Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA8530
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-06-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW/WAO-uitkering omdat betrokkene, die profvoetballer is, per datum in geding voor minder dan 25 onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Was er nog geen maatmanwisseling aan de orde, ook al was betrokkene op de afschattingsdatum ouder dan 35 jaar?
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/1893 AAW/WAO en 96/2113 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

A wonende te B, hierna: belanghebbende,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: het Lisv.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 29 maart 1994 heeft het Lisv de aan belanghebbende krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 24 mei 1994 ingetrokken op de grond dat hij per die datum voor minder dan 25, respectievelijk 15% arbeidsongeschikt is te achten.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 2 januari 1996 het namens belanghebbende tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak, het Lisv veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van f 1.440,05 en bepaald dat het Lisv het door belanghebbende gestorte griffierecht vergoedt.

Partijen zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Op de gronden, uiteengezet in het beroepschrift, heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat en procureur te Heerlen, namens belanghebbende de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen onder verbetering van gronden in die zin dat de maatmanwisseling eerst aan de orde kon komen bij het veertigste levensjaar van belanghebbende.

Op de gronden, uiteengezet in zijn beroepschrift, heeft het Lisv de Raad verzocht het betreden besluit te bevestigen, de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren.

Het Lisv heeft op 4 juni 1996 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 juni 1996 heeft het Lisv de Raad een nader stuk doen toekomen.

Bij brief van 24 juni 1996 is namens belanghebbende gereageerd op het verweerschrift van het Lisv.

Bij brief van 4 november 1996 zijn namens belanghebbende nadere stukken ingediend.

Hierop is door het Lisv gereageerd bij brief van 12 december 1996 (met bijlage).

Op verzoek van de fungerend president van de Raad heeft de registerarbeidsdeskundige W.A.M. Jacobs met een rapport van 21 juli 1997 van verslag en advies gediend.

Bij brief van 28 juli 1997 is namens belanghebbende op dit rapport gereageerd.

Bij brief van 25 september 1997 heeft het Lisv een reactie ingezonden, waarop van de zijde van belanghebbende is gereageerd bij brief van 6 oktober 1997.

Bij brief van 9 december 1997 heeft het Lisv een commentaar ingezonden, waarop namens belanghebbende is gereageerd bij brief van 31 december 1997.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april 1998, waar voor belanghebbende zijn verschenen zijn echtgenote E. Bolesta-Gregarek en mr P.H.A. Brauer, voornoemd, en waar gedaagde, zoals aangekondigd, zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Belanghebbende, geboren in 1957 in Polen, is met ingang van 1 juli 1990 als keeper een dienstverband voor de duur van drie jaar aangegaan met de Sportvereniging X te Y. Met ingang van 12 maart 1993 is belanghebbende ziek gemeld in verband met een blessure aan zijn linker knie, aan welke knie hij op 16 april 1993 is geopereerd. Belanghebbende kon nadien zijn werkzaamheden niet meer hervatten. Desverzocht zijn aan hem ingaande 4 februari 1994 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 17 februari 1994 is belanghebbende onderzocht door een verzekeringsgeneeskundige van de voormalige Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) die tot de conclusie is gekomen dat belanghebbende is aangewezen op knie- en rugsparende arbeid. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van deze dienst op 3 maart 1994 gerapporteerd dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de functies van samensteller, printmonteur en inpakker te verrichten, met welke werkzaamheden belanghebbende een zodanig inkomen kan verwerven dat geen verlies aan verdiencapaciteit resteert. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat, nu belanghebbende de leeftijd van 35 jaar al heeft bereikt, zijn maatman niet meer is de profvoetballer, doch de schoolverlater met een technische opleiding op LBO-niveau die het wettelijk minimumloon verdient. Op 24 maart 1994 heeft de GMD het Lisv overeenkomstig geadviseerd, waarna het bestreden besluit is gevolgd tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van belanghebbende per 24 mei 1994.

Ter beantwoording staat de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank deze vraag ontkennend beantwoord. Mede op basis van het rapport, gedateerd 19 september 1994, van de door haar geraadpleegde orthopedisch chirurg dr J.A.N. Verhaar kon de rechtbank instemmen met de arbeidsmogelijkheden van belanghebbende, zoals aangenomen bij het bestreden besluit. Voorts kon de rechtbank instemmen met de opvatting van het Lisv dat belanghebbende een leeftijd heeft bereikt waarop voetballers doorgaans de actieve profsportbeoefening hebben beëindigd en deswege zijn maatman niet meer is de profvoetballer. In van de zijde van belanghebbende aangedragen voorbeelden van keepers die ook na hun 35ste levensjaar nog werkzaam zijn of zijn geweest op het hoogste niveau, heeft de rechtbank geen grond gezien voor een andersluidend oordeel omdat het aannemelijk is dat profvoetballers, waaronder keepers, voor of rond het 35ste levensjaar, in elk geval op de leeftijd van belanghebbende ten tijde in geding de uitoefening van de profsport op dat hoogste niveau hebben beëindigd. De rechtbank kon evenwel niet instemmen met de gekozen maatman van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank had nader moeten worden onderzocht de aard en het niveau van de door belanghebbende in Polen gevolgde technische opleiding. Tevens had aandacht moeten worden besteed aan de door belanghebbende gevolgde trainersopleiding, zulks in combinatie met zijn jarenlange ervaring als profvoetballer.

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen omdat hij van mening is dat zijn arbeidsmogelijkheden zowel medisch als arbeidskundig, dit laatste met name in verband met zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal, onjuist zijn ingeschat. Voorts is hij van mening dat in zijn geval op 24 mei 1994 nog geen zogeheten "maatmanwisseling" aan de orde was. Naar zijn inschatting had hij tot zijn 40ste levensjaar nog als keeper werkzaam kunnen blijven bij een betaald voetbalorganisatie in Nederland dan wel elders, indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden.

Het Lisv is in hoger beroep gekomen omdat hij van mening is dat de in het geval van belanghebbende gekozen maatman voor juist moet worden gehouden.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Gelet op de voorhanden zijnde informatie van medische aard, waaronder in het bijzonder voormeld rapport van de orthopedisch chirurg dr. J.A.N. Verhaar, ziet ook de Raad geen grond voor het oordeel dat de belastbaarheid van belanghebbende voor arbeid is onderschat en hij met inachtneming van de voor hem geldende beperkingen de met hem door de arbeidsdeskundige op 2 maart 1994 besproken werkzaamheden op 24 mei 1994 niet zou kunnen verrichten. Evenmin ziet de Raad voor belanghebbende in zijn gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal een beletsel om deze werkzaamheden te verrichten. Het betreft hier eenvoudige, handmatige productiewerkzaamheden waarvoor niet of nauwelijks enige opleiding en/of ervaring is vereist.

In hetgeen partijen voor het overige verdeeld houdt heeft de Raad aanleiding gezien de registerarbeidsdeskundige W.A.M. Jacobs te verzoeken van verslag en advies te dienen. Aan zijn in rubriek I vermelde rapport valt onder meer het volgende te ontlenen:

- het contract van belanghebbende met X zou in 1993 ongetwijfeld verlengd zijn met een looptijd van één of twee jaar. Bijzondere omstandigheden daargelaten zou daarna het contract telkens weer verlengd zijn met, gezien de leeftijd van belanghebbende, een looptijd van één jaar totdat belanghebbende de leeftijd van 40 zou hebben bereikt;
- voor zover het niet tot een contractverlenging met X zou zijn gekomen, zou belanghebbende zeker bij een andere club een contract kunnen krijgen, waarbij het niet zou zijn uitgesloten dat belanghebbende daarbij er in inkomen op vooruit zou zijn gegaan. Belanghebbende stond bekend als een zeer goede keeper.
De arbeidsdeskundige Jacobs heeft als zijn mening te kennen gegeven dat een maatmanwisseling op een latere datum in zou moeten gaan. Hij heeft daaraan toegevoegd dat in dat geval een maatmaninkomen overeenkomstig de bij het bestreden besluit aangenomen resterende verdiencapaciteit (f 2.924,- tot f 3.053,-) zeker niet aan de lage kant is.

Mede gelet op de wijze waarop het rapport van de arbeidsdeskundige Jacobs is tot stand gekomen, kent de Raad aan dit rapport doorslaggevende betekenis toe en wel in die zin dat moet worden geoordeeld dat het Lisv bij het bestreden besluit ten onrechte heeft aangenomen dat de maatgevende arbeid van belanghebbende op 24 mei 1994 - belanghebbende was toen 36 jaar - niet meer is de als profvoetballer werkzame keeper. In zijn reactie op dit rapport en in de daaropvolgende reacties heeft het Lisv gewezen op 's Raads uitspraak gepubliceerd in RSV 1976/105 en, naar de Raad begrijpt, daarbij op basis van die uitspraak het standpunt ingenomen dat in alle gevallen een (semi-)profvoetballer bij het bereiken van de leeftijd van 35 jaar op andere arbeid dan arbeid als voetballer is aangewezen ter voorziening in zijn levensonderhoud. De door het Lisv aangehaalde uitspraak strekt evenwel niet zover als het Lisv kennelijk meent. De Raad wijst er hierbij allereerst op dat bedoelde uitspraak ziet op een veldspeler en niet op een keeper. De stelling zijdens belanghebbende dat keepers "langer meegaan" dan veldspelers, acht de Raad niet van enige grond ontbloot. Voorts wijst de Raad erop dat belanghebbende op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheden moest staken, de leeftijd van 35 jaar al had bereikt. Gesteld, noch gebleken is dat op dat tijdstip het einde van zijn carrière als professioneel keeper om welke reden dan ook op korte termijn toch al viel te verwachten. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat, indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, belanghebbende op 24 mei 1994 nog werkzaam zou zijn als profvoetballer.

Met het vorenstaande is gegeven dat het hoger beroep van belanghebbende slaagt en het hoger beroep van het Lisv niet kan slagen.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat ook de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit in rechte niet kan stand houden, zij het op andere gronden dan die welke de rechtbank aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt behoudens de daarbij gegeven opdracht aan het Lisv om een nieuw besluit te nemen. Dit laatste laat overigens onverlet dat het het Lisv vrijstaat opnieuw de aanspraken van belanghebbende per 24 mei 1994 te beoordelen. De Raad wijst er daarbij op dat, naar het hem voorkomt, een nader onderzoek naar het maatmaninkomen van belanghebbende als profvoetballer alsdan in de rede ligt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Lisv te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd.

De Raad stelt vast dat het door belanghebbende in hoger beroep gestorte griffierecht door het Lisv dient te worden vergoed.

De Raad stelt tot slot vast dat van het Lisv een recht van f 630,- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat het Lisv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van het gestelde in die uitspraak;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag groot f 1.420,-;
Verstaat dat het Lisv aan belanghebbende het gestorte recht van f 150,- vergoedt;
Verstaat dat van het Lisv een recht van f 630,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. C.G.L. Plomp als voorzitter en mr. G. van der Wiel en prof. mr. J.B.J.M. ten Berge als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P. Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 1998.

(get.) C.G.L. Plomp.

(get.) S.P. Madunic.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x