Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA8561
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-09-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schending van de inlichtingenverplichting door niet tijdig het voornemen te melden om langer dan vier weken naar het buitenland te vertrekken. Oplegging van een maatregel van 5% van de maanduitkering. Ingangsdatum van de maatregel. Vergoeding van de wettelijke rente en de reiskosten (o.m. openbaar vervoer Boekarest-Amsterdam) in verband met de behandeling van het geding ter zitting van de CRvB.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/3047 AAW/WAO en 99/1297 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:


A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 7 november 1996 heeft gedaagde het uitkeringspercentage van de eerder aan appellante toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over de in dat besluit genoemde periode met 5% verlaagd.

De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 4 maart 1998 het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 november 1996 vernietigd.

Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Met inachtneming van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 29 april 1998 wederom het uitkeringspercentage over de in dat besluit genoemde periode met vijf procent verlaagd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juni 1999, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde - zoals te voren aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


1. Feiten die de Raad als vaststaand aanneemt

Blijkens de gedingstukken ontvangt appellant sedert 27 november 1979 uitkeringen krachtens de AAW en de WAO berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 6 november 1996 heeft appellant telefonisch aan de administrateur van gedaagde meegedeeld dat hij de beschikking had gekregen over een flat in Spanje en dat hij met ingang van 27 november 1996 voor een langere periode naar Spanje zou vertrekken. Voorts deelde hij mee dat, als het goed zou bevallen, hij definitief daar zou blijven. Uit het betreffende telefoonrapport blijkt dat aan appellant is verteld dat hij dit twee maanden van te voren had moeten aanvragen en blijkt tevens dat hij op de consequenties van zijn vertrek is gewezen.

Bij brief van 7 november 1996 heeft gedaagde appellant "toestemming" verleend om voor een periode van een half jaar naar Spanje te gaan. Voorts heeft gedaagde op die datum het in hoger beroep bestreden besluit ten aanzien van appellant genomen.

Overeenkomstig zijn voornemen is appellant op 27 november 1996 naar Spanje vertrokken. Daarbij heeft hij in dit geding gesteld dat hij in verband met de consequenties van een langer verblijf dan vier weken in Spanje het voornemen had binnen deze termijn naar Nederland terug te keren, maar dat hij als gevolg van diverse omstandigheden toch eerst in januari 1997 is teruggekeerd naar Nederland.



2. Het geschil

Genoemd besluit van 7 november 1996 heeft onder meer de volgende inhoud:
"Uit onze gegevens is gebleken dat u met ingang van 27 november 1997 voor een langere duur naar Spanje vertrekt. Dit moet minimaal 2 maanden van tevoren worden aangevraagd.
Hiermee heeft u de voorschriften van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) overtreden.
Namens het bestuur van de bedrijfsvereniging is besloten over de periode van 2 december 1996 tot 30 december 1996 een sanctie toe te passen van 5%.
Het bij uw mate van arbeidsongeschiktheid behorende uitkeringspercentage wordt daarom verlaagd met 5%.
Het gesanctioneerde uitkeringspercentage bedraagt derhalve 70% - 5% = 65%."

De rechtbank heeft dat besluit vernietigd onder overweging van het navolgende:
"Verweerder heeft als uitgangspunt genomen dat eiser zich niet heeft gehouden aan het controlevoorschrift om voor vertrek naar het buitenland voor een langere periode dan vier weken daarvan minimaal twee maanden voor vertrek mededeling te doen aan het bestuur van de bedrijfsvereniging.
De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser op 7 november 1996 telefonisch melding heeft gemaakt van het feit dat hij met ingang van 27 november 1996 voor langere tijd naar Spanje vertrekt. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat hij ruim voor zijn vertrek bij het GAK in een ander gebouw (waar de WW-afdeling is gevestigd) is geweest om melding te maken van zijn vertrek naar Spanje. Hierop heeft verweerders gemachtigde ter zitting aangevoerd dat van een dergelijk gesprek geen loketrapport of een telefoonrapport is opgemaakt en dat eveneens op geen enkele ander wijze duidelijk is geworden dat eiser ruim voor 7 november 1996 melding heeft gemaakt van zijn vertrek naar Spanje.
De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat nu in het dossier geen enkele aanwijzing is te vinden voor een melding voor 7 november 1996, eiser eerst op de laatstgenoemde datum op controleerbare wijze melding van zijn vertrek heeft gemaakt.
Hiermee heeft eiser het controlevoorschrift, om voor vertrek naar het buitenland voor een langere periode van vier weken daarvan minimaal twee maanden voor vertrek mededeling te doen aan het bestuur van de bedrijfsvereniging, overtreden.
Deze overschrijding legt ingevolge artikel 25 van de WAO op verweerder de verplichting om een maatregel op te leggen.
Met betrekking tot de hantering van deze verplichting gaat verweerder uit van het Maatregelenbesluit Tica. Toepassing gevend aan dit besluit heeft verweerder beslist om eiser gedurende de periode van 2 december 1996 tot 30 december 1996 een sanctie op te leggen van 5%.

Deze maatregel past op zich bij de omschrijving van de overtreding en kan als zodanig te toetsing van de rechtbank doorstaan.
Toch is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat zij strijdt met de bepalingen in de artikelen 3:46 en 3:47 Awb, inhoudende dat het besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering en dat die motivering in het besluit moet worden opgenomen.
De rechtbank heeft daartoe het volgende laten wegen.
Noch uit het bestreden besluit, noch uit de overige gedingstukken blijkt dat toepassing is gegeven aan het bepaalde in de artikelen 20, tweede lid van de AAW en 29, tweede lid van de WAO, waarin is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan afzien van het opleggen van een maatregel.
Ter zitting is namens verweerder aangegeven dat ervan wordt uitgegaan dat de primaire afdeling nagaat of er sprake is van een dringende reden. Wordt er geen opmerking gemaakt over een dringende reden dan moet worden aangenomen dat een dringende reden niet aanwezig is.
De rechtbank acht een dergelijke gang van zaken niet toelaatbaar, aangezien op deze wijze volstrekt oncontroleerbaar wordt welke aspecten in de beoordeling zijn betrokken. Dit klemt in de onderhavige situatie temeer nu evenmin is gebleken dat bij eiser is geļnformeerd naar de oorzaak van de te late melding, of dat eiser op andere wijze zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken, zodat verweerder niet alle van belang zijnde factoren bij zijn besluit heeft kunnen meewegen en zich een oordeel heeft kunnen vormen over de verwijtbaarheid van de gedraging. Hiermee heeft verweerder verzuimd zich een oordeel te vormen over het gestelde in artikel 4, tweede lid, van het bovengenoemde Maatregelenbesluit, die de mogelijkheid geeft om bij verminderde verwijtbaarheid de sanctie te stellen op 2%."

In hoger beroep is de juistheid van de aangevallen uitspraak bestreden voor zover daarbij is overwogen dat de maatregel als zodanig de toetsing van de rechtbank kon doorstaan. Daarbij is van de kant van appellant staande gehouden dat hij tijdig zijn voornemen tot vertrek naar Spanje kenbaar heeft gemaakt.



3. Het wettelijk kader

De artikelen 18 van de AAW en 27 van de WAO (zoals luidend tot 1 maart 1997) bepalen dat de bedrijfs-vereniging bevoegd is controlevoorschriften vast te stellen en dat deze voorschriften niet verder mogen gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wetten. Met ingang van 1 maart 1997 komt deze bevoegdheid aan het Lisv toe.

Met gebruikmaking van deze bevoegdheid heeft de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen Controlevoorschriften vastgesteld, waarvan artikel 7, tweede lid, bepaalt dat de uitkeringsgerechtigde die voor langer dan vier weken naar het buitenland vertrekt, daarvan tenminste twee maanden voor zijn vertrek mededeling doet aan het Bestuur.

Deze Controlevoorschriften zijn per 1 januari 1998 door het Lisv ingetrokken en vervangen door de Controlevoorschriften WAO, WAZ, Wajong 1998. In artikel 6, tweede volzin, van die Controlevoorschriften is bepaald dat de uitkeringsgerechtigde die voor langer dan vier weken naar het buitenland vertrekt, hiervan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee weken voor vertrek mededeling doet aan de uitvoeringsinstelling.

Ingevolge de artikelen 19, aanhef en onder d, van de AAW en 28, aanhef en onder d, van de WAO (zoals luidend tot 1 maart 1997) weigert de bedrijfsvereniging de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de belanghebbende de hiervoor bedoelde controlevoorschriften niet of niet behoorlijk is nagekomen. Een dergelijke maatregel dient op grond van de artikelen 20, eerste lid, van de AAW en 29, eerste lid, van de WAO (zoals luidend tot 1 januari 1998) te worden afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten. Het tweede lid van genoemde artikelen bepaalt voorts dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

Op grond van de artikelen 20, vierde lid, (oud) van de AAW en 29, vierde lid,(oud) van de WAO heeft het Tica nadere regels gesteld ten aanzien van de op te leggen maatregelen (Maatregelenbesluit Tica). Voor gevallen als het onderhavige is in artikel 4, eerste lid, van het Maatregelenbesluit Tica bepaald dat de hoogte en duur van de maatregel 5% gedurende vier weken bedraagt. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, bedraagt ingevolge het tweede lid van genoemd artikel de hoogte van de maatregel 2%.

Voorts dient te worden vermeld dat artikel 12 van het Maatregelenbesluit Tica voor zover hier van belang bepaalt dat de maatregel ingaat op de eerste dag van de overtreding.



4. Beoordeling van het bestreden besluit van 7 november 1996

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant het hierboven genoemde controlevoorschrift heeft overtreden. Ook de Raad acht het onvoldoende aannemelijk dat appellant tenminste twee maanden voor zijn vertrek naar Spanje op behoorlijke wijze mededeling heeft gedaan van zijn vertrek naar Spanje op 27 november 1996. Hieraan kan al hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd, niet afdoen. De Raad wil weliswaar niet uitsluiten dat appellant wellicht op een kantoor van gedaagdes administrateur over dit onderwerp een informatief gesprek heeft gevoerd, maar de Raad acht - gelet op het ontbreken van iedere schriftelijke vastlegging - in rechte onvoldoende aannemelijk geworden dat appellant tijdig een voldoende concrete mededeling over zijn vertrek per 27 november 1996 naar Spanje aan gedaagde heeft gedaan. Voorts is van belang dat voor zijn vertrek naar Spanje appellant op geen enkele wijze aan gedaagde heeft laten weten dat zijn intentie om langer dan vier weken weg te blijven was gewijzigd.

Desondanks komt gedaagde naar het oordeel van de Raad niet de bevoegdheid toe de onderhavige maatregel over het tijdvak van 2 december 1996 tot 30 december 1996 op te leggen, nu deze maatregel strijdig is met hiervoor genoemde artikel 12 van het Maatregelenbesluit Tica. Ingevolge dit artikel gaat de maatregel in op de eerste dag van de overtreding. Van een overtreding van het aan de orde zijn controlevoorschrift is naar het oordeel van de Raad dan ook sprake op het tijdstip dat alle elementen van de omschrijving van de overtreding zijn vervuld.

Derhalve is overeenkomstig de door de Raad ter zake gevormde jurisprudentie bedoeld controlevoorschrift overtreden op het moment dat een belanghebbende naar het buitenland vertrekt met voornemen daar langer dan vier weken te blijven. Dit betekent dat in het onderhavige geval reeds op 27 november 1996 het controlevoorschrift was overtreden en de maatregel op die dag diende in te gaan.

Het vorenstaande betekent dat het door de rechtbank in stand gelaten deel van het besluit van 7 november 1996 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 12 van het Maatregelenbesluit Tica, zodat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.



5. Het besluit van 29 april 1998

Zoals in rubriek I is vermeld heeft gedaagde na vernietiging van het besluit van 7 november 1996 bij de aangevallen uitspraak op 29 april 1998 wederom een besluit genomen naar aanleiding van meergenoemd verblijf van appellant in Spanje. Dit besluit luidt onder meer als volgt:
"Uit onze gegevens is gebleken dat u op 27 november 1996 naar het buitenland, te weten Spanje, bent vertrokken voor een verblijf van langer dan vier weken.
Dat vertrek heeft u Gak Nederland bv. gemeld op 7 november 1996.
Daarmee heeft u niet voldaan aan de in de controlevoorschriften van het Landelijk instituut sociale verzekeringen opgenomen verplichting om van een vertrek naar het buitenland van langer dan vier weken tenminste twee maanden voor het vertrek mededeling te doen aan Gak Nederland bv.
In verband daarmee is Gak Nederland bv. verplicht een maatregel op te leggen. Dat houdt in dat een korting moet worden toegepast op uw uitkering conform het Maatregelenbesluit.
Voor de door u niet nagekomen verplichting is volgens het Maatregelenbesluit de hoogte en duur van de maatregel 5% gedurende een periode van vier weken.
Daarbij is rekening gehouden met de ernst van de overtreding.
Indien de mate van verwijtbaarheid van uw gedraging of nalatigheid daartoe aanleiding geeft, kan de hoogte van de maatregel op een lager percentage worden gesteld. Indien iedere verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen maatregel opgelegd.
Als reden voor het niet nakomen van uw verplichting heeft u aangegeven dat u niet wist dat u dit tijdig moest melden.
Gak Nederland bv. ziet daarin echter geen aanleiding u het niet nakomen van uw verplichting niet of in verminderde mate te verwijten.
Indien een zelfde soort verplichting binnen twee jaar wederom niet of niet behoorlijk is nagekomen, dient de op te leggen maatregel met de helft te worden verhoogd.
De wet biedt de mogelijkheid om vanwege een dringende reden af te zien van het opleggen van de maatregel.
Er zijn Gak Nederland bv. geen omstandigheden gebleken die aanleiding geven om vanwege een dringende reden van oplegging van een maatregel af te zien.

Op grond van bovenstaande heeft Gak Nederland bv. besloten dat een maatregel wordt opgelegd van 5% over de periode van 27 september 1996 tot 25 oktober 1996. Bij een uitkeringspercentage van 70% is het kortingspercentage 70/70 x 5% = 5%."

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat dit besluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu dit besluit niet geheel of gedeeltelijk tegemoet komt aan het beroep van belanghebbende, wordt het beroep van appellant geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.

De Raad constateert dat blijkens de bewoordingen van het besluit van 29 april 1998 toepassing wordt gegeven aan de Controlevoorschriften van het Lisv. Deze voorschriften, die - zoals uit het bovenstaande blijkt - overigens eerst met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden zijn, leggen slechts de verplichting op uiterlijk twee weken voor vertrek mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan. Derhalve kunnen deze Controlevoorschriften geen grondslag vormen voor de opgelegde maatregel.

Uit vorenstaande vloeit voort dat het beroep dat appellant geacht moet worden hebben ingesteld tegen het besluit van 29 april 1998 gegrond moet worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd.



6. Wettelijke rente en proceskosten

Namens appellant is verzocht gedaagd te veroordelen in door appellant geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. De Raad oordeelt hierover als volgt.

Nu niet valt uit te sluiten dat nog nadere besluitvorming van gedaagde zal plaatsvinden, kan in dit geding de hoogte van de schade niet worden vastgesteld, zodat het verzoek van appellant thans door de Raad moet worden afgewezen.

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant die hij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden gelet op de inhoud van de brieven van appellant ddis 14 mei 1999 en 2 juni 1999 begroot op de reiskosten per openbaar vervoer in verband met de behandeling van het geding ter zitting van de Raad. Gelet op de door appellant verschafte gegevens begroot de Raad de redelijkerwijs gemaakte kosten op f 589,- (Boekarest-Amsterdam) alsmede f 38,74 reiskosten in Nederland.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede artikel 25 van de Beroepswet acht de Raad voorts termen aanwezig te bepalen dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat appellant geacht worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 29 april 1998 gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 april 1998;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van f 627,74;
Bepaalt dat gedaagde aan het appellant het gestorte recht van f160 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 september 1999.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x