Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   AAW / WAO
x
LJN:
x
AB2321
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-05-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering vergoeding van kosten voor het verkrijgen van medische informatie. Het Lisv dient de gevorderde, in de bezwaarfase gemaakte, kosten te vergoeden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/2348 AAW/WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 12 februari 1998 heeft appellant het verzoek van gedaagde om vergoeding van kosten voor het verkrijgen van medische informatie afgewezen.

Tegen dit besluit heeft gedaagde bij brief van 3 maart 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 juli 1998 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 2 april 1999 het beroep van gedaagde tegen dit laatste besluit (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, een en ander onder veroordeling van appellant in de proceskosten van gedaagde en tot vergoeding van het griffierecht aan gedaagde. Naar deze uitspraak wordt hierbij verwezen.

Appellant heeft bij beroepschrift van 6 mei 1999 tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en heeft bij brief van 3 september 1999 de gronden van het hoger beroep ingediend.

Namens gedaagde heeft mr. K.U.J. Hopman, medewerkster van FNV Ledenservice te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 april 2001, waar namens appellant is verschenen S.J.M. Huisman, medewerker van Gak Nederland B.V., en waar namens gedaagde haar gemachtigde is verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde was van 1 augustus 1986 tot 15 maart 1995 als ambulant verkoopster/chauffeur in een winkelauto werkzaam gedurende 32 uur per week. Na haar ontslag ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet en hervatte zij op 20 maart 1995 als oproepchauffeuse voor gemiddeld 22 uur per week. Op 17 september 1996 meldde gedaagde zich ziek als gevolg van rugklachten.

Appellant heeft bij besluit van 26 augustus 1997 geweigerd aan gedaagde in aansluiting op het doorlopen van de geldende wachttijd van 52 weken op in dit geval 15 september 1997 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid in aansluiting op deze periode minder dan 25 respectievelijk 15% was. Bij besluit van 9 januari 1998 heeft appellant het tegen even bedoeld weigeringsbesluit gemaakte bezwaar van gedaagde gegrond verklaard met de aankondiging dat aan haar met ingang van 16 september 1999 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO zullen worden toegekend.
Blijkens dit besluit op bezwaar werd gedaagde belastbaar voor arbeid beoordeeld, maar werd zij toch doorlopend arbeidsongeschikt geacht omdat zij vanwege de duur van het revalidatieprogramma praktisch gezien niet beschikbaar voor arbeid is. Voorts zou na afloop van het revalidatieprogramma haar belastbaarheid opnieuw worden beoordeeld.

Bij brief van 10 februari 1998 heeft gedaagde appellant verzocht haar de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten voor het opvragen van medische informatie te vergoeden. Blijkens deze brief gaat het om een nota van de medisch adviseur van haar toenmalige gemachtigde van f 281,25 en een nota van de revalidatiearts van f 55,=. Deze beide nota's zijn in afschrift bij deze brief gevoegd. Dit verzoek heeft appellant bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit van 12 februari 1998 afgewezen omdat - kort gezegd - bij de aanvankelijke weigering gedaagde uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO te verstrekken geen sprake was van een duidelijke onrechtmatigheid of een kennelijk onzorgvuldig handelen van appellant.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden onder andere het volgende overwogen:

"Het besluit waarbij verweerder heeft geweigerd om tot vergoeding over te gaan van de kosten van rechtsbijstand gemaakt door eiseres in de bezwaarfase dient te worden aangemerkt als een zuiver schadebesluit. Tegen een dergelijk besluit kan bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld.

In lijn met de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en in aansluiting met het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht dient de rechtbank de norm te hanteren dat er voor vergoeding van schade door een bestuursorgaan aanleiding kan zijn indien de schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het bestuursorgaan.
Schade bestaande uit de kosten van rechtsbijstand gemaakt in de bezwaarfase, komt, op de voet van inmiddels bestendige rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, slechts voor vergoeding in aanmerking indien het herroepen onrechtmatige besluit door het bestuursorgaan tegen beter weten in is genomen.

Gelet op vorenstaande dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of verweerder met het besluit van 26 augustus 1997 onrechtmatig heeft gehandeld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake, omdat het herroepen van het besluit is gelegen in een onjuist gebleken standpunt omtrent de beperkte beschikbaarheid van eiseres voor het verrichten van arbeid en als gevolg daarvan omtrent de arbeids(on)geschiktheid van eiseres.

Voorts dient de vraag te beantwoord of dit onrechtmatig handelen aan verweerder kan worden toegerekend. De rechtbank overweegt hieromtrent dat, gelet op de jurisprudentie op dit punt, de schuld van het bestuursorgaan bij het herroepen van een onrechtmatig gebleken besluit, in beginsel is gegeven. Er zijn in het onderhavige geval geen omstandigheden gebleken op grond waarvan van dit beginsel dient te worden afgeweken, zodat naar het oordeel van de rechtbank het onrechtmatige besluit aan verweerder moet worden toegerekend.

Tot slot dient de vraag te worden beantwoord of verweerder het onrechtmatig gebleken besluit tegen beter weten in heeft genomen.

Hiervoor is het volgende van belang.
Blijkens het verslag van 13 augustus 1997 heeft eiseres tijdens het gesprek met de arbeidsdeskundige op die datum aangegeven dat zij vanaf eind september 1997 therapie zou gaan volgen. Voorts heeft eiseres de arbeidsdeskundige bij brief van 14 augustus 1997 (bij verweerder binnengekomen op 15 augustus 1997) ervan in kennis gesteld dat zij bereid was om mee te werken aan arbeidsintegratie, maar dat zeker twee tot drie maanden lang meerdere ochtenden dan wel middagen in de week gemoeid zouden zijn met revalidatie. Verweerder heeft daarop bij besluit van 26 augustus 1997 geweigerd om aan eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen.
Tijdens de hoorzitting op 9 december 1997 is, naast de namens eiseres aangevoerde bezwaren betreffende de medische beoordeling, aan de orde gekomen dat het revalidatieprogramma van eiseres een middag en twee ochtenden per week besloeg. De verzekeringsarts A. de Vries heeft verweerder op 9 december 1997 het advies gegeven om eiseres ook na 15 september 1997 arbeidsongeschikt te achten, omdat het revalidatieprogramma dusdanig veel tijd vergde dat eiseres het grootste gedeelte van de week niet beschikbaar was voor arbeid. Verweerder heeft overeenkomstig dit advies besloten en eiseres bij besluit van 9 januari 1998 met ingang van 15 september 1997 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend.

De rechtbank is, gelet op deze feiten en omstandigheden, van oordeel dat verweerder tegen beter weten in op 26 augustus 1997 heeft besloten om eiseres geen uitkering toe te kennen, omdat zowel de ingangsdatum als de omvang van het revalidatieprogramma bij verweerder bekend mochten worden verondersteld.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het hier geen evidente fout betreft omdat niet elke verzekeringsarts aan het volgen van een revalidatieprogramma de conclusie verbindt dat er sprake is arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit verweer geen doel kan treffen, aangezien niet de verzekeringsarts maar verweerder verantwoordelijk is voor de inhoud van verweerders besluiten. Nu verweerder bij besluit van 9 januari 1998 alsnog is overgegaan tot toekenning van de gevraagde uitkering moet worden geconcludeerd dat verweerder het besluit van 26 augustus 1997 onjuist heeft geacht."

De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de onrechtmatigheid van het besluit van 26 augustus 1997, de toerekening daarvan aan appellant en de vraag of appellant dit besluit tegen beter weten in heeft genomen. De Raad voegt wat dit laatste betreft en mede gelet op het ter zake door appellant in hoger beroep gestelde hieraan nog toe dat niet alleen het gesprek van gedaagde met de arbeidsdeskundige op 13 augustus 1997 maar vooral ook de brief van gedaagde van 14 augustus 1997 appellant noopte tot nader onderzoek alvorens het besluit van 26 augustus 1997 te nemen. Met deze brief stond immers genoegzaam vast dat gedaagde gedurende een zekere periode in verband met het gaan volgen van een revalidatieprogramma aanzienlijk minder dan een volledige werkweek - zijnde de omvang van de aan gedaagde door appellant voorgehouden functies - beschikbaar zou kunnen zijn voor het verrichten van arbeid, ook al was op dat moment de precieze aanvang en omvang van dat programma nog niet bekend en werd dit eerst in de bezwaarprocedure geheel duidelijk. Door niettemin toch het besluit van 26 augustus 1997 te nemen heeft appellant het aanmerkelijke risico genomen dat, zoals ook nadien in de betreffende bezwaarprocedure is gebleken, dit besluit onrechtmatig moest worden bevonden. De Raad is van oordeel dat onder de hier gegeven omstandigheden reeds het nemen van bedoeld aanmerkelijke risico door appellant de conclusie rechtvaardigt dat appellant het besluit van 26 augustus 1997 tegen beter weten in heeft genomen.

Gelet op het vorenstaande is appellant in beginsel gehouden aan gedaagde de door haar gevorderde, in de bezwaarfase gemaakte kosten te vergoeden. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Ter zitting is van de zijde van appellant subsidiair nog gesteld dat de nota van de medisch adviseur van 8 december 1997 ten bedrage van f 281,25 niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat het verslag van die adviseur, waarop die nota betrekking heeft, zich niet onder de gedingstukken bevindt. De Raad merkt dienaangaande ten overvloede nog op - de rechtsstrijd in dit geding beperkt zich tot de vraag of het besluit van appellant van 26 augustus 1997 tegen beter weten in was genomen - dat niet valt in te zien dat in het kader van de voorbereiding van het door appellant met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank nieuw te nemen besluit op bezwaar bedoeld verslag alsnog wordt ingediend.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,= voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant een recht van 675,- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 1.420,=
Bepaalt dat van appellant een recht van 675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2001.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.M. Overbeeke.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. AAW | WAZ | Wajong | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x