Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AA8804
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-12-1997
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking AAW-uitkering omdat betrokkenen in het jaar voorafgaande aan het intreden van hun arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met arbeid hebben verworven. De CRvB treedt in beginsel niet in een beoordeling van het mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in verband met een gestelde schending van het redelijketermijnvereiste van artikel 6 van het EVRM. Betrokkenen kunnen zich daartoe wenden tot de burgerlijke rechter.
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/8243 AAW en 96/8241 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

1. A, wonende te B, en
2. C, wonende te D, appellanten,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij een tweetal besluiten van 28 maart 1991 heeft gedaagde de aan beide appellanten toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij afzonderlijke uitspraken van 5 augustus 1996 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Namens appellanten heeft mr. T.A.M. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld op de gronden, aangevoerd bij aanvullende beroepschriften van 7 november 1996.

Gedaagde heeft bij brieven van 19 december 1996 verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 12 november 1997. Appellanten zijn daar verschenen bij hun gemachtigde, mr. Visser voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. S.M. Ponsioen, werkzaam bij GAK Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Bij de bestreden besluiten, strekkende tot intrekking van de eerder aan appellanten toegekende AAW-uitkeringen, is toepassing gegeven aan artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb. 126 (Reparatiewet AAW), onder de overweging dat beide appellanten in het jaar voorafgaande aan het intreden van hun arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit of in verband met arbeid hebben verworven.

In hoger beroep is namens appellanten niet meer bestreden dat intrekking van de AAW-uitkering met toepassing van bovenvermelde wetsbepaling rechtens geoorloofd is. Betoogd is dat de behandelingsduur van de gedingen bij de rechtbank de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde redelijke termijn heeft overschreden en dat op die grond de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd, hetzij onder de bepaling van een latere intrekkingsdatum van de uitkering, hetzij onder instandlating van de rechtsgevolgen van de vernietiging en veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding. Aan een schending van artikel 6 EVRM kan, in de zienswijze van appellanten, niet afdoen dat de rechtbank het nodig heeft geacht om alvorens een beslissing in de gedingen te geven het oordeel van het Hof van Justitie van de EG af te wachten omtrent de verbindendheid van artikel IV van de Reparatiewet AAW in het licht van het communautaire recht, welk oordeel is gegeven bij arresten van 24 februari 1994 (arrest Roks e.a., RSV 1994/214) en van 1 februari 1996 (arrest Posthuma-van Damme en Oztürk, RSV 1996/169).

De Raad is, met de rechtbank en overeenkomstig zijn inmiddels vaste rechtspraak, van oordeel dat in gevallen als het onderhavige, waarin het gaat om de vaststelling van een burgerlijk recht als bedoeld in artikel 6 EVRM en om een beweerdelijke overschrijding van een redelijke termijn van behandeling door een rechterlijke instantie, die overschrijding niet kan leiden tot het ontstaan of de toekenning van aanspraken die niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen van, in casu, de AAW.
Een vordering tot vergoeding van - beweerdelijk - geleden schade dienen appellanten in te stellen bij de burgerlijke rechter. De Raad stelt zich op het standpunt dat hij in gevallen als de onderhavige in beginsel niet treedt in een beoordeling van het mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in verband met een gestelde schending van het redelijketermijnvereiste van artikel 6 EVRM.

Gelet op het vorenstaande komen de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking. Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. H.J. Grendel en mr. F.P. Zwart als leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Breuls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december 1997.

(get.) N.J. Haverkamp.

(get.) S. Breuls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x