Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA7325
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-08-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering omdat betrokkene met ingang van de datum in geding voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Herbeoordeling ter uitvoering van de Wet TBA. Vergelijking van de voor betrokkene geldende, en aan de mediane loonwaarde van de drie hoogstbeloonde aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies ontleende, verdiencapaciteit met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Lisv in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Is de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium op juiste wijze toegepast?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/151 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 8 april 1997 heeft gedaagde de aan appellant krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 juni 1997 ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 15%.

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 4 december 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld op in een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden.

Vanwege gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari 2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.B.M. Alkemade, terwijl gedaagde zich daar heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desverzocht hebben partijen toestemming verleend een nadere zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, tussen partijen vaststaande, feiten en omstandigheden.

Appellant is met ingang van 21 oktober 1977 door gedaagdes rechtsvoorganger, het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, nadat hij met ingang van 20 augustus 1976 wegens een wervelontsteking zijn werkzaamheden had gestaakt.

Ter uitvoering van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is vanwege gedaagde een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht ter herbeoordeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid.

Dit heeft geresulteerd in het bestreden besluit waarin appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 juni 1997 worden ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum op minder dan 15% moet worden gesteld.

Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 1 juni 1997, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem geselecteerde functies. Vergelijking van de voor appellant geldende, en aan de mediane loonwaarde van de drie hoogstbeloonde aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde functies ontleende, verdiencapaciteit met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit bezwaren van medische aard. Hij acht zijn door de, gedaagde adviserende, verzekeringsgeneeskundige vastgestelde belastbaarheid overschat. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij de ten aanzien van hem geselecteerde functies vanwege zijn gezondheidstoestand niet kan vervullen.
Met betrekking tot de door appellant aangevoerde bezwaren heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"Het besluit berust op het advies van de verzekeringsgeneeskundige Joosten d.d. 4 oktober 1996 en het door deze opgestelde belastbaarheidspatroon. Geconstateerd moet worden dat deze geneeskundige eiser zelf heeft onderzocht en op genoemde datum (telefonische) informatie heeft ingewonnen bij eisers huisarts. Daarnaast heeft de verzekeringsgeneeskundige n afgifte van het bestreden besluit nog kennis genomen van nadere informatie die de huisarts op 18 april 1997 heeft verstrekt in verband met de uitslag van het radiodiagnostisch onderzoek van 12 november 1996, alsmede van eerdere onderzoeken d.dis 30 mei 1996 en 1 januari 1986. Naar aanleiding van deze nader verkregen informatie is op 20 mei 1997 nog gerapporteerd. Voor de verzekeringsgeneeskundige was bedoelde informatie geen aanleiding om de beperkingen, zoals eerder vastgesteld, aan te passen. De rechtbank dient allereerst te bezien of het onderzoek in deze zaak zorgvuldig is te achten. Eiser bestrijdt zulks en voert daarbij aan dat zijn behandelend cardioloog niet is benaderd, dat de verzekeringsgeneeskundige weliswaar informatie heeft ingewonnen bij de huisarts maar dat deze toen nog niet de uitslag had van een radiodiagnostisch onderzoek d.d. 12 november 1996 dat eiser kort na het onderzoek bij de verzekeringsgeneeskundige heeft ondergaan in verband met eisers rugklachten. Met deze laatstbedoelde klachten heeft de verzekeringsgeneeskundige in het geheel geen rekening gehouden. De voorhanden stukken bevestigen de gegevens van eiser maar daaruit volgt niet automatisch dat het onderzoek in deze zaak niet voldoet aan de zorgvuldigheidsvereisten.
Betreffende de cardiale klachten wordt in bedoelde rapportage van 4 oktober 1996 onder "anamnese" weergegeven:
      
"In 1993 heeft belanghebbende een hartinfarct gehad waarna hij medicijnen is moeten blijven gebruiken. Hij komt jaarlijks bij de cardioloog voor medicatie en controle. Hij heeft a.n. Isordil maar hoeft die, omdat er weinig of geen klachten optreden vrijwel niet te gebruiken. Hij heeft geen dyspnoe klachten en slaapt op een kussen. Hij heeft geen oedeem vorming bemerkt..."
Onder "informatie van derden" wordt aangegeven:
    
"Informatie van de huisarts van belanghebbende J.A.M. van Dijk op 4-10-96. Hij heeft belanghebbende van een collega huisarts die de praktijk stopte overgekregen, hij kent hem niet goed wat hij weet is dat er een anteriorinfarct in 1993 is geweest wat met succes met streptokinase is behandeld. De brieven van de cardioloog van begin 1996 zijn geruststellend; de situatie is bevredigend.".
    
    Op grond van deze gegevens is er geen aanleiding het onderzoek, wegens het ontbreken van informatie van de cardioloog, onzorgvuldig te achten. Evenmin kan worden gezegd dat de informatie van de huisarts ontoereikend moet worden geacht, temeer nu deze na het - kennelijk - telefonisch onderhoud nog nadere en schriftelijke informatie heeft verstrekt, welke informatie nog bij de onderhavige schatting is betrokken. Resteert eisers grief betreffende de rugklachten. Geconstateerd moet worden dat de verzekeringsgeneeskundige in ieder geval ten tijde van het onderzoek op 24 juli 1996 en de rapportage op 4 oktober 1996 geen rekening kon en heeft kunnen houden met de aanwezigheid van rugklachten, hetgeen verklaarbaar is te achten omdat eiser noch de huisarts daarvan melding heeft gemaakt. Eerst nadat de huisarts de nadere informatie betreffende de uitslag van het radiodiagnostisch onderzoek kenbaar heeft gemaakt heeft de verzekeringsgeneeskundige k de rugklachten betrokken bij de schatting, met dien verstande dat de hem thans bekende gegevens geen aanleiding waren de beperkingen, ook niet nu er tevens sprake was van rugklachten, te herzien. Als motivatie voor deze opvatting is weergegeven dat op grond van de anamnese destijds een beperkte belastbaarheid is aangenomen ten aanzien van zwaar lichamelijk werk. Op grond van al het vorenoverwogene moet dan ook worden geconcludeerd dat er geen reden is het besluit te vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.
Gezien de voorhanden gegevens, waaronder de informatie van de behandelende sector die door verweerder n door eiser is verstrekt, is er geen reden te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Daarbij is met name van belang geacht dat de verzekeringsgeneeskundige - zij het, zoals hiervoor is weergegeven, in een later stadium - de beschikking heeft gehad over vrij recente informatie betreffende eisers heup-, en rugklachten en dat de eerder verkregen informatie van de huisarts, afdoende gegevens bevatte betreffende eisers cardiale klachten. De voorhanden gegevens geven in ieder geval geen aanleiding om te twijfelen aan de interpretatie en inschatting van eisers klachten en de vertaling daarvan in genoemde beperkingen. Daarenboven moet worden geconstateerd dat de geduide functies ruim binnen de door eiser bestreden belastbaarheid vallen. Er worden dan ook geen termen aanwezig geacht om een nader onderzoek te doen verrichten."
    
Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat in het bijzonder dit oordeel van de rechtbank, alsmede het bestreden besluit, onjuist is te achten. Deswege heeft hij de Raad verzocht de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te vernietigen, dan wel een deskundige te benoemen teneinde de bij appellant aanwezige beperkingen te doen vaststellen. Hierbij heeft appellant zich beroepen op een, op zijn verzoek opgemaakt rapport d.d. 10 februari 1998 van de orthopedisch chirurg D.B. van der Schaaf, waarin ten antwoord op vragen gesteld van de zijde van appellant het volgende naar voren wordt gebracht.
"CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:
Bij orthopedisch onderzoek werd gevonden een reeds zeer lang bestaand langzaam progressief pseudora-diculair beeld rechts, waarbij betrokkene betrekkelijk consequent en consistent aangeeft dat in de zeer frequente perioden van klachten hij eigenlijk niet in staat is enige werkzaamheden te verrichten. Ik heb geen redenen om aan de waarheidsgehalte van zijn beweringen te twijfelen. Zoals te doen gebruikelijk bij lage rugklachten zijn deze beperkingen niet goed te onderbouwen door objectiveerbare afwijkingen en is men in aanzienlijke mate aangewezen op de gegevens van betrokkene zelf. Men dient zich echter daarbij wel te realiseren dat het om een pijnprobleem gaat waarbij de mechanische belastbaarheid van de wervelkolom eigenlijk niet in het geding is. De toestand van betrokkene op de peildatum 8-4-1997 was niet wezenlijk anders dan zijn huidige toestand. Zoals reeds gezegd zijn zijn pijnlijke perioden bijzonder frequent en in die zin kan ik mij niet vinden in het belastbaarheidspatroon zoals dit aangegeven is door de verzekeringsgeneeskundige collega Joosten. Bij de arbeidsdeskundige beoordeling zijn meer beperkingen in aanmerking genomen, maar ik acht betrokkene ook niet in staat een van deze functies uit te oefenen.
Het komt er eigenlijk in het kort op neer dat de maatschappij heeft toegestaan dat een man met een beperkt intellect sinds 1980 niet meer heeft hoeven te werken. Door een veranderde definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid zou hij nu weer in het arbeidsproces opgenomen moeten worden, hoewel naar zijn eigen zeggen, zijn klachten de laatste jaren juist zijn toegenomen. Al met al ben ik van mening dat deze man nu niet en ook in de toekomst niet in staat zal zijn tot enige vorm van loonvormende arbeid."

In zijn aanvullende beroepschrift heeft appellant met betrekking tot het hiervoor weergegeven oordeel van D.B. van der Schaaf betoogd dat uit het feit dat de beperkingen van appellant niet goed zijn te onderbouwen niet betekent dat die beperkingen geen relevantie zouden hebben voor de beoordeling van appellants arbeidsongeschiktheid.

Ten betoge dat op grond van het rapport van D.B. van der Schaaf moet worden aangenomen dat appellant zwaardere medische beperkingen ondervindt dan gedaagde heeft aangenomen heeft appellant gewezen op de door gedaagde vastgestelde "Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium". In dit verband brengt appellant naar voren dat volgens deze richtlijn er niet noodzakelijkerwijs een lichamelijke of psychische oorzaak voor een ziekte of gebrek behoeft te worden vastgesteld alvorens het bestaan van beperkingen aan te nemen.

Ten aanzien van de van belang zijnde regelgeving en de daaraan te geven uitleg en toepassing overweegt de Raad het volgende.

In artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW is - voor zover in dit verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten.

Bij mededeling van 19 september 1996, nr. M. 96 122 heeft het voormalige Tica een circulaire voor de uitvoeringsorganisaties het licht doen zien betreffende het onderdeel van artikel 5 van de AAW en 18 van de WAO, luidende "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken". Op 2 april 1997 heeft Lisv in het kader van zijn taakstelling op grond van artikel 38 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 beslist deze circulaire (verder te noemen: Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium of de Richtlijn) met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1997 over te nemen.

Deze Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium beoogt blijkens het gestelde in paragraaf 1.2. door een interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Daarbij is uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad over dit onderwerp, zoals hierboven weergegeven. Overeenkomstig vermelde doelstelling heeft de Richtlijn het karakter gekregen van een uitvoerige werkinstructie voor verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde komen.

Het vorenstaande impliceert dat gedaagde bij het nemen van de desbetreffende besluiten vanaf 1 maart 1997 de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium in acht dient te nemen en dat de inhoud en wijze van toepassing in het kader van een beroep tegen zo'n besluit ter toetsing van de bestuursrechter staat. De verplichting van gedaagde om de Richtlijn in acht te nemen is tot 1 januari 1998, met ingang van welke datum ter zake van beleidsregels als de onderhavige in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een wettelijke regeling tot stand gekomen is, in het bijzonder gebaseerd op het beginsel van de rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel.

Alvorens te toetsen of gedaagde in het onderhavige geval de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium juist heeft toegepast, zal de Raad dienen te beoordelen of de Richtlijn zich verdraagt met de artikelen 5 van de AAW, 18 van de WAO en 3:2 van de Awb alsmede met de door de Raad gegeven uitleg van de eerste twee genoemde wetsartikelen.
Dienaangaande stelt de Raad vast dat de kern van de Richtlijn - in het bijzonder zoals verwoord in de punten n tot en met vijf van paragraaf 3.2. - niet in strijd komt met (een juiste uitleg van) genoemde bepalingen dan wel enige andere geschreven of ongeschreven rechtsregel. Dit geldt ook voor de paragraaf 4.6. van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, welke paragraaf de problematiek rond "moeilijk objectiveerbare aandoeningen" tot onderwerp heeft en voor het onderhavige geval in het bijzonder van belang is. In die paragraaf is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen worden niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan. In dat verband wordt van belang geacht of hun bestaan aannemelijk te achten is en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt.

Voor het onderhavige geval betekent het hierboven overwogene het volgende.

Appellant heeft onder andere verwezen naar hetgeen in de Richtlijn wordt gesteld omtrent wat daarin wordt aangeduid als "moeilijk objectiveerbare aandoeningen". Daargelaten het antwoord op de vraag of het in het geval van appellant gaat om een moeilijk objectiveerbare aandoening als bedoeld in de Richtlijn, is de Raad van oordeel dat gedaagde ter zake een juiste toepassing aan die Richtlijn heeft gegeven. Uit de in het bijzonder op die aandoeningen betrekking hebbende paragraaf 4.6. blijkt immers dat een uitvoeringsorgaan in overeenstemming met de op dit punt gevormde jurisprudentie van de Raad dient te beoordelen of bij een bepaalde verzekerde sprake is van arbeidsongeschiktheid in de vorenbedoelde zin. Blijkens de inhoud van het rapport d.d. 4 oktober 1996 van de verzekeringsarts J.P.M. Joosten heeft gedaagde zulks bij de voorbereiding van het bestreden besluit ook gedaan.

Hetgeen appellant, onder verwijzing naar het genoemde rapport van D.B. van der Schaaf, verder naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van het resultaat van het in geding zijnde verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Daaromtrent stelt de Raad in de eerste plaats vast dat D.B. van der Schaaf appellants gezondheidstoestand heeft beoordeeld zoals die was op 8 april 1997 dan wel op de datum van zijn onderzoek en - ten onrechte - niet zoals die was op de datum hier in geding, 1 juni 1997. Van groter gewicht acht de Raad evenwel dat uit dat rapport geenszins blijkt dat er bij appellant op de datum hier in geding sprake is van tot objectiveerbare gronden te herleiden medische beperkingen voor het verrichten van arbeid welke verder gaan dan de beperkingen die naar voren zijn gekomen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag ligt. In dit verband heeft de Raad moeten vaststellen dat de genoemde arts vrijwel uitsluitend op basis van anamnestisch van appellant verkregen informatie tot zijn conclusie is geraakt dat appellant niet in staat is de ten aanzien van hem geselecteerde functies uit te oefenen zonder dat overigens de verdergaande beperkingen vanuit medisch oogpunt voldoende kritisch op hun aannemelijkheid zijn bezien.

Voorts is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval geen bijzondere situatie, zoals in de hiervoor weergegeven jurisprudentie van de Raad is aanvaard, aan de orde is dat desondanks, verdergaande beperkingen dienen te worden aanvaard dan door de verzekeringsarts zijn vastgesteld.

Tenslotte is de Raad, gezien het geheel van voorhanden zijnde gedingstukken van medische aard, van oordeel dat het aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag gelegde medisch onderzoek volledig is, zodat de Raad niet zal voldoen aan het verzoek van appellant een nader onderzoek te doen instellen naar de gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellants grieven niet kunnen slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x