Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AB2185
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-03-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van de AAW-uitkering. Investering van letselschadevergoedingen in het eigen bedrijf. De fiscale winst is terecht aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 van de AAW. Niet is gebleken dat berekening van het maatmaninkomen zonder gebruikmaking van de LEI-cijfers tot een gunstiger uitkomst voor betrokkene zou leiden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/5602 AAW, 98/5603 AAW en98/5604 AAW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij brief van 18 december 1996 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) (besluit 1).

Bij brief van 19 december 1996 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW (besluit 2).

Bij brief van 16 januari 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de AAW (besluit 3).

De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 3 juli 1998 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. F. Pilon-Kroijenga, werkzaam bij de ARAG Rechtsbijstand, op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Appellant heeft bij brief van 8 juli 1999 een nadere uiteenzetting van het standpunt gegeven.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 februari 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Pilon-Kroijenga voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.C.F. Bollen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1941 en werkzaam als zelfstandig akkerbouwer, is in verband met een auto-ongeval per 31 oktober 1990 arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 30 oktober 1991 is aan hem een uitkering ingevolge de AAW toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellant heeft zijn onderneming voortgezet. Blijkens de desbetreffende inlichtingenformulieren en het verhandelde ter zitting van de Raad verrichtte hij 30 uur arbeid per week, welke arbeid uitsluitend bestaat in toezicht, regelende taken en administratieve taken. Hij heeft een deel van het land verhuurd. Daarnaast verricht zijn echtgenote onder meer uitvoerende werkzaamheden en wordt een loonbedrijf ingeschakeld voor uitvoerend werk.

In 1992 heeft appellant verzekeringsuitkeringen ontvangen in verband met zijn ongeval van ongeveer f 240.000,- en ongeveer f 20.000,-. Deze bedragen heeft hij toen ter verbetering van de vermogenspositie van de onderneming aangewend ter aflossing van leningen ten laste van de onderneming. Door deze aflossing daalden de rentelasten van de onderneming, hetgeen het resultaat ten goede kwam.
Blijkens een arbeidskundig rapport van 28 november 1996 heeft appellant over het boekjaar 1993/1994 een winst behaald van, voorzover ter zake van belang, f 25.387,- en over het boekjaar 1994/1995, van voor zover ter zake van belang, f 28.218,-.
Blijkens dat rapport is met toepassing van onder meer de LEI-cijfers voor de akkerbouw het maatmaninkomen van appellant voor het boekjaar 1993/1994 bepaald op f 42.490,-. Een en ander resulteert in een fictieve klasse van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Voor het boekjaar 1994/1995 is het maatmaninkomen op dezelfde wijze bepaald op f 42.905,- en is de arbeidsongeschiktheidsklasse vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij besluit 1 heeft gedaagde aan appellant dienovereenkomstig meegedeeld dat op grond van artikel 33 van de AAW zijn AAW-uitkering over het tijdvak van 1 augustus 1993 tot 1 mei 1994 diende te worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Bij besluit 2 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat de AAW-uitkering over het tijdvak van 1 mei 1994 tot 1 mei 1995 diende te worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
Bij besluit 3 heeft gedaagde meegedeeld dat de onverschuldigd betaalde uitkering over het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 30 april 1994 ad f 4119,- netto wordt teruggevorderd.

De rechtbank heeft het beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep zijn grief tegen de besluiten 1 en 2 herhaald dat het deel van de winst dat is veroorzaakt door de bedoelde daling van de rentelasten, geen inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 33 van de AAW betreft maar inkomsten uit vermogen.
Tegen besluit 3 heeft appellant aangevoerd dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn geweest dat onverschuldigd uitkering werd betaald.

De Raad merkt in verband hiermee op dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige inkomsten uit arbeid heeft genoten, tot uitgangspunt wordt genomen de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze. Daarbij geldt dat in beginsel de fiscale winst uit onderneming als inkomsten uit arbeid wordt aangemerkt. De Raad stelt vast dat appellant er in fiscaal opzicht voor heeft gekozen de vermelde verzekeringsuitkeringen aan te wenden ter aflossing van de ondernemingsschulden. Het gevolg van deze keuze is dat de fiscaal in aanmerking te nemen rentelasten van de onderneming zijn gedaald en de winst in de desbetreffende jaren is gestegen.
In de lijn van de jurisprudentie van de Raad dient deze fiscale winst in beginsel als inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt. Zulks is slechts anders, indien sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de fiscale keuze niet tot uitgangspunt kan worden genomen bij de toepassing van artikel 33 van de AAW.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden.
Gedaagde heeft in het kader van de bestreden besluiten dan ook terecht de fiscale winst van appellant aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 33 van de AAW.

De Raad merkt nog op dat niet is gebleken dat berekening van het maatmaninkomen zonder gebruikmaking van de LEI-cijfers tot een gunstiger uitkomst voor appellant zou leiden.
Het voormelde leidt tot de conclusie dat de besluiten 1 en 2 in stand dienen te blijven.

De Raad merkt ten aanzien van het terugvorderingsbesluit op dat een zelfstandige in verband met de vraag of beoordeeld naar de maatstaf van redelijkheid het ten onrechte ontvangen van uitkering duidelijk had moeten zijn, in beginsel als consequentie van zijn positie als zelfstandige heeft te aanvaarden dat de vaststelling of er onverschuldigd is betaald aan de hand van gegevens uit de jaarstukken, en derhalve achteraf, geschiedt.
Hij concludeert daarom dat ook besluit 3 in stand dient te blijven.

De aangevallen uitspraak dient, gezien het bovenoverwogene, te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde Kalter en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2001.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x