Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AB2191
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering AAW-uitkering op de grond dat betrokkene bij aanvang van de verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was in de zin van de wet, in verband waarmee gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid die artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW biedt om de bij de aanvang van de verzekering bestaande arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking te laten. Niet wordt voldaan aan de voorwaarde ten aanzien van het kostwinnerschap. De man met wie betrokkenes moeder in september 1988 is gehuwd en een nieuw gezin is gaan vormen, heeft voorafgaande aan de datum van overkomst van betrokkene naar Nederland op 25 mei 1989 niet gedurende drie jaar in Nederland gewerkt als kostwinner van het nieuwe gezinsverband. Beleidsregels jonggehandicapten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/5598 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellante,

en

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 28 september 1996 heef gedaagde geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), op de grond dat appellante bij aanvang van de verzekering reeds volledig arbeidsongeschikt was in de zin van de wet, in verband waarmee gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid die artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW biedt om de bij de aanvang van de verzekering bestaande arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking te laten.

De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 juni 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 16 november 1998 aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 september 2000, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar moeder mevrouw [C.], en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Nieuwstraten, werkzaam bij Gak Nederland B.V.

Ter zitting van 15 september 2000 is het onderzoek geschorst in verband met door de gemachtigde van gedaagde toegezegd nader intern overleg naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 8 mei 1998, gepubliceerd in RSV 1998/215.

Gedaagde heeft de Raad bij brief van 19 december 2000 geïnformeerd over de resultaten van dit overleg.

De behandeling van het geding is hervat ter zitting van 9 maart 2001, waar voor appellante is verschenen mr. Nasrullah, voornoemd, alsmede de moeder van appellante, mevrouw [C.]. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij Gak Nederland B.V.




II. MOTIVERING


Appellante in 1978 in Suriname geboren, is vanaf haar geboorte geestelijk en lichamelijk gehandicapt. Op 25 mei 1989 is zij in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen. Begin 1996 heeft appellante verzocht om toekenning van een uitkering krachtens de AAW. Naar het oordeel van de verzekeringsarts is appellante volledig arbeidsongeschikt en dient zij te worden beschouwd als jeugdgehandicapte.

Het bestreden besluit van 28 september 1996 strekt tot weigering aan appellante van de gevraagde AAW-uitkering. Deze weigering berust op de grond dat appellante bij aanvang van haar verzekering ingevolge de AAW op 25 mei 1989 reeds volledig arbeidsongeschikt was, welke arbeidsongeschiktheid gedaagde met toepassing van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW geheel en blijvend buiten aanmerking heeft gelaten.

Daarbij is gedaagde ervan uitgegaan dat appellante niet gedurende zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan haar 17e verjaardag in Nederland heeft gewoond, zodat zij niet voldoet aan de in het vierde lid van artikel 21 van de AAW vervatte uitzondering op de in het eerste lid van dat artikel onder a neergelegde hoofdregel.

Ook heeft gedaagde geen aanleiding gevonden om niettemin, onder toepassing van het door hem ontwikkelde beleid, af te zien van gebruikmaking van de hem toekomende wettelijke weigeringsbevoegdheid. Naar het oordeel van gedaagde was namelijk niet voldaan aan alle door gedaagde daartoe gehanteerde beleidsmatige voorwaarden, in het bijzonder niet aan de voor de categorie waartoe appellante behoort - te weten de vroeggehandicapte die in verband met gezinshereniging naar Nederland komt - geldende voorwaarde dat de kostwinner van het gezin waartoe de vroeggehandicapte behoort minstens drie jaren aaneengesloten in Nederland heeft gewerkt.

Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 28 september 1996 in rechte stand kan houden.

Daarbij stelt de Raad vooreerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante als gevolg van de bij haar sedert haar geboorte bestaande handicap reeds volledig arbeidsongeschikt was toen haar verzekering voor de AAW op 25 mei 1989 een aanvang nam en dat appellante niet gedurende zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan haar 17e verjaardag in Nederland heeft gewoond, hetgeen gedaagde, gegeven artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a juncto artikel 21, vierde lid, van de AAW, de bevoegdheid verschaft die arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten.

Met betrekking tot de wijze waarop gedaagde van de hem aldus toekomende weigeringsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, overweegt de Raad als volgt.

Gedaagde heeft een beleid ontwikkeld op grond waarvan in bepaalde omstandigheden van de bevoegdheid om geen uitkering te verstrekken, geen gebruik wordt gemaakt en aan uit het buitenland afkomstige jeugdgehandicapten toch uitkering wordt verstrekt.
Voor de categorie waartoe appellante behoort, zijnde de vroeggehandicapte die in verband met gezinshereniging naar Nederland komt, dient te worden voldaan aan een zestal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de kostwinner van het gezin waartoe de vroeggehandicapte behoort ten minste drie jaren in Nederland heeft gewerkt.
De Raad heeft reeds vele malen als zijn opvatting doen blijken dat hij dat beleid in zijn algemeenheid gelegen acht binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 11 februari 1988, gepubliceerd in RSV 1988/232, 6 april 1993, gepubliceerd in RSV 1993/270 en 9 maart 1994, gepubliceerd in RSV 1994/165.
Tevens heeft de Raad in genoemde jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat zal dienen te worden beoordeeld of in een concreet geval, in verband met bijzondere omstandigheden, aanleiding bestaat om van dat beleid af te wijken.

Tussen partijen is niet in geschil en voor de Raad staat vast dat appellante niet aan alle voorwaarden van het door gedaagde geformuleerde beleid heeft voldaan. Vaststaat dat de moeder van appellante niet in Nederland heeft gewerkt en dat derhalve niet is voldaan aan de van vorenbedoeld beleid deel uitmakende kostwinnerseis. Mitsdien is terecht aangenomen dat appellante aan bedoeld beleid als zodanig geen aanspraak op uitkering kon ontlenen.

Namens appellante is zowel in eerste aanleg als thans in hoger beroep naar voren gebracht dat zich ten aanzien van appellante een bijzondere omstandigheid voordoet, welke gedaagde aanleiding had moeten geven om ten gunste van appellante van het beleid af te wijken. De bijzondere omstandigheid is gelegen in het feit dat de moeder van appellante, als kostwinner van het gezin waartoe appellante behoort, niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt in verband met de noodzakelijke verzorging van appellante zodat het niet voldaan hebben aan de kostwinnerseis appellante niet kan worden tegengeworpen.

De Raad is van oordeel dat de wijze waarop gedaagde van de hem in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW gegeven bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De Raad overweegt daartoe het volgende.

Uit de uitspraak van de Raad van 8 mei 1998, alsmede gelet op hetgeen van de zijde van gedaagde’s gemachtigde ter zitting in hoger beroep is verklaard, blijkt dat de in het beleid van gedaagde geformuleerde voorwaarde ten aanzien van de kostwinner inhoudt dat de kostwinner van het gezin waartoe de vroeggehandicapte - die in het kader van gezinshereniging naar Nederland komt - behoort, minstens drie jaren in Nederland moet hebben gewerkt, in dier voege dat de arbeid moet zijn verricht in een aaneengesloten tijdvak dat is gelegen vóór het tijdstip waarop de vroeggehandicapte naar Nederland kwam; een en ander ten teken dat het gezin waartoe de vroeggehandicapte behoort, de intentie heeft blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving.
De Raad acht dat de hiervoor omschreven nadere invulling van de kostwinnerseis niet onredelijk.

Het namens appellante naar voren gebrachte argument dat ziet op de onmogelijkheid van arbeidsverrichting door de kostwinner, de moeder van appellante, in verband met de noodzakelijke verzorging van appellante is een argument dat betrekking heeft op het tijdvak gelegen na het tijdstip waarop appellante naar Nederland is gekomen en kan derhalve reeds om die reden niet tot het door appellante gewenste resultaat voeren.

De Raad merkt op dat zelfs indien gedaagde als beleid zou hebben vastgesteld dat het inkomen van de kostwinner ook (deels) na vestiging van de vroeggehandicapte in Nederland mag zijn verdiend, hij ook in die situatie geen aanleiding zou hebben gezien om gedaagdes bevoegdheidsuitoefening niet in rechte houdbaar te achten. De Raad is namelijk van oordeel dat het niet verwerven van inkomen uit arbeid door de moeder van appellante vanaf de datum 25 mei 1989 niet in een zodanig rechtstreeks verband staat met appellantes handicap dat gedaagde ten gunste van appellante van zijn beleid had moeten afwijken. De Raad overweegt in dit verband dat nu - zoals appellantes moeder ter zitting van 9 maart 2001 heeft verklaard - appellante dagelijks van half tien ¢s morgens tot omstreeks drie uur ’s middags een tyltylschool bezocht het voor de kostwinner, de moeder van appellante, weliswaar moeilijk doch niet onmogelijk moet zijn geweest om naast haar verzorgende taken arbeid van enige omvang te verrichten.

Ter zitting van de, Raad gehouden op 15 september 2000, is voorts de vraag aan de orde geweest of in het geval van appellante wel gesproken zou kunnen worden van gezinshereniging in het kader van het door gedaagde geformuleerde beleid.
Uit de reeds eerder genoemde uitspraak van de Raad van 8 mei 1998 volgt dat het door gedaagde geformuleerde - en door de Raad geaccordeerde - beleid in het kader van gezinshereniging niet voorziet in een geval waarin sprake is van een hereniging van moeder en kind in combinatie met nieuwe gezinsvorming.
Appellantes moeder is in april 1988 naar Nederland gekomen. In september 1988 is zij in Nederland gehuwd en omstreeks januari 1990 is ze gescheiden.
Appellante heeft zich in mei 1989 in het nieuwe gezinsverband gevoegd.

Uit het schrijven van 19 december 2000 blijkt dat gedaagde in de situatie van gezinshereniging in combinatie met nieuwe gezinsvorming de voorwaarden hanteert als geformuleerd in zijn beleid ten aanzien van gezinshereniging. Ook in de situatie van gezinshereniging in combinatie met nieuwe gezinsvorming wordt de voorwaarde gesteld dat de kostwinner van het nieuwe gezin voorafgaande aan de overkomst van de jeugdgehandicapte naar Nederland gedurende drie jaar voor het nieuwe gezin kostwinner is geweest. Deze voorwaarde wordt door gedaagde aldus gesteld om invulling te geven aan de voorwaarde dat het gezin waartoe de jonggehandicapte gaat behoren de intentie heeft om blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving.

Voor zover appellantes situatie zou moeten worden gekenschetst als gezinshereniging in combinatie met nieuwe gezinsvorming, overweegt de Raad het volgende.

Met betrekking tot de, zojuist vermelde, recentelijk vastgestelde beleidsregels ten aanzien van de categorie vroeggehandicapten die in verband met gezinshereniging in combinatie met nieuwe gezinsvorming naar Nederland komen, welke uitbreiding geven aan de situaties waarin van de hantering van de weigeringsbevoegdheid op grond van artikel 21, eerste lid aanhef en onder a, van de AAW, wordt afgezien, is de Raad van oordeel dat ook deze in beginsel niet als onredelijk zijn aan te merken.

De Raad stelt vast dat uitgaande van deze situatie wederom niet wordt voldaan aan de voorwaarde ten aanzien van het kostwinnerschap. De man met wie appellantes moeder in september 1988 is gehuwd en een nieuw gezin is gaan vormen, heeft vóórafgaande aan de datum van overkomst van appellante naar Nederland op 25 mei 1989 niet gedurende drie jaar in Nederland gewerkt als kostwinner van het nieuwe gezinsverband.

Aan de Raad is voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden welke gedaagde ertoe hadden moeten brengen ten gunste van appellante van dat beleid af te wijken.
Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit van 28 september 1996 in rechte stand kan houden. Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J. Th. Wolleswinkel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2001.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x