Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA7107
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Is er gehandeld overeenkomstig de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/646 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 14 maart 1997 heeft gedaagde de aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 5 mei 1997 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 17 december 1997 appellantes beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is door mr. A.J. Sol, advocaat te Sas van Gent, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.

Namens appellante zijn door mr. H. Klein Hesselink, kantoorgenoot van mr. A.J. Sol, nadere gronden voor het hoger beroep in geding gebracht, waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 februari 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H. Klein Hesselink, en waar gedaagde - zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen.

Na de behandeling ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.


Desverzocht hebben partijen toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellante heeft haar fulltime werkzaamheden als ober/kelner op 10 mei 1995 gestaakt als gevolg van sinusitisklachten. Daarna ontstonden duizeligheidsklachten, psychische klachten en vermoeidheidsklachten.

In verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten en vermoeidheidsklachten zijn appellante met ingang van 8 mei 1996 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Mede gelet op informatie van de psychiater die appellante heeft behandeld, haar psychotherapeut en informatie van appellantes huisarts heeft de verzekeringsarts N. Bootsma ten aanzien van appellante vastgesteld dat de enige medisch objectief vastgestelde afwijkingen zijn hyperventilatie, lage rugklachten met uitstraling in het linkerbeen (bij belasting) en chronische sinusitisklachten. Uitgaande van deze afwijkingen heeft deze verzekeringsarts vervolgens appellantes belastbaarheid vastgesteld.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C. Spaans appellante functies voorgehouden die zij met inachtneming van haar medische beperkingen kan verrichten en waarmee zij een inkomen kan verdienen dat in vergelijking met het voor haar geldende maatmaninkomen een verlies aan verdienvermogen laat zien van 25,27%.

Gedaagde heeft voorts bij besluit van 14 maart 1997 de aan appellante toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 5 mei 1997 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellantes beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde de zienswijze van gedaagde ten aanzien van appellantes vastgestelde medische beperkingen juist evenals het op grondslag daarvan ingenomen standpunt ten aanzien van appellantes resterende arbeidsvermogen en verlies aan verdiencapaciteit.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komt erop neer dat in het onderhavige geval niet is gehandeld overeenkomstig de door gedaagde vastgestelde Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, omdat appellantes klachten verband houdend met het bij haar geconstateerde chronisch vermoeidheidssyndroom niet bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn betrokken en dat een juiste toepassing van bedoelde Richtlijn tot de conclusie leidt dat gelet op genoemde klachten ten aanzien van appellante verdergaande medische beperkingen gelden dan door gedaagde is aangenomen.

Namens appellante is in dit verband gesteld dat gedaagde, in het voetspoor van de hem adviserend verzekeringsarts, de medische beperkingen van appellante niet op juiste wijze heeft vastgesteld. Volgens appellante moet uit de voorhanden gedingstukken worden afgeleid dat die klachten - hoewel gedaagde heeft aangegeven aan de ernst daarvan niet te twijfelen - reeds buiten beschouwing zijn gebleven op de enkele grond dat daarvoor geen oorzaak of reden gevonden is, terwijl uit de genoemde Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium blijkt dat er ook sprake kan zijn van ziekte als de oorzaak of reden van de klachten niet bekend is.

Ten aanzien van de van belang zijnde regelgeving en de daaraan te geven uitleg en toepassing overweegt de Raad het volgende.

In artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW is - voor zover in dit verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten.

Bij mededeling van 19 september 1996, nr. M 96 122 heeft het voormalige Tica een circulaire voor de uitvoeringsorganisaties het licht doen zien betreffende het onderdeel van artikel 5 van de AAW en 18 van de WAO, luidende "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken". Op 2 april 1997 heeft het Lisv in het kader van zijn taakstelling op grond van artikel 38 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 beslist deze circulaire (verder te noemen: Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium of de Richtlijn) met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1997 over te nemen.

Deze Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium beoogt blijkens het gestelde in paragraaf 1.2. door een interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Daarbij is uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad over dit onderwerp, zoals hierboven weergegeven. Overeenkomstig vermelde doelstelling heeft de Richtlijn het karakter gekregen van een uitvoerige werkinstructie voor verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde komen.

Het vorenstaande impliceert dat gedaagde bij het nemen van de desbetreffende besluiten vanaf 1 maart 1997 de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium in acht dient te nemen en dat de inhoud en wijze van toepassing in het kader van een beroep tegen zo'n besluit ter toetsing van de bestuursrechter staat. De verplichting van gedaagde om de Richtlijn in acht te nemen is tot 1 januari 1998, met ingang van welke datum ter zake van beleidsregels als de onderhavige in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een wettelijke regeling tot stand gekomen is, in het bijzonder gebaseerd op het beginsel van de rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel.

Alvorens te toetsen of gedaagde in het onderhavige geval de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium juist heeft toegepast, zal de Raad dienen te beoordelen of de Richtlijn zich verdraagt met de artikelen 5 van de AAW, 18 van de WAO en 3:2 van de Awb alsmede met de door de Raad gegevens uitleg van de eerste twee genoemde wetsartikelen.

Dienaangaande stelt de Raad vast dat de kern van de Richtlijn - in het bijzonder zoals verwoord in de punten één tot en met vijf van paragraaf 3.2. - niet in strijd komt met (een juiste uitleg van) juist genoemde bepalingen dan wel enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel. Dit geldt ook voor paragraaf 4.6. van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, welke paragraaf de problematiek rond "moeilijk objectiveerbare aandoeningen" tot onderwerp heeft en voor het onderhavige geval in het bijzonder van belang is. In die paragraaf is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen worden niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. In dat verband wordt van belang geacht of hun bestaan aannemelijk te achten is en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt.

Voor het onderhavige geval betekent het hierboven overwogene het volgende.

Gelet op de rapporten van de gedaagde adviserend verzekeringsarts, waarvan in het bijzonder de rapporten van 6 december 1996 en 6 februari 1997, moet worden vastgesteld dat in het onderhavige geval door die arts de opvatting is gehuldigd dat de klachten van appellante, gediagnostiseerd als verband houdend met myalgische encephalomyelitis, reeds buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat het daarbij niet zou kunnen gaan om ziekte of gebrek als bedoeld in de AAW en de WAO.

De Raad is van oordeel dat dusdoende is miskend dat - in bijzondere situaties - ook klachten zonder duidelijke oorzaak kunnen en moeten leiden tot de conclusie dat beperkingen aanwezig zijn te achten als gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO. Waar de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium expliciet erop ziet dat een verzekeringsarts zich bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid - mede aan de hand van de overige hem ter beschikking staande medische gegevens - een medisch verantwoorde opvatting vormt over het antwoord op de vraag of de gestelde klachten als uiting van ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO kunnen worden aangemerkt, moet worden geconcludeerd dat bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is gehandeld overeenkomstig evenbedoelde richtlijn.

Nu gedaagde bij het nemen van het besluit van 14 maart 1997 het resultaat van hogerbedoelde gebrekkige verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft overgenomen, moet worden vastgesteld dat dat besluit niet in overeenstemming met de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium is en derhalve reeds wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet in stand kan blijven. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten wegens aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 25 en 26, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante in het geding in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Beslist wordt dan ook als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 14 maart 1997 alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 maart 1997;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar betaalde griffierecht van f 215,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x