Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO / ZW
x
LJN:
x
AA8502
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-1997
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering omdat betrokkene per datum in geding voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Weigering van verdere ZW-uitkering omdat betrokkene niet langer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Ondanks herhaald en uitvoerig onderzoek zijn er geen - traceerbare - objectieve beperkingen vastgesteld en is er geen toereikende verklaring gevonden voor de extreme vermoeidheidsklachten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 95/7669 AAWAO en 96/265 ZW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

A, wonende  te B, appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen Groothandel en Vrije Beroepen.

Bij brief van 6 augustus 1994 is appellante door gedaagde in kennis gesteld van het besluit haar uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke waren berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, met ingang van 1 november 1994 in te trekken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum op minder dan 25 respectievelijk 15% diende te worden gesteld. (Besluit I).

Bij brief van 30 augustus 1995 heeft gedaagde appellante in kennis gesteld van het besluit haar terzake van het ziektegeval van 17 mei 1995 op en na 13 september 1995 verdere uitkering van ziekengeld te weigeren, aangezien zij niet langer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. (Besluit II).

De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraken van 17 oktober 1995 respectievelijk 4 januari 1996 het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld, waarbij hij de Raad heeft verzocht de aangevallen uitspraken te vernietigen en te bepalen dat appellante op en na 1 november 1994 recht heeft op een uitkering ingevolge de AAW/WAO c.q. dat zij recht heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) op en na 13 september 1995.

Bij verweerschrift (met bijlage) van 10 april 1996 heeft gedaagde de Raad verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.

Bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen), gedateerd 18 juni 1996, heeft mr. Bogaers de bezwaren van appellante toegelicht en daarbij de Raad tevens nadere medische informatie doen toekomen, waaronder een op verzoek van appellante uitgebracht rapport van dr. J.W.A. Swen, neuroloog te Delft.
Op 14 augustus 1996 heeft hij de Raad vervolgens een aantal stukken doen toekomen.

Op 's Raads verzoek heeft gedaagde op 19 augustus 1996 nog nadere medische gegevens overgelegd, op 22 augustus 1996 gevolgd door het commentaar van zijn verzekeringsgeneeskundige O.H.C.M. Dittrich ter zake van het bovenvermelde rapport van de neuroloog Swen.

Op de informatie die mr. Bogaers de Raad bij brief van 4 september 1996 heeft doen toekomen, heeft gedaagde gereageerd door inzending van het commentaar van zijn verzekeringsgeneeskundige O.H.C.M. Dittrich en zijn stafverzekeringsgeneeskundige H. Schellekens.
Namens appellante heeft mr. Bogaers hierop bij brief van 2 oktober 1996 (met bijlagen) zijn reactie gegeven.

Nadien heeft mr. Bogaers de Raad nogmaals verschillende malen informatie doen toekomen.

Beide zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 november 1996, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Bogaers, voornoemd, als haar raadsman.
Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, werkzaam bij GAK Nederland BV.

Nadat het ter zitting van 29 november 1996 ex artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedane verzoek om wraking van de fungerend voorzitter van de Raad bij uitspraak van de Raad van 6 december 1996 was afgewezen, is de behandeling van beide zaken hervat ter zitting van de meervoudige kamer van de Raad, gehouden op 12 maart 1997. Appellante is daar wederom verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Bogaers als haar raadsman en vergezeld van haar moeder, G. Hendrickx-van Zeeland en haar partner N.J.G. Peters.

Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. J.G.M. Huijs, werkzaam bij GAK Nederland BV.




II. MOTIVERING


I. Het AAW/WAO-besluit

Appellante was laatstelijk sedert november 1990 werkzaam als secretaresse bij X te Y. Met ingang van 22 maart 1991 heeft zij die werkzaamheden gestaakt, aanvankelijk wegens griep-, spier- en hoofdpijnklachten, later gevolgd door vermoeidheidsklachten, lusteloosheid en psychische klachten. In verband daarmee zijn haar met ingang 24 maart 1992 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de WAO en de AAW toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Bij het bestreden besluit zijn de uitkeringen met ingang van 1 november 1994 ingetrokken, aangezien appellante in staat werd geacht passende werkzaamheden te verrichten.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De Raad heeft dienaangaande het volgende overwogen.

Appellante is ten tijde van haar uitval onderzocht door haar huisarts J.J. Hoying te Venlo. Bij zijn onderzoek en bij aanvullend laboratoriumonderzoek heeft hij geen afwijkingen kunnen vaststellen. Aangezien de klachten in de loop van de tijd niet afnamen, heeft appellante zich in verband met een mogelijk psychische oorzaak van de klachten in juli 1992 gewend tot de psychiater J.W.L. Schreuder te Arcen. Na gedurende circa een jaar door hem te zijn behandeld, is de behandeling van appellante in mei 1993 in onderling overleg beŽindigd, aangezien naar beider oordeel de doelstelling van de behandeling was gerealiseerd.
In verband met het persisteren van de vermoeidheidsklachten is appellante in februari 1994 door haar huisarts verwezen naar prof. dr. P. Pop, internist te Maastricht. Bij zijn onderzoek van appellante op 22 februari 1994 en bij aanvullend laboratoriumonderzoek heeft hij geen lichamelijke afwijkingen kunnen vinden en is hij tot de conclusie gekomen dat, voor zover hij kon beoordelen, de klachten van appellante niet op organische pathologie van betekenis berustten. Zijns inziens konden die klachten gekwalificeerd worden als een chronisch moeheidssyndroom of een fybromyalgie.
In het kader van de per 1 augustus 1993 in werking getreden Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) is appellante op 24 mei 1994 onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige van de toenmalige Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD) O.H.C.M. Dittrich. Nadat deze bij oriŽnterend lichamelijk onderzoek geen afwijkingen had gevonden en informatie had ingewonnen bij de behandeld sector, is hij tot de conclusie gekomen dat appellante in staat geacht moest worden om passende werkzaamheden te verrichten. Hierna heeft gedaagde het bestreden besluit genomen.

De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om het bestreden besluit voor onjuist te houden. Hij wijst er op dat ondanks herhaald en uitvoerig onderzoek in casu geen - traceerbare - objectieve beperkingen zijn vastgesteld en dat er geen toereikende verklaring is gevonden voor de extreme vermoeidheidsklachten van appellante. Met name wijst de Raad hierbij naar de bevindingen van prof. Pop, die bij zijn onderzoek geen duidelijke argumenten heeft gevonden die pleiten voor het bestaan van organische pathologie van betekenis, waarbij hij nog heeft opgemerkt dat verder diagnostisch onderzoek naar het eventuele bestaan daarvan, hem weinig zinvol leek. Ook wijst de Raad op het rapport van de op verzoek van appellante geraadpleegde neuroloog J.W.A. Swen, waaruit evenmin is gebleken van het bestaan van objectieve afwijkingen ten tijde in geding. Ook overigens is de Raad noch uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde te zijner zitting gebleken van relevante nadere medische gegevens welke in essentie een ander licht werpen op de afweging en uitkomst van dit geding.
Op grond van het vorenoverwogene dient de Raad tot de conclusie te komen dat gedaagde appellante terecht en op goede gronden met ingang van 1 november 1994 geschikt heeft geacht tot het verrichten van passende functies.

Met betrekking tot de gestelde diagnose ME/CVS merkt de Raad nog op dat, zoals reeds eerder in vaste rechtspraak is uitgesproken, het stellen van die diagnose op zich zelf genomen nog niet medebrengt dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid.

Aangezien appellante voorts ter zitting van de Raad d.d. 12 maart 1997 uitdrukkelijk heeft herhaald zich voornamelijk op somatische gronden arbeidsongeschikt te achten en tevens heeft aangegeven nog steeds achter het oordeel te staan van haar behandelend psychiater Schreuder, die in juni 1993 verdere behandeling van de psychische problematiek niet noodzakelijk achtte en in september 1994 de heropening van de behandeling zelfs ongewenst achtte, ziet de Raad geen goede aanknopingspunten om appellante op psychische gronden op de datum in geding arbeidsongeschikt te achten.

Hetgeen verder nog namens appellante is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andere opvatting kunnen brengen.

Met betrekking tot het namens appellante gestelde inzake de TICA-richtlijn "Medische arbeidsongeschiktheidscriterium" wijst de Raad nog op het feit dat hij zich, in nadere uitwerking van hetgeen hij in essentie reeds eerder heeft uitgesproken, gelet zowel op de huidige niet-materieelwettelijke status van de richtlijn als op het doel daarvan, te weten het formuleren van uitgangspunten voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, voor de eigen beoordeling van de aan hem voorgelegde individuele gevallen van al dan niet toekenning door gedaagde van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet zonder meer aan die richtlijn rechtstreeks gebonden kan achten. Zulks is hier te minder het geval, aangezien het bestreden besluit ruimschoots vůůr de publicatie van die richtlijn is genomen, weshalve gedaagde daarmede bij zijn besluitvorming destijds ook geen rekening heeft kunnen houden.

Gelet op al het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak van 17 oktober 1995 dan ook worden bevestigd.

De Raad overweegt tenslotte - alles overziende - dat naar zijn oordeel gedaagde bij het nemen van het onderhavige besluit noch in strijd met het geschreven recht, noch onzorgvuldig, en evenmin in strijd met enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.



II. Het ZW-besluit

Appellante heeft zich op 17 mei 1995 vanuit de Werkloosheidswet wederom arbeidsongeschikt gemeld, nadat zij tijdens een verblijf in Malawi een malaria-infectie had opgelopen. Gedaagde heeft appellante terzake ziekengeld toegekend. Nadat gebleken was dat de behandelend internist J.J. Mattousch appellante uit de behandeling en controle had ontslagen en gedaagdes verzekeringsgeneeskundige Dittrich van mening was dat haar gezondheidstoestand weer gelijk was aan die van voor de ziekmelding van 17 mei 1995, heeft hij haar met ingang van 13 september 1995 weer arbeidsgeschikt geacht.
In de aangevallen uitspraak van 4 januari 1996 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

De Raad heeft ook hier onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om dit standpunt voor onjuist te houden en heeft in dit verband het volgende overwogen.

Krachtens artikel 19 ZW bestaat - voor zover hier van belang - recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder "ongeschiktheid tot werken" wordt ingevolge vaste rechtspraak van de Raad verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt dat appellante met ingang van 13 september 1995 ongeschikt was voor haar werk, gemeten naar voormelde maatstaf. De Raad constateert dat uit de beschikbare medische gegevens niet is gebleken van het bestaan van - traceerbare - objectieve beperkingen, in welk verband hij verwijst naar het hiervoor overwogene.

De Raad dient mitsdien ook hier tot de conclusie te komen dat appellante terecht en op goede gronden met ingang van 13 september 1995 niet langer ongeschikt is geacht tot het verrichten van haar arbeid.

De aangevallen uitspraak van 4 januari 1996 komt dan ook eveneens voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. Chr. van Voorst en mr. H.M.J.I. Steenbergen als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 1997.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x