wordt met betrekking tot een deeltijdwerkende, voor wie niet op medische gronden een urenbeperking geldt, niet de eis gesteld dat de voorgehouden functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn als die waarin de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te staan dat de voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in deeltijd konden worden verricht. Van elk van de voor zulk een verzekerde geselecteerde voltijdfuncties is het voldoende dat wordt aangetoond dat zij op de datum in geding in een deeltijdvariant ten minste één arbeidsplaats vertegenwoordigden, onverminderd het bepaalde in artikel 3 van het Schattingsbesluit, inhoudende dat de geselecteerde voltijd- en deeltijdfuncties tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen.

Voor betrokkene zijn de voltijdfuncties van lampenkappenstikker (fb-code 7959), lederbewerker (fb-code 8030) en medewerker uitprijsafdeling (fb-code 9718) geselecteerd.

Teneinde aan te tonen dat de voor betrokkene geselecteerde voltijdfuncties ook een deeltijdvariant vertegenwoordigden heeft het Lisv in beroep bij de rechtbank een tweetal hierboven vermelde arbeidsmogelijkhedenlijsten ingezonden. Op die lijsten zijn niet de deeltijdvarianten van de geselecteerde voltijdfuncties vermeld, maar deeltijdfuncties die onder dezelfde functiebestandscode als die voltijdfuncties zijn ondergebracht. Het betreft de functies van stikster (fb-code 7959), lederstanser (fb-code 8030) en inpakster (fb-code 9718).

De Raad stelt evenwel vast dat de deeltijdfuncties van stikster en lederstanser blijkens genoemde arbeidsmogelijkhedenlijsten op 4 september 1995, respectievelijk 23 november 1995 in deeltijd op de arbeidsmarkt voorkwamen. Deze datum ligt na de hier in geding zijnde datum 1 augustus 1995. Dit betekent dat voor de Raad niet is komen vast te staan dat deze functies op de datum in geding in deeltijd konden worden vervuld.

Tevens is voor de Raad niet komen vast te staan dat deze twee functies in overeenstemming zijn met de door de verzekeringsarts voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid. Voor de functie van stikster niet omdat een motivering in verband met op de verwoording functiebelasting voorkomende asterisken niet is gegeven en voor de functie van lederstanser niet omdat geen verwoording functiebelasting is overgelegd.

De functie van inpakster kwam blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 12 augustus 1996 wel op de in geding zijnde datum in deeltijd voor. Echter, waar het Lisv heeft vermeld een verwoording functiebelasting niet te kunnen overleggen is voor de Raad niet komen vast te staan dat deze functie in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene.

Dit alles leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 2 augustus 1996 op geen enkele functie berust waarvan vast is komen te staan dat zij op de datum in geding in deeltijd voorkwam.

Naar het oordeel van de Raad is het besluit van 2 augustus 1996 hierdoor in strijd met artikel 3, eerste lid van het Schattingsbesluit waarin is vermeld dat een schatting op ten minste drie verschillende, voor de betrokkene geschikte, functies moet berusten.

Waar de rechtbank, gelet op bovenvermelde uitspraak van 6 april 1999, nummer 97/586 AAW/WAO, bij de toepassing van artikel 3 van het Schattingsbesluit een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dient de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het besluit van 2 augustus 1996, met verbetering van gronden te worden bevestigd.

Dit betekent dat het hoger beroep van het Lisv evenmin slaagt.

Uit al hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat het hoger beroep van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 juli 1995 gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat de aangevallen uitspraak overigens, voorzover door partijen aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Lisv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het Lisv een recht van f 675,- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het besluit van 3 juli 1995, niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-;
Verstaat dat van het Lisv een recht van f 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. R.M. van Male en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 1999.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.W.A. van Geloven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x