Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AA8797
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-1999
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening, na herbeoordeling op grond van de Wet TBA, van de AAW/WAO-uitkering en nadere vaststelling naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht vernietigd onder de overweging dat het Lisv er ten onrechte van is uitgegaan dat betrokkene op de datum in geding voor ten hoogste zes uur per dag belastbaar is met arbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/9817 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij het bestreden besluit van 12 april 1995 heeft appellant de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juni 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank te Almelo heeft bij uitspraak van 12 september 1996 het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten en verstaan dat appellant het griffierecht vergoedt. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 1999, waar voor appellant is verschenen mr. H.M. Schartman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde was laatstelijk sedert 1 december 1988 in een fulltime dienstverband werkzaam als projectleider bij X B.V. te Y. Hij is op 17 april 1989 uitgevallen met psychische klachten.

Met ingang van 17 april 1990 zijn hem uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde opnieuw beoordeeld in het kader van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA). Gedaagde is onderzocht door de verzekeringsarts W.Th. Leyten. Deze is in zijn rapport van 14 februari 1995 tot de conclusie gekomen dat gedaagde tengevolge van een ingestelde bipolaire depressie verminderd belastbaar is ten aanzien van werk onder matige tijdsdruk/tempodruk, conflicteisen/hantering, voor maximaal 6 uur per dag. Uitgaande van het door deze verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige R. Krabbenbos functies geselecteerd die gedaagde met inachtneming van zijn belastbaarheid nog zou moeten kunnen vervullen. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met het voor gedaagde geldende maatmaninkomen resulteert volgens deze arbeidsdeskundige in een verlies aan verdiencapaciteit van 34,3%.

Uitgaande van deze gegevens heeft appellant het in rubriek I vermelde bestreden besluit van 12 april 1995 genomen.

In geding is of dit besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, ontkennend.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd op de grond dat appellant er naar haar oordeel ten onrechte van is uitgegaan dat gedaagde op de datum in geding voor ten hoogste 6 uur per dag belastbaar was met arbeid. Zij heeft wat dat aangaat doorslaggevende betekenis gehecht aan de bevindingen van de psychiater R.P. Soeters die haar bij brief van 19 april 1996 verslag heeft gedaan van zijn bevindingen en conclusies met betrekking tot de belastbaarheid van gedaagde. Deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige kwam tot de inschatting dat hervatting in een 50% functie een reŽel haalbare optie zou zijn.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de deskundige Soeters bij zijn oordeel dat appellant om te beginnen voor ten hoogste 50% belastbaar is met arbeid geen maximale belastbaarheid heeft willen vastleggen, maar uitsluitend het oog heeft gehad op reÔntegratieaspecten die bij de schatting buiten beschouwing moeten blijven.

De Raad laat daar of deze grief doel kan treffen aangezien het bestreden besluit reeds op arbeidskundige gronden geen stand kan houden. Daartoe wordt overwogen dat ook wanneer wordt uitgegaan van een belastbaarheid van gedaagde voor ten hoogste 6 uur per dag, zoals appellant heeft aangenomen, het bestreden besluit, gezien het bepaalde in artikel 3 van het Schattingsbesluit, op een onvoldoende aantal passende functies berust.

Uit 's Raads vaste jurisprudentie -verwezen wordt naar de uitspraak, gepubliceerd in RSV 1997/222- moet bij een verzekerde, zoals gedaagde, die op medische gronden aangewezen is op deeltijdarbeid, komen vast te staan dat de urenomvang van de bij de schatting in aanmerking te nemen arbeid de voor de verzekerde geldende beperkte arbeidsduur niet overschrijdt. Anders dan bij de willekeurige deeltijdwerker, is de omvang van de in aanmerking komende deeltijdarbeid bij een dergelijke verzekerde geen arbeidsmarktfactor, namelijk het resultaat van vrij overleg van werkgever en werknemer over de omvang van de overeen te komen arbeid, welke factor bij de schatting buiten beschouwing moet blijven, maar een gegeven dat voortvloeit uit de beperkte belastbaarheid van de medische deeltijder waarvan niet zonder goede grond mag worden afgeweken.

Hiervan uitgaande dienen voor een medische deeltijdwerker functies te worden geselecteerd waarvan vaststaat dat de maximale belasting uitgedrukt in uren de belastbaarheid van de verzekerde niet overschrijdt.

Anders dan de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, valt niet in te zien dat deze functies, voor wat betreft het aantal arbeidsplaatsen dat zij vertegenwoordigen, niet zouden behoeven te beantwoorden aan het bepaalde in artikel 3 van het Schattingsbesluit. Noch in de AAW en de WAO, noch in het Schattingsbesluit valt steun te vinden voor het standpunt dat voor medische deeltijdwerkers niet zou gelden dat de resterende verdiencapaciteit wordt bepaald aan de hand van tenminste drie functies die tezamen tenminste 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.

Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat het bestreden besluit berust op drie functies: statistisch analist, assemblagemonteur en machinezetter en dat deze functies blijkens de in hoger beroep ingezonden gegevens van het Functie Informatie Systeem (FIS) respectievelijk 4, 6 en 1 arbeidsplaats(en) vertegenwoordigen.

De Raad is van oordeel dat daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3 van het Schattingsbesluit.

Het bestreden besluit kan derhalve in rechte geen stand houden. De aangevallen uitspraak dient, gezien het vorenstaande op gewijzigde gronden, te worden bevestigd.

De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van AAW 675,- dient te worden geheven.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verstaat dat van appellant een recht van AAW 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 1999.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) B. Fijnheer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x