Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW
x
LJN:
x
AB2193
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-05-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terechte vernietiging van het besluit waarbij wegens inkomsten uit arbeid de AAW-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, over de periode in geding onder toepassing van artikel 33 van de AAW wordt uitbetaald als ware betrokkene voor 65-80% arbeidsongeschikt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/8131 AAW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.

Bij besluit van 20 december 1996 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 onder toepassing van artikel 33 van de AAW uitbetaald als ware gedaagde voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

De Arrondissementsrechtbank te ís-Hertogenbosch heeft het namens gedaagde tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 5 oktober 1998 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 12 maart 1999 aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 maart 2001, waar partijen, appellant zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan het besluit van 20 december 1996 ligt ten grondslag dat gedaagde in de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995 inkomsten uit arbeid heeft verworven, welke ertoe leiden dat zijn uitkering ingevolge de AAW onder toepassing van artikel 33 van die wet moet worden uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de door gedaagde in 1995 verworven inkomsten dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van vragen van verweerder heeft eiser op 4 november 1996 aangegeven dat hij in 1995 niet werkte. Verweerder heeft niettemin zonder nader onderzoek besloten tot toepassing van artikel 33 van de AAW. Volgens oordeel van de rechtbank ten onrechte. Alvorens tot korting besloten kon worden had verweerder een onderzoek in moeten stellen naar eisers bedrijf en naar de bron van zijn inkomsten uit dat bedrijf. Verweerder had zich bij dat onderzoek tevens een exacter beeld moeten verwerven van de wijze waarop eiser zijn inkomsten heeft verkregen. Op grond van de thans beschikbare stukken kan niet worden vastgesteld of van inkomsten uit arbeid sprake was. De beschikbare informatie is daarvoor eenvoudigweg te summier.

De omstandigheid dat eiser zijn inkomsten over 1995 als inkomsten uit onderneming aan de fiscus verantwoord heeft - en niet als inkomsten uit vermogen - vormt weliswaar een belangrijk, maar niet zonder meer doorslaggevend argument. Dat blijkt ook uit de door verweerder ter zitting overgelegde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Een nader feitenonderzoek kon dan ook niet achterwege blijven. Hoewel in het algemeen aangenomen kan worden dat de verhuur van onroerend goed arbeid vergt, blijkt uit de gedingstukken onvoldoende dat in eisers geval van een substantiŽle arbeidsverrichting en van actief beheer sprake is geweest. Voor de door verweerders gemachtigde ter zitting ingenomen stelling dat eiser zijn inkomsten mede verkreeg uit de voortgezette exploitatie van zijn melk- en pluimveebedrijf, heeft de rechtbank in de gedingstukken evenmin steun kunnen vinden."


Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank in het aanvullend beroepschrift - samengevat - in de eerste plaats aangevoerd dat met de vaststelling dat gedaagde zijn inkomsten aan de fiscus heeft verantwoord als inkomen uit onderneming, reeds is gegeven dat toepassing van artikel 33 van de AAW aan de orde kan zijn. De vraag of er ook feitelijk arbeid is verricht behoeft naar appellants oordeel, gelet op de samenhang tussen de artikelen 5 en 33 van de AAW en mede gelet op de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in RSV 1993/293, niet te worden beantwoord.
Voorts heeft appellant aangevoerd dat, zo wel dient vast te staan dat sprake is van feitelijk verrichte arbeid, het enkele feit dat er sprake is van winst uit onderneming tot het rechtsvermoeden leidt dat er arbeid is verricht. Naar appellants oordeel ligt het dan op de weg van de betrokkene om aan te tonen dat er in het geheel geen arbeid is verricht. Tot slot heeft appellant feiten en omstandigheden aangevoerd die hem tot het oordeel leiden dat gedaagde arbeid heeft verricht.

De Raad overweegt allereerst dat het primaire standpunt van appellant, dat de vraag of er feitelijk arbeid is verricht niet meer van belang is indien de betrokkene zijn verworven inkomsten aan de fiscus presenteert als inkomsten uit onderneming, niet wordt onderschreven door de Raad. Voor de toepassing van artikel 33 van de AAW is immers vereist dat de in aanmerking te nemen inkomsten uit arbeid zijn verkregen. Derhalve dient te worden beoordeeld of de door gedaagde in 1995 verworven inkomsten met arbeid zijn verkregen.

De Raad overweegt dat volgens zijn vaste jurisprudentie bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht in beginsel de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze van betrokkene tot uitgangspunt dient te worden genomen.

De Raad stelt vast dat gedaagde zijn inkomsten over 1995, blijkens het rapport d.d. 12 december 1996 van appellants medische arbeidskundige dienst, tegenover de fiscus als winst uit onderneming heeft verantwoord. Daarmee heeft hij te kennen gegeven dat hij zich - ondanks het ten gevolge van zijn gezondheidstoestand afgenomen vermogen om arbeid te verrichten - nog als ondernemer in de zin van de fiscale wetgeving beschouwde. Dit betekent onder meer dat gedaagde zich jegens de fiscus op het standpunt heeft gesteld dat de factor arbeid in 1995 nog van een zodanig belang was bij de exploitatie van zijn diverse vermogensbestanddelen dat die naar aard en omvang als meer dan zuiver vermogensbeheer te beschouwen viel.

In de lijn van de hiervoor bedoelde jurisprudentie van de Raad volgt hieruit dat de aan de orde zijnde inkomsten van gedaagde overeenkomstig de door hem gemaakte fiscale keuze in beginsel als inkomsten uit arbeid dienen te worden beschouwd en niet - zoals gedaagde in de onderhavige procedure stelt - als inkomsten uit vermogen. Zulks is slechts anders indien sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de fiscale keuze van gedaagde niet tot uitgangspunt genomen kan worden bij de toepassing van artikel 33 van de AAW.

De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval onvoldoende grond bestaat om te kunnen spreken van bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin. Daarbij is met name van belang dat gedaagde niet ondubbelzinnig heeft aangetoond dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de fiscale keuze. De Raad wijst er voorts op dat uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde in 1995 zijn varkens heeft afgestoten. Tevens blijkt uit de stukken dat gedaagde zijn akkerland heeft verpacht. Tot slot is op de winst- en verliesrekening onder meer vermeld dat machinekosten zijn gemaakt, hetgeen op zijn minst op het verrichten van enige arbeid duidt. Hoewel de Raad wel wil aannemen dat de arbeidsinbreng van gedaagde bij voormelde activiteiten een beperkte omvang had, is niet aannemelijk dat gedaagde geen of nagenoeg geen werkzaamheden heeft verricht om de desbetreffende inkomsten te genereren, zoals door gedaagde is betoogd. In dit verband wijst de Raad erop dat genoegzaam naar voren is gekomen dat gedaagde bepaalde ondernemersactiviteiten, zoals het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen, heeft verricht.

Hieruit volgt dat de Raad het oordeel van de rechtbank, dat appellant nader onderzoek had moeten verrichten naar het bedrijf van gedaagde en de bron van zijn inkomsten, niet onderschrijft. De thans aanwezige gegevens bieden voldoende aanknopingspunten om het oordeel te rechtvaardigen dat van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 33 van de AAW sprake is.

Vergelijking van het maatmaninkomen van gedaagde met het aan hem toe te rekenen deel van de in 1995 verworven inkomsten resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van 70%. Toepassing van artikel 33 van de AAW leidt derhalve, zoals in het besluit van 20 december 1996 is aangegeven, tot uitbetaling van die uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2001.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x