Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA8628
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-11-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW-uitkering onder de overweging dat betrokkene minder dan 25% arbeidsongeschikt is en herziening WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Is de resterende verdiencapaciteit juist vastgesteld? Weigering door het Lisv om stukken in zenden aan de rechtbank omdat het in de openbaarheid brengen van bedrijfsgeheimen het gevaar oproept van concurrentievervalsing. Toepasselijkheid van de Wob.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/7547 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 27 januari 1995 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, voor zover het uitkering ingevolge de AAW betrof, ingetrokken en voor zover het uitkering ingevolge de WAO betrof, herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, zulks per 1 maart 1995.

De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 juli 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 september 1998, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is verschenen bij zijn gemachtigden mr. A.I. van der Kris en mr. M.J.M. Oltmans, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V., en bij D. Vermeulen en drs. H.P.G. Mulders, beiden werkzaam bij het Lisv, terwijl voor gedaagde als gemachtigden zijn verschenen mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn en mr. M.H. Klijnstra, beiden advocaat te Amsterdam.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiser, geboren in 1958, was laatstelijk sedert 1 november 1985 werkzaam als medewerker interne dienst/chauffeur gedurende 40 uur per week, in dienst van B.V. X te Y, tegen een brutosalaris van f 3.261,- per maand. Met ingang van 4 maart 1991 heeft hij zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld wegens psychische klachten. Eiser heeft gedurende de maximale termijn uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen. Vervolgens is hem bij besluit van 28 juli 1992 met ingang van 4 maart 1992 een AAW/WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van een herbeoordeling op grond van Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA, Stb. 1993, 412) is eiser op 1 september 1994 door verweerders verzekeringsgeneeskundige gezien. De verzekeringsgeneeskundige heeft blijkens het rapport van diezelfde datum op grond van de reeds in het dossier aanwezige gegevens en de eigen bevindingen geconcludeerd dat eiser op medische gronden in staat was te achten volledig te hervatten in passend werk. Vervolgens is door de verzekeringsgeneeskundige een belastbaarheidspatroon opgesteld. Verweerders arbeidsdeskundige is op basis van dit belastbaarheidspatroon tot de conclusie gekomen dat eiser niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar wel voor een aantal andere functies. In die functies zou eiser een mediaan loon kunnen verdienen van f 3.359,- bruto per maand. Dit loon, afgezet tegen het loon dat eiser volgens verweerder had kunnen verdienen in zijn werk als medewerker interne dienst/chauffeur indien hij daarvoor niet arbeidsongeschikt was geworden, zou leiden tot een verlies aan verdiencapaciteit van 17,44%. De arbeidsdeskundige heeft deze bevindingen op 5 en 7 december 1994 met eiser besproken en bij brief van 8 december 1994 nader bevestigd.
Verweerder is vervolgens geadviseerd eiser ten aanzien van de AAW voor minder dan 25% en ten aanzien van de WAO voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt te beschouwen. Hierop heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

In het bij de rechtbank ingestelde beroep heeft gedaagde onder meer de juistheid van de met betrekking tot de resterende verdiencapaciteit door appellant gehanteerde lonen bestreden. Hangende de procedure bij de rechtbank heeft gedaagde appellant verzocht de gegevens op basis waarvan deze loonwaarden zijn vastgesteld, en met name de zogeheten functie-enquêteformulieren, in het geding te brengen. Daartoe is van de kant van gedaagde gedocumenteerd uiteengezet dat de lonen van de door de betrokken arbeidsdeskundige geselecteerde functies belangrijke verschillen vertonen met de in de betreffende CAO's genoemde lonen.

Naar aanleiding van de brieven van de rechtbank d.dis 20 juni 1996, 29 juli 1996 en 24 januari 1997 heeft appellant bij brief van 5 maart 1997 onder meer het volgende aan de rechtbank medegedeeld:
"Gegevens uit het FIS met betrekking tot namen/adressen van werkgevers zelf worden - in opdracht van het TICA, thans Lisv - niet aan derden, waaronder advocaten en rechters, verstrekt."

De rechtbank heeft - kennelijk mede gelet op het verhandelde ter zitting van 5 juni 1997 - hieruit geconcludeerd dat appellant niet bereid was te voldoen aan een verzoek van de rechtbank om in het onderhavige geval de functie-enquêteformulieren over te leggen.

De rechtbank heeft ten aanzien van de weigering van appellant de betreffende functie-enquêteformulieren in het geding te brengen het volgende overwogen:

"3.3.1 De rechtsvraag
In deze procedure wordt naast de medische met name de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid betwist. Eiser meent dat de arbeidskundige beoordeling niet getoetst kan worden zonder dat partijen en de rechter beschikken over de functie-enquêteformulieren van de geduide functies. Onder die formulieren worden verstaan de documenten zoals die zijn opgesteld tijdens of naar aanleiding van een bezoek aan het bedrijf waar die functie bestaat. Op het formulier staan naast onder meer de beschrijving van de werkzaamheden, de belasting in de functie en de berekening van het uurloon, ook de naam en het adres van de betreffende werkgever vermeld. De op deze formulieren vermelde gegevens zijn ingevoerd in het functie-informatiesysteem (FIS).
De rechtbank ziet zich derhalve in deze procedure allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is de functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Deze vraag kan reeds worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de (lees:) Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat niet nader ingegaan behoeft te worden op het bepaalde in art. 6 van het (lees:) Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De in dit artikel genoemde fundamentele beginselen van procesrecht zijn immers, voorzover zij al niet behoorden tot de algemeen erkende beginselen van het Nederlandse bestuursrechtelijke procesrecht, in ieder geval in de Awb expliciet geregeld voor het bestuursrechtelijk procesrecht.

3.3.2 Artikel 8:42 Awb
Voorop gesteld moet worden dat verweerder op grond van het bepaalde in art. 8:42 van de Awb gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Blijkens vaste rechtspraak behoren tot die stukken ten minste alle stukken die door het bestuursorgaan zijn gebruikt bij de voorbereiding en het nemen van het besluit.
Tussen partijen is niet in geschil dat tot die stukken in ieder geval behoren alle gegevens over onder meer de aard, de belasting, de werktijden en de loonwaarden van de geduide functies. De functie-enquêteformulieren behoren niet tot deze stukken, aangezien verweerder ten tijde van het nemen van het besluit ten aanzien van eiser die stukken niet heeft gebruikt. Deze formulieren behoren derhalve naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet tot de stukken als bedoeld in art. 8:42 van de Awb.

3.3.3 Artikel 8:45 Awb
Voorts is verweerder op grond van het bepaalde in art. 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb gehouden om op verzoek van de rechtbank bepaalde stukken in te zenden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van dit artikel gehouden kan worden functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Wanneer een partij, zoals in dit geding, gemotiveerd bepaalde gegevens uit het FIS met betrekking tot in die zaak geduide functies betwist, dan dient de rechter die gegevens te kunnen controleren. Zulks geldt evenzeer indien de rechtbank ambtshalve aanleiding heeft om te twijfelen aan bepaalde gegevens uit het FIS. Blijkens vaste rechtspraak (onder meer HR 18 februari 1994, NJ 94/742) behoort het immers tot de fundamentele beginselen van het (bestuursrechtelijk) procesrecht dat de rechter bij de vaststelling van rechten en verplichtingen van partijen zich alleen mag baseren op gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen. Daaruit vloeit voort dat de rechter zich, wanneer sprake is van een gemotiveerde betwisting daarvan, niet mag laten leiden door bepaalde conclusies van een partij die geheel of ten dele berusten op wezenlijke gegevens van feitelijke aard welke die partij ook desgevraagd niet heeft willen openbaren.

3.3.4 Artikel 8:29 Awb
Verweerder heeft in de loop van deze procedure - subsidiair - een beroep gedaan op art. 8:29 van de Awb. De rechtbank wijst er voor de goede orde eerst op dat een dergelijk beroep eerst (goed) beoordeeld kan worden door de rechtbank wanneer de betreffende partij de stukken aan de rechtbank zendt, dan wel anderszins inzage ervan mogelijk maakt. Een beoordeling van verweerders beroep op toepassing van art. 8:29 van de Awb is derhalve slechts in algemene zin mogelijk.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de door verweerder aangedragen gronden voor geheimhouding in het algemeen niet als gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb aangemerkt kunnen worden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt immers dat in ieder geval geen sprake is van gewichtige redenen indien verweerder op grond van de (lees:) Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verplicht zou zijn de functie-enquêteformulieren over te leggen. Krachtens het bepaalde in art. 10, eerste lid, onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge die wet achterwege voorzover dit 'bedrijfs- en fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.' Blijkens de jurisprudentie is eerst sprake van gegevens als bedoeld in dit artikellid indien uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

Ten aanzien van alle functie-enquêteformulieren van de functies in het FIS kan zeker niet gezegd worden dat daaruit dergelijke wetenswaardigheden afgeleid kunnen worden.
Verder is niet gebleken dat uit de in deze procedures overgelegde functiebeschrijvingen, voorzover de naam en het adres van de werkgevers daarbij bekend zouden zijn geweest, wel wetenswaardigheden als hiervoor bedoeld afgeleid hadden kunnen worden. Voor de goede orde voegt de rechtbank daar nog aan toe dat het niet uitgesloten is te achten dat bij bepaalde functies uit de combinatie van omschrijving van de werkzaamheden, het aantal arbeidsplaatsen, de looncomponenten en de naam van de werkgever wel dergelijke wetenswaardigheden zijn af te leiden. Wanneer verweerder meent dat een zodanige situatie aan de orde is dan dient hij een op die zaak toegespitst gemotiveerd verzoek om toepassing van art. 8:29 van de Awb in te dienen.

Voorts heeft verweerder kennelijk beoogd een beroep te doen op het bepaalde in art. 10, tweede lid, onder g, van de Wob. In dit artikellid is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge de Wob eveneens achterwege blijft voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Daarbij dient aangetekend te worden dat blijkens vaste rechtspraak (JB 96/201) niet het specifieke belang van de verzoeker in de belangenafweging betrokken dient te worden. De Wob veronderstelt het publieke belang van openbaarheid van bepaalde informatie, zodat dat belang niet nader onderbouwd dient te worden. Bij de te verrichten belangenafweging worden derhalve betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden van de Wob beschermde belangen.

Het beroep op art. 10, tweede lid, onder g, van de Wob kan thans ook slechts in algemene zin worden beoordeeld. De rechtbank stelt voorop dat het belang om in procedures over alle gegevens te beschikken waarop een van de partijen zijn standpunt baseert een, zoals hiervoor reeds overwogen, fundamenteel beginsel van procesrecht is dat niet snel kan en mag wijken voor andere belangen. Het is in procedures als de onderhavige in beginsel een wezenlijk belang om te kunnen beschikken over de functie-enquêteformulieren. Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet immers sedert 1 augustus 1993 uitgegaan worden van functies met de hoogste loonwaarden uit functies welke de betrokkene in theorie nog kan verrichten. De betekenis van de geduide functies is derhalve sindsdien sterk toegenomen. Strikt genomen is wellicht nog sprake van voorbeeldfuncties, doch het is geenszins onmogelijk dat een zelfde of enigszins vergelijkbare functie als de geduide functie met de hoogste loonwaarde niet bestaat. Een eventueel in te stellen onderzoek naar bijvoorbeeld de lonen in dezelfde functie in willekeurige bedrijven is dan zinloos, omdat het de eventuele onjuistheid van de door verweerder gehanteerde loonwaarde niet kan aantonen. Onder deze omstandigheden is de mogelijkheid van enige vorm van controle op de geduide functies een wezenlijk belang. Kleine onjuistheden in het FIS, zoals onder meer gebleken tijdens de behandeling ter zitting, kunnen immers grote gevolgen voor de betrokkenen hebben.

Het belang bij het niet verstrekken van de functie-enquêteformulieren is gelegen in de vrees dat werkgevers benaderd worden en niet langer bereid zullen zijn mee te werken aan het leveren van gegevens voor het FIS. Verweerder denkt dat het in bepaalde procedures bekend maken van de namen en adressen van werkgevers ertoe zal leiden dat de werkgevers regelmatig benaderd zullen worden door advocaten en anderen om de gegevens over de betreffende functie(s) te controleren. De rechtbank heeft begrip voor verweerders zorg voor de belangen van derden en meent dat sprake is van een zeker belang bij het niet hoeven verstrekken van de functie-enquêteformulieren. De rechtbank is echter van mening dat gelet op enerzijds het hiervoor genoemde algemene belang van openbaarmaking in procedures als de onderhavige en op anderzijds het door verweerder gesignaleerde belang niet gezegd kan worden dat sprake is van een onevenredige benadeling als bedoeld in art. 10, tweede lid onder g, van de Wob, indien verweerder de functie-enquêteformulieren in bepaalde gevallen in het geding dient te brengen. Mede gelet op de strekking van art. 8:29, tweede lid, van de Awb is de rechtbank van oordeel dat de fundamentele procesrechtelijke beginselen zwaarder dienen te wegen dan de praktische belangen van verweerder. In het midden kan derhalve nog worden gelaten of verweerder de eventuele onvrede bij werkgevers niet op enigerlei wijze zou kunnen oplossen in of na overleg met die werkgevers of via andere mogelijkheden die de Wob wellicht biedt.


3.3.5 Conclusie
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat verweerder op grond van het bepaalde in art. 8:45 van de Awb gehouden is om, op verzoek, de functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Verweerder heeft dat in deze procedure geweigerd. Verder kan verweerders beroep in algemene zin op toepassing van art. 8:29 van de Awb niet slagen. Nu verweerder niet aan zijn verplichting ex art. 8:45 van de Awb heeft voldaan is het de rechtbank onmogelijk geworden de grondslag van de bestreden besluiten te beoordelen. Mede gelet op het bepaalde in art. 8:31 van de Awb is de rechtbank derhalve van oordeel dat ook besluit II niet in stand kan blijven.".

In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank onder meer als volgt bestreden:

"Artikel 8:29, lid 1, Awb bepaalt dat partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, kunnen weigeren stukken over te leggen, dan wel mededelen dat alleen de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het tweede lid is er in ieder geval geen sprake van gewichtige redenen, indien de informatie op grond van de Wob zou moeten worden verstrekt. Het derde lid bepaalt dat de rechtbank beslist of een weigering gerechtvaardigd is.

Ondergetekende is allereerst van mening op grond van de Wob niet verplicht te zijn de informatie in de functie-enquêteformulieren te verstrekken. Zou dit wel het geval zijn dan kan er immers geen sprake zijn van "gewichtige redenen".
Artikel 10, lid 1, onder c, Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.
In dit verband wordt in de wetsgeschiedenis (Memorie van Toelichting, Handelingen van de Tweede Kamer 1986-1987, 19 859, p. 33) de grote stroom van vrijwillig verstrekte bedrijfsgegevens genoemd die de overheid verzamelt en ten behoeve van statistische publicaties bewerkt om beleid te kunnen voeren. Die verzamelingen zouden niet kunnen worden aangelegd als de vertrouwelijkheid van de individuele bron niet gegarandeerd zou zijn en de gegevens in handen zouden kunnen komen van concurrenten. Het artikel beoogt derhalve in het algemeen gesproken enerzijds de overheid voldoende grondslag te bieden voor de beleids- en bestuursvoering en anderzijds de bedrijven voldoende bescherming te bieden tegen concurrentievervalsing.

In het onderhavige geval is een vergelijkbare situatie aan de orde. Met de gegevens die de werkgevers verschaffen, wordt het FIS-systeem gevoed. De bedrijven zouden zeker niet meewerken aan deze informatieverschaffing als de vertrouwelijkheid van de informatiebron niet, althans niet in belangrijke mate, gegarandeerd zou zijn. Die beduchtheid van werkgevers is begrijpelijk. Een analyse van functies en werkprocessen in een bedrijf kan namelijk inzicht bieden in productspecificaties en fabricageprocessen en daardoor bedrijfsgeheimen in de openbaarheid brengen die het gevaar oproepen van concurrentievervalsing. Ondergetekende heeft de werkgevers die meewerken dan ook geheimhouding beloofd.

Verder is ondergetekende van mening dat ook artikel 10, lid 2, onder g, Wob van toepassing is. Op grond van deze bepaling blijft verstrekking van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Het belang bij het verstrekken van de informatie is dat de heer A de gelegenheid heeft om de in FIS vermelde gegevens bij de betreffende werkgevers te verifiëren. Dit kan echter ook langs andere weg gebeuren. Gegevens als het type bedrijf of branche waaruit de in het FIS opgenomen functies afkomstig zijn, worden immers vermeld op de "arbeidsmogelijkhedenlijst" die tot de gedingstukken behoort. Niet alleen de rechter, maar ook partijen beschikken hierover. Dat betekent dat de heer A bij de genoemde typen bedrijf en branches vergelijkend onderzoek kan doen. Daarbij is nog van belang dat het niet zo kan zijn dat een bepaalde functie uniek en niet vergelijkbaar is. Elke functie of beroep zit in verband met de regionale spreiding minimaal 5 maal in het bestand. De heer A heeft dus voldoende mogelijkheden om de realiteitswaarde van de geduide functies te verifiëren.
Daartegenover staat het belang bij het niet verstrekken van de gegevens. De werkgevers die hun medewerking verlenen aan het opstellen van functie-enquêteformulieren hebben groot belang bij de vertrouwelijkheid van de gegevens om te voorkomen dat bedrijfsgegevens openbaar worden. Daarnaast bestaat het gevaar dat werkgevers, wier naam en adres bekend is, regelmatig zullen worden benaderd door rechtshulpverleners en anderen om de gegevens over de betreffende functies te controleren. Onder die omstandigheden zullen werkgevers minder genegen zijn om gegevens ten behoeve van het FIS te verstrekken. Naar de mening van ondergetekende is hier sprake van een onevenredige benadeling en verplicht de Wob, ook op deze grond, niet tot verstrekking van de informatie.

Vervolgens is ondergetekende van oordeel dat de redenen om het overleggen van de functie-enquêteformulieren te weigeren "gewichtige redenen" zijn in de zin van artikel 8:29 Awb.
Bij de toepassing van deze bepaling dient een belangenafweging plaats te vinden. Daarbij speelt een aantal belangen een rol.
In de eerste plaats gaat het om de bescherming van het belang dat partijen over en weer beschikken over alle informatie om de door hen gewenste positie in de procedure in te nemen. In de tweede plaats gaat het om de bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Tenslotte gaat het om de bescherming van het belang dat bepaalde gegevens niet, of althans slechts in beperkte mate, openbaar worden.
Artikel 8:29 beoogt aan deze uiteenlopende belangen recht te doen.

Ondergetekende is van oordeel dat het processuele belang dat de heer A heeft bij het verkrijgen van de bedoelde werkgeversgegevens, niet onevenredig is geschaad als deze gegevens niet worden verstrekt. Zoals boven is aangegeven zijn er andere mogelijkheden om de gegevens te verifiëren. Van een relevante beperking van de procedurele rechten van de heer A kan dan ook niet worden gesproken. In dit verband is nog van belang dat de voor betrokkene geschikt geachte functies kunnen worden beschouwd als voorbeeldfuncties van arbeid waarmee een inkomen kan worden verworven. Deze voorbeeldfuncties moeten plausibel zijn. Die plausibiliteit behoeft niet aangetoond te worden door de betreffende werkgever bekend te maken.

Uw Raad heeft in de uitspraak van 16 juli 1996, rolnummer 94/982 (niet gepubliceerd), aangegeven van oordeel te zijn dat de in het FIS voorkomende functies gebaseerd zijn op analyses van concrete functies in Nederlandse bedrijven en dat de daarbij behorende aanvangssalarissen daadwerkelijk door de geënquêteerde werkgevers worden betaald. Uit deze uitspraak valt af te leiden dat uw Raad de geloofwaardigheid van het FIS en de daar uit voortvloeiende gegevens niet in twijfel trekt. Dat betekent dat een rechter met de informatie die in de arbeidsdeskundige rapportages ten aanzien van de loonwaarden van de geduide functies wordt verstrekt, in principe over alle benodigde informatie beschikt, om de voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen.

Ondergetekende is van mening dat het belang om deze gegevens niet openbaar te maken zwaarder weegt. Indien werkgevers niet langer vertrouwelijkheid van de gegevens kan worden gegarandeerd met de eerder genoemde gevolgen, zullen werkgevers minder genegen zijn om gegevens ten behoeve van het FIS te verstrekken. Dit zou kunnen betekenen dat FIS niet meer op de voorgeschreven wijze, met bestaande functies en reële aanvangssalarissen, kan worden gevuld.

Gezien het voorgaande zijn er gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 8:29, lid 1 Awb, om overlegging van de functie-enquêteformulieren te weigeren."

De Raad kan appellant niet volgen in bovenstaande visie.

In de eerste plaats overweegt de Raad dat appellant op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Met de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de functie-enquêteformulieren niet tot deze stukken behoren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat appellant bij de voorbereiding en het nemen van het bestreden besluit van deze formulieren gebruik heeft gemaakt en dat evenmin gebleken is dat deze rechtstreeks hebben bijgedragen tot dat besluit. Deze bepaling verplichtte appellant derhalve niet de functie-enquêteformulieren spontaan aan de rechtbank te zenden.

De Raad overweegt voorts dat artikel 8:45, eerste lid, van de Awb de rechtbank de mogelijkheid biedt het bestuursorgaan te verzoeken onder dat orgaan berustende stukken in te zenden. Op grond van het tweede lid van deze bepaling is een bestuursorgaan verplicht - behoudens de uit het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb voortvloeiende beperkingen - aan een dergelijk verzoek van de rechtbank te voldoen.

Op grond van genoemd artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. Genoemde gewichtige redenen zijn ingevolge artikel 8:29, tweede lid, van de Awb voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de Wob de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

Volgens de memorie van toelichting gaat het hierbij om een aantal belangen. Allereerst gaat het om bescherming van het belang dat partijen over en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen gewenste positie in de procedure in te nemen. Het gaat eveneens om bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste wijze af te doen. Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat bepaalde gegevens niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden.

Indien een partij zich op het standpunt stelt dat bepaalde stukken niet kunnen worden overgelegd in een procedure, is het aan de rechter om te beslissen of desondanks die stukken dienen te worden overgelegd. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in het derde lid van artikel 8:29 van de Awb, waarin is bepaald dat de rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij een dergelijke beslissing dient zwaar te wegen dat de rechter een volledig en onbeperkt onderzoek moet kunnen instellen naar de zaak, zowel wat de feiten als wat het recht betreft. Bovendien vloeit uit het verdedigingsbeginsel voort, dat de rechter bij dat onderzoek en de vaststelling van de feiten zich in beginsel alleen op gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en in het proces ter discussie hebben kunnen stellen.

In het onderhavige geval is de hoogte van de door appellant gehanteerde lonen van de functies op grond waarvan de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is vastgesteld, door de gemachtigde van gedaagde gemotiveerd en gedocumenteerd bestreden. Desondanks heeft appellant naar aanleiding van de hierboven genoemde brieven van de rechtbank te kennen gegeven niet bereid te zijn de betreffende functie-enquêteformulieren aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat appellant niet bereid was te voldoen aan een verzoek op grond van artikel 8:45 van de Awb om de betreffende functie-enquêteformulieren over te leggen te voldoen. Door die weigering de bedoelde stukken over te leggen is gedaagde en de rechtbank de mogelijkheid onthouden om na te gaan of en in hoeverre de daarin vermelde gegevens juist zijn.
Appellant heeft ter zake van de weigering om de door de rechtbank gevraagde stukken over te leggen een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb. In reactie daarop heeft de rechtbank beoordeeld of in het onderhavige geval geheimhouding op grond van gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 8:29, eerste en tweede lid, van de Awb gerechtvaardigd was.

De Raad onderschrijft dienaangaande de opvatting van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde redenen niet een zodanig gewicht toekomen dat de weigering de betreffende stukken over te leggen gerechtvaardigd is. Ook naar het oordeel van de Raad dienen in het onderhavige geval fundamentele procesrechtelijke beginselen - waaronder het verdedigingsbeginsel - zwaarder te wegen dan de praktische belangen van appellant. De Raad kan en zal daarbij in het midden laten of ingevolge de Wob reeds de verplichting bestaat de betreffende stukken over te leggen.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde praktische belangen is door appellant in het bijzonder betoogd dat de bruikbaarheid van het FIS aangetast dreigt te worden, indien de functie-enquêteformulieren in een twistgeding als het onderhavige worden overgelegd. Deze verwachting berust op de veronderstelling van appellant dat een deel van de benaderde bedrijven niet langer bereid zal zijn gegevens ten behoeve van het FIS te verschaffen, omdat zij door een verzekerde of zijn gemachtigde benaderd kunnen worden ter verificatie van de verschafte gegevens en zij niet genegen zijn het daaruit voortvloeiende beslag op hun tijd te aanvaarden.

Hoewel de Raad begrip heeft voor de praktische problemen waarvoor appellant gesteld kan worden, is de Raad toch van oordeel dat appellant het gewicht van deze praktische problemen in relatie tot het belang van een goede rechtspleging overschat. Daargelaten of uit de bepalingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, in het bijzonder artikel 89 van die wet, niet een verplichting tot medewerking van de benaderde werkgevers voortvloeit en daargelaten of bij een adequate voorlichting van die bedrijven over het karakter van een procedure als de onderhavige bedoelde bereidheid doorgaans toch niet zal blijven bestaan, komt een mogelijke reactie van een aantal werkgevers en de daaraan ten grondslag liggende motieven in ieder geval onvoldoende gewicht toe om een inbreuk op fundamentele beginselen van procesrecht te rechtvaardigen.

Uit vorenstaande vloeit voort dat de betreffende stukken aan de rechtbank hadden dienen te worden overgelegd. De Raad tekent hierbij aan dat dit oordeel niet impliceert dat in elke procedure betreffende een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zou moeten worden geverifieerd of de in het FIS opgenomen gegevens zijn terug te voeren op de door middel van de functie-enquêteformulieren in dat systeem ingevoerde gegevens en of deze gegevens juist zijn. In dat verband verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie dat in beginsel van de juistheid van de aan het FIS ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. Indien echter, zoals in het onderhavige geval is geschied, door een betrokkene de juistheid van deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt, kan door de rechter onder toepassing van artikel 8:45 van de Awb van het uitvoeringsorgaan worden verlangd dat het door overlegging van de betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt.

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank aan de weigering van appellant de betreffende stukken in te zenden terecht, gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, het gevolg van vernietiging van het bestreden besluit heeft verbonden.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht in verband met het voorafgaande termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen kosten, begroot op f 1.420,- wegens verleende rechtsbijstand.

Gelet op het bovenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van f 630,- dient te worden geheven.

Derhalve dient te worden beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van f 1.420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 630,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 1998.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) T.W.J.M. Weijers.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x