Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AA8744
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Had de rechtbank, niettegenstaande het feit dat niet in beroep is gegaan tegen het anticumulatiebesluit, betrokkenes grieven tegen de juistheid van dit besluit in haar oordeel over het terugvorderingsbesluit moeten betrekken? Betrokkene heeft gesteld dat artikel 33 van de AAW onjuist is toegepast en dat dit tot het oordeel moet leiden dat geen grond aanwezig is voor het onderhavige terugvorderingsbesluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/4490 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A, wonende te B, appellant,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Namens appellant is mr. drs. L.B. Dijkstra, werkzaam bij AVM Juristen te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Leeuwarden onder dagtekening 29 maart 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 januari 1998, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Dijkstra voornoemd, en waar gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant wordt aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser, geboren in 1943, is zelfstandig veehouder en wordt sinds 17 september 1985 door verweerder in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de AAW, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Vanaf 1978 is eiser bestuurslid van de commissie landinrichtingsdienst/ruilverkaveling Kollumerland waarvoor hij presentiegeld ontvangt van circa f 100,= bruto per maand, inclusief reis- en verblijfkosten. Met ingang van 1 juli 1992 is eiser voorzitter van voornoemde commissie en ontvangt daarvoor een vergoeding van f 19.500,= bruto per jaar, inclusief reis- en verblijfkosten.
Eiser heeft van zijn inkomsten als voorzitter melding gemaakt op een hem door verweerder toegezonden inlichtingenformulier.
Het formulier is door eiser ondertekend en van dagtekening voorzien op 10 juli 1993 en is bij verweerder binnengekomen op 12 juli 1993.
Bij brief van 14 december 1993 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de betaling van zijn AAW-uitkering voorlopig wordt stopgezet met ingang van 1 januari 1994 omdat eisers uitkering, vanwege diens inkomsten als voorzitter van de landherinrichtingsdienst, zeer waarschijnlijk vanaf 1 juli 1992 niet meer tot uitbetaling had moeten komen.
Bij brief van 25 januari 1994 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn besluit om met ingang van 1 juli 1992 rekening te houden met de inkomsten van eiser uit de werkzaamheden als voorzitter van de landherinrichtingscommissie door toepassing van artikel 33 van de AAW, waardoor zijn uitkering ingevolge de AAW vanaf 1 juli 1992 in het geheel niet meer tot uitbetaling komt. Tegen dit besluit heeft eiser geen beroep ingesteld. Voorts is eiser bij brief van dezelfde datum medegedeeld dat aan eiser over de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 december 1993 in totaal f 11.387,37 bruto (inclusief f 484,59 bruto aan vakantiegeld) ten onrechte aan AAW-uitkering is uitbetaald en dat het bestuur van de bedrijfsvereniging nog zal beslissen of het vermelde bedrag al dan niet teruggevorderd dient te worden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het navolgende aangegeven. Aan eiser is door zijn toedoen over de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 juli 1993 f 8.359,18 bruto (inclusief f 484,59 bruto aan vakantiegeld) ten onrechte teveel aan AAW-uitkering betaald omdat hij niet direct spontaan heeft doorgegeven dat hij met ingang van 1 juli 1992 is gaan werken als voorzitter van de landherinrichtingscommissie en dat hij dit feit op het op 27 augustus 1992 ontvangen formulier "toetsing en begeleiding AAW" zelfs heeft verzwegen. Van eiser wordt daarom over de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 juli 1993 netto teruggevorderd een bedrag van f 8.882,31.
Subsidiair heeft verweerder overwogen dat het eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij teveel aan AAW-uitkering ontving.
Voorts geeft verweerder aan dat het eiser, waar het de periode van 1 augustus 1993 tot en met 31 december 1993 betreft, redelijkerwijs duidelijk heeft moeten zijn dat er aan hem over deze periode teveel aan AAW-uitkering werd betaald. Van eiser wordt daarom over laatstgenoemde periode netto teruggevorderd een bedrag van f 3.237,37."

In geding is de vraag of dit bestreden besluit, dat gedagtekend is op 15 juni 1994, in rechte stand kan houden.

Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

De Raad stelt vast dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat het aan de onderhavige terugvordering ten grondslag liggende kortingsbesluit van 25 januari 1994, aangezien daartegen geen beroep is ingesteld, rechtens onaantastbaar is geworden, en dat zij appellants grieven tegen dat besluit om die reden buiten bespreking heeft gelaten.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank, niettegenstaande het feit dat niet in beroep is gegaan tegen het anticumulatiebesluit, appellants grieven tegen de juistheid van dit besluit in haar oordeel over het terugvorderingsbesluit had moeten betrekken. Gesteld is dat artikel 33 van de AAW onjuist is toegepast en dat dit tot het oordeel moet leiden dat ten aanzien van appellant geen grond aanwezig is voor het onderhavige terugvorderingsbesluit.
Namens appellant is er - ter adstructie hiervan - op gewezen dat de arbeidsdeskundige de uren die appellant heeft gewerkt als voorzitter van de Landinrichtingscommissie niet bij het restverdienvermogen had mogen optellen.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen, wordt een besluit, waartegen niet tijdig bezwaar of beroep is ingesteld, in rechte onaantastbaar.

Niettemin acht de Raad - zulks in het voetspoor van zijn uitspraken, gepubliceerd in RSV 1994/202 en USZ 1997/229 - omstandigheden denkbaar, waarin bij de toetsing van een terugvorderingsbesluit dat voortborduurt op een in rechte onaantastbaar kortingsbesluit, betekenis toekomt aan hetgeen door een belanghebbende wordt aangevoerd met betrekking tot feiten en omstandigheden waarvan het bestuursorgaan bij het nemen van het rechtens onaantastbaar geworden kortingsbesluit is uitgegaan.

Daarvan uitgaande, heeft de Raad noch in hetgeen namens appellant is aangevoerd, noch in de beschikbare gegevens, aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat het bestreden terugvorderingsbesluit niet zou mogen voortbouwen op het rechtens onaantastbare kortingsbesluit van 25 januari 1994.

Hetgeen van de zijde van appellant tegen het terugvorderingsbesluit van 15 juni 1994 in hoger beroep is aangevoerd komt overeen met hetgeen ook reeds in eerste aanleg was gesteld en door de rechtbank is weerlegd op de gronden die in de aangevallen uitspraak worden vermeld. Die gronden worden door de Raad onderschreven.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 april 1998.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B.C. Rog.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x